“Het gedoemde land, België 1830-2026” Lezing Den Haag
“Het gedoemde land, België 1830-2026” Lezing Den Haag
12 april 2026
Vorige woensdagavond, de 8ste, was ik te gast in de Sociëteit De Witte in Den Haag, voor een lezing, met wat illustraties, over mijn in 2025 verschenen boek HET VERDEELDE LAND (zie hieronder en elders op deze website).
De Sociëteit (https://societeitdewitte.nl )
is een eerbiedwaardig literair genootschap dat bijna twee en een halve eeuw oud is, met een paar duizend leden. Ze is in een fraai gebouw in hartje Den Haag gevestigd, aan het Plein bij het Binnenhof.
Ik heb een poging gedaan om, zo diep in het Hollandse noorden, ons complex Belgisch verhaal te beschrijven in iets minder dan een uur. Hierbij de tekst van mijn lezing. Alle beleefde reacties zoals steeds welkom op rolf.falter@gmail.com
Dames en Heren
Allereerst hartelijk dank voor de uitnodiging om hier te mogen spreken, in het historisch hart van Den Haag. Bedankt ook voor uw belangstelling voor dat vreemde buurland, waar je op botst, zo’n 30 km na de Moerdijkbrug.
Ik ben historicus. En verleden jaar heb ik een boek geschreven over de verdeeldheid van België. Als u dit kaartje met de deelstaten van België bekijkt hoop ik dat u meteen begrijpt wat ik bedoel. Dit is Vlaanderen, dit is Wallonië, dit is Brussel als apart gebied, dat officieel tweetalig is. En dan is er het piepkleine Ostbelgien, 75.000 inwoners. Het zijn vandaag de deelstaten van een tot federatie omgeturnd België. En die deelstaten zijn ontstaan op basis van hun taalstatuut: het louter Nederlandstalige Vlaanderen, het louter Franstalige Wallonië, het tweetalige Brussel en het overwegend Duitstalige Ostbelgien.
Wees gerust: ik ga u niet vervelen met institutionele constructies. Ik wil vooral een merkwaardig verhaal vertellen. We naderen het jaar 2030, wanneer België 200 jaar zal bestaan. En het eerste merkwaardig verhaal, is dat al die gegevens die ik net heb aangehaald, in 1830 helemaal niet aanwezig waren. Sterker nog: de termen ‘Wallonië’ en ‘Ostbelgien’ moesten nog worden uitgevonden.
Zelfs de term ‘Vlaanderen’, in de betekenis die we vandaag vooral gebruiken, bestond niet. ‘Vlaanderen’ vandaag, slaat op die deelstaat van daarnet, van Oostende tot net voor Maastricht, zeg maar. In 1830 riep de term ‘Vlaanderen’ enkel het oude glorierijk graafschap uit de middeleeuwen op.
Dat strekte zich ooit uit van de zee tot voorbij de Schelde en van Middelburg tot voorbij Calais, tot tegen Arras in Noord-Frankrijk. Dat graafschap is formeel blijven bestaan tot in 1794. Als je in dat jaar aan iemand uit Antwerpen, Mechelen of Leuven had gezegd dat hij een Vlaming was, dan was die beledigd geweest. Dat waren immers trotse Brabanders. Zoals de mensen van ’s Hertogenbosch, trouwens, al wil ik het niet te ingewikkeld maken.
U voelt het meteen aan: dit wordt een complex verhaal, dat ik noodgedwongen tot zijn essentie moet herleiden. Het verhaal waarom België in 1830 als wankele staat startte, een succes werd en dan toch weer ten onder leek te gaan aan een diepe interne verdeeldheid. Een verhaal dat behoorlijk uniek is in Europa, precies omdat het niet op het op dit continent gebruikelijke bloedbad is uitgedraaid. Al zijn we er in de twintigste eeuw een paar keer heel dichtbij geweest.
België begrijp je niet immers zonder de brede achtergrond van onze wrede Europese geschiedenis. Lange tijd werd die gedomineerd door godsdienstoorlogen. Maar vanaf de 18de eeuw onstond een nieuw altaar om voor te vechten: de natie, het vaderland, de taal.
Het is de periode waarin staatsapparaten beginnen te groeien, waarin, vanaf de Franse Revolutie, de staat onderwijs begint uit te bouwen voor zijn burgers. Taal is daarin essentieel, als communicatiemiddel. En dus ontstond er een streven naar het stroomlijnen van het taalgebruik, dat tot dan overwegend spontaan was.
Om een lang verhaal kort te maken: natie, volk, taal worden in Europa tussen 1750 en 1950 de sterkste motieven tot staatsvorming. En dus ook de beste motieven om oorlog te voeren, tot aan de bijna totale vernietiging van het continent anno 1945. Het zijn identiteitsconflicten, zoals ze vandaag nog bestaan in Oekraïne, in Gaza, en deze dagen ook rond de Perzische Golf.
Bekijk ook deze kaart, de staatkunde van Europa anno 1875. De staatvorming in Europa is sinds de feodaliteit altijd geëvolueerd naar steeds minder en steeds grotere verbanden. Tot ongeveer 1875. Europa telde toen zestien staten, het absolute minimum sinds het einde van het Romeinse Rijk. Vandaag zijn het er minstens 41. Maar wat een puinhopen zijn daar voor nodig geweest.
Dat wrede verhaal, van nieuwe en botsende identiteiten heeft zich ook binnen België voorgedaan. Beginnen we in 1830, het einde van het vijftien jaar eerder gecreëerde Verenigde Koninkrijk der Nederlanden.
Heel kort het geheugen opfrissen, bij dit beeld van de gewapende strijd om het park van Brussel. Een hongeroproer eind augustus. Een mislukte poging van koning Willems geregelde leger eind september om in Brussel de nog altijd relatief kleine revolte neer te slaan. Waarna het zuiden zich losrukt uit de greep van Den Haag, en men in het noorden op straat komt om dat ‘muitziek rot der Belgen’, zoals het werd genoemd, af te stoten.
En dus lag het grootste diplomatiek probleem van Europa sinds 1648 weer op tafel: wat te doen met dat gebied, dat militair vacuüm tussen de Republiek en Frankrijk? Ditmaal, in 1830, wensten de grootste rivalen, Londen en Parijs, voor één keer geen gewapende krachtmeting. En dus bedachten ze een tijdelijke stoplap.
Geef het afgescheurde gebied zijn onafhankelijkheid, op voorwaarde dat niemand van buiten er zich mee bemoeit. Het was allemaal als tijdelijk bedoeld. De oude Talleyrand, de Franse diplomaat die de zaak moest regelen, verdedigde dat in januari 1831 met zoveel woorden tegenover de achterban in Parijs: we gaan daar nu geen oorlog met Londen over voeren, die we misschien weer verliezen. Heb geduld, België valt ons straks vanzelf wel in de schoot.
Maar geschiedenis is grillig en onvoorspelbaar. De tijdelijke stoplap, de accidentele staat van 1830 werd het Europees succesverhaal van de negentiende eeuw. België was in de Belle Epoque, anno 1900 dus, het rijkste land van het continent. Zijn grootste monumenten zijn van toen: het Jubelpark, het Justitiepaleis en het mega-station van Tour en Taxis in Brussel, het Centraal Station van Antwerpen. Zijn economie was, dankzij een vroege industriële revolutie, anno 1913 de op vier na grootste van de wereld, niet relatief, maar in volume. Dat is ronduit fenomenaal.
Hoe zat het nu met taal in de nieuwe staat België anno 1830? Er waren, wat marginale politieke wrijvingen rond taal geweest in de Franse en Hollandse tijd voor 1830. Twee dagen na het uitroepen van de onafhankelijkheid decreteerden de nog onwennige revolutieleiders van België dat Frans voortaan de enige bestuurstaal van de nieuwe staat zou worden.
Nauwelijks iemand contesteerde dat. Frans was sinds de Bourgondiërs de bestuurstaal in Brussel, vier eeuwen al dus. Frans was de taal van de adel, de burgerij, de top van de geestelijkheid, de elite dus, die via het cijnskiesrecht de macht had gegrepen. Frans was de taal van de wetenschap, van de diplomatie, sinds de Code Napoléon ook van het recht.
Daarentegen werd Nederlands enkel gesproken door het gewone volk, in de vijf noordelijke provincies van het nieuwe België. En dan nog, want men kende drie duidelijk verschillende dialecten die slecht met elkaar communiceerden: het Vlaams in het oude graafschap, het Brabants in het centrum en een mengvorm tussen Nederlands en Duits in het oosten. Er was, anders dan bij het Frans, nog geen Nederlandse eenheidstaal, geen gedeelde spraakkunst of spelling. Er was, door twee eeuwen van versmachtende dominantie van de katholieke kerk, in die vijf provincies, al tweehonderd jaar lang geen enkel noemenswaardig literair werk geproduceerd.
En dus was Nederlands in het beginnende België gedoemd de taal van het plebs te blijven, misschien zelfs te verdwijnen. Zelfs de term ‘Nederlands’ geraakte in diskrediet, want hij verwees teveel naar het net verdreven bewind.
Het heeft dus niet zoveel gescheeld of België was helemaal Franstalig geworden. Trouwens, een groot deel van de mensen in de noordelijke provincies van het nieuwe land, begreep meteen perfect dat als je hogerop wilde geraken, Frans leren de kortste weg was. Dat is het gegeven dat meer dan welk ander de doorgedreven verfransing van België op gang trok Die redenering zal blijven opgeld maken bij een groot deel van de bevolking in Vlaanderen tot kort na de Tweede Wereldoorlog.
Het verhaal van het Nederlands in België doet daarom heel sterk denken aan dat van het Gallische dorpje van Asterix. Initieel, in het eerste decennium na 1830, waren er enkel wat bevlogen kunstenaars die de verdediging van dat Nederlands op zich namen, dat ze zelf hanteerden. Dat gebeurde in de enige twee steden in die noordelijke provincies die er toen toe deden: Antwerpen en Gent.
Daar waren maar een aanhangers van het oude Oranje-bewind bij. Dat waren vooral romantici, die het middeleeuws verleden herontdekten en dus ook de glorie van Brabant en Vlaanderen toen. Dat waren, zoals de meeste kunstenaars, wereldverbeteraars. Zij droomden van de ontvoogding van het volk. Zij meenden dat dit best in de eigen volkstaal kon gebeuren, niet via de omweg van het Frans.
De belangrijkste onder hen was Hendrik Conscience, van wie dit standbeeld in Antwerpen staat, vlak bij de stadsbibliotheek die naar hem is genoemd. Zoon van een Franse vader en een Antwerpse moeder, uitgesproken Belgische patriot in 1830, maar vooral de auteur van het eerste noemenswaardig literair werk sinds twee eeuwen: De Leeuw van Vlaanderen, die in 1838 verschijnt. Zijn variant op Ivanhoe van Walter Scott of Le clocher de Notre Dame van Victor Hugo.
Hij liet dat werk voorafgaan door een regelrechte aanklacht tegen de dominantie van het Frans. De eisen die hij stelde leverden meteen het hele Vlaams-nationalistische programma van de volgende honderd jaar: erkenning van het Nederlands als vrij te kiezen taal in onderwijs, gerecht en bestuur. En ook zijn analyse over de moeilijkheid van een staatsbestuur over wat hij al omschreef als twee volkeren was heel explosief.
Dat is dus het zaadje geworden, dat ging kiemen, dat ging groeien. Maar de actie van Conscience had nog een belangrijk neveneffect. Zijn Leeuw van Vlaanderen ging over een stuk geschiedenis van het oude graafschap met die naam: de geslaagde opstand van Brugge tegen de Franse koning anno 1302, met de Guldensporenslag bij Kortrijk als climax.
Conscience was, als Antwerpenaar, een Brabander. Zijn succesroman verspreidde een historische mythe uit het graafschap Vlaanderen over al wie varianten van Nederlands sprak in België. En dat loste een probleem op dat ik al even vermeld heb. Als men die talen die in het noorden van België gesproken werden niet meer ‘Nederlands’ mocht noemen, wat dan wel?
Een tijdlang heeft men ‘Nederduits’ geprobeerd als omschrijving, een begrip dat is blijven circuleren tot 1914 Maar vooral omdat Conscience voor zijn literaire taal uitsluitend de term ‘Vlaams’ hanteerde, is dat uiteindelijk ‘Vlaams’ geworden. En toen dan na 1870 de eerste taalwetten werden gestemd, waarin dat ‘Vlaams’ een begin van officiële erkenning verkreeg, moest men het territorium gaan omschrjven waar dat toegepast moest worden.
Dat is dan ‘Vlaanderen’ geworden, van Oostende tot Maastricht, een andere definitie van ‘Vlaanderen’ dan die van het oude graafschap. De Brabanders waren niet langer beledigd. Laat staan de onderdanen van het voormalige prinsbisdom Luik die van koning Willem de verkeerde naam ‘Lmiburgers’ hadden meegekregen.
Anno 1870 was die ‘Vlaamse Beweging’, zoals de Vlaamse nationalisten zich toen noemden, al breder dan wat kunstenaars in Antwerpen en Gent. Ze was politiek gerecupereerd door de katholieke kerk, die in Vlaanderen het sterkst stond, gezien dit grotendeels agrarisch gebied was. Het is toen dat het Vlaams nationalisme een conservatief en vaak zelfs reactionaire onderstroom kreeg, die er tot op vandaag dominant in is gebleven.
Toch was die taalkwestie nog altijd eerder marginaal. De goedgekeurde taalwetten erkenden het Nederlands als bestuurstaal in bepaalde gevallen bij onderdanen die het Frans totaal onmachtig waren. Heel voorzichtig, heel bescheiden.
Anno 1893 voerde België echter een getemperde vorm van algemeen stemrecht in, voor alle mannen. Meteen lag plots een immens politiek probleem in het midden van de tafel: ruim de helft van de kiezers in België bleek bestuurd te worden in een taal die ze niet verstonden. Dat was politiek zo explosief dat je meteen bij de eerste verkiezingen leidende burgerlijke figuren van de katholieke partij, al dan niet vanaf een geschreven tekst, wat woorden Nederlands zag stamelen, begeleid met nederige excuses naar hun kiezers toe.
Die druk van het algemeen stemrecht na 1893 heeft tot nieuwe, veel verregaander taalwetten geleid. In 1898 zelfs tot een wet die de principiële gelijkheid van beide talen in het bestuur van België erkende. De eerste veruitwendiging daarvan was dat het Staatsblad, de officiële courant van wetten en Koninklijke Besluiten, sedertdien in twee kolommen op dezelfde pagina wordt gedrukt, één in het Nederlands, één in het Frans, waarbij de voorrang om het jaar wisselt. Zoals hier op het exemplaar van vorige zaterdag.
Tegelijk ontstond er in die periode een radicalisering van de Vlaamse nationalisten. Literatoren en academici zagen dat elders in Europa de volkstaal het Frans ging vervangen als taal van de wetenschap en de universiteiten. Zij concludeerden: als je het volk, dat nu stemrecht heeft, echt wil emanciperen, dan zal dat rechtstreeks, via de Vlaamse taal, moeten gebeuren. En dus moest de tendens in de Vlaamse bevolking om voor Frans te kiezen teruggedrongen worden.
August Vermeylen, een jonge Brusselse schrijver, avant-gardist, socialist, kunsthistoricus, uit een Nederlandstalig gezin, maar in het Frans naar school gegaan, formuleerde dat in de laatste jaren van de negentiende eeuw zo: Daarom, ja daarom moeten wij beletten dat het Fransch opgedrongen worde aan menschen, die nog niet eens behoorlijk Vlaamsch weten te spreken. Beletten dat het Vlaamsche volk, onder 't overwicht van het Fransch in de heerschende klassen, beklemd blijve in zijn halfheid,
die nietswaardigheid wordt.
Als je het Frans wilde terugdringen, kon dat alleen door via de wet alle bestuur en onderwijs in Vlaanderen verplicht eentalig te maken. De eerste eis werd nu de volledige vernederlandsing van de universiteit van Gent. Geen splitsing van die universiteit in een Vlaams en Franstalig gedeelte, geen nieuwe Vlaamse universiteit naast de bestaande. Neen: de vernederlandsing. Dus het verdwijnen, weliswaar over vele jaren gespreid, van alle Franstalige lessen, van alle Frans in het universiteitsbestuur.
Ik kom daarmee aan een delicaat punt. Dat opleggen van eentaligheid ruikt, naar ons modern aanvoelen, toch een beetje naar ‘etnische zuivering’. Want de hele elite van Vlaanderen, toch gauw enkele honderdduizenden mensen, sprak Frans op dat moment. Ik moet bij die terminologie wel even nuanceren: voor 1914 was de tendens tot eentaligheid sterk in alle landen van Europa. En het begrip ‘rechten van minderheden’ moest bij wijze van spreken nog worden uitgevonden. Net trouwens als de term ‘etnische zuivering’.
Maar ik moet ongetwijfeld niet benadrukken dat zelfs geleerde professoren die verplicht werden na enige tijd op een andere werktaal over te schakelen dan diegene die zij altijd hadden gebruikt, dat niet graag deden. En zich daartegen gingen verzetten, soms ook behoorlijk opgewonden.
We zullen dadelijk zien dat het in Vlaanderen quasi miraculeus niet tot bloedige ‘zuivering’ is gekomen. Maar toch al maar even vooruitlopen met de bemerking dat de fascistische Vlaamsnationale partij VNV, die zich bij de Duitse bezetting in 1940 in de armen van de nazi’s stortte, meteen ook voorstelde om heel het Franstalig gebied van België te laten koloniseren door Vlamingen, en de Franstaligen die het daar niet eens mee waren over de grens met Frankrijk te drijven. Zelfs de nazi’s vonden dat toen even te verregaand.
Hoe hebben de mensen die Frans spraken in België gereageerd op heel die evolutie? Eerst meewarig, misprijzend zelfs. Graaf Clary, de ambassadeur van Oostenrijk-Hongarije, beschreef dat in 1912 aan zijn minister in Wenen, ik citeer: ‘De Walen, hebben aanvankelijk die Vlamingen (‘flamingants’) veracht. Ze maakten er zich op alle mogelijke wijzen vrolijk over. Maar nu beginnen ze zich over die kwestie zeer op te winden’.
Bij de eerste taalwetten begon het toch tot sommige ambtenaren immers door te dringen dat zij vroeg of laat wettelijk verplicht konden worden het Nederlands, die minderwaardige taal, te hanteren in hun werksfeer. Daar is heel snel het non possumus op gevolgd. Je kan zonder overdrijven stellen dat tot het laatste kwart van de twintigste eeuw veruit het grootste deel van de Franstaligen in België gewoon geweigerd heeft Nederlands te leren. Dat klinkt heel brutaal en schokkend. Je kan dat daarom enkel verklaren met empathie, en zelfs wat psychologie.
Stel je even in hun plaats. Waarom zou je immers een taal moeten hanteren die, anno 1870 alleszins nog, als veel primitiever geboekstaafd stond dan dat algemeen erkend superieur Frans. Twee: in het Franstalige industriële zuiden van het land en in de hoofdstad Brussel domineerden politiek gezien de liberalen. De Vlaamse zaak werd verdedigd door de katholieken, die door hen als bekrompen en zelfs achterlijk werden beschouwd. Drie: Nederlands was sowieso de taal van de lagere klassen in Vlaanderen, waarom zou je dan van je sociale status moeten afdalen? Vier, en tenslotte: zeker na de invoering van het algemeen stemrecht dreigde Nederlands ook de taal te worden van de politieke meerderheid in het land. Nederlands spreken werd zo synoniem voor status- en machtsverlies. Daarom die weigering, daarom die mentale blokkering. Het heeft de zaken natuurlijk niet vooruitgeholpen.
Daarom ook dat het idee van algemene tweetaligheid van het land, waarmee regeringen twee decennia gespeeld hebben, nooit een kans heeft gemaakt. Het Franstalig gedeelte van België moest eentalig blijven, en Vlaanderen tweetalig, dat was onder Franstaligen tot voorbij 1970 de dominante mening.
Zo is er dus een Franstalige tegenbeweging gegroeid. Dat is op zich ook een complex verhaal. Er groeiden daar interne tegenstellingen tussen Brussel, dat burgerlijk-Franstalig bleef, en het Franstalig industriële gebied in het zuiden. Dat stemde vanaf 1893 heel dominant socialistisch, later zelfs communistisch. Het ging zich met de nieuwe term ‘Wallonië’ identificeren, om zich af te zetten tegen de kapitalisten van de hoofdstad. Het zou me echter te ver voeren om meer te doen dan die tweespalt te signaleren.
Zoals ik ook de problematiek van Brussel zelf maar even kan aanhalen. In essentie: de hoofdstad was anno 1840 een stad waar 65 % van de bevolking Nederlands sprak,de lagere klassen uiteraard. Die is in de eeuw nadien verfranst, tot 85 % van de bevolking die Frans sprak anno 1970. Officieel is Brussel altijd tweetalig gebleven, waardoor de hoofdstad vandaag een aparte institutionele structuur heeft.
Wat ik wel moet benadrukken, is dat er anno 1914 al een geweldige Franstalige frustratie was gegroeid over het oprukken van de Vlaamse Beweging. Jules Destree, een socialistisch advocaat en politicus uit Charleroi in het hart van industrieel Wallonië, heeft dat in 1912 verwoord in een open brief aan de koning, die even schitterend geschreven was was als dat voorwoord van Hendrik Conscience in 1838. Destrees pamflet is bekend gebleven onder zijn titel: Sire, il n’y a pas de belges. En daarmee was alles gezegd.
U voelt het natuurlijk aankomen: hier groeide een conflict, een diep conflict dat – ik herhaal het nogmaals – in 1830 quasi niemand had zien aankomen. De katalysator werd een nieuwe acteur op het Belgisch toneel, in 1914: de Duitsers. Die vielen het land binnen, gingen het vier jaar lang bezetten, plunderen, mishandelen en uitbuiten. Eén miljoen Belgen sloegen op de vlucht naar Nederland alleen al. Ik kan het eenvoudig samenvatten: België is, eventueel met Servië, het enige Europees land dat in de Eerste Wereldoorlog nog meer heeft geleden dan in de Tweede. Dat wil toch wel wat zeggen.
Desondanks hebben die Duitsers, die uiteraard gehaat werden, het Vlaams-nationalisme willen promoten. Hun doel was België verder te verzwakken, eventueel rijp te maken voor annexatie bij het mogelijk scenario van een compromisvrede. En dus betaalden ze fors om toch enige extremisten van de Vlaamse zaak mee te krijgen. Dat werden de zogenaamde ‘activisten’, die ondanks de bezetting toch actief de Vlaamse strijd verder wilden zetten. Op Duits initiatief voerden ze ook de vernederlandsing van de universiteit van Gent door. Dat was een daad die weliswaar toch een beetje sympathie opleverde in bredere kringen van de Vlaamse Beweging. Maar de universiteit werd wel quasi volledig werd geboycot door de bevolking.
Die telegeleide Vlaamsnationalisten waren zelfs zo bang van de Vlamingen dat ze de Duitsers smeekten hun namen niet bekend te maken. In maart 1917 werden ze uitgenodigd op de koffie bij kanselier Bethmann Holweg in Berlijn. Die wilde hen uiteraard promoten als symbool van het onderdrukkende en onrechtvaardige België. Hij liet een foto van hen nemen en zette die in de krant. Tot afgrijzen van de betrokkenen.
De activisten zijn moeten vluchten en onderduiken bij de Duitse nederlaag eind 1918. Toch werd hun optreden door de Franstaligen in België gebruikt om meteen de hele Vlaamse strijd te discrediteren. Bovendien was er een nieuw probleem gerezen. In het Belgisch leger dat vier jaar achter de Ijzer gestreden heeft, in de uiterste Westhoek van België, heeft een eigen variant plaatsgevonden van de muiterijen die alle Europese legers tijdens die oorlog hebben geteisterd.
Het ging om stuitende discriminaties: Vlaamse soldaten die met louter Franse bevelen, waarvan ze geen jota verstonden, in de vuurlijn werden gejaagd en uiteraard met alle misverstanden de dood vonden. Die instructies kregen over beveiliging tegen een gasaanval in het Frans, een taal die velen onder hen niet begrepen. En die dan op hun graf enkel een Franstalig opschrift kregen. Ik moet niet uitleggen hoe explosief dit was. En de Belgische legerleiding, koning Albert voorop, heeft op de onrust gereageerd met hetzelfde middel als in andere legers: louter repressie. Gelukkig nauwelijks met executies, vooral gevangenisstraffen.
Begin 1919, toen iedereen terug in Brussel was, was iedereen ook geradicaliseerd. Vier jaar ellende had diepe wonden geslagen. Het bbp van het land was met ruim een kwart gekrompen. De burgerlijke elite die ondanks het algemeen stemrecht tot 1914 bijna ongeschonden haar machtspositie had kunnen bewaren, moest nu wel openbreken naar de kinderen van het algemeen stemrecht toe: de socialisten in industrieel Wallonië, de Vlaamse nationalisten in katholiek Vlaanderen.
Maar vooral niet beide samen, want dat gold voor die burgerlijke elite als horrorscenario. Koning Albert, die met veel internationaal prestige van het front terugkeerde, legde in 1918 eigenhandig en behoorlijk autoritair politieke keuzes op. Hij deed, om revolutie te vermijden, verregaande concessies aan de socialisten. Hij wilde ook wel iets doen voor de Vlaams-nationalisten, maar verzette zich tegen de eis van eentaligheid. Uiteindelijk, onder druk van de anti-Vlaamse reactie tegen de collaboratie door de activisten, deed hij niets.
Dat radicaliseerde nog meer de Vlaamse Beweging, en zelfs de massa in Vlaanderen, die zag dat de socialisten, vooral sterk in Wallonië, verregaande toegevingen verkregen, de Vlamingen daarentegen niets. Onder die toenemende druk dumpte de Belgische elite anno 1927 dan toch de socialisten en haalde ze de Vlaamse nationalisten in de regering. Ook omdat die, in de woorden van een leidend burgerlijk politicus toen, en ik citeer ‘toch minder erg waren dan de socialisten’
Wat heeft de doorslag gegeven? Economische motieven vermoed ik. Vlaanderen bleek vanaf het einde van de jaren twintig de toekomst. De haven van Antwerpen groeide als kool, de industrie ontwikkelde zich nu ook in Brabant en Oost- en West-Vlaanderen, men opende nieuwe steenkoolmijnen in Limburg.
De staalfabrieken en steenkoolmijnen in de industriële bekkens van Luik en Henegouwen daarentegen werden steeds minder rendabel. Bovendien waren er daar nu sterke socialistische vakbonden, hoe vreselijk toch voor de belegger. De voornaamste Vlaamse politieke leider, de Antwerpse burgemeester Frans Van Cauwelaert die tot 1925 een outcast was in Brussel, verhuisde naar het centrum van de Belgische macht. Binnen de tien jaar, tegen 1938, geraakte de wettelijke eentaligheid van Vlaanderen gerealiseerd.
Die economische verschuiving verklaart volgens mij ook waarom die eentaligheid finaal niet tot een etnische zuivering in Vlaanderen heeft geleid. Het is een onwezenlijk, zelfs wat misterieus verhaal. Anno 1930 was de voertaal in de overgrote meerderheid van de middelbare scholen, universiteiten en openbare besturen in Vlaanderen nog altijd vooral Frans. Vijftig jaar later werd daar overal enkel nog Nederlands gebruikt. Op een halve eeuw tijd is alle officieel Frans uit Vlaanderen verdwenen, zijn toch zo’n klein half miljoen Franstaligen in het straatbeeld opgelost. Zo geruisloos dat zelfs de historici tot op heden die toch heel merkwaardige ontwikkeling hebben verwaarloosd.
De Vlamingen triomfeerden, met de Franstaligen ging het bergaf. De crisis van de jaren dertig trof de industrie in Wallonië zeer hard. Er groeide een heuse Waalse beweging, zeer militant, radicaal links uiteraard. Stilaan begonnen die eerste Waalse nationalisten hun conclusies te trekken: als Franstaligheid en politieke progressiviteit minoritair worden in België, dan moeten we ons terugplooien op eigen politieke structuren, los van het heersend unitair Belgisch bestuur. We moeten van België een federale staat maken.
Dat Waals verlangen naar federalisme bleef echter marginaal. Een kans om terrein terug te winnen op de Vlamingen kwam er echter in 1944, na het einde van de Duitse bezetting. Even terug in de tijd. De Vlaamse frontsoldaten die in 1918 waren teruggekeerd, zijn nadien de meest radicale nationalisten geworden. Ze wilden België opdoeken. En ze ontwikkelden het idee van Groot-Nederland als alternatief: Vlaanderen en Nederland samen, met Brussel erbij. Ze hebben ook een eigen partij gesticht, de Frontpartij.
Doordat de Vlaamse eisen na 1918 in eerste instantie nauwelijks ingewilligd werden, groeide die partij ook, bescheiden, tot 10 % van de kiezers in Vlaanderen in 1929. Maar toen ze in 1932 terugviel, koos ze half-aarzelend voor de nieuwe politieke mode: fascisme. Inmiddels waren ook de activisten teruggekeerd en in die partij actief geworden, met Duitse en Nederlandse financiële steun overigens. Den Haag hielp een handje, omdat een deel van officieel Belgie¨in de aanloop naar het Verdrag van Versailles in 1919 op de annexatie van Zeeuws-Vlaanderen en Nederlands-Limburg had geaasd. Tevergeefs trouwens.
Het fascistische VNV, extreem Vlaams-nationalistisch, reactionair ook, steeg naar bijna 20 % van de stemmen in Vlaanderen in 1939. Het stortte zich het jaar nadien met een groot deel van haar aanhang volop in de collaboratie, inbegrepen het innemen van alle lucratieve functies in het bestuur van het bezette land en het helpen deporteren van 25.000 joden naar Auschwitz.
Over de politieke toekomst van Vlaanderen kregen de Vlaamse collaborerende leiders pas uitsluitsel in februari 1944. Dat was tijdens een treinreis met Heinrich Himmler in zijn wagon van Berlijn naar Salzburg. Dat België moest verdwijnen, daar waren allen aan boord het roerend over eens. Maar wat met Groot-Nederland dan? ‘Weet u’, zei Himmler. ‘Dat Nederlands waar jullie het over hebben, dat is toch louter fictie. Ik ken maar één taal tussen Boulogne en Riga, en dat is het Nederduits. Bovendien: denken jullie echt dat wij ooit die monding van de Grote Rivieren, zo vlak tegenover de open kust van Engeland, gaan opgeven?’
U begrijpt dat het in 1945 in België tijd was voor een heftige Franstalige reactie. Die is er gekomen, in heel diverse vormen. Die is geculmineerd in de meest eenvoudige vraag: mag koning Leopold III, die in 1944 door de Duitsers was weggevoerd, naar België terugkeren of niet? Leopold had voor de oorlog gesympathiseerd met autoritaire gedachten. Hij had zijn misprijzen voor het gewriemel van de politieke klasse nauwelijks verborgen. In 1940 had hij vooral eigengereid en zonder zijn regering geconcludeerd dat de oorlog voorbij was. Hij trachtte in november van dat jaar op de koffie bij Hitler zelf in Berchtesgaden nog wat uit de brand te slepen voor het behoud van zijn troon.
Op dat verhaal polariseerde het hele land, zoals de Amerikaanse ambassadeur Charles Sawyer al in de zomer van 1945 aan Washington berichtte: wie links, vrijzinnig en Franstalig was, wenste doorgaans de koning niet terug. Wie rechts, katholiek en Vlaams dacht, en wie ook maar een klein beetje sympathie voor de Duitsers had vertoond, koos voor Leopold. In een referendum in maart 1950 gaf 57,7 % van de kiezers zijn steun aan de koning. Maar een meerderheid in Brussel en Wallonië bleek tegen.
Leopold keerde terug op 22 juli, in een sfeer van nakende burgeroorlog. De vele wapens die na de oorlog waren blijven rondslingeren werden weer ingevet. Er vielen vier doden in Luik op 30 juli. Pas dan, in de vroege ochtenduren van 1 augustus, deed Leopold wat alle leidende politici, al dan niet fluisterend, al een hele poos het beste vonden: abdiceren ten voordele van zijn zoon Boudewijn.
Kijk eens aan: heel ons verhaal, waarvan in 1830 nog geen spoor was, is anno 1950 heel nipt geen burgeroorlog geworden, en ook, zoals we zagen, geen oefening in etnische zuivering. Is er een reden waarom de Belgen niet, en zoveel andere staten van Europa doorgaans wel, in die valkuilen zijn getrapt? Of is het louter toeval?
Persoonlijk denk ik toch wel dat er een soort van Belgisch onderbewustzijn is gegroeid, na eeuwen van oorlog op dit grondgebied, als slagveld van Europa, zoals de Belgische historicus Henri Pirenne dat ooit omschreef.
De Franse consul in Luik berichtte op 2 augustus 1950 aan Parijs hoe al die lokale heethoofden die naar de wapens aan het grijpen waren zo opgelucht waren dat Boudewijn overnam. Dan hoefden ze toch niet te vechten. Belgen maken graag ruzie, maar hun leven voor iets geven doen ze al lang niet meer.
Die afkeer voor gewapende verdeeldheid, voor oorlog en geweld, is zo gegroeid uit dat zielig verleden na 1648. Dat maakt Belgen instinctief zo antimilitaristisch en dus ook, in tegenstelling tot Nederland, tot één van de slechtste leerlingen van de Navo. Dat maakt Belgen, nog veel meer dan de Nederlanders, tot kampioenen van de compromisvorming, tot in het surrealistische toe als het moet, een reputatie die ze inmiddels ook in de Europese instellingen meedragen.
Compromisvorming is wat na 1950 hoog op de Belgische politieke agenda kwam te staan. Dat gebeurde eerst met het wettelijk vastleggen van de taalgrens, in 1963. Vanaf 1970, en vijfenveertig jaar lang, met zes opeenvolgende diepgaande grondwetsherzieningen. Ik heb dat in mijn boek getracht zo helder en bevattelijk mogelijk te vertellen, maar krijg ook dan nog van lezers te horen dat dit wel het moeilijkste deel is.
Want het land werd in die 45 jaar omgeturnd van een unitaire en centrale staat naar een federale constructie, waarin de financiële slagkracht van de deelstaten samen vandaag minstens even groot is als die van de Belgische federatie. Heel veel potentiële wrijvingspunten zijn zo uit elkaar gehaald.
Maar dat hele proces is ook chaotisch verlopen, telkens in de opgespannen sfeer van regeringscrisisssen en regeringsformaties, met vaak ook slordige en nog meer onverstaanbare compromissen. Waarbij je alleen maar kan vaststellen dat haast altijd de grootste politieke ruzies op kleine, maar zeer symbolisch geladen dossiers sloegen.
Terwijl iedereen zich op dat soort kwesties concentreerde zijn de grote krachtlijnen van elke hervorming daarentegen quasi altijd geruisloos de parlementaire debatten gepasseerd. Dat was dan vermoedelijk omdat de overgrote meerderheid van de verkozenen des volks en van de journalisten het niet zag zitten om te trachten te begrijpen hoe dat alles in elkaar stak.
Zo is België diepgaand hervormd, zelfs al zal er vermoedelijk nog ooit een zevende staatshervorming nodig zijn om de talloze halfafgwerkte werven die zijn overgebleven te stroomlijnen. Anno het jaar 2000 dachten we bovendien dat België definitief tot rust ging komen: de taalkwesties waren opgelost, het buskruit tussen Vlaanderen en Wallonië leek ontmanteld.
Maar toen betrad de Antwerpenaar Bart De Wever de arena, met een nieuwe Vlaamsnationalistische partij, de Nieuw-Vlaamse Alliantie, afgekort NVA. Hij bleek een sterke politieke persoonlijkheid. Hij boorde het conservatief spectrum in Vlaanderen aan, dat zich al een tijd verwaarloosd voelde, niet het minst in de media. Hij ontwikkelde een beschaafder variant van de migrantendiscussie die tot dan enkel door het extreem-rechtse Vlaams Blok was aangesneden. Noem hem gerust een subtielere en beter gepolijste versie van Geert Wilders, waarmee je wèl kan buitenkomen.
Die NVA werd in 2010 quasi uit het niets de grootste fractie van het Belgisch parlement. Ze is dat sedertdien gebleven. Je zou denken dat de leider van de grootste fractie van het parlement automatisch de eerste minister mag leveren. Dat is wat jullie recent nog met Rob Jetten hebben gedaan. Welnu Bart De Wever heeft vijftien jaar moeten wachten. Waarom?
Vanwege het eerste artikel van de statuten van zijn partij. Ik citeer: In haar streven naar een
beter bestuur en meer democratie kiest de Nieuw-Vlaamse Alliantie logischerwijs voor de onafhankelijke republiek Vlaanderen, lidstaat van een democratische Europese Unie. Logischerwijs wordt de naam België niet meer vermeld. De NVA is immers ook de historische erfgenaam van de Frontpartij die na 1918 België heeft afgeschreven.
Dat signaleert overigens een heel uniek aspect aan ons verhaal. De NVA draagt een op wereldschaal unieke variant van nationalisme uit: het streven van afscheiding uit een land door de meerderheid van de bevolking van dat land. Dat vind je nergens anders in de wereld. De NVA kan immers ook maar de grootste fractie zijn omdat ze in de meerderheid van het land haar kiezers aanboort.
Het heeft iets absurds uiteraard, in hoge mate zelfs. In mijn land hoor je vaak de veelgestelde vraag: voelen Vlamingen zich Belg of vooral Vlaming? Waarop je kan antwoorden: wat is het verschil als 60 % van de Belgen officieel Vlamingen zijn? En wat moet Mohammed antwoorden die net de Belgische nationaliteit heeft verworven, in Vlaanderen woont en daar waarschijnlijk de verplichte inburgeringscursus van de Vlaamse deelstaat heeft moeten volgen? Identiteitsgevoelens en rationaliteit, het blijft een moeilijk huwelijk.
Zodus is De Wever in 2010 bewust langs de zijlijn blijven staan. Hij heeft lang naar zijn achterban moeten beweren helemaal niet geïnteresseerd te zijn in het premierschap van het vermaledijde België. Hij heeft hij in 2014 zijn eerste regering gevormd, maar toen wijselijk afgezien van de formele leiding ervan. In 2019 deed hij wel al een greep naar de macht, maar hij werd in zijn poging op het laatste moment gefnuikt, in een web van vreemde intriges. Twee van die formaties, in 2010 en 2019, hebben, dat weet u nog, ruim 500 dagen geduurd.
Begin 2025 is De Wever dan wel eerste minister van België kunnen worden, met sympathie van het koninklijk hof zelfs. Met neusknijpers toe vertelt hij aan zijn achterban, dat hij, uiteraard zeer tegen zijn zin, die verantwoordelijkheid wel moest opnemen in het belang van Vlaanderen. Hij kan zo een conservatief beleid voeren dat strookt met wat zijn achterban verlangt. Zijn Vlaamsnationalisme moet hij wel wijselijk opbergen, al kan hij dat nauwelijks openlijk toegeven. Voorlopig komt eerste minister Bart De Wever met dat alles ook weg, verkeert hij zelfs in een merkwaardige staat van genade in de Belgische publieke opinie.
Ik heb dat in 2014 aan mijn collega’s in het Europees Parlement, waar ik ambtenaar was, moeten uitleggen. De NVA was net in de Belgische regering getreden, en nam onder meer de portefeuilles van Defensie en Binnenlandse Zaken in handen. My goodness,zeiden mijn Britse collega’s, jullie vertrouwen de sleutels van ’s lands veiligheid dus toe aan de partij die het land wil zien verdwijnen.
Het enige antwoord dat ik kon verzinnen was verwijzen naar een interview dat de kersverse nieuwe minister van Binnenlandse Zaken, Jan Jambon, een notoir separatist, net op tv had gegeven. ‘Bent u nog voor een onafhankelijk Vlaanderen?’, vroeg de journalist. Waarop Jambon met uitgestreken gezicht antwoordde: ‘Natuurlijk ben ik dat nog altijd. Maar het is evenzeer duidelijk dat een meerderheid van de Vlaamse kiezers dat op dit ogenblik niet wenst. En dus stelt zich dat probleem niet’.
Mijn Britse collega’s reageerden schaterlachend op dat verhaal. ‘Belgium! René Magritte! Surrealism! Wonderful! The masters of compromise!’. Ik heb het ook aan mijn Spaanse collega’s proberen te slijten, zowel de Castilliaanse als de Catalaanse. Die konden alleen maar onbegrijpend en stilzwijgend het hoofd schudden.
Vraag me, tot slot, niet om u te vertellen hoe dit verhaal afloopt. Ik ben stilaan te oud geworden om me nog aan voorspellingen over België te wagen. Herinner u dat Talleyrand al na enkele maanden beweerde dat het niets zou worden. Daarom noem ik deze lezing ook ‘Het gedoemde land’. Voorspellen dat België verdwijnt is de normaalste zaak van de wereld, steunt zelfs op enige logica. Maar straks vieren we zijn tweehonderdste verjaardag, als inmiddels één van de tien oudste continue staatsverbanden van het continent.
Wat moet u, als Nederlanders, onthouden? Vooral dat het om een complexe buur gaat, een heel ander land dan Nederland, ondanks de gemeenschappelijke taal met de meerderheid van dat buurland. België heeft zijn eigen historische littekens, zijn eigen structuren, zijn eigen ontwikkelingen. Besef vooral dat het in een permanente identiteitscrisis leeft, eigenlijk sinds de Vrede van Münster.
Besef ook dat identiteitsgevoelens verschrikkelijk irrationeel zijn, zoals de Europese geschiedenis ons helaas leert. Ikzelf haal in lezingen in Vlaanderen voortdurend de officiële statistiek van de Vlaamse overheid aan die stelt dat het per capita inkomen van de Vlaming vandaag 30 % hoger ligt dan dat van de Waal. Ook al is per capita een te relativeren gegeven, dat is een immense kloof. En toch kom ik bij elke lezing telkens weer oudere Vlaamsnationalisten tegen die voet bij stuk houden dat de Vlamingen in België nog altijd gediscrimineerd worden.
Precies omdat die identiteitstoestanden zo emotioneel en zelden rationeel zijn, mag je er niet misprijzend over doen. De beste Belgische politici zijn zij die ze incalculeren. Zij die beseffen dat je die woeste tijger telkens weer met heel veel geduld en empathie moet temmen.
Tegelijk zijn we in de Lage Landen, als kleine Europese staten, gedoemd tot meer samenwerking. In het grotere Europees verband tegenover China en de VS, uiteraard. Iets kleinschaliger als straks, over pakweg een kwarteeuw, Rotterdam en Antwerpen één havengebied zullen zijn, zoals sommigen al voorspellen.
Trachten te begrijpen en te beheersen is bij alle identiteitskwesties dus cruciaal. Wij, in België, moeten dus absoluut Nederland nog veel beter leren kennen. Omgekeerd wil ik u graag uitnodigen om ‘België beter leren begrijpen’ tot onderdeel te maken van elk toekomstgericht denken van elke Nederlander.
Ik dank u.
Rolf FALTER. Het verdeelde land, België 1830-2025. Uitgeverij Lannoo, 2025. 39,99 €
HET VERDEELDE LAND. BELGIË 1830-2025
Je kan het boek vinden in de boekhandel of rechtstreeks bestellen bij Lannoo, via deze link: https://www.lannoo.be/nl/het-verdeelde-land
(De foto hierboven is een fragment uit het boek 'De avonturen van Belgman, deel 1' van Hugoké (de in 2021 overleden Hugo De Kempeneer), die illustreerde, en Hugo Claus, die de teksten schreef. Het verscheen in 1967 en was een smakelijke satire van onze communautaire verhalen in België. Het verkocht niet goed. De communautaire spanningen liepen dat jaar bijzonder hoog op, vooral rond de kwestie-Leuven.)
Zelfs de stichters van België in 1830, vooral dan de diplomaten in Londen, hadden al het scenario in hun hoofd dat de nieuwe staat snel zou verdwijnen. Sindsdien is het einde van België continu aangekondigd, ontelbare keren. Maar ook de Duitsers, die nochtans flink hun best deden, kregen de kleine staat niet kapot. Inmiddels viert dat eerst precaire en later wankele land over vijf jaar wel zijn tweehonderdste verjaardag.
Die paradox tracht Rolf Falter te verklaren, in zijn nieuwste boek. De splijtzwam tussen Vlamingen en Franstaligen staat er centraal. Vertrekkend van een toch wel vreemde vaststelling: anno 1829 hadden de termen België en Vlaanderen een heel andere betekenis dan vandaag en bestond de term Wallonië zelfs helemaal niet.
Zoals in zijn succesvolle voorgaande historische werken bergt de auteur de clichés en vooroordelen op, van welke kant ook. Hij dringt door tot de karakters, de persoonlijke motieven, de dwaasheden en geniale momenten, de driften en de wijsheden. Pas dan wordt het verhaal boeiend, intrigerend, vaak verrassend en hoe dan ook onvoorspelbaar. Geen van de spelers zelf heeft er greep op.
Vooral stelt Rolf Falter doorheen het snel evoluerend verhaal over ons communautair verleden vragen die toch nog toe te explosief klonken. Waarom is het Nederlands niet verdwenen na 1830? Waarom hebben de Franstaligen zo lang geen Nederlands willen leren? Waarom wilden de Vlamingen het officieel gebruik van het Frans in Vlaanderen bewust doen verdwijnen, en hoever wilden ze daar in gaan? Waarom is het Vlaams-nationalisme overwegend rechts en conservatief geworden, het Waalse overwegend links?
Met die invalshoeken klinkt het verhaal over Vlamingen en Franstaligen in België verrassend nieuw, veel meer op maat van de eenentwintigste eeuw, waarin we hopelijk toch geleerd hebben de nationalistische passies in ieder van ons te relativeren, zonder ze daarom te negeren.
Dit boek levert heel veel nieuwe inzichten op over een oud thema dat we dachten te kennen. Daardoor is het nu al een standaardwerk over een stuk geschiedenis van dit kleine, verdeelde land. Een boek dat iedereen in België zou moeten lezen om de staat waarin we wonen beter te begrijpen, en te beoordelen.
‘Je mag dat communautaire toch nooit onderschatten’, zo zei Hugo Schiltz in een discreet tweegesprek anno 1994. ‘Die hele kwestie van ‘Leuven Vlaams’ eind de jaren zestig, dat had potentieel gewelddadig kunnen worden. Alle communautaire spanningen kwamen daarin bijeen. ‘Walen Buiten’ werd in het gezicht geschreeuwd van mensen waarvan de familie daar al heel lang woonde. En vergeet niet dat er precies in die jaren in Noord-Ierland, in Duitsland en in Italië onder meer elementen uit de studentenbeweging zijn geradicaliseerd naar terrorisme toe.’
Schiltz, 66 op dat moment, was een Antwerpse advocaat, en een man van compromissen. Hij had net meegeholpen aan de realisatie van de vierde staatshervorming, vanuit de oppositie dan nog. Zijn partij, de Volksunie, had na een verkiezingsnederlaag in 1991 verkozen uit de regering te blijven. Ik was de journalist tegen wie Schiltz bovengenoemd citaat van 1994 uitsprak, tijdens een lunch.
Die analyse van Schiltz toen is me altijd blijven intrigeren. Het was, zeker vanuit zijn positie, niet evident wat hij daar zei. Het was ook niet voor publicatie bestemd. Wel was het duidelijk dat hem dat kwelde. Schiltz kon fel zijn in zijn Vlaams-nationale betogen, maar besefte volop de gevaren van elk communautair dossier. Hij had een brede internationale belangstelling, en kende dus de ook donkerste communautaire verhalen elders in Europa. En in het eigen, ook zijn eigen, Vlaams verleden.
Ik heb zijn analyse later kunnen voorleggen aan twee Franstalige politici. De eerste was Gerard Deprez, vandaag bijna 82. Zestien jaar lang is die voorzitter van de Franstalige christendemocraten geweest, en dertig jaar lang een uitermate gedreven Europarlementslid. Hij was in 1992, de co-voorzitter van Schiltz in de communautaire ‘Dialoog’.[1]
Deprez, die in het verwoeste Bastogne opgroeide, en wiens vader, een landbouwer, tijdens Hitlers Ardennenoffensief door de Duitsers vermoord werd, was het omgekeerde van een nationalist. Maar toen ik op een avond begin 1995 naar zijn visie op Schiltz’ verhaal polste in zijn bureau in de verlaten Tweekerkenstraat, knikte hij beamend. Hij had het meegemaakt, 'Leuven-Vlaams', als assistent aan de Franstalige faculteit van Sociale Wetenschappen.
‘Je hebt er geen idee van, hoe kwetsend dat overkwam, dat ‘Walen Buiten’. En hoe boos dat ons maakte. Ik was toch een Waal, niet?’ Waarna hij, na een stilte, zei: ‘Ik ben daar achteraf nooit rancuneus over geweest. Maar begrijp me wel als ik zeg dat ik een zeker wantrouwen heb overgehouden tegenover de Vlamingen. En ik heb het niet over enkele Vlamingen, wel over de Vlamingen. Want ik heb toen niemand geweten die het ‘Walen Buiten’ publiekelijk afkeurde.’
Louis Michel, een zevental jaren later, in één van de lange nachtelijke vergadermarathons van het kabinet-Verhofstadt, deed me quasi dezelfde uitspraak, toen ik hem het verhaal voorlegde. Niet rancuneus dus, wel een blijvend wantrouwen. Alleen dacht hij dat Schiltz overdreef. Hij vond niet dat er toen geweld om de hoek loerde.
Michel was afkomstig uit een Franstalige familie in Tienen. De grote suikerfabriek daar, van in de Franse tijd, had in die stad een belangrijke gemeenschap aan Franstaligen opgeleverd. Hij ging voor leraar Nederlands studeren aan de provinciale normaalschool van Tienen, wat verklaart waarom hij zo goed Nederlands spreekt. Begin jaren zestig werd de Franstalige afdeling daarvan echter definitief gesloten, in toepassing van de taalwetgeving.
Michel, vandaag 78, moest halverwege zijn studies naar het twaalf kilometer zuidelijker gelegen Jodoigne trekken (Geldenaken in de oude Nederlandse naam). De provincie Brabant begon daar toen in zeven haasten een nieuwe Franstalige normaalschool op te richten. De gewezen Tienenaar zou er zich later vestigen, was er 21 jaar burgemeester, en woont er nog steeds.
In de kwestie van de splitsing van de universiteit van Leuven kwamen inderdaad zowat alle hete communautaire dossiers van die jaren samen: de slagschaduw nog van de vernederlandsing van de universiteit van Gent (en de feitelijke liquidatie van de Franstalige universiteit daar); de toepassing van de taalwetten; de nieuwe taalgrens; de ‘olievlek’ rond Brussel, en vooral: de permanente politieke hoogspanning die er sinds de bevrijding in 1945 heerste tussen Waalse en Vlaamse visies en eisen.
De universiteit van Leuven was zich, onder rector en monseigneur Honoré Van Waeyenbergh, na 1945 blijven aanpassen aan het vernederlandsingsproces. Tegen 1960 waren alle richtingen de facto in beide talen te volgen. Wel hadden de taalwet van 1932 en haar consequenties al wat moeilijkheden opgeleverd voor het Franstalig korps van de universiteit: Franstalig onderwijs voor de kinderen, en voor de stagairs voor het onderwijs, werd moeilijker te vinden. Enkel het Heilig Hart-Instituut in Heverlee had nog een Franstalige afdeling, maar die was al gedoemd.[2]
‘Het Vlaams personeel van de universiteit kende niet genoeg Frans meer,’ zo luidde in april 1962 de klacht van ACAPSUL, de nieuwe en militante vereniging van Franstalige academici.[3] Het ging, ten dele en zoals bij het Gentse academisch korps in 1919 en bij kardinaal Mercier, om bekrompenheid in het niet aanvaarden dat Frans niet langer die superieure wetenschapstaal was die ze nog in de eerste helft van de negentiende eeuw leek. Anderzijds was er natuurlijk een reële angst voor de verder oprukkende eentaligheid van Vlaanderen. Le climat à Louvain est devenu irrespirable, zo peroreerde een Franstalige studentenleider al eind 1961. [4]
De Vlamingen hadden ook hun angsten en frustraties. Tot in de eerste jaren van de jaren zestig was Frans nog altijd de voertaal van de faculteitsraden. Meer en meer in het Nederlands opgeleide academici begonnen moeite te krijgen met het vloeiend spreken van wat ooit de Vlaamse elite-taal was. En ACAPSUL klaagde ook ‘hoe moeilijk het is om, zelfs binnen de universiteit, Vlaamse partners te vinden die haar nationaal karakter willen verdedigen.’ En dat slogans als ‘Leuven-Vlaams’ en ‘Walen-buiten’ ook gematigde Vlamingen het zwijgen oplegden.[5]
Tijdens de discussies over de taalwetten van het kabinet-Lefèvre in 1962 en 1963 gingen de melkpotjes in Leuven aan het koken. Op 28 februari 1963 vonden de eerste destructieve confrontaties plaats tussen Vlaamse en Franstalige studenten en rijkswacht in en om de Leuvense Bondgenotenlaan.
ACAPSUL eiste de facto faciliteiten voor Franstaligen, in het onderwijs, en zelfs in de overheidsadministratie in Leuven. De liberalen pikten er even op in met een wetsvoorstel voor faciliteiten in Leuven en drie omliggende gemeenten. Het leverde hen enkele maanden lang een toevloed van nieuwe leden aan de katholieke universiteit op.
Het hielp overigens niet dat de regering Lefèvre het probleem graag naar de bisschoppen doorverwees, als Inrichtende Macht, en die laatsten alle ongenoegen vaak naar de wetgever doorstuurden. Finaal, in de taalwetten van de zomer van 1963 kregen de Franstaligen wat kleine concessies inzake onderwijs, waarvan later niets in huis kwam.
De regering bleek ook bereid een hulpdienst voor Franstalige administratieve verrichtingen te betalen en te bemannen binnen de universiteitsgebouwen. Die was spoedig overbodig omdat in individuele gevallen zowel de Vlaamse personeelsleden van de universiteit als de stadsambtenaren van Leuven bijna altijd bereidwillig hun Frans bovenhaalden als dat nodig bleek.
Eind november 1961, na het overlijden van kardinaal van Roey, was een nieuwe aartsbisschop aangetreden, de 59-jarige Brusselaar Léon-Joseph Suenens. Hij zette vrijwel onmiddellijk commissies van experten aan het werk om de universiteit aan de nieuwe taalwetgeving aan te passen. Dat leidde in de zomer van 1962 tot het besluit om de universiteit op taalkundige basis te decentraliseren, tot op het niveau van de faculteiten, zonder daarom de hele structuur zelf te splitsen.
De bisschoppenconferentie benoemde in de zomer van 1962 een nieuwe rector, de 47-jarige monseigneur Albert Descamps, om dat uit te voeren. Van Waeyenbergh, inmiddels 71 en nochtans ook een icoon van verzet in de oorlog, mocht als één van de eersten het nieuwe statuut van emeritaat gaan uittesten.
De zoektocht naar nieuwe structuren had niet alleen met de taalwetten te maken, maar ook met de spectaculaire groei van de universiteiten in die jaren. De geleidelijke democratisering van het onderwijs, via studiebeurzen en een toenemende overheidsfinanciering, ook van de vrije universiteiten, deed het aantal studenten exploderen. Leuven telde in 1953 9.500 studenten. In 1964 was dat het dubbele, in 1969 nog eens ruim 50 % erbij, tot een totaal van 28.378.[6]
Begin de jaren zestig dachten politici en universiteiten dat de oude centra dit onmogelijk alleen konden opvangen. Ze kwamen met diverse mogelijke remedies op de proppen: nieuwe universiteiten in Antwerpen en Namen, of decentralisering van de bestaande universiteiten – vooral hun kandidaturen (de huidige bachelors) - over het hele land. Daarbij moest natuurlijk ook gelet worden op het aloude evenwicht tussen katholieken en vrijzinnigen.
Premier Lefèvre kondigde op 25 juni 1964 een plan aan dat beide remedies uitwerkte, en dat op 9 april 1965 wet werd. Voor katholiek Leuven hief men de oude wettelijke beperking van 1911 op die de universiteit verbood om buiten het arrondissement Leuven te treden. Concreet mocht de universiteit nu ook vestigingen krijgen in het arrondissement Nijvel, en – specifiek voor geneeskunde – in een nieuwe kliniek in Sint-Lambrechts-Woluwe, aan de rand dus van de Brusselse agglomeratie.[7]
Dat laatste was snel beslist. De opleiding van een toenemend aantal Franstalige studenten geneeskunde in de ziekenhuizen in en om Leuven – in Pellenberg, in Herent en vooral in de Sint-Pieterskliniek van het toenmalige OCMW aan de Brusselse straat – zorgde voor frequente taalincidenten met de patiënten van zowel die Franstalige studenten, als hun professoren en assistenten. De Vlamingen in die faculteit – onder wie decaan Jozuë Vandenbroucke en de latere eerste Vlaamse lekenrector Piet De Somer – klaagden ook het hardst over blijvende discriminaties van Nederlandstaligen in het academisch korps.[8]
Opvallend: Franstalige afgevaardigden van de universiteit van Leuven opperden al in 1963 in de voorbereidende discussies van de wet de mogelijkheid om meteen de expansie van de Franstalige faculteiten zoveel als mogelijk naar Waals-Brabant door te voeren, gezien de taalwetgeving en de toenemende Vlaamse druk. Premier Theo Lefèvre wees dit echter af, omdat dit volgens hem naar zowel het einde van de universiteit als van België kon leiden.[9]
Er was, achteraf bekeken, binnen het academisch korps en de leiding van de universiteit zeker tot 1965 een grote wil aanwezig om één universiteit te handhaven, ook als die zich ver buiten Leuven zou verspreiden. Dat gebeurde trouwens achteraf met de Vlaamse universiteit met haar extensies in Kortrijk en Brussel, en later zelfs in haar samenwerkingsverband met een tiental hogescholen. En zoals we net zagen, waren er aan Franstalige kant naast de gebruikelijke heethoofden, veel ‘realisten’ die beseften dat de verhuis uit Leuven, gezien de evolutie van de taalwetgeving, in de sterren stond geschreven.
Toch liep het mis, met precies één van die ‘realisten’: Michel Woitrin, een van Namen afkomstige 46-jarige professor in de economie. Die was in het kader van de decentralisering van 1962 algemeen beheerder geworden van de Franstalige sectie van de universiteit. Hij gaf begin november 1965 een interview weg aan het blad van de Franstalige studenten, waarin hij zijn toekomstvisie schetste.
Hij zag die in Leuven nog, met in eerste instantie expansie richting Sint-Lambrechts-Woluwe, dus Brussel. Dat laatste vond hij goed, gezien die stad een internationaler karakter kreeg met de Europese instellingen. Over Waver was hij iets meer aarzelend. Maar hij bevestigde dat er terreinen werden aangekocht en dat de taalwetgeving het nodig maakte in die richting te zoeken.
Dat was ongeveer wat rector Descamps ook al had gezegd bij de opening van het academiejaar. Maar Woitrin zette dat in een voor die tijd nog typisch breed en modernistisch kader, haast zeker om het project extra aantrekkingskracht te geven. Hij zag de Franstalige afdeling van de katholieke universiteit op die manier groeien en nuttig zijn in een ‘groot algemeen ruimtelijk plan van het zeer grote Brussel van de toekomst.’[10]
Dat laatste werd, vrijwel onmiddellijk, in bijna heel Vlaanderen, het dreigend beeld van de ‘reusachtige olievlek,’ de verfransing van een grote hap Brabant ten oosten van Brussel, voorbij Leuven en dus richting Aarschot en het sowieso nog een beetje verfranste Tienen. Angst, geboren uit het misverstand en een gebrek aan rechtstreeks overleg, werd weer de motor van communautaire hoogspanning.
Een week later verscheen een felle aanklacht in De Standaard, enkel ondertekend met de initialen G.A. Het waren haast zeker de decanen Albert van Windekens van Wijsbegeerte en Letteren en Jozuë Vandenbroucke van Geneeskunde die het stuk schreven. Het werd een eruptie van alle mogelijke Vlaamse frustraties.
De auteurs vreesden een algemeen Franstalig offensief, in het zog van de verkiezingsoverwinning van de liberalen van Omer Vanaudenhove, de schoenenfabrikant uit Diest. Die had met een nieuwe partij, de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (PVV), waarin voortaan ook katholieken welkom waren, in de parlementsverkiezingen van 23 mei 1965 twintig zetels gewonnen. In haar programma stond onder meer de herziening van de taalwetgeving.
Het anonieme stuk raakte een gevoelige snaar bij de Vlaamse parlementsleden van de CVP. De partij, die 19 zetels had ingeleverd, kraakte langs de communautaire breuklijn. In die felle koortsopstoot groeide in Vlaanderen plots grote eensgezindheid rond de eis dat de ‘Walen’ Leuven moesten verlaten. Ook aan Franstalige kant escaleerden de standpunten. De kranten De Standaard en La Libre Belgique ontpopten zich tot de spreekbuizen van de harde lijn. Studenten uit beide kampen betoogden regelmatig, en zochten met plezier de rechtstreekse confrontatie op.
Begin december 1965 keerden kardinaal Suenens en de bisschoppen terug van het Tweede Vaticaans Concilie in Rome. Ze besloten voorzichtig in te grijpen, met een commissie onder leiding van de Leuvense hoogleraar Edward Leemans. Die laatste pakte de zaken heel pragmatisch aan, maar kreeg te kampen met perslekken en finaal blijvende onenigheid tussen Vlamingen en Franstaligen.
Op 13 mei 1966 kwamen de bisschoppen, na raadpleging van nog een aantal topfiguren uit de katholieke zuil, dan toch met een zogenaamd ‘mandement’ uit, een officieel herderlijk schrijven.[11] Daarin benadrukten ze de blijvende eenheid: ‘wij weigeren twee katholieke universiteiten te overwegen.’ Wel kon, om de forse groei van het aantal studenten op te vangen, verder gedecentraliseerd worden: in de faculteiten, via spreiding van de kandidaturen, ook naar Sint-Lambrechts-Woluwe en Waver toe.
De bisschoppen omschreven hun tekst als un ordre voor academici en personeel. In het Nederlands werd dat eerst ‘bevel’, maar Leemans verzachtte het nog tot ‘verordening.’ Vooral stelden de bisschoppen dat ‘elke academische vrijheid verzoend moet worden met onderwerping aan de verantwoordelijke chefs.’ En dat ‘de studenten die zich niet kunnen vinden in deze bepalingen daar zelf de gevolgen uit moeten trekken.’[12]
Ditmaal waren de studentenbewegingen sneller dan de kranten. Daar broeide al een tijd, door de democratisering en ook en vooral in het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond, een linksere koers van strijdbaar studentensyndicalisme. Met veel zin voor geschiedenis maakte het KVHV al op zondagavond 15 mei in een communiqué een vergelijking met de Instructies van kardinaal Mercier van 1906. Het deed het mandement meteen af als ‘niet-bestaand.’
De studenten kregen discreet aanmoediging van hun Vlaamse professoren. Eén van hen beschreef later hoe het eraan toe ging: ‘Aan de studentenhuizen werden zwarte vlaggen uitgehangen. Op straat en in de kerken zongen de studenten de protestsong van de Amerikaanse negers: We shall overcome. In optochten werden spandoeken en open regenschermen meegedragen met opschriften als ‘Suenens inquisitie’ of ‘stop een bisschop in uw tank.’ In stoeten werden spottend mijters opgezet. Met reden blokletterde De Standaard op 17 mei: Golf van antiklerikalisme slaat over Leuven.’[13]
Studenten knokten op de Leuvense Bondgenotenlaan met de rijkswacht dat het een lust was. Ze hielden fier statistieken bij van het aantal nachten dat ze in de cel hadden vertoefd. Tijdens de zondagsmis van kardinaal Suenens op 22 mei in Mechelen begonnen studenten de Vlaamse Leeuw te zingen. Het universiteitsbestuur besliste op 20 mei wijselijk het academiejaar vervroegd af te sluiten.
De communautaire beroering verspreidde zich razendsnel over heel België. Op 8 juni diende Jan Verroken, de fractieleider van de CVP in de Kamer, een wetsontwerp in tot regeling van het taalgebruik in het hoger onderwijs. Het werd al een tijd voorbereid. Dat ging echter in tegen de afspraak van het op 19 maart aangetreden rooms-blauwe kabinet onder leiding van de 47-jarige Brusselse zakenman en CVP-voorzitter Paul Vanden Boeynants. En dus weigerde een meerderheid in de Kamer op 28 juni de tekst in overweging te nemen. Het was een uitgesproken communautaire stemming, met de liberalen van de PVV uit Vlaanderen die de doorslag gaven voor het ‘neen.’[14]
De bisschoppen corrigeerden snel hun mislukte dictaat. Ze maakten op 25 mei Leemans tot commissaris-generaal van de universiteit, met de uitdrukkelijke bevoegdheid haar te herstructureren, en het project-Waver aan te pakken. Ze benoemden ook een nieuwe Vlaamse pro-rector: de 49-jarige arts Piet De Somer, en voor de eerste keer sinds 1830 een leek.
Het bleef echter ook in het nieuwe academiejaar onrustig. De eis van verhuis van de Franstalige afdeling lag nu op tafel, zonder dat er een besluit kon komen. In oktober kocht de universiteit grote lappen grond aan in Ottignies, ten zuiden van Waver. De studenten radicaliseerden verder, wat heel wat Vlaamse professoren afstand deed nemen. Eén van hun leiders, Ludo Martens, zou, als hoofdredacteur van Ons Leven, zelfs van de universiteit buitengesloten worden, nadat hij een speciaal seks-nummer had uitgebracht (dat in ons hedendaags blikveld uitermate onschuldig zou ogen).[15] In die tijd was het nog veel subversiever over seks te schrijven dan Vlaamsgezind te zijn.
Leemans kon verdere autonomie doorvoeren. Maar dat leidde vrijwel onmiddellijk tot ruzies over de verdeling van de budgetten. De Franstalige afdeling wou uiteraard extra-investeringen voor de nieuwe campus. De Vlaamse eiste eerst klaarheid over de planning. Dat bleef allemaal politiek heel gevoelig. De Franstalige academici waren diep verdeeld tussen diegenen die zich neerlegden bij de verhuis, weze het onder goede voorwaarden, en diegenen die mordicus in Leuven zelf wilden blijven. Het ging immers ook om het zoeken van vele honderden nieuwe woningen, buiten de vertrouwde stad.
Op 14 januari 1968 keurde de Academische Raad van Leuven-Frans een nieuw expansieplan goed, vaag over Waver, resoluut met een keuze voor Leuven en ‘met de beschikking over middelen om er zich, zonder beperkingen, te ontplooien.’ Opnieuw ontplofte het studentenprotest, daags nadien al. Nog een dag later lanceerde de Vereniging van Vlaamse Professoren naar de studenten een oproep opdat ‘hun rechtmatig verzet zeer hard zou zijn.’
Zo geschiedde. Twee weken lang werd er geknokt in de straten van Leuven, met duizend rijkswachters permanent in het geweer. Omdat een deel van de studenten, onder leiding van hun nieuwe KVHV-preses Paul Goossens, tussen twee betogingen door ook ging demonstreren aan de fabriekspoorten van de mijnen in Limburg of bij FN in Herstal, voelden justitie en rijkswacht zich geroepen om harder toe te slaan. De journaalbeelden van gendarmen die de studenten met knuppels en het waterkanon achtervolgden tot in de ingang van het warenhuis Galeries Anspach aan de Bondgenotenlaan staan nog steeds op youtube.[16]
Inmiddels hadden onbekenden molotov-cocktails in de kantoren van Michel Woitrin geworpen en een auditorium in brand gestoken. Op 16 januari werden 325 studenten gearresteerd, acht dagen later zelfs 675. Die repressie bracht in de eerste dagen van februari vele middelbare scholen in Vlaanderen tot spontane stakingen, vaak met sympathie en onder controle van de leerkrachten. De Vlaamse professoren in Leuven hadden al in de laatste week van januari het werk neergelegd.
Premier Paul Vanden Boeynants liet in een overleg met Edward Leemans op 25 januari nog steeds de hete aardappel in de schoot van de bisschoppen rusten. Hij zegde wel financiële steun toe, voor welk plan ook. Twee dagen later vertrok hij, naar eigen zeggen op doktersvoorschrift, voor een week rust naar de Canarische eilanden.
Op 2 februari – Lichtmis en dus de feestdag van de universiteit – gaf de Brugse bisschop De Smedt een interview weg aan De Standaard waarin hij het mandement van 1966 een ‘schromelijke vergissing’ noemde Het expansieplan van Leuven-Frans van 14 januari catalogeerde hij als een ‘werkelijke provocatie voor de Vlamingen.’ Vanden Boeynants keerde ijlings weer.
Het was te laat. Inmiddels hadden de Vlaamse CVP-parlementsleden, te midden van de humaniorastakingen, besloten zelf het voortouw te nemen en niet aan de Volksunie te laten. Op 6 februari interpelleerde Jan Verroken. Er kwam geen antwoord meer. Het kabinet viel daags nadien uiteen, door de diepe communautaire onenigheid bij de christendemocraten. Vanden Boeynants ging zijn ontslag indienen bij de koning.
Na nog enige mislukte lijmpogingen volgden vervroegde verkiezingen op 31 maart 1968. Opnieuw verloor de CVP – inmiddels helemaal communautair uit elkaar gevallen – acht zetels. De communautaire partijen wonnen 15 zetels.[17] Wat volgde was de langste regeringsformatie ooit, 79 dagen. Finaal effende Vanden Boeynants, de grote winnaar in Brussel, als formateur het terrein. Maar hij liet het premierschap op 17 juni aan een politiek ervaren, 63-jarige professor uit Leuven: Gaston Eyskens.
Het drama deed knopen doorhakken. Het regeerakkoord acteerde de belofte van Vanden Boeynants om ruim geld te voorzien, maar bleef vaag over de finaliteit van het lot van Leuven-Frans. Nog in de laatste dagen van het kabinet Vanden Boeynants had ACV-voorzitter Gust Cool een aantal hoofdrolspelers voorgerekend dat men met minstens 40 miljard frank moest rekenen. Dat had toen net geen doorbraak opgeleverd, omdat de hoofdkwestie – geheel uit Leuven verhuizen of niet – nog niet getrancheerd geraakte.
De nieuwe verkiezingsnederlaag, het uiteenvallen van de CVP, de langdurige regeringscrisis en het regeerakkoord over het opnieuw ‘definitief oplossen’ van de communautaire problemen, versnelden het rijpingsproces. Op 6 juli 1968 wist André Oleffe, de 54-jarige voorzitter van de Mouvement Ouvrier Chrétien, de Waalse koepel van de christelijke arbeidersbeweging en zelf afkomstig uit de buurt van Waver, een aantal tenoren in het verhaal bijeen te brengen. Onder hen rector Descamps, de twee pro-rectoren en Leemans. Dat was in zijn kantoor als lid van de Bankcommissie in de Brusselse Livornostraat.
Het werd een lange en emotionele vergadering, maar finaal kon Oleffe alle Franstaligen verenigen op de node aangenomen stelling dat men de ‘onteigening’ uit Leuven kon aanvaarden, als ze ook fors gefinancierd zou worden. Er volgde een nieuw expansieplan van Leuven-Frans op 15 september. Dat plande de hele overheveling naar Ottignies ten zuiden van Waver op 10 jaar.
In 1970 verwierven beide universiteiten de aparte rechtspersoonlijkheid. Dat gebeurde bijna tegelijkertijd ook met de vrijzinnige universiteit van Brussel, die eveneens in twee werd gesplitst. De leiding van de Brusselse universiteit had daar zelf toe besloten, na de gebeurtenissen in Leuven in de eerste maanden van 1968.
De concrete uitvoering van de splitsing van Leuven verliep niet zonder ruzies. Over elk dossier werd er geredetwist, en over alles wat met geld en eigendom te maken had. De wonden die geslagen waren lagen nog helemaal open. Bekend is de vete rond de splitsing van de bibliotheek, die tweemaal in de Wereldoorlogen vernield was geworden. Finaal bleek enkel een absurde verdeling op basis van pare en onpare nummers voor beide partijen aanvaardbaar.
Tot omstreeks 1980 kon men in Leuven nog op Franstalige studenten, hoogleraren en lessen botsen. De historici behoorden, zoals ik zelf mocht ervaren, tot de laatsten die verhuisden. In die jaren reed ik vanuit de Vlaamse unversiteit regelmatig over de kronkelwegen via Overijse naar het fraaie, nagelnieuwe maar o zo tochtige Louvain-la-Neuve om er boeken te raadplegen die vroeger in het Amerikaanse palazzo aan het Ladeuzeplein in Leuven hadden gestaan. Het duurde nog eens tien jaar eer beide universiteiten weer op normale voet met elkaar leerden omgaan.
[1] Zie daarover hoofdstuk 55.
[2] In de jaren vijftig was onder het kabinet Van Acker ook wetgeving ingevoerd die de scholen ertoe verplichtte zich te conformeren aan de taalwetten, onder meer in de wet van 30 april 1957. Het was ook die wet die een einde maakte aan het tweetalig statuut van de Provinciale Normaalschool van Tienen waar Louis Michel studeerde. Zie R. FALTER, Een Belgisch onderwijsexperiment. Taaltoestanden in de Provinciale Normaalschool te Tienen (1911-1964), - Wetenschappelijke Tijdingen, 1981, 239-252, 1982, 52-60.
[3] C. LAPORTE, 70. Dat werk, en dat van H. TODTS & W. JONCKHEERE (beide al geciteerd in hoofdstuk 32 over Gent) vormen de basis van dit hoofdstuk. We halen ze enkel nog aan voor specifieke cijfers of citaten. ACAPSUL, opgericht in februari 1962, was de afkorting van Association du Corps académique et du Personnel scientifique de l'Université de Louvain
[4] C. LAPORTE, 59.
[5] C. LAPORTE, 71.
[6] Cijfers bij C. LAPORTE, 16.
[7] T. LUYKX, 511-512. De katholieken kregen ook nog nieuwe instellingen in Antwerpen en Namen, die ingericht werden door de jezuïeten. Die opereerden als van oudsher apart van de bisschoppen. De twee vrije universiteiten, de katholieke van Leuven en de vrijzinnige van Brussel, sloten dra een akkoord om hun uitbreiding in het nieuwe arrondissement te beperken tot respectievelijk het kanton Waver en het kanton Nijvel. Daarmee spraken ze in feite af uit elkaars rekruteringsterrein te blijven.
[8] Een uitgebreid overzicht over de faculteit geneeskunde bij H. TODTS & W. JONCKHEERE, 80-94.
[9] C. LAPORTE, 126, 128-129. Het was de latere UCL-rector Michel Woitrin die dit aanhaalde in zijn herinneringen over een gesprek bij Lefèvre op de Wetstraat 16.
[10] Het was, achteraf bekeken, het cruciaal moment in de Leuven-saga. Het citaat is te vinden bij H. TODTS & W. JONCKHEERE, 102. Beide auteurs analyseren de vraag of de uitspraak een frontale aanval was, om de prijs voor de Franstaligen op te drijven, dan wel een poging om het project voor hen smakelijk te maken. Woitrin zelf, later de eerste algemeen beheerder van de autonome UCL en dus bouwheer van Louvain-la-Neuve, heeft zich altijd verdedigd dat hij niet wilde provoceren. Hij gaf zes weken later een verklaring uit waarin hij uitdrukkelijk stelde alle taalwetgeving te willen respecteren. C. LAPORTE, 133-140, citeert uitgebreid uit het oorspronkelijk interview. Mij lijkt met al die gegevens de these van het smakelijk maken van het groots project toch de meest waarschijnlijke.
[11] Kardinaal Suenens raadpleegde op 30 april in Mechelen, op een vergadering in het bijzijn van Leemans en de Franstalige vice-voorzitter van diens commissie, kanunnik Aubert, de Vlaamse oud-ministers August De Schrijver en Dries Dequae, ACV-voorzitter Gust Cool, de uit Virton afkomstige oud-minister en industrieel Ernest Adam, de Leuvense advocaat, ex-senator en directeur van de plaatselijke Generale Bank Maurice Schot, en graaf Charles-Emile d’Oultremont van de Franstalige katholieke werkgevers. C. LAPORTE, 185.
[12] Tekst bij C. LAPORTE, 193-197 en bij H. TODTS & W. JONCKHEERE, 152-153.
[13] Raymond Derine, geciteerd bij H. TODTS en W. JONCKHEERE, 156. ‘Stop een tijger in uw tank’, was in die tijd een heel opvallende en bekende reclameslogan van het oliebedrijf Esso.
[14] Het was in die jaren dat de Volksunie de afkorting lanceerde ‘Pest voor Vlaanderen’.
[15] Martens werd later, samen met Kris Merckx, de arts en gewezen preses van de faculteitskring Geneeskunde, de oprichter van Amada, ‘Alle Macht aan de Arbeiders’. Dat was een radicaal-linkse beweging, die zich op het communisme van de Chinese leider Mao Zedong inspireerde. Amada werd in 1979 de Partij van de Arbeid.
[16] Beelden van de VRT, de toenmalige BRT, onder de titel ‘Leuven 1968’ op youtube. Men hoort de studentenslogan: ‘VDB ontslag’ naar premier Vanden Boeynants toe.
[17] Zie volgend hoofdstuk.