TERUGBLIK

Een blog over ons verleden en het heden

Dries Van Agt in Tokio


10 februari 2024


 

 De voormalige Nederlandse minister-president Dries Van Agt, 93, is vorige maandag ‘hand in hand’ met zijn één jaar oudere vrouw Eugenie Krekelberg gestorven, nadat beiden voor euthanasie hadden gekozen. Het echtpaar had drie kinderen. De familie maakte het overlijden pas bekend na de begrafenis in kleine kring. Ik heb Van Agt één keer ontmoet, voor een uitgebreid interview, begin 1989, in het verre Tokio dan nog.

 

  Je moest de voorbije dagen wel wat zoeken naar In memoriams die de complexe figuur van Van Agt recht deden, maar er waren er wel. Zelfs de VRT corrigeerde haar aanvankelijke titel over ‘conservatieve droogstoppel’, waaraan Walter Pauli van Knack zich terecht ergerde.

 

 Van Agt laveerde tussen conservatisme en progressiviteit, zoals zovele katholieken na het Concilie en de jaren zestig. We kunnen ons die tijd en de discussies van toen nauwelijks nog voorstellen. Als goede Nederlandse burger stond hij er wel op dat hijzelf zijn mening zou vormen, en niet klakkeloos zou napraten wat priester of bisschop voorschreven. In die zin steunde hij ook het protest aan de katholieke universiteit van Nijmegen tegen mede-docent en theoloog Edward Schillebeeckx nadat die vanuit het Vaticaan spreekverbod was opgelegd. Schillebeeckx was in die dagen een naam in heel Europa.

 

 Van Agt was toen al voorstander van euthanasie, en je kan hem zelfs als één van de wegbereiders van de coffeeshops (en al de drugsellende die dat vandaag voortbrengt) beschouwen. Als je de walm van de marihuana in de straten van Amsterdam te veel wordt, denk dan mee aan Dries. Maar hij bleef ook gelovig en, samen met Eugenie – een juriste uit Maastricht die ooit won in de enige zaak waarin ze als jonge advocaten tegenover elkaar stonden -, naar de kerk gaan.

 

Tindemans

 

 Zijn conservatieve reputatie dankt Van Agt aan zijn optreden tegen de abortuskliniek van Bloemenhove als minister van Justitie in het kabinet Den Uyl. De administratie had twijfels over de wettelijke onderbouw van wat daar allemaal gebeurde, en Van Agt pleitte altijd voor uiterste voorzichtigheid inzake zwangerschapsonderbreking. Daarnaast was hij natuurlijk de saboteur van het kabinet-Den Uyl.

 

 Dat regeerde Nederland tussen 1973 en 1977. Vandaag is het de bon ton in Nederland om wat meewarig te doen over die regering, maar toen gold zij, zeker in de van oudsher eerder progressieve media, als het heilskabinet dat het land in een roes van bevrijding definitief de moderne tijdens zou doen binnenzeilen, die zich in de jaren zestig zo nadrukkelijk hadden aangekondigd. De nieuwe regering ademde ook torenhoge ambities uit.

 

 Maar van in het begin zat de klad erin, omdat eind 1973 de oliecrisis was uitgebroken die de al aanzwellende recessie verscherpte, en de eerste echte economische crisis in een kwarteeuw opstartte. Het bevlogen kabinet kwam in besparingstoestanden terecht. Van Agt snoof eerder dan wie ook de natuurlijke  reflex van mensen bij ontij: zich terugplooien op zichzelf en op oude waarden. Hij begon zichzelf dra als verpersoonlijking daarvan uit te dragen: met zijn harde aanpak tegen het terrorisme van de Zuid-Molukkers, met zijn oproepen tot een ‘ethisch reveil’ tegenover een maatschappij die in haar blijheid-vrijheid aan het ontsporen leek.

 

 Persoonlijk klikte het ook niet met Den Uyl. Die laatste was van streng-gereformeerden huize, progressief socialist, economist en journalist geweest, en op en top Hollander, die ook de ernst en last van het minister-presidentschap leek te willen belichamen. Van Agt was in 1977 nog maar de tweede Noord-Brabander ooit die in het Torentje geraakte. Afkomstig uit Eindhoven (toen nog Philips met een stad errond), prof in het katholieke Nijmegen, waar hij en zijn vrouw verleden week ook gestorven zijn.

 

 Hij had wat eerder Belgisch aandoende politieke eigenschappen: zichzelf niet altijd ernstig nemen, geen zin in detailkennis, graag onder de kiezers komen, durven denken in termen van politiek scoren en verliezen. Wilfried Martens nam later van hem – na zijn eigen hartaanval – het profiel over van premier-wielertoerist.

 

 Leo Tindemans, Martens’ voorganger, scherpte in de crisisjaren ook zijn ‘ethisch’ profiel ‘dicht bij het volk’ aan, wat hij met een formidabele retoriek ongelooflijk goed verkocht kreeg in Vlaanderen. Totdat hij in botsing kwam met PS-voorzitter André Cools, bijwijlen een charmante mens, maar ook een brutale machtswellusteling. 


 Toen in de zomer van 1978 tijdens oplopende ruzies over de staatshervorming Cools ziedend en tierend eiste dat Tindemans een advies van de Raad van State straal zou negeren, reageerde de Antwerpenaar ‘ethisch’. Hij riep, als bevlogen redenaar, vanop de Kamertribune uit dat ‘de grondwet geen vodje papier is’ en blies zijn eigen regering op. Tindemans werd daarop bijna een messias in Vlaanderen, maar was voortaan – en naar aloude Antwerpse traditie - persona non grata in het Belgisch establishment.

 

Hirohito

 

 Die Dries van Agt, die Tindemans zo inspireerde, heb ik ooit lang mogen interviewen, voor De Standaard in 1989. In Tokio. Hij had tijd. Zijn politieke carrière lag al acht jaar achter de rug, nadat hij in 1981 opnieuw in een kabinet met Joop Den Uyl terecht dreigde te komen, en liever de plaats had geruimd voor Ruud Lubbers. Die bleef dertien jaar minister-president, een record dat inmiddels is verbeterd door Mark Rutte.

 

 Van Agt was 58 toen ik hem interviewde. Ik was in Tokio voor de begrafenis van keizer Hirohito, op 24 februari. Roger Schoemans, de hoofdredacteur van Het Nieuwsblad (die ik nog altijd op handen draag voor alles wat hij mij leerde) stuurde heel graag snel mensen uit naar groot nieuws. Zijn vaste journalist daarvoor was Mon Vanderostyne, inmiddels ook al overleden, en een geweldige reporter, bewogen en grondig tegelijk.

 

 Maar het kon al eens iemand anders zijn. Ik herinner me dat er op een late namiddag in de zomer van 1987 in het noorden van Italië een grote aardverschuiving had plaatsgevonden met tientallen doden. Nog voor de krant die avond sloot was collega Sylvain Christiaens, die van Beringen was en met wie ik toen vaak samen naar het werk in Groot-Bijgaarden reed, al onderweg.

 

 Hij praatte immers Italiaans – hij was getrouwd met een Italiaanse – en stuurde de volgende dag een volledig verslag door van ter plekke. Hij had dus de hele nacht doorgereden met wat toen nog een echte bedrijfswagen was, namelijk een witte Peugeot op de parking van het bedrijf die altijd klaarstond voor reportages. Dat soort toestanden – en de ermee gepaard gaande adrenaline – sterkte ons wel dat we in het mooiste beroep van de wereld waren beland.

 

 Ook Hirohito werd snel besloten, geboekt en gestart. Ik had al een paar last-minute opdrachten voor Schoemans gedaan en hij wist dat ik twee jaar eerder voor De Standaard en op uitnodiging van de Japanse ambassade veertien dagen in het land had rondgetoerd (samen met Philippe Paquet van La Libre). Reizen naar Japan was in 1989 peperduur en een hotel boeken in Tokio waanzinnig duur, want de vastgoedzeepbel daar was op haar hoogtepunt. Maar het bedrijf, toen nog de Vlaamse Uitgeversmaatschappij van André Leysen, had goed geboerd en het kon eraf.

 

  Koning Boudewijn zou er ook zijn, en die nam in zijn vliegtuig een paar tv-journalisten mee. Zo heb ik tussendoor ook een dag het spoor gevolgd van de grote Wim Robberechts, die in die jaren zijn eigen videonieuws-bedrijf was gestart en er was voor het nagelnieuwe VTM. Wim had in 1987 furore gemaakt door al in de avond van 6 maart helikopterbeelden te leveren van de gekapseisde Herald of Free Entreprise die in het nine-o-clock news van de BBC te zien waren, op een moment dat de Vlaamse media, BRT, Standaard en Nieuwsblad incluis, die vrijdagavond nog niet doorhadden dat er zich een grote catastrofe aan het afspelen was.

 

 Wim poogde die hele dag in Tokio Nguza Karl I-Bond vast te krijgen. Die was ooit minister van Buitenlandse Zaken geweest van Mobutu, sinds 1965 dictator van Zaïre (het huidige Congo). Nguza was dan in ongenade gevallen, en in de cel beland, later weer in de genade gekomen en terug op zijn oude post.

 

 Wim was de enige westerse journalist die hem destijds in zijn cel had opgezocht, en hoopte nu op een gesprek om in primeur bevestigd te krijgen waar alle Belgische journalisten naar hengelden: zou Mobutu koning Boudewijn zien, zodat de andermaal gespannen relaties tussen Brussel en Kinshasha weer konden worden platgestreken? Aan het einde van een lange dag jagen en achtervolgen, stond Nguza Wim uiteindelijk een paar minuten toe, om te zeggen dat de kans gering was. Wim uiteraard ontgoocheld, maar ik had weer veel geleerd van een dag op de hielen van een absolute nieuwsjager.

 

Lufthansa

 

 Van de begrafenis zelf kon ik een origineel verslag brengen. Ik was de dag voordien door de straten van Tokio gaan kijken naar de voorbereidingen, en volgde ook de begrafenis tussen de mensen, rondwandelend van plek naar plek waar de stoet voorbijkwam. Wat mij opviel: die Japanners bekeken dat allemaal heel nuchter. De avond tevoren had ik in de laatste metro tussen de opeengepakte dronken Japanners gestaan, want het was een onverwachte extra-feestdag morgen en dus gingen ze nog langer op stap dan gebruikelijk.

 

 Waar de uitermate sobere begrafenisstoet met zwarte limousines voorbijtrok de volgende dag, onder de motregen in nog kille straten, stond wel volk, maar heerste een normale ambiance van wat curiositeit, spelende kinderen die met moeite onder controle gehouden werden, ingetogenheid als de stoet voorbijkwam en een minuut later alweer de joligheid van een gewone kermis. Groot was dan ook mijn verbazing toen ik ‘s avonds in mijn hotel toekwam – het was nog ochtend in Brussel - en het verslag van CNN zag.

 

 Die hadden er alle Japanners in ouderwetse kleurige kimono uitgepikt en vooral de grijsaards die pathetisch en hartstochtelijk weenden. De clichés dus die benadrukken hoe een ver land heel erg vreemd voor ons moet zijn. Ik had die dramatische figuren ook wel gezien, maar die waren gewoon marginaal in de massa mensen die eigenlijk grotendeels reageerden zoals u en ik zouden hebben gedaan. Dat indachtig legde ik in mijn verslag de nadruk op precies het gewone en herkenbare van de hele begrafenisstoet, alle mythes en ook ter plekke opgeklopte sacraliteit rond de Japanse keizerlijke familie ten spijt.

 

 In de slordigheid van het snelle vertrek hadden we in Brussel ook vermoed dat er wat opvolgingsceremonies zouden zijn na de begrafenis, maar die bleken pas voor veel later gepland. Ik had dus nog een vijftal dagen over. Ik heb die aan allerlei reportages besteed over hoe rijk en ambitieus Japan toen wel was. Ik was onder meer gaan uitzoeken hoe de nieuwe grootmacht aan ontwikkelingshulp wilde doen in Zaïre, en hoe ze Europalia in Brussel zou aanpakken, waarvan ze het volgende gastland was.

 

 En hoe Tokio tegen de EU aankeek, want die was, onder Jacques Delors, in volle opbloei. Wat me op het idee bracht de EU-ambassadeur in de Japanse hoofdstad te gaan opzoeken, en dat was op dat moment Dries Van Agt. De afspraak was zo gefikst, hij was blij eens een journalist van de Lage Landen te zien, kende uiteraard De Standaard, en nam uitgebreid zijn tijd. Het was allemaal heel formeel, heel vriendelijk, en vooral heel solied wat hij zei. Een aangename man, zonder spatje pretentie.

 

 Het interview reproduceren we in zijn geheel hiernaast en hierboven, met een schitterende foto van een andere formidabele collega, Eric Peustjens. Bijzonder intrigerend, als je het nu leest, is hoe Van Agt beschreef dat de Japanners, als nieuwe would-be grootmacht, hard bezig waren de Europese Unie te bestuderen, want blijkbaar was die een hoge vlucht aan het nemen. En dat het omgekeerde veel minder waar was: men deed in Europa niet half zoveel moeite om de nieuwe grootmacht Japan te bestuderen.

 

 Van Agt had gelijk natuurlijk. Japan was toen een economische magneet en hype zoals China dat de de eerste twintig jaar van deze eeuw in het westen is geweest. In 1990 kwam er echter plots een einde: de vastgoedzeepbel explodeerde, de recessie zette zich in en de economie ging, bij een dalende bevolking, dertig jaar van stagnatie in. Het patroon dat ook Europa in 1973 kende na een lange uitbundige hoogconjunctuur, en dat China nu sinds 2020 schijnt te kennen.

 

 Ik keerde eind februari huiswaarts, met één van de allereerste rechtstreekse lijnvluchten van Tokio naar Europa, van Lufthansa, dat in het Moskou van Gorbatsjov toelating had verworven om over de Sovjetunie te vliegen. Daardoor verminderde de reistijd (tot Frankfurt) tot 12 uur, daar waar mijn heenvlucht met tussenlanding in Alaska ruim 20 uur in beslag had genomen. 


 Het interview verscheen pas op 22 maart in De Standaard. Op dat moment zat ik alweer in Wenen, te bekijken hoe Oostenrijk plots lid van de EU wilde worden, en hoe er daar aan de grens met communistisch Hongarije van alles aan het schuiven was.

 

 Japan verdween helemaal achter de horizon. Net als Dries Van Agt.


De zee van Amerika


27 januari 2024


 

 Wie de jongste weken de berichten volgde over de raketaanvallen van de Houthi’s beseft meer dan ooit: de mogelijkheid om vooral via zeevaart internationaal handel te drijven hangt af van de vloot van de Verenigde Staten. Dat is al ruim tweehonderd jaar zo, al waren het voor 1941 de Britten die die rol vervulden. En de vraag blijft natuurlijk: hoelang kan Washington dat nog volhouden?

 

 Op de foto boven dit artikel kan je de tekst lezen die ik op 21 oktober 2005 in De Tijd publiceerde. De aanleiding was de tweehonderdste verjaardag van de Slag bij Trafalgar, aan de Zuid-Spaanse kust, toen de Britse admiraal Horatio Nelson de verzamelde Frans-Spaanse vloot van Napoleon Bonaparte versloeg. Het was de grootste uitdaging ooit voor de Britse suprematie op zee die daar werd afgeslagen.

 

 Nelsons admiraalsschip, HMS Victory, kan je overigens nog altijd bezichtigen in de haven van Portsmouth. Ze tonen je er de plek op het tussendek tussen de kanonnen waar hij die dag zijn laatste adem uitblies, net laat genoeg om te beseffen dat zijn vloot gewonnen had (zie foto hiernaast).

 

 In het artikel in De Tijd beschreef ik kort de geschiedenis van 1805 en liet voor de rest vooral Willy Herteleer aan het woord liet, vandaag 83, toen vice-admiraal van de Belgische marine en net gewezen stafchef van het Belgisch leger. Zijn analyse staat nog altijd recht.

 

 Op dit moment hebben de Amerikanen, vanwege het conflict in Gaza, 57.000 soldaten aanwezig op en rondom het Arabisch schiereiland, waaronder de bemanningen van minstens twee vliegdekschepen. Dat is ongeveer een derde van de mankracht die ze in 2003 gebruikten bij de inval in Irak.

 

 Met hun vliegdekschepen kunnen ze vanop zee stellingen aanvallen van de Houthi’s in Jemen. De Britten, die al een paar keer meededen, moeten hun vliegtuigen daarvoor laten vertrekken en landen vanop de twee basissen in Cyprus (één ten westen van Limassol, één ten noordoosten van Larnaca), die ze als soeverein gebied hebben kunnen behouden toen ze Cyprus in 1960 de onafhankelijkheid toestonden.

 

 De Houthi’s zijn een door Iran gesteunde sjiitische militie die het noordwesten van het verdeelde Jemen controleert, na een lange burgeroorlog die sinds begin vorig jaar even een wapenstilstand kent. Ze krijgen hun raketten van Iran, dat volgens westerse bronnen ook zou helpen bij de geleiding ervan. Het is duidelijk dat naarmate Israël het punt nadert waarop de militaire macht van Hamas in Gaza, vooral dan de tunnels en raketinstallaties, zal breken, Teheran gezichtsverlies lijdt en ‘iets’ moet doen om dat beeld te corrigeren. Een kat in het nauw is het gevaarlijkst, zei generaal Eisenhower destijds over Hitler.

 

 Zoals Willy Herteleer al opmerkte twintig jaar geleden kan zelfs zo’n schermutseling in de Rode Zee nog niet fataal zijn voor de wereldhandel. De Financial Times merkte vanmorgen op dat gezien het dreigend overaanbod aan transportcapaciteit op zee, vanwege de algemene vertraging van de economische groei wereldwijd, het omleggen van de routes via Kaap de Goede Hoop nauwelijks een prijsstijging kan veroorzaken, een initieel kortstondig piekje misschien te na gesproken.

 

 Toch zijn er twee risico’s. Het eerste is de toenemende sofisticering van de (doorgaans dure) raketten en vooral van de (eerder goedkope) drones. Om die in te zetten heb je bij wijze van spreken enkel een laptop en een harde vloer nodig (en software met een goed geleidprogramma natuurlijk, naast gedetailleerde inlichtingen over wat je wil treffen). En uiteraard kan wie aangevallen wordt nog altijd riposteren op waar het tuig vandaan komt, wat je zou moeten doen aarzelen om die tuigen in te zetten (niet zo bij Hamas of Houthi's die geen zak geven om de bevolking die ze beweren te verdedigen).

 

 Het andere risico is Amerika zelf natuurlijk. Voorlopig blijft de machtsbalans heel zwaar naar de Verenigde Staten door hellen. Die hebben nog altijd elf nucleair aangedreven vliegdekschepen achter de hand, en ook plannen om die verder te blijven moderniseren. China zit aan drie, plant er met zekerheid vier. De rest speelt eigenlijk minstens voorlopig niet mee, ook Rusland niet dat één verouderd vliegdekschip bezit en geen plannen schijnt te maken om dat te vervangen.

 

 De twijfel over de houdbaarheid van die Amerikaanse machtspositie is vooral ingegeven door de economische machtsverhoudingen. In een wereld waarin het economisch aandeel van het Westen steeds maar geringer wordt (omdat de anderen qua welvaart ons inhalen, wat op zichzelf goed is) gaat de inspanning om de vloot te onderhouden voor de burgers van de VS altijd maar zwaarder worden, zeker als bijvoorbeeld China zich als een echte uitdager zou manifesteren.

 

 In princiep mogen we op dat vlak waarschijnlijk nog wel een paar decennia vrij gerust zijn. Maar The Economist analyseerde twee weken geleden al dat alleszins in de Rode Zee de Amerikaanse scheepvaartbelangen eerder klein zijn. De VS zijn olie-onafhankelijk sinds een jaar of tien (dankzij de exploratie van shale gas) en de meeste Aziatische import verloopt bij hen via de Stille Oceaan. 


 Hun voornaamste strategisch belang in de Rode Zee is de verslaving van de zo al wankele bondgenoot Egypte aan de inkomsten uit de transit via het Suez-kanaal. Voor de rest zijn de VS daar eigenlijk vooral de Europese handelsroutes aan het beschermen. Als dat Donald Trump maar niet op ideeën brengt …

 

 Veel leesplezier dus


Creatief met noodkabinet

 

19 januari 2024

 

Met een spectaculair voorstel op een reusachtige Nieuwjaarsreceptie in de Nekkershal in Mechelen heeft NVA-voorzitter Bart De Wever vorig weekeinde het verkiezingsjaar 2024 op gang getrapt. Hij slaagde er meteen in onder meer CD&V en VLD weer in de tactische fout te lokken die ze sinds 2010 blijven begaan: het ging bij hen over hem, niet over wat ze zelf te bieden hebben. Anderzijds was De Wevers gebruik van de term ‘zakenkabinet’, zeker voor een historicus, er één van het soort slordigheid dat hem in 2019 al het premierschap kostte.

 

 Even terug naar 14 augustus 2020, toen de koninklijke onderhandelaars Bart De Wever en Paul Magnette hun opdracht inzake regeringsvorming na drie weken teruggaven aan koning Filip. De Wever heeft het toen te laat zien komen: dat Alexander De Croo, anders dan Gwendolyn Rutten en ongetwijfeld ook via het oude netwerk van zijn vader, het partij-apparaat van de VLD op zak had en dus ook Egbert Lachaert.

 

 En dus behandelde de NVA-voorzitter VLD en zelfs MR te lang als quantité négligeable. Mijn vermoeden is dat De Croo toen al aan Magnette het door hem geprefereerde Vivaldi had aangeboden, op voorwaard dat Magnette hem het premierschap liet. Het drama over de keuze tussen beiden inzake de 16 dat ze alletwee nog opvoerden naar de media toe op 1 oktober was dan niets anders dan een nummertje om te bevestigen en te veruitwendigen wat al zes weken eerder stilzwijgend was overeengekomen.

 

 Sedertdien spuwt De Wever vuur telkens de naam De Croo valt. Het was herkenbaar wie Sammy Mahdi zondag bedoelde toen hij het zinnetje liet vallen ‘Met azijn bestuur je geen land’. Soms wint echter de leepste, net als in de koers, en dat was in 2020 De Croo. Het doet me – om in de Vlaamse Ardennen te blijven – denken aan de legendarische wereldtitel van Benoni Beheyt in 1963, die in de laatste meters in Ronse zijn kopman Rik van Looy voorbijstak. In de weken nadien brak bijna een burgeroorlog uit onder wielerliefhebbers in Vlaanderen over het 'verraad' van de nieuwe wereldkampioen. Vandaag zegt Van Looy, op zijn negentigste verjaardag, dat Beheyt (zelf 83) niks verkeerds gedaan heeft, dat hijzelf te vroeg op kop kwam en stilviel.

 

 De Wever is gewoon net iets te slordig geweest in die zomer van 2020. Hij wou toen al premier worden. Ditmaal bevestigt hij dat expliciet, zij het met de mimiek alsof hij azijn moet drinken. Dat hoort zo, als captatio naar dat deel van de achterban dat België nog altijd het liefst ziet barsten. De aankondiging leverde het voorspelbare media-gehuil op dat hij in 2019 ook aangekondigd had minister-president te zullen worden (en de schitterende karikatuur van Zaza in De Standaard waarbij Ben Weyts aan Jan Jambon zegt: 'Jan, maak u klaar, ge verhuist naar de Zestien').

 

 Maar tactisch is het goed gezien. De Wever wil de verkiezing om die premierkeuze doen draaien. Dat is ten opzichte van De Croo die enkel als premier van Vivaldi boven het gewicht van de verschrompelde VLD kan blijven boksen. Hij daagt zo ook Van Grieken uit klare wijn te schenken r of hij als leider van de vermoedelijk grootste partij premier wil worden of niet. Zegt de laatste ‘niet’ op die vraag, dan kiest hij feitelijk voor Belgische onbestuurbaarheid. Al kan De Wever, vanwege die achterban, ook niet voluit claimen dat hij België gaat redden van de chaos. België en Vlaanderen zijn nu eenmaal ingewikkeld, en … soms vermoeiend.

 

Volmachten

 

 De Wever liet zaterdag ook de term ‘zakenkabinet’ vallen. Het loont de moeite hem letterlijk te citeren (uit zijn interview op de VRT met Michael Van Droogenbroeck): ‘Wij zouden zelfs onmiddellijk een federaal kabinet willen maken, een klein kabinet, een zakenkabinet, dat zich focust op het budget, want dat is rampzalig, en een aantal socio-economische hervormingen, en die dan in de diepte kan werken aan de grote hervormingen, institutioneel en sociaal-economisch.’

 

 De NVA-voorzitter bezit dus al duidelijk één kwaliteit van een aantal voorgaande Vlaamse premiers (Dehaene zowel als Verhofstadt), namelijk dat hij wat slordig is in zijn voornaamwoorden. Maar in wezen is zijn uitspraak vooral vaag en eerder verwarrend. Hopelijk voor hem is dat bewust gebeurd, om zich niet meteen te laten vastpinnen.

 

 Walter Pauli heeft in Knack al uitgelegd wat er in het verleden aan gedachten zijn geventileerd over mogelijke zakenkabinetten – vooral vanuit het hof en zijn entourage, in de niet zo lang verleden tijd dat Belgische koningen nog wilden meespelen. Het basisidee daarachter was altijd, en meestal op momenten van diepe economische en/of monetaire crisis, dat een groep technocraten het heft in handen zou nemen en de noodzakelijke maatregelen zou uitwerken.

 

 Men zocht die vooral in de sociaal-economische wereld, in de eerste plaats bij banken en bedrijven, maar minstens voor de schijn ook bij de vakbonden. In al die scenario’s bleef altijd één of andere vorm van parlementaire goedkeuring voorzien. De regeringen in ballingschap tijdens de wereldoorlogen vormen daar de enige uitzondering op.

 

 Tot een zakenkabinet in die strikte zin is het nooit gekomen in België, en bij mijn weten ook niet in onze democratische buurlanden Groot-Brittannië, Frankrijk en Nederland net zomin als in de Scandinavische naties, of in Duitsland, Oostenrijk of Italië na 1945. In Zwitserland uiteraard niet. Wel hebben enkele van die landen momenten gekend waarbij men zogenaamde noodprocedures van parlementaire democratie toepaste om sneller dringende maatregelen goed te keuren.

 

 Daar bestaan varianten op. In crisistijden ziet men vaak technocraten opduiken, of zogenaamde extra-parlementairen, die dan voorgesteld worden als nieuwe bezems die het normale slenteren van elke democratie zullen doorbreken. Niet zelden gebeurt dat in combinatie met regeringen die als ‘noodkabinet’ worden voorgesteld, en die van korte duur zouden zijn. Dat laatste is meestal omdat partijen die eigenlijk liever geen coalitie met elkaar willen vormen, vanwege de nood toch even samen gaan werken, met de neus dicht geknepen en onder een neutrale buitenstaander.

 

 Soms komt daar dan een procedure van volmachten bij te pas. Het princiep van die techniek is dat het parlement eerst de materies toewijst waarop de volmachten betrekking kunnen hebben, dat de regering dan gedurende de periode van de volmachten maatregelen per Koninklijk Besluit kan nemen die normaal wetgeving vereisen, en dat alle KBs samen aan het eind van de termijn als te nemen of te laten pakket worden voorgelegd aan het parlement. In de hele periode blijft de rest van het normale controlerecht van het parlement, onder meer via vragen en interpellaties, wel gehandhaafd.

 

De Gaulle

 

 Het meest markante voorbeeld in die zin is de regering van Lamberto Dini in Italië, die het land regeerde tussen januari 1995 en mei 1996. Dini was de gouverneur van de Nationale Bank en werd, na de val van het eerste kabinet Berlusconi (een zakenman!), uitgestuurd. Men was in het laatste jaar voor de parlementsverkiezingen, dus met het risico dat geen knopen meer werden doorgehakt. En de hervormingen die Italië nodig had om toe te treden tot de euro konden niet langer wachten.

 

 Dini vormde een kabinet van wat men technocraten noemde, maar vooral toch uit ambtenaren en magistraten bestond, alle met een voor de ingewijden gekende politieke signatuur (op een militair op Defensie en een arts op Volksgezondheid na). Op die manier kon hij doseren naar een parlementaire meerderheid toe, zowel inzake partijpolitieke affiliaties als naar evenwicht onder de regio’s. Dini kreeg vooral een pensioenhervorming rond, en met wisselende meerderheden wat kleinere veranderingen. Hij had geen volmachten nodig.

 

 Mario Draghi, ex-gouverneur van de Italiaanse Nationale Bank en van de Europese Centrale Bank, mocht van februari 2021 tot juli 2022 (en in lopende zaken tot oktober) ook opdraven als technocraat-premier van zijn land. Opnieuw was het motief, naast de nog aanslepende coronacrisis, dat er parlementsverkiezingen voor de deur stonden, er geen meerderheid in zicht was en er een nood heerste: het indienen en uitwerken van een plan dat Italië aan de ruim honderd miljard euro zou helpen die het was toegekend via het Europees Recovery and Resilience Fund. Draghis kabinet bestond wel uit geroutineerde politici. Met zijn gezag bouwde hij een regering van Nationale Eenheid uit, die een brede meerderheid had, maar finaal  niet zoveel meer deed dan proper op de winkel passen.

 

 Frankrijk heeft maar één keer iets dergelijks gekend, maar dat is dan ook het model bij uitstek. In 1958 haalde de politieke klasse generaal De Gaulle terug, die al met pensioen was, en die tussen 1944 en 1946 premier was geweest. Dat gebeurde onder de extreme druk van een staatsgreep van Franse militairen in Algerije, die in verzet kwamen tegen plannen om die kolonie onafhankelijk te maken, en die dreigden over te komen naar het vasteland.

 

 De Gaulle vroeg twee jaar volmachten, kreeg zes maand en stelde een kabinet samen met politici uit alle partijen (op de foto als kandidaat- premier tijdens het vertrouwensdebat in de Assemblee op 1 juni 1958, één van de heel zeldzame keren dat hij zich daar ooit heeft vertoond). In die tweede helft van 1958 realiseerde hij als premier de grootste reeks hervormingen van Frankrijk – institutioneel en sociaal-economisch – sedert het consulaat van Bonaparte tussen 1800 en 1804. Dat was dankzij het algemeen besef van een extreme nood en zijn enorm persoonlijk gezag als de nationale held van de Tweede Wereldoorlog. Hij kon nadien nog tien jaar aan de macht blijven, bij het weer normaal functioneren van de democratie.

 

Noodkabinet

 

 In België kennen we vooral het voorbeeld van de regering Jaspar, die in mei 1926 aan de macht kwam in een periode waarin de Belgische frank snel aan waarde verloor op de internationale markten. Jaspar, een conservatieve Brusselse katholiek, vormde een kabinet van Nationale Eenheid (katholieken, socialisten, liberalen). Dat presenteerde hij als kortstondig noodkabinet, met de monetaire sanering als enig doel. Enkel daarom verwierf het een meerderheid want de socialisten waren heel onwennig. De regering bleef finaal toch nog tot oktober 1927 aan de macht.

 

 De sterke figuur, als minister zonder portefeuille, was onomstreden Emile Francqui, 63 op dat moment. Hij was dan al ex-militair in de Congo-Vrijstaat van Leopold II, ex-consul in China, ex-directeur van de Société Générale (de dominante holding van België toen), ex-sleutelfiguur in de bevoorrading van het hongerende België tijdens de Eerste Wereldoorlog, en ex-onderhandelaar over de Duitse herstelbetalingen na 1919.

 

 Hij was vooral vertrouwensman van koning Albert. Francqui saneerde inderdaad de begroting, onder meer door van de staatspoorwegen de NMBS te maken en nog terug te betalen schuldtitels van banken en particulieren verplicht om te zetten in aandelen van die nieuwe spoormaatschappij. In november 1926 kon hij alweer ontslag nemen nadat de koers van de frank zich had gestabiliseerd.

 

 Zes jaar later werd Francqui opnieuw als minister zonder portefeuille en wonderdokter opgenomen in het kabinet van Georges Theunis, op het dieptepunt van de economische crisis va de jaren dertig, met de Belgische frank opnieuw in vrije val. Ditmaal slaagde hij echter niet en het kabinet viel na vijf maand. In de jaren dertig van vorige eeuw grepen overigens vijf regeringen (waaronder die van Theunis) tussen 1932 en 1936 en opnieuw in 1939 naar volmachten, driemaal een half jaar en tweemaal een jaar.

 

 Na de Tweede Wereldoorlog hanteerden ook de regering Vanden Boeynants (1966-68), Martens V(1981-1985) en VI (1985-87) en Dehaene II (1995-99) dat procédé, telkens om budgettaire saneringen door te voeren. Een heel specifiek geval was de regering Wilmès in het voorjaar 2020. Die was  vanuit lopende zaken weer opgelapt vanwege de corona-crisis, en kreeg bijzondere machten toegekend, specifiek op het terrein van de bestrijding van de pandemie. Ook de meeste regionale regeringen namen dat instrument toen aan, op Vlaanderen na.

 

 De rooms-rode regering Dehaene I in het voorjaar van 1992 begon ook als noodkabinet. De formatie na de verkiezingen sleepte lang aan, voor die tijd alleszins nog. CVP-voorzitter Herman Van Rompuy besloot de boel te forceren. Hij haalde Jean-Luc Dehaene terug, die na een zware verkiezingsnederlaag uit de politiek wilde stappen. Tegen de sterke man van het vorige kabinet bestond echter felle weerstand bij de achterban, die hem de nederlaag van de partij in de schoenen schoof. Van Rompuy koos bovendien voor een coalitie met de socialisten, iets wat ook moeilijk lag.

 

 En dus presenteerde hij zijn beslissing als ‘noodkabinet’. Dehaene slaagde er in zijn regering te vormen, maar zette zich meteen ook een deadline: hij zou zich na zes maand laten evalueren door een CVP-congres, ook over de staatshervorming die de CVP-achterban wenste, maar waarvoor de nieuwe premier op dat moment geen twee derde meerderheid had. Zes maand later had hij die wel, en een akkoord over staatshervorming, net in de nacht voor het congres. De term noodkabinet verdween, en hij en zijn coalitie bleven zeven jaar aan de macht.

 

 Er bestaan dus wel een aantal technieken om sneller dan gebruikelijk beslissingen te nemen, vooral in echte of vermeende noodsituaties. Maar het idee van het zakenkabinet is nog nooit uitgeprobeerd in ons land, ook al heeft het herhaaldelijk op de agenda gestaan. De reden is waarschijnlijk doodeenvoudig: zoals de ervaring met bedrijfsleiders die in de politiek gaan leert, is politiek ook een stiel, waarvan de voornaamste techniek van vakmanschap er ongetwijfeld in bestaat het kiezerskorps aan te spreken en een meerderheid te kunnen vormen en te beheersen.

 

Begroting

 

 Blijft de vraag: wat wil en moet men oplossen vanaf 9 juni? De Wever verwees naar de budgettaire situatie. Die is inderdaad verontrustend, omdat België in het koppeloton van de EU zit inzake zowel begrotingstekort (4%) als schuldgraad (110 %). Het deelt daar het gezelschap van Griekenland, Italië, Spanje en Frankrijk.

 

 We zitten op het niveau van Parijs, en voorlopig is vooral Italië het meest kwetsbare land als de financiële markten hun roofdierinstinct weer de vrije loop zouden laten. Al kan je, wat die laatste betreft, even goed verhopen dat die de EU-lidstaten het voordeel van de twijfel geven, bij veel hogere schuldgraden van onder meer China, de VS en Japan.

 

 In die zin geldt ook wat de EU en de Afdeling Financieringsbehoeften van onze eigen Hoge Raad van Financiën al enkele jaren stellen: op korte termijn is het Belgische begrotingsbeleid niet al te kwetsbaar, op de middellange echter heel sterk. Bekijk je het zo dan kan een even genereus begrotingsbeleid als dat van Vivaldi – waarbij de corona-pandemie en de Oekraïne-crisis als verzachtende omstandigheden kunnen gelden - nog even schijnbaar zonder problemen worden voortgezet.

 

 Of anders gezegd: er zal ook weerstand zijn in elke meerderheid die men kan bedenken voor elke variatie inzake een regering-De Wever – laat staan binnen Vivaldi II - tegen het idee dat ingrijpen urgent is. Dit land heeft trouwens een traditie waarbij ingrijpen in de begroting pas echt kan als het didactisch voor iedereen duidelijk is dat het water aan de lippen staat. In dit geval kan dat een razzia van de financiële markten zijn die de intresten van de overheidsobligaties de hoogte injaagt (het meest waarschijnlijk) of een echte tik vanwege de Europese instanties (weinig waarschijnlijk).

 

 Bekijkt men de begrotingskwestie met wat zin voor staatsmanschap dan heeft De Wever natuurlijk wel gelijk dat het tijd wordt voor ingrijpen. Sinds twintig jaar stijgen pensioen en ziekte-uitgaven, zelf samen goed voor een vijfde van alle overheidsuitgaven in dit land, sneller dan de economische groei. Dat is ten dele door de vergrijzing van de babyboomgeneratie natuurlijk, maar ook door de oplopende uitkeringen en kosten. Het gaat om een permanente herverdeling van jongeren naar de oudste generaties, om investeren in het bijna-verleden in plaats van in de toekomst dus.

 

 Daarin snijden is echter geen sinecure. Zelfs de extreem-rechtse regering van Italië schrikt daarvoor terug. Vanuit de NVA heb ik nog geen concrete voorstellen gehoord, laat staan vanuit de rest. Waarschijnlijk zijn enkel lang in de tijd gespreide en dus nauwelijks zichtbare correcties politiek haalbaar, zoals Jean-Luc Dehaene die nog als laatste heeft goedgekeurd gekregen inzake pensioenen in 1996. Overigens bestaat er, zoals PS-tenoren maar al te graag opmerken, inzake pensioenen eerder een transfer van Franstalig België naar Vlaanderen.

 

 Het andere fundamenteel begrotingsprobleem is dat er in België tussen de diverse bestuursniveaus al bijna een decennium geen fatsoenlijk overleg meer bestaat over begroting en de sociaal-economische aanbevelingen vanuit de Europese Commissie, ondanks de Europese wetgeving en het Belgisch samenwerkingsakkoord (beide uit 2013 en 2014) daarover. 


 Dat betekent dat iedereen nu zijn eigen schuldbeleid voert en zich nog weinig aantrekt van het globale plaatje, waarover België nochtans internationaal rekenschap moet afleggen. De lokale autoriteiten blijken het meest betrouwbare begrotingsbeleid er op na te houden. Daarentegen zijn oplopende schulden bij gewesten en gemeenschappen, Vlaanderen inbegrepen, sinds vijftien jaar de normaalste zaak geworden.

 

Staatshervorming

 

 Dat laatste is natuurlijk ook koren op de molen van wie een nieuwe staatshervorming wil, al was het maar omdat door een gebrek aan begrotingsdialoog tussen de entiteiten de distorties toenemen. Vertel vooral niet aan het parket van Brussel dat de Vlaamse overheid minstens vijftien man in dienst heeft voor het voeren van campagnes tegen zwerfvuil, waarbij het opruimen zelf of vervolgen van overtreders maar een marginale activiteit vormt.

 

 En er is natuurlijk nog een veel grotere redenen waarom een vrij radicale overheveling van nog meer bevoegdheden naar de deelstaten vrij nuttig zou kunnen zijn. Als we de peilingen mogen geloven gaat straks nog hooguit een derde van de Vlaamse kiezers links stemmen (en dan tellen we daar de helft van VLD en CD&V bij) en nog geen kwart van de Franstalige eerder rechts. Die tendens versterkt, dankzij de forse groei van de extremen.

 

 Je moet dat federale niveau dus wel verder uitkleden, omdat de basis voor gemeenschappelijk beleid daar gewoon wegsmelt. Er mogen gerust wat sterkere overlegstructuren en een gematigde hiërarchie der normen gecreëerd worden, bijvoorbeeld in crisistijden en inzake buitenlands beleid,  om wat bestaande anomalieën te corrigeren. Maar de beweging is overduidelijk naar verder decentraliseren. Wie dat ontkent doet aan struisvogelpolitiek. Noem dat voor mijn part 'confederalisme', al is het gebruik van die terminologieën altijd meer verwarrend dan verhelderend geweest.

 

 En het risico verhoogt natuurlijk dat we en stoemelings, in de hitte van de onderhandelingen, toch bij de ontbinding van België terechtkomen, misschien nog het meest omdat zoiets het ideale excuus oplevert om de schuld van het eigen falen helemaal bij anderen te leggen. 


 De kans dat we nadien dan beter bestuur hebben na zo'n scenario is minimaal, om niet te zeggen onbestaande. De kans dat er wat chaos losbreekt en we dus met zijn allen zullen achteruitgaan is ook reëel.

Structuren hervormen levert even vaak, of misschien zelfs vaker, veel gebakken lucht op, eerder dan beter bestuur. Of waarom denkt u dat we vijftig jaar na de eerste bescheiden staatshervorming al lang niet meer durven toeteren dat ‘wat we zelf doen, beter doen.’

 

 Maar de communautaire knoop zit niet alleen daar. Paul Magnette heeft er al herhaaldelijk op gewezen: als de peilingen straks bewaarheid worden hebben Vlaams Blok en de maoïsten na 9 juni 40 tot 45 zetels in de Kamer. Wil je dus een grondwettelijke twee derde meerderheid zonder die extremen, dan heb je al de rest nodig, zijnde Vivaldi en NVA samen.


 De quasi-onmogelijkheid daarvan wordt meteen een goede reden om van een staatshervorming af te zien - leve Vivaldi II – voor zover trouwens Vivaldi I nog werk maakt van de noodzakelijke procedure voor het opstarten van een grondwetsherziening.

 

 Er is inmiddels wel al een uitgebreide trukendoos om die formaliteiten te omzeilen, die in 1830 werden ingevoerd om instellingen niet te kwetsbaar te maken voor de grillen van snel evoluerende gewone meerderheden. Elio di Rupo gebruikte in 2012 de hocus pocus met artikel 195. Koning Albert legde in 1919 de voorbarige toegepaste grondwetsherziening op. Gaston Eyskens creëerde in 1970 de brede bypass van de bijzondere wet.

 

 Jean-Luc Dehaene, tussen 1988 en 1993, schrok er niet voor terug wijzigingen door te voeren via een grondwetsartikel dat wel voor herziening vatbaar was verklaard en tegen een materie aanschurkte die  in een ander artikel thuishoorde, dat echter niet voor herziening vatbaar was verklaard. Dat gaf wat tegenstrijdigheden in de grondwet, die een eminent panel van constitutionalisten in 1994 discreet mocht stroomlijnen tot een nieuwe grondwettekst.

 

 Als de peilingen bewaarheid worden dan is een staatshervorming langs de klassieke procedure zo goed als uitgesloten. Legitimiteit zal dan op een originele manier moeten verworven worden. Dehaene in 1992, en voor hem vader Eyskens in 1970 begonnen zonder tweederde meerderheid aan een staatshervorming, maar verwierven die onderweg. Vanwege de hedendaagse partijpolitieke versnippering is de kans op een dergelijk succes vandaag echter kleiner.

 

 Een mogelijkheid zit eventueel in het precedent van de koningskwestie van 1950. Men organiseerde toen een referendum over het al dan niet aanblijven van Leopold III. Constitutionalisten toen zeiden dat zo’n instrument niet voorzien was in de grondwet. Dus werd het referendum enkel ‘raadgevend.’

Maar iedereen weet dat zo’n stemming politiek dan dwingend wordt. Die van de koningskwestie werd het dan toch niet, omdat men de mogelijke en zelfs te verwachten communautaire dimensie niet had onderkend, wat met een consensus-instelling als de monarchie natuurlijk fataal was.

 

 In een analoog verhaal zou men vandaag vanuit een gewone meerderheid een staatshervorming aan de kiezers kunnen voorleggen, op voorwaarde dat men vooraf een minimum-drempel van goedkeuring invoert voor elk van de twee grote gemeenschappen (40 of 45 % bijvoorbeeld; in Zwitserland moet elke nationaal referendum de steun hebben van niet alleen de helft van de kiezers, maar ook van de helft van alle kantons). En dan met een positieve uitslag testen of meer dan een derde van het parlement zich nog tegen die raadgevende wil van de kiezer wil verzetten. Iets dergelijks.

 

Lopende zaken

 

 Wat het ook wordt, er bestaat geen twijfel dat de volgende federale regeringsvorming nog complexer wordt dan de vijf vorige. Daarbij hebben we in de laatste vijftien jaar al tweemaal meer dan 500 dagen nodig gehad. We zijn daarin wereldrecordhouder hors catégorie.

 

 Waarbij de vorming van de deelstaatregeringen ook niet simpeler worden. PS en NVA kunnen daar overwegen om die vervelende nieuwe rivalen in de extreme hoek te verslijten aan de macht, maar dan enkel als zij als grootste in de stuurkabine blijven. Meer conventionele coalities zijn wel waarschijnlijker, al ligt de oude droom van symmetrie op alle niveaus al vijftien jaar aan scherven. Hou vooral Brussel in het oog: de NVA wordt daar aan Vlaamse kant haast zeker incontournable, terwijl aan Franstalige kant de peilingen de PTB voorlopig met de leiderspositie doen flirten. 

 

 Premier De Croo wacht vermoedelijk nog een lang mandaat in lopende zaken. En uiteraard doet iedereen er goed aan te wachten of de peilingen inderdaad bewaarheid worden, wat ze in het beste geval nooit voor meer dan 80 % doen. Misschien blijkt op 9 juni ’s avonds dat De Wevers kans op het premierschap in 2020 zijn enige is geweest. Al zou dat de formatie zeker niet minder gecompliceerd maken.

 


1983: Frankrijk of Europa?

6 januari 2024 


 Net na Kerstmis is in Parijs Jacques Delors zachtjes ingeslapen, 98 jaar oud. Gisteren is er een internationale rouwplechtigheid voor hem gehouden aan de Invalides in de Franse hoofdstad. Terecht prijst men Delors als de beste stuurman aan het hoofd van de EU-instellingen ooit, al kon hij dat natuurlijk ook maar zijn dankzij de volle steun van de Franse president François Mitterrand en de Duitse bondkanselier Helmut Kohl. 


 Maar nog boeiender is de geschiedenis van de vier jaar die Delors vertoefde in de Franse regering tussen 1981 en 1985, toen in Parijs voor Frankrijk en voor Europa cruciale sociaal-economische keuzes moesten gemaakt worden.  Aan het einde van deze Kerstvakantie dus een lang verhaal, dat veertig jaar later echter nog altijd heel actueel is omdat het de keuzes van onze tijd beter doet begrijpen.

 

 

 François Mitterrand (links op de foto, als president in 1983, met Delors, toen zijn superminister van Economie en Financiën) was 64 toen hij op 10 mei 1981 bij zijn derde poging dan toch president van Frankrijk mocht worden. Hij was geboren op 26 oktober 1916 als één van acht kinderen in een burgerlijke, katholieke familie van ambtenaren en agro-ondernemers, in Jarnac, een stadje iets stroomopwaarts van Cognac aan de Charente (het cognacbedrijf van Monnet huist tegenwoordig in Jarnac). Hij zou schitterend studeren, en advocaat worden.

 

 Maar in 1940 was hij dienstplichtige onderofficier  geweest, en krijgsgevangen, ontsnapt in 1942, dan ambtenaar voor het Vichy-regime geworden, uiteindelijk weerstander, en de politieke chef van een beweging van ex-krijgsgevangenen en gedeporteerden. Zo kwam hij in de politiek terecht, bij één van de vele kleine socialistische partijen in de marge op links van de heel grote communistische partij,  toen de grootste partij van het land. Mitterrand werd in 1947 verkozen in de Assemblee en meteen ook minister (van Oudstrijders).

 

 Hij klom op, tot Binnenlandse Zaken (onder Mendès-France in 1954) en Justitie (onder Mollet in 1956), twee posten die hem mee verantwoordelijk maakten voor executies en folteringen van Algerijnse onafhankelijkheidsstrijders. Het premierschap leek hem voorbestemd, tot De Gaulle in 1958 een einde maakte aan de Vierde Republiek. Als enige die de generaal durfde uit te dagen bij de presidentsverkiezingen in 1965 kwam hij met een onverwacht sterke score weer boven water.

 

 In 1969 ging hij ervan uit dat links na mei 1968 te gediscrediteerd was om kans te maken (wat een juiste inschatting bleek). In 1974 verloor hij met minder dan een procent van Valéry Giscard d’Estaing, de minister van Financiën van De Gaulle en Pompidou. Sinds de parlementsverkiezingen van een jaar eerder stond een partijpolitieke mijlpaal op zijn naam: voor het eerst sedert 1945 was de Parti Socialiste groter geworden dan de communisten.

 

 Mitterrand sterkte was zijn afstandelijkheid. Hij geloofde in de staatsraison, ging totaal on-emotioneel om met macht, ambieerde die als doel waarvoor de middelen heiligden. Hij liet zich door vermeende experts, noch door gebeurtenissen opjagen en beheerste perfect de kunst om een beslissing te nemen wanneer hij er de tijd rijp voor achtte. Toen Jacques Attali, de internationale adviseur van de president en diens kroniekschrijver, hem in 1985 vroeg wat de voornaamste kwaliteit van een politicus was, antwoordde hij: ‘Ik wou dat ik eerlijkheid kon zeggen, in feite is het de onverschilligheid.’

 

 Tegelijk was hij een gecultiveerd man, een boekenmens met een brede intellectuele kennis, die hij graag etaleerde. Altijd welopgevoed-formalistisch ook – slechts een handvol mensen sprak hem met tu aan -, en in zijn beste momenten uitermate charmant, onder meer in twee huwelijken en wat (bekende) buitenechtelijke avonturen. Zijn sterkte was ook zijn zwakte: Mitterrand werd heel zijn leven lang door zijn tegenstanders aangevallen op zijn ijskoud opportunisme. De Gaulle beschuldigde hem zelfs van collaboratie met het Petain-regime, niet ten onrechte, ook al was het maar heel even.

 

 Vier dagen na Mitterands verkiezing voor de stoel van De Gaulle in 1981 legde zijn staf een dik dossier op zijn tafel met alle politieke projecten die uitgevoerd moesten worden. Hij weigerde het open te doen. ‘Het zal aan de regering zijn om dat te bekijken,' verklaarde hij. Nu hij eindelijk zover was geraakt, zou hij zich positioneren zoals De Gaulle het presidentschap had geconcipieerd: grote lijnen en vooral buitenlandse zaken. Het is in die rol dat misschien wel zijn voornaamste – sommige zullen zeggen: enige – engagement ooit vorm kreeg: voor Europese samenwerking.

 

 De toen 31-jarige Mitterrand  had al in 1948 aan het legendarische Europese Congres van Den Haag deelgenomen, met prinses Juliana als gastvrouw en Winston Churchil als absolute vedette. Hij zou vanaf 1983 een ongewone band opbouwen met bondskanselier Helmut Kohl, karakterieel bijna een antipode. Er was natuurlijk al een traditie, van Adenauer en de Gaulle, van Schmidt en Giscard. Maar de band tussen Mitterrand en Kohl was evenwichtiger en daardoor waarschijnlijk de meest intense, op een niveau van verstandhouding dat sedertdien niet meer is herhaald.

 

Delors

 

 Daarvoor moesten Frankrijk en de Franse linkerzijde wel eerst door een proces van boetedoening. Al vanaf de eerste dag na Mitterrands overwinning liep het mis op de beurs van Parijs. De koers van de Franse franc daalde en de aandelen van de grote Franse bedrijven gingen in solden. Die laatsten zouden immers volgens het verkiezingsprogramma van de nieuwe president, het programme commun van socialisten en communisten, genationaliseerd worden. Na de vervroegde parlementsverkiezingen van 14 en 21 juni 1981, die de socialistische PS via het meerderheidsstelsel 285 van de 491 zetels in de Assemblee bezorgde, traden vier ministers van de tot 44 zetels gekrompen Parti Communiste de France toe tot de regering.

 

 Het kabinet kwam in handen van premier Pierre Mauroy, de 53-jarige burgemeester van Lille, die de sterkhouder was van het rode bastion in het uiterste noorden van het land. In de aanloop van de verkiezingen had hij een cruciaal bondgenootschap gesloten met Mitterrand tegen de andere clans van de PS. De belofte van een radicaal-linkse breuk met 23 jaar rechts bewind vertaalde zich in arbeidsduurverkorting (van 40 uur naar 39 zonder loonverlies), een vijfde week betaalde vakantie, belastingen op de grote fortuinen, pensioen op 60, en een verhoging van het aantal ambtenaren, naast loonsverhogingen onder syndicale druk natuurlijk.

 

 Daarnaast begon een feitelijke ‘uitzuivering’ van de macht, omdat rechts – de partij van De Gaulle vooral - al die tijd het staatsapparaat naar zijn hand had gezet, niet geheel onvergelijkbaar met de wijze waarop Viktor Orban dat dertig jaar later in Hongarije zou doen. Jacques Attali heeft in zijn volumineuze kroniek van Mitterrands presidentschap de sfeer beschreven waarin de nieuwe meesters in de eerste dagen door de staf van het Elysée bekeken werden als parvenus die de macht geusurpeerd hadden van zijn rechtmatige eigenaar.

 

 Het economisch concept achter de radicale koerswijziging was ‘de groei sociaal te stimuleren’, zoals Jacques Delors dat later beschreef. Delors, 55 was door Mitterrand tot minister van Economie en Financiën benoemd, en dus sleutelfiguur van het economisch beleid. Om hem wat te bewaken stelde de president de rijzende ster Laurent Fabius, amper 35, aan tot adjunct-minister voor het budget.

 

 De nieuwe super-minister kwam uit de katholieke arbeidersjeugd en het christelijk syndicalisme. Hij had even met de christendemocratische MRP van Schuman en Bidault geflirt, die na de oorlog een decennium lang sterk stond, maar evolueerde naar de socialistische strekkingen. Zijn vader was begonnen als loopjongen bij de Banque de France in Parijs, zijn moeder verdiende bij met naaien. Hun ambitie was het enig kind de beste studies te bezorgen. De oorlog verplichtte hen dat buiten Parijs, bij de familie in de Auvergne, te doen. Onmiddellijk na de bevrijding kon Jacques ook bij de Banque de France beginnen.

 

 Hij militeerde er in de vakbond, werkte zich op. In de jaren zestig verkaste hij naar het Commisariat du Plan (de creatie van Monnet). Dat maakte hem in 1969 tot adviseur op het kabinet van premier Jacques Chaban-Delmas (onder Pompidou), bij la droite dus, al was niemand in Parijs toen echt sectair. Na 1972 doceerde hij economie aan de universiteit van Parijs en de ENA, engageerde hij zich voor Mitterrand, was hij van 1979 tot 1981 Europarlementslid.

 

 Hij maakte opgeld als iemand die, zoals de West-Duitse bondskanselier Helmut Schmidt, klassieke economische visies kon verzoenen met even originele als pragmatische sociale hervormingen. Bovenal was hij ambitieus. Hij verzorgde uitstekend zijn eigen publiciteit, in een moderne omgang met de media. 


 Delors was een dossiervreter, een goed spreker, een nerveuze en gedreven man. Hij had een zachtmoedige kant, al beschreef Helmut Kohl hem in een gesprek met Mitterrand in 1986 in heftige bewoordingen: ‘Hij is opvliegend, je kan dat niet geloven. Als ik u was zou ik hem aanraden tien procent van zijn woede te gebruiken om zijn bureaucratie op te zwepen.’

 

 ‘Ons beleid was een reële ommekeer, waarvan de kost berekend moest worden,’ zo schreef Delors later met een absoluut understatement. ‘Ik ben op Financiën gestart in het volle besef van dat probleem, gezien de context in Europa en in de wereld.’ Die ‘context’ ging de andere richting uit: De eerste vrouwelijke Britse premier ooit, Margaret Thatcher, was sinds 1979 begonnen aan een radicaal beleid van afbouw van de staatsinterventie in haar land, door drastische besparingen en privatiseringen, door deregulering en belastingverlagingen en door een bikkelharde strijd om de wurggreep van de vakbonden op de Britse economie te breken.

 

 De nieuwe Amerikaanse president Ronald Reagan - hoogbejaard voor die tijd, want net nog 69 toen hij zijn eed aflegde - begon in Washington vanaf 20 januari 1981 aan een gelijkaardig beleid, al liet hij de militaire uitgaven drastisch stijgen.Hij liet vooral de Federal Reserve de interestvoeten fors verhogen om eindelijk een einde te maken aan de dubbelcijferige inflatie. Helmut Schmidt in de Bondsrepubliek probeerde al jaren iets gelijkaardigs maar moest rijden en omzien naar zijn eigen sociaaldemokratische achterban toe. De Benelux-landen gooiden in 1981 het roer om.

 

 De westerse wereld koos na 35 jaar keynesiaans beleid, met toenemende overheidsinterventie in de economie, stijgende inflatie en groeiende begrotingstekorten, voor een neoliberale koerswijziging. Die zou dertig jaar duren, de wereld als geheel een stuk welvarender maken, de Amerikaanse economie en de financiële wereld innoveren, en in het westen de herverdeling stoppen en de kloof tussen rijk en arm weer doen toenemen. Totdat vanaf 2007 de onthutsende bijwerkingen elkaar opvolgden: een ongeziene net niet fatale bankcrisis, ongecontroleerde migratie, de ontregeling van het klimaat en een heuse pandemie

 

Devaluaties

 

 Delors schetst in zijn memoires dat er in 1981 een kleine hoop was dat het aanzwengelen van de consumptie de Franse economie had kunnen stimuleren. Maar dat gebeurde niet, door het fundamenteel wantrouwen van de financieel welstellenden in links en door de inertie van het Franse bedrijfsleven. Dus gingen overheidstekort (- 3 % bbp) en handelsdeficit weer diep in het rood. Het probleem verscherpte nog door de snelle stijging van de dollarkoers onder Reagan, die Europa een derde oliecrisis (olie werd betaald in dollars) bezorgde.

 

 ‘Je moet nu eenmaal aanvaarden dat een democratie nood heeft aan afwisseling en dat die een prijs heeft,’ aldus Delors. Hij stelde dus net niet in zijn memoires dat er vanaf het begin rekening mee gehouden was dat het linkse project kon mislukken, maar dat men minstens naar de kiezer toe verplicht was een begin van uitvoering te geven. Was het daarom dat Mitterrand Delors, in de PS toch verdacht als ex-cabinetard onder Pompidou en vertrouweling van het internationale bankwezen,  benoemde op de sleutelpost van Economie en Financiën? ‘Het was inderdaad de laatste keer dat een regeerprogramma de traditionele dromen van links wenste uit te voeren,’ aldus Delors, ‘Dromen over de kwaliteit van het leven, van sociale rechtvaardigheid en van een betere verdeling van de vruchten van de nationale economie.’

 

 Het was dus een kwestie van tijd eer de opsplitsing van de weg bereikt zou worden: Frankrijk helemaal alleen een eigenzinnige linkse economische koers opsturen, met alle gevolgen – ook naar de Europese Gemeenschap toe. Of bijdraaien, mee-evolueren met de rest. Mr. President, I do not think your program will work,  sneerde Margaret Thatcher hem in volle vergadering toe, nadat Mitterrand als nieuwkomer was uitgenodigd om zijn economisch plannen te verduidelijken op de G-7 top in Ottawa op 20 juli 1981.

 

 Op zondag 4 oktober 1981 beslisten de ministers van Financiën van de Tien EU-lidstaten in Brussel tot de devaluatie van de franc, met 3 %, terwijl de D-mark met 5,5 % werd gerevalueerd. Bondskanselier Schmidt, die besefte dat links in Frankrijk eerst zijn dromen moest uittesten, gunde Mitterrand dat Bonn cijfermatig de zwaarste schok op zich nam. 


 Hij had vertrouwen in de nieuwe Franse president, die hem al drie dagen na zijn aantreden, tijdens Schmidts bezoek aan Parijs op 24 mei 1981, verzekerd had dat hij ‘niet van plan was uit het Europees Monetair Systeem’ te treden. Dat EMS was door Schmidt en Mitterrands voorganger Giscard in 1979 gecreëerd, samen met de Britse Commissievoorzitter Roy Jenkins, om na tien jaar onwezenlijke monetaire instabiliteit wat rust te herstellen. Schmidt waardeerde ook dat Mitterrand het standpunt van de bondskanselier over de omstreden plaatsing van nieuwe Amerikaanse kernraketten deelde, die de West-Duitse sociaal-democraat had gevraagd als tegenmaatregel tegen gelijkaardige Sovjet-Russische tuigen.

 

 De devaluatie van oktober vond plaats vier dagen nadat Fabius op de ministerraad van woensdagmorgen 30 september 1981 een Begroting had gepresenteerd met een verhoging van de uitgaven van 27 % en een deficit van 95 miljard francs of 2,6 % van het bbp.  Mitterrand had Fabius aangeduid om het budget naar de media toe uit te dragen, en dus compleet Delors gepasseerd.  


 Die had gezwegen op de ministerraad, maar kon in de late woensdagnamiddag al bijna triomfantelijk naar het Elysée bellen om te zeggen dat de franc onder zware druk stond en een devaluatie ‘voor dit weekeinde onvermijdelijk wordt.’ Mitterrand aanvaardde, omdat de devaluatie nog in de schoenen van voorganger Giscard geschoven kon worden. Hij stond Delors meteen toe een nieuwe begroting op te maken. Tegenover zijn collega’s in Brussel beloofde die 25 miljard franc besparingen. Fabius counterde op de ministerraad op 7 oktober met ‘maar 15 miljard.’ Mitterrand trancheerde: 15 miljard.


  De genomen maatregelen bleken onvoldoende en op zaterdag 12 juni 1982 volgde een tweede devaluatie, met 5,75 %, terwijl de D-mark met 4,25 % revalueerde. Ditmaal kon de blaam niet meer op de voorgangers geschoven worden. ‘Iedereen voelt de vernedering’, noteerde Attali, die ook de felle discussies op zondag 13 juni in het Elysée beschreef tussen de voorstanders van la rigueur, de besparings- en controlemaatregelen (Mauroy en Delors), en diegenen die nog een uitweg zochten via het opgeven van het lidmaatschap van het Europees Monetair Systeem (Rocard, Fabius, Chevènement). 


 Tien dagen later besliste de ministerraad een bevriezing van prijzen en lonen – op het bestaansminimum (SMIC) na – waarbij de facto het dertig jaar oude systeem van automatische indexering van de lonen werd opgegeven. De inflatiebestrijding kreeg nu toch voorrang. Mitterrand zelf, economisch overigens een dilettant, probeerde in de weken nadien nog Mauroy te corrigeren, door hem een programma van publieke investeringen en lage intresten op te leggen, via de genationaliseerde bedrijven en banken.


 Uiteindelijk lukte het wel de inflatie fors te doen dalen en op zijn minst het begrotingstekort te stabiliseren, maar het handelsdeficit bleef aangroeien. Frankrijk leefde boven zijn stand, en nog voor de gemeenteraadsverkiezingen van 6 en 13 maart 1983 – die links een nederlaag bezorgden – bereidde het kabinet een nieuwe devaluatie voor.

 

 Die kwam er, op maandagochtend 21 maart waarbij de franc 2,5 % lager werd afgeklokt, en de D-mark 5,5 % hoger. Delors kreeg, met de volle steun van Mauroy, vier dagen later op de ministerraad zijn zin: er kwam een saneringsplan van 20 miljard francs, waarvan een derde besparingen in de sociale zekerheid, een verhoging van de sociale bijdrage voor de pensioenen met 1,5 %, een voorafname op de personenbelasting van 1984, en zelfs een tijdelijk beperking van de muntruil voor de Fransen die op reis ging.

 

Premier

 

 Daaraan waren dramatische weken voorafgegaan. Mitterrand had het dilemma zelf op 19 februari 1983 al geschetst: ‘Ik ben verscheurd door twee ambities: die van de Europese constructie en die van de sociale rechtvaardigheid. Het Europees Monetair Stelsel is nodig om de eerste te doen slagen, maar beperkt mijn vrijheid inzake de tweede.’ En dus wisselde zijn keuze constant. Dat vermengde zich, na de eerste ronde van de gemeenteraadsverkiezingen, met de wil om Mauroy te vervangen. Il est usé, zei de president over de premier in die dagen. Feitelijk hanteerde Mitterrand opnieuw wat De Gaulle vanaf 1958 met de Vijfde Republiek had verwezenlijkt: de premier dient als zekering, en als toch de kortsluiting dreigt of toeslaat, steekt de president een nieuwe.

 

  Het Elysée probeerde eerst Mauroy, dan Delors te overtuigen om het EMS op te geven. Wie dat wilde uitvoeren mocht premier blijven/worden. Maar beiden weigerden – Mauroy met het argument ‘dat hij niet kon sturen op een ijzelbaan.’ De twee wisten finaal het beslissend argument boven te halen dat Mitterrand ertoe bracht eerst de devaluatie nog eens te proberen: de Franse deviezenreserves waren geslonken pas loin de zero. Er was gewoon geen geld meer om een vlottende franc, los van het EMS, eventueel te steunen.

 

 Zo ontstond de tactiek om de Duitsers, via de dreiging uit het EMS te stappen, ertoe aan te zetten een hoger percentage revaluatie van de D-Mark te aanvaarden dan Franse devaluatie, en zo het gezichtsverlies in Parijs te beperken.  In Bonn was echter sinds oktober een nieuwe centrum-rechtse West-Duitse regering  aan de macht gekomen onder Helmut Kohl, die op 6 maart 1983 de machtswissel bevestigd in vervroegde Bondsdagverkiezingen. Op 7 maart polste Mitterrand hem discreet over het scenario van muntherschikking. Bonn vond het Franse voorstel echter overdreven, zou dat ook op zaterdag 19 maart in Brussel nog doen.

 

 Jacques Delors kondigde op zondagmorgen 20 maart aan zijn collega’s in Brussel aan dat hij terug naar Parijs moest. Volgens Delors was dat om het dreigement met het verlaten van het EMS op die manier fysiek te maken. Attali brengt een ander verhaal: Delors wou in Parijs zijn op het ogenblik dat Mitterrand naar een nieuwe premier zocht. Die laatste, stomverbaasd, stuurde hem meteen terug. Diep in de nacht van zondag op maandag belde de West-Duitse minister van Financiën Gerhard Stoltenberg met Kohl. Die was ondertussen gecharmeerd geraakt door zijn eerste contacten met Mitterrand, en legde nu, tegen alle adviezen in, op dat men de Fransen moest helpen.

 

 Zo gebeurde ook. Later op die maandag in Brussel, waar om 17u ook een Europese Raad begon, had Mitterrand om 15 uur een gesprek van anderhalf uur met Delors, die hij gevraagd had in de Belgische hoofdstad op hem te wachten. Hij bood hem het premierschap aan, op voorwaarde dat hij zich zou verstaan met Fabius op Financiën en met Pierre Bérégovoy, de linksere secretaris-generaal van het Elysée, die minister van Sociale Zaken zou worden.

 

 Jacques mocht dus dirigent onder de president worden, van een weliswaar roder klinkend orkest. Het eeuwige spel van verdeel en heers. Delors, die het doorhad, vroeg de eindcontrole op Financiën te mogen combineren met het premierschap. De president weigerde, en Delors haakte af. ‘Ik wil mijn lot niet in de hand van één man leggen,’ vertrouwde Mitterrand een dag later toe aan Attali. Tegenover Delors erkende de president, een verwoed consument van geschiedenisboeken, ruim een jaar later ‘dat hij niet de rol van vadsige koning wou opnemen tegenover u als hofmeier.’

 

Brussel

 

   Zonder Delors, die dus op Financiën bleef maar wel van Fabius verlost geraakte voor Begroting,  bleef enkel Mauroy. Die had het nieuwe, harde beleid voorgesteld, ook al maakte die forse koerswijziging hem natuurlijk niet geloofwaardiger. De conclusie volgde een jaar later, op 17 juli 1984: Mauroy ging, na de forse overwinning van rechts bij de Europese verkiezingen.

 

 Laurent Fabius, tot dan minister van Industrie, werd de nieuwe Franse premier, de jongste ooit. Delors, die nog even hoopte, kreeg bevestigd dat hij naar Brussel mocht gaan, voor het voorzitterschap van de Europese Commissie. In het nieuwe kabinet van Fabius ontbraken de communisten. Die hadden de gelegenheid aangegrepen om, vanwege de rigueur, op te stappen. Attali somde in zijn dagboek triomfantelijk op hoe weinig ze bereikt hadden.

 

 De benoeming van Delors was door Mitterrand en Kohl geregeld in een reeks van gesprekken in het voorjaar. Beiden hadden de brave Luxemburgse Commissievoorzitter Gaston Thorn afgeschreven. Die had zichzelf finaal tot de rol van een eenzaam prekende Savonarola tegen de Europse stilstand gedegradeerd en dus zijn eigen machteloosheid gepromoot. Diens soliedere Belgische vice-voorzitter Etienne Davignon kon niet voor Mitterrand, omdat ‘men hem verwijt te dicht bij de Amerikanen te staan en teveel tot de EU-aristocratie te behoren’, zoals hij tegenover de Belgische premier Martens zei.

 

 Hij en Kohl werden het er over eens dat het ditmaal een Duitser of een Fransman moest zijn, om de EG weer wat dynamisme in te blazen. Kohl had de eerste keuze, kende zelfs een kandidaat, Kurt Biedenkopf, de CDU-topman van Noordrijn-Westfalen. Dat was een gewezen kompaan, die hij echter inmiddels wantrouwde en waarschijnlijk liever niet in de leidende rol in Brussel zag terwijl hij nog zijn eerste Europese stappen zette.

 

 Ook Mitterrand kende een kandidaat, zijn te vaak eigenzinnige en blunderende minister van Buitenlandse Zaken Claude Cheysson, die al commissaris in Brussel geweest was tussen 1977 en 1981, en die besefte dat zijn rol in Parijs was uitgespeeld. Maar de president suggereerde Delors aan Kohl, met de belofte dat nadien een Duitser aan de beurt kon komen. Wilde hij hem kwijt, als potentiële rivaal bij de verkiezingen van 1988?

 

 Delors verwees later in zijn memoires nogal bitter naar één van de laatste interviews van Mitterrand (die begin 1996 overleed) waarin die stelde dat de minister van Financiën vanwege zijn christendemocratisch verleden en parfum nooit genoeg gedragen zou worden door heel links en dus geen kans maakte. Vandaar dat Delors eind 1994  wel geflirt heeft met een kandidatuur voor het presidentschap, maar niet heeft doorgezet.

 

 Dacht Delors daar ook zo al over in 1984? Precies omdat Mitterrand toen niet zeker was zijn woelige minister te kunnen overtuigen zichzelf naar Brussel te verbannen, liet hij dat aan Kohl over, die het met veel verve deed en ook slaagde. Voor Kohl was Delors voldoende rechts – of noem het ‘pragmatisch’ - om aanvaardbaar te zijn. Zelfs Margaret Thatcher verdedigde nadien de keuze voor haar partijgenoten met het argument dat Delors had turned Mitterandism into Thatcherism.

 

Credo

 

 Van veel diepere impact dan die benoeming was dat iedereen de ommezwaai van het Franse beleid van 21 maart 1983 zou gaan beschouwen als het einde van vele sociaaldemocratische stokpaardjes, zoals die in de crisis van de jaren dertig waren ontwikkeld als haalbaar alternatief voor het officieel beleden marxisme, onder meer door de Antwerpse sociaaldemocraat Hendrik De Man. Die principes waren voor het eerst volop toegepast door de Labour-regering van Clement Attlee in Londen na 1945. Ze hadden het regeerprogramma van Mitterrand en Mauroy bemeubeld in 1981.

 

Op 24 maart 1983 omschreef Attali het besparingsplan-Delors in één zinnetje: On reprend ce qu’on a donné en 1981 (‘We pakken terug af wat we in 1981 uitgedeeld hebben’).Het werkte overigens. De speculatie tegen de franc nam af en het EMS groeide uit tot de basis van de euro. Mitterrand borg de socialistische dromen op en werd een sociaaldemocraat.

 

 Voor Felipe Gonzalez, met zijn socialistische partij pas aan de macht gekomen in Madrid in oktober 1982, was dit alles een hefboom om, zijn eigen instinct volgend, ook een koers van minste weerstand tegen het neoliberale tij aan te nemen. ‘Ik ben Mitterrand veel verschuldigd,’ zei hij aan de nieuwe Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken George Shultz half december 1982 toen die langskwam. ‘Hij kwam aan de macht met een grote meerderheid en een socialistisch ticket, net als ik nu. Hij voerde het socialistisch programma uit, en het resultaat was een catastrofe voor Frankrijk. Dat is mijn les: voer dat socialistisch programma niet uit. Blijf bij de markt. Moedig investeerders aan. Dat ga ik doen.’ Gonzalez bleef tot 1996 premier.

 

 Op 9 juni 1983 won Margaret Thatcher, gesterkt door haar overwinning in de Falkland-Oorlog tegen Argentinië, de grootste Conservatieve meerderheid in het Lagerhuis ooit, tegen een gedecimeerd Labour dat na zijn machtsverlies in 1979 zich teruggeplooid had op een radikaal-linkse koers. De Italiaanse socialist Bettino Craxi, die op 4 augustus 1983 in Rome premier werd en dat vier volle jaren zou blijven, deed hetzelfde, onder meer met de afschaffing van de scala mobile, de automatische loonindexering, om op die manier de inflatie te bestrijden. De sociaaldemocratische partijen zouden in de jaren tachtig en negentig meer en meer de macht veroveren in diverse landen van Europa, nadat ze zich grotendeels bij het credo van de liberale markteconomie hadden neergelegd.

 


Napoleon, de leegte

 

 22 december 2023


 Napoleon zag, kwam en verdween. Zo zou je Napoleon-experience uit Hollywood van dit najaar kunnen samenvatten. Een twee uur durend spektakel, dat je historisch geheugen wat opfrist, dat je uiteraard niet met een geschiedenisboek mag verwarren, en waarvan finaal ook niets blijft hangen.

 

 Ridley Scott, de Britse regisseur die net vijf jaar ouder is dan Joe Biden, kent zijn vak natuurlijk. Twintig jaar geleden produceerde hij Gladiator, een film die alles afgevinkt had wat op elke to do-lijst in Hollywood staat: grandioze decors en horizonten, majestueuze beelden, special effects, een originele score, een sterk verhaal met een onbaatzuchtige held en een waarlijk snode slechterik, spanning, een charismatische hoofdrolspeler (Russel Crowe), wat porties geweld tot op het niveau van net-nog-kunnen, en enkele bescheiden vleugjes seks die noch het Amerikaans publiek in de Midwest, noch de Arabische markt kunnen shockeren.

 

 Scott’s Napoleon dit jaar had de meeste van die ingrediënten. Noem het gerust een spektakelstuk, waarbij danig gebruik wordt gemaakt van surround-sound van kanonnen, van grandioze Franse decors en zelfs de piramiden van Egypte, waarbij je van de ene markante gebeurtenis in de andere tuimelt, aan een hels tempo. Er zitten zelfs een paar heel geslaagde pogingen in om in een flits even te laten proeven van een breed perspectief uit de geschiedenis, zoals bij de korte scène waarin Robespierre zijn filosofie uitlegt in de Assemblee.

 

Josephine

 

 Over de fouten tegen de historische werkelijkheid – en Scott’s arrogante reactie tegen de kritiek daarop (‘Get a life’) – is al veel geschreven. Ik ben geen Bonaparte-expert zoals de Vlaamse collega’s Bart Van Loo en Johan Op de Beeck, maar laat mij het samenvatten: het krioelt gewoon van de historische onjuistheden, in elke scene minstens een paar. Op zich is dat bij historische films niet eens ongewoon, al kan het ook anders, zoals bijvoorbeeld Oppenheimer de voorbije zomer bewees.

 

 Maar het valt op dat door de fouten ook details zijn blijven liggen die het spektakel nog meer hadden kunnen kruiden. Dat de jonge Bonaparte (op een Britse karikatuur uit 1813 hiernaast) Josephine afsnoepte van zijn mentor Paul Barras bijvoorbeeld – of dat die haar gewoon doorspeelde om de ambitieuze jonge generaal beter in het oog te houden, men weet het niet exact – had Scott niet mogen laten liggen. Er is dus duidelijk slordig gewerkt aan het script, anders dan inzake de uitermate verzorgde visuele details. Een niet ongewone budgettaire keuze overigens in de business.

 

 Wat Scott heeft kunnen vermijden is de oude Brits-Franse val. Tot niet eens twintig jaar geleden kon je geen Brits geschiedenisboek vinden dat positief was over Bonaparte, geen Frans dat hem afbrak. Twee eeuwen na de passies van toen! Die mentale patriottische muur is inmiddels gelukkig wat gesloopt, en Scott heeft dat meegenomen: hij portretteert Napoleon niet echt als een volslagen tiran, ook niet als een groot genie, maar eerder als een banale ambitieux.

 

 Het blijft wel allemaal vaag, ongetwijfeld omdat een 49-jarige, Joaquin Phoenix (de slechte keizer Commodus in Gladiator!) geen weg wist met zijn rol en dit project zakelijk en routineus afwerkt. Hij komt inderdaad ook te oud over: een blaag met een baby-face voor de jonge, nerveuze, ambitieuze Corsicaanse opdonder anno 1795 ware geloofwaardiger en qua impact ook sterker geweest.

 

 En dan is er natuurlijk het verhaal. Er is te veel om allemaal te vertellen, dat is bekend. Scott is in dat probleem verdronken, zoals Adam Zamoyski de Pools-Britse historicus die vijf jaar geleden een uitstekende Napoleon-biografie publiceerde, recent in een interview opmerkte: ‘Ik denk dat Scott ergens halfweg verloren gelopen is over de vraag wat voor film hij eigenlijk wou maken. Hij was begonnen aan een portret over Napoleon, maar is dan van richting veranderd en heeft dan een grotendeels fictief liefdesverhaal over Napoleon en Josephine gemaakt.’ Waaraan je alleen kan toevoegen dat hij ook uit het verhaal van die complexe relatie nauwelijks gehaald heeft wat erin zat.

 

Propaganda

 

 Er bestaat eigenlijk nog altijd geen goeie verfilming over de figuur Bonaparte. Net twintig jaar geleden (4 januari 2004) schreef ik in De Tijd een artikel over ‘De mythe Napoleon’, naar aanleiding van een Franse fictiereeks over Bonaparte, die toen net op Canvas begon. Ik sprak met Christian Castellan, die in Parijs een tweemaandelijks historisch tijdschrift uitgaf dat louter en alleen over Napoleon en zijn tijdperk ging.

 

 Hij had de serie uiteraard al gezien en dit was zijn conclusie: ‘De reeks is ongetwijfeld een mooie inspanning. En het gaat er me niet om dat een aantal details fout zijn, wat onvermijdelijk is in de simplificatie van het medium televisie. Maar ik miste een stuk subtiliteit en diepgang in de personages. En Christian Clavier heeft me ook niet overtuigd als hoofdrolspeler.’ (De reeks is nog te vinden, in Engelse versie, op youtube; Isabella Rossellini was Joséphine toen)

 

 Is het inderdaad onmogelijk om heel dat woelige en spectaculaire leven in twee of zelfs drie uur samen te persen, dan moet men misschien naar detailaspecten gaan, die toch representatief kunnen zijn voor het geheel. Der Untergang uit 2005, over de laatste tien dagen van Hitler, was daar een perfect voorbeeld van.

 

  Filmisch het meest waardeloos is vermoedelijk de periode waarin Bonaparte op zijn best was: als eerste consul tussen 1800 en 1804. Want het schrijven van wetboeken, en het maken van compromissen tussen kerk en staat, en tussen revolutie en de algemene heimwee naar de periode voordien, zijn niet echt spannende televisie, wel Napoleons enige erfenis die gebleven is. Het was toen dat zijn ongelooflijke werkkracht en zijn een-dimensionele manier van leven, louter gericht op politiek (en met tussendoor enkel wat vluggertjes zoals Scott nogal ordinair in beeld brengt), het meest rendeerde, vooraleer zijn fysieke aftakeling begon.

 

 Dus moet men waarschijnlijk op een paar spectaculaire fases blijven inzoomen. Een poging tot verklaring van zijn fenomenale opgang, bijvoorbeeld, inbegrepen wat hem tien jaar tot onoverwinnelijke generaal maakte. Of als familieman, die zijn brede Corsicaanse clan door en door corrumpeerde zonder zelf nochtans al te veel te graaien. Of inderdaad de relatie met Josephine uitdiepen, als twee gekwetste en jong cynisch geworden outsiders die in een immens woelige tijd elkaar een tijd vonden om samen de top te halen.

 

  Of finaal zijn Untergang in beeld te brengen, met als hoogtepunt de fysieke pijnen aan de vooravond van de slag van Borodino diep in Rusland in 1812, die hem deden vermoeden dat het geluk hem had verlaten. De eenzame jaren in Sint-Helena zijn ook een schitterend verhaal, waarbij hij in alle frustraties daar diep in de Atlantische Oceaan toch de meester van de propaganda bleef die van daaruit zijn legende voedde als nooit tevoren. Ideaal voor flash-backs trouwens.

 

Ordinair

 

 Wat onthouden we vandaag van Napoleon? In de eerste plaats natuurlijk dat hij een exponent was van zijn tijd: de periode waarin het duizend jaar oude Ancien Regime als maatschappij-ordening instortte, waarin christendom als religie werd ingeruild voor nationalisme, waarin de militaire techniek het plots weer mogelijk maakte hele landen en zelfs rijken te veroveren, in plaats van louter steden en vestingen zoals in de driehonderd jaar voordien.

 

 Wat was Bonapartes persoonlijke extra-inbreng daarin? Dat hij tijdens zijn militaire opleiding alle militaire klassiekers had verslonden, en dus maximaal gebruik wist te maken van de mogelijkheden van het revolutionair leger, onder meer in de inzet van artillerie en, zoals bij Caesar, van maximale snelheid van uitvoering. 


 Dat hij, ongetwijfeld vanuit zijn nederige afkomst, veel beter dan al de revolutionaire leiders – veelal afgestudeerde advocaten – van tussen 1789 en 1799 besefte dat er wel degelijk vernieuwing nodig was, maar ook dat de mensen na tien jaar chaos weer snakten naar stabiliteit en orde (wat Stalin, ook zo’n on-intellectuele ambitieux, in 1924 ook een paar jaar had begrepen). 


 Dat hij harteloos kon zijn, zoals bij het bloedbad onder de royalisten in Parijs in 1795 dat hem, zoals verhoopt, het vertrouwen van het revolutionair bewind bezorgde. En dat hij risico’s durfde nemen natuurlijk, berekend meestal, maar soms ook puur va banque.

 

 Wat bleef er van over, na 1815? Enkel de erfenis van de eerste consul zoals gezegd. Voor de rest moest ook Bonaparte surfen op events, just events, in een bijzondere stroomversnelling van de geschiedenis dan nog. Zijn Achillespees was precies datgene wat hem aan de top had gebracht. In 1799 had Frankrijk de hele linker-Rijnoever – tot Koblenz, Keulen en Nijmegen – onder controle, en, dankzij Napoleon, ook Italië. Dat kon de rest van Europa niet aanvaarden. Hij kon, met zijn zwakke legitimiteit, die veroveringen uiteraard niet teruggeven.

 

 En dus was er altijd oorlog, het eeuwige bijproduct van onstabiele tijden. Hij kon die enkel winnen door zelf telkens brutaal in het offensief te gaan, zoals hij al in Toulon en Italië had gedaan vooraleer hij de macht greep. Finaal liep het slecht af, niet eens zozeer vanwege de Engelsen – die hem nochtans in Egypte, nabij Trafalgar en in heel Spanje een hak konden zetten – dan wel vanwege Rusland, waar de tsaar en de zijnen zijn offensief ontweken in een eindeloze terugtocht, tot zijn leger leeggebloed was.

 

 Daarbij is ook het laatste beeld van Ridley Scott’s film fout, waarin hij een miljoen doden als ultieme aanklacht aan Napoleons adres suggereert. Adam Zamoyski onder andere rekende al uit dat in de twaalf jaar van Napoleons veroveringen er niet meer doden vielen in het Franse leger dan in de tien revolutiejaren tussen 1789 en 1799. En dat naar verhouding minstens evenveel soldaten sneuvelden in de legers van al de naties die hem bestreden. Ook op dat vlak was Napoleon misschien toch meer ordinair dan zijn spectaculaire biografie doet vermoeden.

 

  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De Lage Landen, anno 1506

 6 december 2013


 Na wat gegrasduind te hebben aan de rand van de actualiteit keren we met onze geschiedenisblog terug naar een ver verleden: ruim vijfhonderd jaar geleden, het jaar 1506. Toevallig botste ik recent bij opzoekingen op een merkwaardige beschrijving van de Bourgondische Nederlanden. De auteur is de ambassadeur van Venetië aan het hof van de net gestorven hertog Filips, de vader van de latere keizer Karel. De diplomaat blijkt bijzonder geïntrigeerd door de handelsgeest van de bevolking in de Nederlanden, de schoonheid en zelfstandigheid van de vrouwen, de kwaliteit van de muziek, de algemene culinaire koorts en wat hij toch omschrijft als ‘de frigiditeit van de mannen en vrouwen.’

 

 In juli 1506 keerde Vincenzo Querini, de 28-jarige ambassadeur van de stadstaat Venetië, huiswaarts. Hij deed dat na de dood van hertog Filips van Bourgondië, even oud als hij, bij wie hij ambassadeur was sinds maart 1505. Hij reisde mee met de hertog toen die in januari 1506 in Vlissingen naar Castilië inscheepte, om daar, samen met zijn vrouw Johanna, de troon van haar moeder op te eisen, Isabella van Castilië, die eind 1504 gestorven was.

 

 Querini maakte dus de hele reis mee, inbegrepen de landing en het verblijf in Engeland, na een storm kort na het vertrek. Hij was bij de kroning van Filips tot  koning van Castilië op 12 juli 1506 in Valladolid, maar vertrok kort nadien huiswaarts. Hij vernam vermoedelijk in Venetië de plots dood van de hertog-koning op 25 september in Burgos. Daarmee was zijn opdracht meteen ten einde.

 

 Sinds 1296 bepaalde een Venetiaanse wet dat vertrekkende ambassadeurs een rapport moesten schrijven voor de Doge, de gekozen leider van de republiek Venetië, en voor de Senaat daar. In dergelijke rapporten brachten ze een overzicht van de leiders, de instellingen en de bevolking van de gebieden waar ze vertoefd hadden, vaak ook met zoveel mogelijk cijfergegevens (financiële vooral), die van belang konden zijn voor de grootste maritieme en handelsstad van Italië, die het schatrijke Venetië toen nog was.

 

 Querini had gestudeerd in Padua, in het Italië van de renaissance, filosofie in de eerste plaats. Hij las en schreef Latijn, maar verstond ook Grieks en zelfs wat Hebreeuws. Hij schreef gedichten en later, in 1513, een uitgebreid traktaat over noodzakelijke hervormingen in de kerk, vier jaar voordat Luther zijn actie begon.


Momentopname

 

 Querini is onder historici vooral bekend vanwege zijn brieven vanuit Mechelen naar Venetië, die een onschatbare bron vormen om uit te maken of hertogin Johanna (later de Waanzinnige genaamd) inderdaad niet bij haar verstand was, dan wel dat haar toestand als excuus is gebruikt  door haar vader en haar man om haar als eerste troonopvolgster van Castilië uit te schakelen. Querini zelf dacht oorspronkelijk het tweede, vlak voor zijn vertrek was hij eerder overtuigd geraakt van het eerste.


 Zijn rapport over de Bourgondische landen - hij noemt het geheel Borgogno - getuigt van een goed analytisch vermogen, een mooie schrijfstijl en de mercantiele nuchterheid die men van een Venetiaanse ambassadeur mocht verwachten. We geven hier een fragment weer, zijn beschrijving van de Bourgondische landen en hun bevolking. Die strekten zich toen uit van Atrecht tot Utrecht en Amsterdam, en van Boulogne tot Luxemburg en Roermond, maar zonder het prinsbisdom Luik.

 

 Het is een unieke en gedetailleerde momentopname van wat op dat moment nog even veruit het rijkste, meest bevolkte, meest verstedelijkte en economisch sterkste gebied ten noorden van de Alpen was. Querini merkt op dat Antwerpen daarin het handelscentrum is geworden, al is Brugge volgens hem de tweede grootste stad van de Lage Landen. Wel heerst er op het ogenblik van het verslag van de ambassadeur grote onzekerheid: hertog Filips is net gestorven, zijn vrouw (Johanna de Waanzinnige) zit sinds een paar maand opgesloten in Tordesillas en hun oudste zoon Karel (de latere keizer) is amper zes.

 

 Hier gaat zijn verhaal (De foto hiernaast is een beeld van het Hof van Busleyden in Mechelen, de voormalige residentie van de edelman Francois de Busleyden (en later van zijn broer). Die was de meest invloedrijke raadgever van hertog Filips, tot aan zijn dood op 57-jarige leeftijd in Toledo, tijdens de eerste reis van de hertog naar Spanje in 1502. Busleyden was geboren in Aarlen, en heer van wat vandaag Bouleide/Baschleiden is, een Luxemburg grensdorp in de buurt van Bastenaken):


 

‘De landen van de hertog van Bourgondië zijn allemaal verenigd, en zeer groot. Ze hebben als grens aan de ene kant Frankrijk, aan de andere dat deel van Duitsland dat reikt tot Straatsburg, Trier en Keulen, aan een derde zijde Friesland, aan de vierde de zee. Binnen deze grenzen zijn er tien provincies: Vlaanderen, Brabant, Artesië, Henegouwen, Zeeland, Holland, Namen, Luxemburg, Gelderland en een deel van Picardië. Sommige van die provincies liggen in de vlakte, andere in de bergen, sommige aan zee. Ze zijn alle dichtbevolkt, rijk en met een groot aantal steden, kastelen en dorpen.


Graan

 

 Daaronder zijn er in totaal 143 ommuurde locaties, sommige zo klein dat men ze eerder als grote kastelen kan beschouwen. Andere zijn zo groot dat ze enkel nog een bisschop missen om ze steden te kunnen noemen.  De middengroep telt zo’n drie- tot vijfduizend woningen, de grote zes- tot vijfentwintigduizend. Brugge heeft er vijfentwintig duizend, Antwerpen twintig- tot vijfentwintigduizend, maar is rijker aan handel dan welke andere ook. Gent heeft er twintigduizend, Brussel twaalfduizend, Leuven tienduizend, ’s Hertogenbosch en Mechelen achtduizend, Atrecht en Amsterdam zes à zevenduizend.



'Er zijn in dit land drie dingen van allerhoogste kwaliteit. Heel fijne en mooie lakens vind je in overvloed in Holland. Voor tapijten met prachtige figuren moet je in Brabant zijn. En het derde is de muziek, waarvan je enkel kan zeggen dat ze perfect is'


 

 Ze zijn allemaal mooi en goed gelegen, de meeste in een laagvlakte waar ze gemakkelijk toegang hebben tot het nabije water. Ze pronken alle met kloosters en kerken. Ze zijn rijk omdat alle burgers handelaars zijn, en het volk ambachtsmensen, waarvan het grootste deel bezig is met laken en tapijten weven, en de rest met de dingen die nodig zijn in een stad.

 

 Je vindt in dit land daarnaast ook zo’n vijftienhonderd dorpen, waarvan sommige een klein beetje ommuurd zijn. De meerderheid van deze dorpen telt zo’n honderd vijftig woningen, sommige tweehonderd en enkele driehonderd. Daar weven zowel mannen als vrouwen lakens. Weinigen bewerken het land, want er zijn maar weinig landerijen in verhouding tot het aantal mensen dat werkt. Toch is er altijd voldoende graan, maar niet genoeg wijn, want in dit land groeien niet genoeg druiven om voldoende wijn te maken.

 

 Er zijn in dit land en op het platteland ook veel kerkelijke goederen, die aan tienden per jaar tot zeventigduizend dukaten opbrengen (een ruwe schatting leert dat het jaarloon van een wever in de Nederlanden in die dagen ongeveer vijftien dukaten bedroeg). Er zijn ook monniken en nonnen, waaronder die van Sint Benedictus, Sint Bernardus en Sint Augustinus, en de Kartuizers. Je vindt kloosters die 162.000 dukaten inkomsten per jaar verwerven. De groten hebben tienduizend dukaten, de middengroep zeven- tot achtduizend, de kleintjes vijftienhonderd tot tweeduizend. Er zijn ook monniken in dit land die niet zo voorbeeldig leven als zou moeten.


Muziek

 

 Er zijn in dit land drie dingen van allerhoogste kwaliteit. Heel fijne en mooie lakens vind je in overvloed in Holland. Voor tapijten met prachtige figuren moet je in Brabant zijn. En het derde is de muziek, waarvan je enkel kan zeggen dat ze perfect is (la quale certamente si può dire che sia perfetta).

 

 De inwoners van dit land consumeren voortdurend vier dingen om te kunnen leven: bier, gezouten boter, haringen en turf. Dat laatste is een soort aarde vol met wortels, dat, als je het in stukken snijdt, brandt zoals steenkool. Die vier dingen worden in die mate geconsumeerd en gebruikt, dat een familie niet tevreden zal zijn als ze al deze dingen niet elk jaar geleverd krijgt. Daarom noemen ze die ‘de vier elementen van Vlaanderen’, en eigenlijk van al de andere, eerdergenoemde provincies.

 

 Het totaal aantal inwoners van die landen kan je op ongeveer tweehonderdduizend woningen schatten. In dat aantal zitten ook de vele heren van kastelen en dorpen, die ongeveer met vijftig moeten zijn. De meest aanzienlijke onder hen is de graaf van Nassau, die vijftienduizend dukaten inkomsten per jaar boekt. De middengroep daar int zes- tot zevenduizend, de kleinste twee- tot drieduizend.

 

 Allen zijn onderworpen aan de hertog, maar ze zijn niet verplicht een stuk van hun inkomen aan hem af te staan. Integendeel, de hertog bezorgt allen een dotatie uit de inkomsten van het hertogdom. Wel is het zo dat als hun heer hen oproept tot de oorlog, dat ze dan gaan, en dat iedereen in verhouding tot zijn inkomsten gewapende mensen meebrengt.



 'Er is geen ongeloof inzake godsdienst, en ook geen jaloezie, zelfs al zijn de vrouwen hier doorgaans buitengewoon mooi en huiselijk'

 

 Die heren plegen niet al te luxueus te zijn, zowel in hun kleding als inzake begeleiders wanneer ze reizen. Maar bij hen thuis willen ze schitteren, en spenderen ze meer dan wat ze aan opbrengsten binnenkrijgen. Het is hun gewoonte om grote kosten te maken bij het eten en drinken. Ze tafelen graag met de heren van de hertog. Die laatsten hebben geen andere zorgen dan uit eten te gaan, of beter gezegd: aan tafel te gaan met de voornoemde heren. Zouden ze anders doen, het zou hen grote schande opleveren.


Opstand

 

 De mensen van al deze gebieden zijn van nature goedaardig, houden van hun heer, blijken goede christenen. Ze zijn niet zo vlot in de conversatie en maken zich ook niet teveel zorgen over hun kleding. Alle mensen zijn verslaafd aan koopwaar, bezoeken af en toe de tavernes, en vinden in geen ander vleselijk genoot zo’n genoegen als in eten en drinken.

 

 Ze komen nogal snel in opstand als hun heer er niet is, en heel vaak tegen hun regeerders. Daarom zou het kunnen dat het nieuws van de dood van hun koning en hertog (hertog Filips was net koning van Castilië geworden) ze weer in opstand doet komen tegen hun regering, tenminste toch zolang ze niet door de Fransen worden aangevallen. Want in dat geval zijn allen het weer eens om zich te verdedigen.

 

  Ze zullen dan gunsten en regeringen van om het even wie aanvaarden. In de eerste plaats die van de rooms-koning (Maximiliaan, de vader van hertog Filips, die sinds 1486 ook Duitse koning – ‘rooms-koning’ – was en nog steeds wachtte totdat de paus hem de keizerskroon zou opzetten). Die zal om het land van zijn kleinkinderen te verdedigen tegen de Fransen redelijk snel naar Vlaanderen komen. Maar nadat hij hen verdedigd zal hebben, en de zaken tot rust zijn gekomen, zal het best zijn dat hij naar Duitsland terugkeert. Want datzelfde volk wil ook niet door Duitsers worden geregeerd.


Plezier

 

 Met dit alles kunnen die mensen inderdaad als goed worden omschreven, want er is bij hen geen hang naar luxe, geen diefstal, geen schuld, haat of afgunst te vinden, zoals wel op vele andere plaatsen. Er is ook geen ongeloof inzake godsdienst, en ook geen jaloezie, zelfs al zijn de vrouwen hier doorgaans buitengewoon mooi en huiselijk.

 

 De kledij van die vrouwen bestaat uit een zwarte mantel die ook het hoofd bedekt, zoals bij ons de ongehuwde jonge vrouwen. Ze veranderen die kledij ook nooit. Ze hebben wel vrolijke gewoontes. De tijd die hen nog blijft na de arbeid spenderen ze aan dansen, zingen, musiceren. Ze doen dan niets anders dan zich aan het plezier over te geven. Daarnaast beheren ze het huis en de huiselijke taken, zonder enige inmenging vanwege hun mannen.

 

 Bovendien is hier het gebruik dat, als vrouwen getrouwd zijn, ze hun bruidsschat en de bezittingen van de man samenvoegen. Wanneer de man sterft gaat de helft naar de vrouw, de andere naar de kinderen, of terug naar de ouders als er geen kinderen zijn. En als de vrouw als eerste sterft, gaat de bruidsschat naar de kinderen, of naar de man als er geen kinderen zijn, en als hij sterft terug naar haar ouders.

 

 Het is de gewoonte bij vrouwen van al de genoemde landen om hun dochters, wanneer die de huwbare leeftijd hebben bereikt, onder te brengen in enkele kloosters die zich Begijnen noemen. Daar zijn vele kleine huisjes en vrouwen die niet willen huwen, naast velen die op het punt staan te trouwen. Ieder staat voor zichzelf in. Velen vervaardigen doeken en textiel. Velen verwerven ook enige rijkdom.

 

 Ze leven eervol, omdat ze zichzelf bewaken. En ook omdat de vrouwen en mannen van dit land frigied zijn (perchè le donne e uomini di questa pase sono frigidi), en heel ver van elke luxe blijven, meer dan ik in welk ander land ook heb gezien.’

 

 

 

 

 

 



Walsen op een aardschok

 25 november 2023 


 Niets is zo boeiend in het beschrijven van geschiedenis als de onverwachte gebeurtenis die de bestaande orde overhoophaalt. Tot kort voor de exitpoll van de Nederlandse verkiezingen voor de Tweede Kamer om 21u woensdagavond dacht ik, op basis van alle peilingen, dat Den Haag andermaal een nieuwe trend zou zetten: de restauratie van een partijlandschap gedomineerd door de drie voormalig grote traditionele partijen. Dat waren dan de liberalen, de met groen versterkte sociaaldemocraten, en een nieuwkomer met een toch niet helemaal te verbergen christendemocratisch parfum. En toen won de PVV van Wilders, met een straat voorsprong.

 

 Puur mathematisch is de score die de PVV van Wilders woensdag liet optekenen maar een beetje een uitschieter. Met 37 zetels bezet die partij voortaan net niet een kwart van de Tweede Kamer. Bij zijn vier verkiezingsoverwinningen tussen 2010 en 2021 behaalde Mark Rutte maar één keer meer zetels: 41 in 2012. De PvdA won in dat jaar ook 38 zetels. In 2002, 2003 en 2007 bleef het CDA winnaar, telkens nog boven 40 zetels.

 

 Voor het jaar 2000 was het normaal dat de grootse fractie meer dan 30 % van de zetels binnenrijfde, met 1994 en eventueel 1971 – toen de drie christelijke fracties nog samen het CDA moesten worden - als uitzondering. Toch lijkt de trend van de voorbije decennia naar versnippering van het partijlandschap toe op zijn minst afgeremd, zoniet omgebogen. Het zetelaantal van de drie grootste fracties in de Tweede Kamer samen was altijd meer dan 100 voor 2006. Sedertdien daalde dat tot een dieptepunt van 72 in 2017, met al een sterk herstel in 2021 (82) en nu toch alweer veertien zetels meer dan zes jaar geleden: 86.

 

Stichting


 De aardschok van de Nederlandse Tweede Kamerverkiezing van woensdag zit niet zozeer in de cijfers, wel in de winnaar, de PVV (de afkorting staat voor Partij voor de Vrijheid, en niet voor ‘Partij voor Vrijheid en Vooruitgang’, zoals bij de de voorloper van de VLD in Vlaanderen voor 1992). Vooral is er de verrassende voorsprong: 12 zetels op de tweede, het kartel van Groen Links en PvdA van Frans Timmermans. Wilders’ partij was in de laatste peilingen inderdaad aan een opvallende comeback bezig. Maar alle prognoses gaven de partij in het beste geval een nipte toppositie, met maximum een zetel voorsprong.

 

 De voor de hand liggende conclusie is dat de peilers weer onbetrouwbaar zijn gebleken. Maar ze waren toch vrij unisono. En ze slaan zelden de bal mis bij Nederlandse verkiezingen. Het kan dat het NOS-verkiezingsdebat aan de vooravond van verkiezingsdag zwaar de doorslag heeft gegeven. Zelf vond ik dat Wilders daar inderdaad sterk voor de dag kwam, net als Pieter Omzigt en tot op zekere hoogte Frans Timmermans (minder dan vroeger, omdat aan hem slijtage kleeft). Dilan Yesilgöz zwalpte in die uitzending, in tegenstelling tot haar optredens de dagen voordien, toen ze verraste als onverwacht sterk.

 

 Het historische van de uitslag is vooral dat de PVV een ongewone partij is, zelfs als men de omstreden term 'populisme' wil vermijden.. Voor de eerste maal sinds de Tweede Kamer vanaf 1848 rechtstreeks wordt verkozen is de grootste fractie niet liberaal, socialistisch of confessioneel-christendemocratisch. In België kennen ze die frappante nieuwigheid sinds 2010, in Italië sinds 1994, in Zwitserland sedert 1999.  In Duitsland hadden ze dat - dat is bekend - ooit eens in 1932 gehad, in Frankrijk bijna tien jaar lang na de Tweede Wereldoorlog, met de communisten. In Italië zetelen de 'populisten' ten laatste sinds 2017 in het kabinet (maar wat was Berlusconi dan?), in Oostenrijk zo'n zeven jaar sinds 2000, in de Scandinavische landen af en toe, in Zwitserland al een kwarteeuw ononderbroken.


 Bovendien is de PVV geen uitgebouwde partij:  ze heeft geen leden, houdt dus geen congressen. De enige centrale structuur op nationaal niveau is de fractie van de verkozenen. Fracties zijn blijkbaar ook de partijstructuur op lokaal niveau. Op zich hoeft dat geen handicap te zijn. Partijen werden in een grijs verleden opgericht om de verkozenen en de ministers beter te controleren op hun beloftes aan de kiezer, omdat die individueel in hun wetgevend werk allemaal beïnvloedbaar en omkoopbaar waren, door de koning, de overheid, de lobby’s en bedrijven. De facto zijn die partijen – zeker in België – vandaag geëvolueerd tot on-transparante structuren, met weinig betalende vaak heel oude leden (soms heel vreemd gerekruteerd), en volstrekte onduidelijkheid over hoe lijsten worden samengesteld en hoe de gelden voor verkiezingscampagnes worden ingezameld en verdeeld.

 

 Vraag is dus hoe dat allemaal bij Wilders verloopt. Op de website van de PVV bestaat bijvoorbeeld een oproep om te doneren aan de Stichting Vrienden van de PVV. Die blijkt gereglementeerd door de verkiezingswetgeving in Nederland – die ik niet in detail ken – maar de PVV is niet meteen de meest transparante om die toe te passen. De genoemde Stichting heeft enkel een voorzitter: Geert Wilders uiteraard. Het bevestigt de indruk die je in Nederland vaak hoort dat het Wilders zelf is die alles bepaalt in de partij. Uiteraard doet hij dat ongetwijfeld met een ploeg trouwe medewerkers die voor hun trouw ook hun beloning zullen opeisen. Hij zal daar nu wat mankracht moeten bijzetten.

 

 Nagaan hoe dat allemaal voortaan zal functioneren wordt nog leuk werk voor journalisten en echte politologen (niet diegenen die op het niveau van slechte journalisten de waan van de dag nog uitvergroten):  hoe gaat de besluitvorming verlopen, waar gaat de input vandaan komen voor een regeerakkoord, is er een studiedienst, of heeft men een netwerk van lobby’s? En vooral: hoe gaat die uitermate licht gestructureerde partij dat plotse succes beheersen? Als grootste fractie is zij voortaan de eerste om te mogen kiezen bij de verdeling van vele mandaten en portefeuilles. Onvermijdelijk zal de appetijt groot zijn, zeker bij trouwe oudgedienden die jaren de spitsroeden van de goegemeente hebben getrotseerd.

 

Vrouwen

 

 Tegelijk moet de partij op zoek gaan naar nieuwkomers, expertise op alle mogelijke terreinen verwerven, managers en bekwame teamleiders van zo grote equipes aantrekken.  Succes lokt, en dus zullen de kandidaten wel toestromen. Maar daar het kaf van het koren scheiden, is altijd moeilijk. Je moet op zoek naar het fragiele evenwicht tussen oude rotten en nieuwe gladjanussen. En bij die laatste er op letten dat het een goede mengeling wordt van toch wat degelijke figuren met een establishment-parfum  – al dan niet uit de Randstad, maar liefst niet teveel - en echte buitenstaanders die echter meer  in hun mars moeten hebben dan het louter luidruchtig verkondigen van hun frustraties. 

 

 Dat wordt geen sinecure en zal tijd vergen. Vergelijk het met wat Bart De Wever in Belgiê overkwam. In amper een jaar tijd steeg hij met zijn NVA – na de breuk met kartelpartner CD&V in 2008 – eerst naar 13 % bij de Vlaamse verkiezingen van 2009, en dan even plots op 28 % bij de federale verkiezingen een jaar later. Finaal, bij de aanslepende federale regeringsonderhandelingen, koos De Wever in de zomer van 2011 er toch voorzichtigheidshalve voor uit de Belgische regering te blijven. Hij liet die over aan Elio di Rupo, die met een oneindig geduld zijn beurt had afgewacht. De NVA kreeg tijd om zichzelf in de oppositie een structuur en een partij-apparaat te geven, wat ze tegen 2014 ook grotendeels verwezenlijkte.

 

 Wilders heeft echter veel meer nog dan De Wever het profiel van outsider, provocateur, anti-establishment figuur, tribuun van de onvrede van de provincies over ‘die van Den Haag’. Hij heeft om minister-president te worden iets meer zetels nodig dan het aantal dat zijn PVV verwierf. De helft van zijn regeringsteam en van zijn meerderheid gaat dus onvermijdelijk bestaan uit figuren die hij niet alleen met zijn uitspraken de bomen ingejaagd heeft – en nog jaagt, als je Sigrid Kaag zag – maar die precies tot de kringen behoren waarop hij zo nadrukkelijk heeft gespuwd. Die gaan in het beste geval de jeuk in hun vingers moeten doven om rekeningen te vereffenen. Daartoe zal wel een zachte dwang groeien. Want de modale Nederlandse kiezer verwacht van Den Haag dat constructief regeren veel belangrijker wordt geacht dan partijpolitiek scoren, veel meer alleszins dan in de op dat vlak uitermate anarchistische en vaak onvolwassen Belgische politiek.

 

 De contra-indicatie voor de onregeerbaarheid van Wilders is dat hijzelf ooit een VVD-mandataris was. Hij was Tweede Kamerlid voor die partij tussen 1998 en 2004. Hij werkte daar toen zelfs een poosje samen met de gediplomeerde historicus Mark Rutte, toen een twijfelachtig aankomend talent. Wilders was natuurlijk ook tussen 2010 en 2012 rechtstreeks betrokken bij het regeringsbeleid van het eerste kabinet Rutte, dat door zijn tot 24 zetels uitgegroeide PVV-fractie gedoogd werd. En na twee jaar opgeblazen.

 

 Er zal deze dagen druk gezocht worden naar getuigen van die periode: hoe ging dat toen met Wilders, kan je met hem afspraken maken, dingen zeggen die hij niet meteen tegen je gebruikt, discreet openingen aftasten over moeilijke knopen? Of is hij ook in het echt het ongeleid projectiel dat hij naar de media toe projecteert? Men zal wat moeten zoeken. Bekijk de lijst van dat kabinet toen en je ziet dat quasi alle excellenties inmiddels uit de politiek zijn, de laatste, Rutte zelf, inbegrepen. Pieter Omzigt was toen, op zijn 36ste, nipt Kamerlid geworden, maar verzette zich binnen het CDA tegen de samenwerking met de PVV, en dus tegen het kabinet.

 

 Het zijn al die kleine elementen van nieuwigheid die ervoor zullen zorgen dat de formatie heel traag op gang komt. Het voorbeeld van Giorgia Meloni in Italië helpt niet: zij had haar meerderheid in het parlement al verworven op verkiezingsdag. In Nederland zal er nu eerst veel verkennings- en aftastwerk nodig zijn. Vertrouwen opbouwen tussen partners die minstens in het publiek elkaars bloed dronken is niet gemakkelijk. Bovendien moet ook Wilders wennen aan het centrum van de macht, de dagelijkse focus op het Torentje van het Binnenhof. Als straks de PVV-armada de Tweede Kamer binnenzeilt, zal er bijvoorbeeld meteen gekeken worden of het aandeel van vrouwen in de fractie – één op acht in de vorige Kamer – toch tot een proportie gegroeid is die je van een partij van de zelfverklaarde minister-president van alle Nederlanders mag verwachten. (De voorlopige uitslag doet één op zes vermoeden).

 

Gibbon

 

 Dat is dan nog beheersbaar als rel. De kans is echter ook groot dat er tussen de 37 fractieleden wel ergens een clevere veertiger (M/V) zit die snel het vak in de vingers krijgt en op grote hoop gaat leven: laat de ouwe maar zijn nek uitsteken, en als die in dat proces gevorderd is en wat versleten geraakt, hang ik hem met steun van onze achterban op aan zijn eigen uitspraken van vroeger. Wilders zal dat ook wel beseffen en moet dus voorzichtig vooruitgaan, zijn schepen schip voor schip en met lange tussenpozen verbranden. Hij heeft, zeker voor een verkiezingsoverwinnaar op de avond van de verkiezingen, al van een geweldige deemoedigheid blijk gegeven in het willen overtuigen van zijn reïncarnatie als in de grond zacht-geaarde leider van alle ‘Nederlanders’ (een nog nader te definiëren begrip in dit geval).

 

 Edward Gibbon, de Engelse historicus die twee en halve eeuw geleden de nog altijd lezenswaardige Decline and Fall of the Roman Empire neerschreef, gaf ooit dit als wijze raad mee: als je twijfelt tussen een verheven en een banaal motief om iemands daden te verklaren, kies dan het banale, want dat is het meest waarschijnlijke. Het hemd is nu eenmaal nader dan de rok. Politici zijn ook mensen die willen vooruitgaan in het leven, erkend willen worden, hun loon willen zien stijgen (al was het maar om thuis te overtuigen dat al die afwezigheden niet voor niets waren).

 

 In princiep is daar niets fout mee, want de democratie, als ze goed werkt, beloont diegenen die het best verwoorden en uitvoeren wat de kiezer vraagt. Dat je daardoor je eigen overtuigingen voortdurend moet aanpassen is niet eens fout, zolang het niet zo opvallend gebeurt dat je je eigen geloofwaardigheid schaadt. Politiek is  een métier dat toch een zeker vakmanschap vergt dat slechts langzaam wordt verworven. Politici mogen daarvoor ook beloond en goed betaald worden. Op voorwaarde uiteraard dat er sterk onafhankelijk toezicht blijft dat de sterke verleiding van zelfbediening – want politici zitten aan grote knoppen – tegengaat.

 

 In die zin moet je altijd mogelijke echte motieven achter de officiële blijven zoeken, een beetje zoals  het tv-programma De Ideale Wereld telkens weer illustreert met de sketch van ‘de woordvoerder’.  Als Dilan Yesilzög vrijdag aankondigde dat haar VVD geen deel wilde uitmaken van een volgende coalitie, begonnen velen meteen te moraliseren of dat nu een goed, slecht en/of democratisch billijk standpunt was. De interessante vraag is die naar het motief van dit besluit. Officieel de verkiezingsnederlaag natuurlijk. Maar misschien is de positie van Yesilzög gewoon te wankel om zich aan regeringsonderhandelingen te verbranden. En vraagt de VVD gewoon tijd om intern eerst orde op zaken te stellen. Vroeger zou zo’n fractieleider dat discreet en wat omfloerst aan toekomstige coalitiepartners laten weten hebben. Maar kan je dat zo vertrouwelijk ook aan Wilders en de PVV doorgeven?

 

 Het toont hoe moeilijk het zal zijn om de ambitie van Wilders waar te maken om minister-president van alle Nederlanders te worden. Niemand zal, uit angst voor de kiezer, het wagen hem meteen het bos in te sturen: hij heeft een te sterk mandaat meegekregen. Maar er is tijd nodig: tijd om vertrouwen op te bouwen met mogelijke en toekomstige coalitiepartners; tijd om de eigen wilde uitlatingen en voluntaristische kreten – laat staan het ‘minder Marokkanen’ - wat te doen vergeten; tijd om die te verzachten en om te turnen tot sterke voorstellen die regeringsbeleid kunnen worden en zelfs beleid van Europa (zeker als het om migratie gaat); tijd om daarna stapje voor stapje die bijgeknede voorstellen in de vorm te gieten van een gedetailleerd besluit van een ministerraad dat alle toetsen van administratie, Raad van State, overleginstellingen van het poldermodel en – niet te vergeten – het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kan doorstaan.

 

Sterveling

  

 Het lijkt een echte Sisyphus-klus. De geschiedenis leert echter ook dat het parfum van de macht dermate bedwelmend kan zijn dat het zelfs ogenschijnlijk gigantische hinderpalen op een zwaar parcours zachter en lichtvoetig te passeren maakt. Je hoeft niet verder te kijken dan de Belgische revolutie van 1830 om een voorbeeld te vinden van hoe radicale en veelal klungelige jonge heethoofden die een halfslachtige revolutie ontketenden toch – minstens voor een deel van hen – uitgroeiden tot bekwame regeerders die lang aan de macht bleven. Dansen op een aardschok, en eindigen met een fraaie wals, het is nog gebeurd.

 

 Het kan dat Wilders heel snel tot de conclusie komt dat het vormen van een regering hopeloos is. Maar dat biedt hem, als persoon, als individu, weinig perspectief: de uitlaatklep van een heftige klaagzang, misschien zelfs nieuwe verkiezingen, waarin hij echter nooit 50 % zal halen. Eerder is het risico dan groot dat de kiezer, die hem nu een op frustratie gebouwd wankel vertrouwen heeft geschonken, concludeert dat hij het niet kan. En hem dumpt.

 

  Neen, tracht de winnaar van de Nederlandse verkiezingen ook heel even te duiden als gewone sterveling, zoals u en ik. Dat is, in het historisch onderzoek tegenwoordig trouwens een trend, zeker voor koningen en vorsten uit het verleden die vroeger al te vaak en te gemakkelijk op het voetstuk van de adoratie werden geplaatst. Ook Julius Caesar is al lang niet meer die geniale veldheer, schrijver en staatsman van weleer, maar vooral een verschroeiend ambitieus politicus die Gallië enkel kwam veroveren om voldoende inkomsten te stelen om in Rome militair dictator te kunnen worden. 


 Mij lijkt het dat zich voor Geert Wilders, in zijn zestigste levensjaar, nu vooral totaal onverwacht het perspectief opent om, na vijftien jaar spitsroeden, catacomben en marginaliteit in het establishment, zijn carrière een schitterend slotakkoord te geven. Iets waar hij misschien wel nog van droomde toen hij op zijn dertigste als VVD’er in het Randstad-gebied Utrecht begon.  Dat hij daarin slaagt is nog altijd vrij onwaarschijnlijk. Er is de tijd die nodig zal zijn en die in contrast staat met de hijgerige media-aandacht en de permanente waan van de dag. Er zijn de grote en sombere slagschaduwen van zijn eigen verleden. Er zijn de boobytraps en wolfijzers en schietgeweren die liggen te wachten. Er zijn de foutjes en fouten die zich onderweg onvermijdelijk gaan voordoen.

 

  Maar never say never, zo leert ons de geschiedenis. Wilders als minister-president klinkt vandaag immers even onwaarschijnlijk als de inschatting op 24 februari 2022 dat Oekraïne het langer dan een paar weken kon volhouden tegen de Russische overmacht. Derk-Jan Eppink, sinds woensdag gewezen lid van de Tweede Kamer, schreef, als gewezen journalist van de Standaard destijds, dat er in de Brusselse Wetstraat op een dag gemiddeld meer te beleven viel dan op een maand aan het Binnenhof in Den Haag. Ook dat mantra is aan herziening toe. 



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Waterland Vlaanderen

 18 november 2023


 Toch een beetje geschrokken gisterenmorgen bij het lezen van een interview van Patrick Willems, hoogleraar hydrologie aan de KU Leuven, in De Standaard. ‘We moeten dijken afbreken in plaats van ze te verhogen’, luidde de titel op de frontpagina. Nu is zo’n titel altijd te gebald, en ik hoop dat de rest van het interview de gedachtegang correct weergeeft. Ook dan vraag ik me nog af of de professor de watergeschiedenis van de Lage Landen kent en ingecalculeerd heeft.

 

 Ik heb de voorbije dagen wel vaker gedacht aan de jaren negentig. Ook toen hadden de Ijzervlakte en de Westhoek te kampen met overstromingen, net als zeker de Maasvallei (in 1993 en 1995) en als ik me goed herinner toen ook de mensen langs Dender en Demer. Ook toen was dat vaak na overvloedige regenval. De Vlaamse overheid is nadien begonnen met een bouwverbod in uiterwaarden en het aanleggen van overstromingsbuffers. En dat heeft, voor zover ik dat kan inschatten, vaak gewerkt.

 

 Een ramp als die van de Vesdervallei van 15 juli 2021 – met veertig doden – is wat nu gebeurt uiteraard niet. Dat was wat Duitsers een Jahrhundertflut noemen, en, gezien de gemeten neerslag waarschijnlijk zelfs een millenniumvloed. Van een dergelijke vloed daar vele eeuwen eerder is geen getuigenis bewaard gebleven, misschien ook wel omdat de Vesdervallei tot het jaar 1750 grotendeels agrarisch en dun bewoond was.

 

 (Ik blijf tussen haakjes twijfelen aan de onmiddellijke toewijzing aan de klimaatverandering als ‘schuldige’ van die ramp. Het klassieke argument dat warmere temperaturen meer regen in de lucht houden totdat die dan neervalt, ging in dit geval niet op omdat in het betrokken gebied – ook in het Rijnland – al ruim drie weken relatief koude temperaturen werden genoteerd (zie de klimaatstatistieken van het KMI: https://www.meteo.be/nl/klimaat/klimaat-van-belgie/klimatologisch-overzicht/2021/juli#&gid=1&pid=1 ). Over de andere mogelijke oorzaak – de langdurigheid van regenval doordat de weertypes steeds langduriger geclicheerd geraken – kan men discussiëren. Er was inderdaad wel al sinds 20 juni vrij veel maar niet ongewoon veel neerslag aan het vallen, waar dan op 14 juli de zondvloed in het gebied tussen Maas en Rijn bovenop is gekomen.

 

 Ik ben niet de enige die wat nu gebeurt vergelijkt met de jaren negentig, ook het KNMI doet dat: https://www.knmi.nl/over-het-knmi/nieuws/2023-maakt-een-einde-aan-reeks-droge-jaren . Rustig en bedaard, zoals Nederlanders dat doen als ze het over wateroverlast hebben. Dit is voorlopig een normale afwijking van ons weerpatroon, zoals we die om de paar decennia meemaken, en dus beheersbaar, weliswaar tegen de achtergrond van een over heel het jaar heel geleidelijk toenemende regenval, haast zeker door de klimaatverandering.

 

 Dijken


 Dan ga je toch even schrikken bij het lezen van een interview dat aangekondigd wordt met de hierboven vermelde titel, en, in de inleiding als pleidooi voor ‘een radicaal andere aanpak’ tegen ‘grote overstromingen.’ Hydroloog Patrick Willems van de KU Leuven ontkent in zijn besluit niet ‘dat de kosten niet min zijn’ maar verantwoordt dat meteen met verwijzing naar de ramp in de Vesdervallei: ‘Daar moesten achteraf kapitalen aan schadevergoedingen worden uitgekeerd en dat geld ben je finaal kwijt.’

 

 De tekst van het interview zelf is, zoals vaak, een stuk minder hot en alarmistisch, en gelukkig maar. Als ik het goed begrijp pleit Willems vooral voor een uitbreiding van de al toegepaste methodiek om meer natuurlijke buffers  in te schakelen om de watertoevoer naar de benedenlopen van de rivier af te remmen. We hebben die inderdaad in de loop der eeuwen versneld door in te dijken, recht te trekken. Hij noemt ook stuwdammetjes, maar daar komt wel wat beton bij te kijken uiteraard.

 

 ‘Gebieden teruggeven aan het water’, noemt Willems dat, en waarom ook niet. Hij preciseert ook dat ‘vlakbij woonbuurten we er wel degelijk kunnen voor kiezen om de dijken nog wat te verhogen.’ Het laten onderlopen van land is dan eerder voor ‘gebieden tussen twee woonkernen in, of laaggelegen gronden die nu worden gebruikt voor de landbouw.’ Daarvoor ‘moeten die landbouwgronden dan natuurlijk geherlokaliseerd worden.’ De boeren, net even niet woest over stikstof, zullen het graag horen.

 

 Iets meer moeite had ik met de stelling dat als je baggert, water weg pompt en de dijken verder verhoogt ‘het water nog sneller zal wegspoelen naar de valleien’, en dat ‘het nog massaler over de dijken slaat.’ Die snellere afvoer zal wel kloppen, maar dat het nog meer over verhoogde dijken gaat slaan, begrijp ik niet echt. En dan: ‘Dan zullen we over een jaar of tien alleen maar tot de conclusie komen dat we eigenlijk van vooraf aan moeten herbeginnen. En gaan we dan de dijken opnieuw verhogen? Zo ontstaat een vicieuze cirkel, omdat we telkens dezelfde fouten herhalen.’

 

 Zo zijn we net niet – of net wel? – bij de affirmatie aanbeland, dat hoe meer we de dijken verhogen, hoe meer water er over zal slaan. Ik probeer desondanks te begrijpen. Ik vermoed dat de professor bedoelt: als we nu nog nieuwe dijken zouden maken, die de watergeul nog krapper en rechtlijniger maken dan nu, dat die, ongeacht de hoeveelheid pompen die we daarop zetten, alleen maar de kans op overstromingen gaan verhogen. Ik probeer dat allemaal als heel redelijk en logisch te interpreteren.

 

 Polders


 Het toeval wil immers dat ik als historicus de laatste jaren ook wel gefascineerd ben geraakt door de geschiedenis van de polders. (zie onder meer deze blogposts: https://www.rolffalter.com/blog#h.4y9pcnwz2qd7 , https://www.rolffalter.com/blog#h.vxe4kw4hn0j0 ) Niet alleen in Nederland, maar ook en vooral in het hedendaagse Vlaanderen en Noord-Frankrijk. Niet langer dan een maand geleden heb ik daar nog een verhaal over gebracht, over de nieuwe kwetsbaarheid van Saint-Omer en omgeving, aan het eind van een lezing in Haarlem: (https://zonderland.blogspot.com/2023/11/canon-verhaal-en-vaderlandse.html )

 

 De kern van het poldergegeven in de Lage Landen is dat ook in het hedendaagse Vlaanderen pakweg een vijfde van het grondgebied uit polders bestaat: van de Ijzervlakte tot tegen Ieper aan, tot de hele kuststreek, het Zwingebied tot Brugge, het Meetjesland, het Waasland, en het rivierengebied rond Antwerpen tot net bezuiden Mechelen. (Zie de kaart als foto, met deze link voor wie in detail wil gaan: https://nl-be.topographic-map.com/map-lqq9m/Vlaanderen/?center=51.16434%2C3.52658 )

 

De kustlijn en de oevers van de Westerschelde liggen vandaag gemiddeld pakweg 25 km verder dan rond het jaar duizend. Die poldergronden zijn voor het grootste deel ingedijkt geworden tussen de jaren 1100 en 1400. Dat proces is het vroegst begonnen in het oude graafschap Vlaanderen, waarschijnlijk het eerst in en om Saint-Omer en heel snel daarna in de zeegeul tot Ieper (de Ijzervlakte) en de Zwingeul rond Brugge.

 

 Dat verklaart de interesse van de historici, want precies op die ingepolderde gebieden ontstonden ook telkens handel, welvaart en steden. Een echt antwoord over de band tussen die twee hebben de historici nog niet gevonden, al had het de oude Pirenne het al over 'vrijere Vlaamse boeren' in die gebieden, die, omdat ze vrijer waren dan in de oude feodale dorpen, ook meer gingen produceren. Gent is een geconcentreerd voorbeeld van wat in het graafschap Vlaanderen gebeurde: de tweede grootste stad van West-Europa in de middeleeuwen is gebouwd in de meanders en moerassen van de samenvloeiing van een kronkelige Leie met een even kronkelige Schelde. Gent is meer nog dan Brugge een levende overwinning op het water.

 

 Dat fenomeen van inpoldering heeft zich nadien herhaald in het hertogdom Brabant (van Mechelen via Antwerpen tot Breda en Bergen-op-Zoom, en vooral langs de hele benedenloop van Maas en Rijn), en in Zeeland en het graafschap Holland. In dat laatste werd het een echte beleggingsstrategie om nieuwe landbouwgrond te creëren via polders, waaruit onder meer het Haarlemmermeer, en vier vijfde van de huidige provincie Noord-Holland zijn voortgekomen. De meest recente winningen zijn de Wieringerpolder rond Den Oever net voor 1940, de nieuw provincie Flevoland in de voormalige Zuiderzee, waarvan de expansie eind de jaren zestig is stopgezet, en de nieuwe Maasvlakte voor Rotterdam, die de kustlijn met 3,5 km verlegde, en in 2012 in een eerste fase voltooid geraakte.

 

 Nederland, dat weet iedereen daar, zou voor 60 % van zijn territorium regelmatig onder water gezet worden, als het geen dijken, gemalen (pompen) en grachten had. In vele kleine musea over het land kan je leren hoe die technologie zich ontwikkelde: van gewoon kanaliseren van water om het via sluizen in zee te laten lopen bij eb (zoals dacht ik nog steeds voor een stuk gebeurt aan de Ijzer), naar – vanaf de 16de eeuw – Archimedesschroeven en windmolens en steeds sterkere pompen, die later met stoom en vandaag met elektriciteit worden aangedreven. Om die laatste te genereren, gebruikt men in de 21ste eeuw ook massaal weer … windmolens, maar dan van de nieuwste generatie.

 

 Heel die waterhuishouding wordt bestuurd vanuit de waterschappen, die men om de vier jaar verkiest, samen met de andere lokale besturen (de volgende verkiezingen zijn voor 2026). In die waterschappen vinden discussies plaats over hoe hoog of laag het polderwater mag komen, bijvoorbeeld voor de landbouw in een droge zomer. Boven al die waterschappen troont aan de rand van Den Haag het ministerie van Rijkswaterstaat, het grootste van Nederland, omdat het ook instaat voor al de openbare werken.

 

 Plannen op dertig jaar is daar niet alleen een filosofie, maar gezien de kwetsbaarheid van het land ook levensnoodzakelijk. De hedendaagse discussies lopen vooral rond twee uitdagingen: hoe de stijging van de zeespiegel en eventuele sterkere stormen opvangen die door de opwarming van de temperaturen ontstaan, en hoe tegelijkertijd beheren dat het land weliswaar heel langzaam toch altijd een beetje verder inzinkt door het voortdurende polderen. Nederland zoekt daarvoor systematisch de meest ecologische oplossingen – op die manier werd recent ook de Afsluitdijk verhoogd – maar er is quasi niemand die twijfelt dat dijken, ‘malen’ (ons pompen) en afwateren meer dan ooit het motto zullen blijven.

 

 Diversiteit


 Wie het allemaal fijntjes wil nalezen kan ik alleen maar het boek Leefbaar Laagland van G.P. Van de Ven e.a. aanbevelen, een twee kilo dikke turf die Rijkswaterstaat destijds om de tien jaar realiseerde in opdracht van de Verenigde Naties om landen met een gelijkaardige waterhuishouding (denk aan Bangladesh, Vietnam of de delta rond Shanghai) te leren hoe Nederland dat heeft aangepakt sinds een heel ver verleden. De jongste editie dateert, vrees ik, van 2004, kost zo’n 50 euro online, is taai om te lezen, maar levert voor wie de moeite doet, ook één van de meest fascinerende verhalen uit de wereldgeschiedenis op.

 

 Wat daar in staat geldt dus ook voor twintig procent van het grondgebied van Vlaanderen, en een klein stukje Noord-Frankrijk. Onze dichte bevolking, onze steden, onze welvaart, zijn in de mist der tijden gebouwd op polders, dus op steeds betere en sterkere dijken, pompen en afwateringen. In Haarlem heb ik een maand geleden verteld wat er in Saint-Omer aan de hand zou kunnen zijn, nadat men daar misschien even dat hele verhaal uit het oog was verloren. Dat was voor de overstromingen daar.

 

 Kortom, ‘dijken afbreken’ is vermoedelijk maar een remedie voor beperkte stukjes land buiten het bewoond gebied dat in de dichtbevolkte Lage Landen de regel is. De Ijzervlakte, op zich de bedding van een heel korte stroom die grotendeels door polderland trekt, heeft aan een dergelijke stelling niets. Het heuvelland van Brabant en Haspengouw, of van de Vlaamse Ardennen waarschijnlijk wel. De droge Kempen met hun magere landbouwgrond – en daartussen nog wat veen – is dan weer een ander verhaal.

 

 Je moet vooral redeneringen vermijden die er finaal op neerkomen dat je elk huis dat kwetsbaar is voor overstromingen beter afbreekt om te vermijden dat het ooit een beetje onder water zou kunnen staan. Tot op zeker hoogte is dat logisch, maar in de Lage Landen inderdaad nooit totaal. Je kan de Vlaamse overheid, en de haar adviserende professoren, alleen maar blijven aanmoedigen om ook in hun besluiten en remedies de diversiteit te blijven cultiveren, zelfs als het om waterhuishouding gaat. En vooral om eerst telkens ter plekke te blijven kijken en er ook het verleden na te gaan. 


Gaza en geschiedenis

 9 november 2023


 Telkens er ergens een oorlog uitbreekt, wordt er vrijwel onmiddellijk diep in het verleden gegraven. Met de oorlog in en om Gaza, die op 7 oktober begon, is dat niet anders. Dat teruggrijpen naar het verleden is een tweesnijdend zwaard. Met geschiedenis rijt je oude wonden open. Maar ze levert ook het dieptezicht dat de felle emoties kan kaderen, en hopelijk helpt oplossingen aan te reiken. Vandaar, hier, wat uiteraard hoogstpersoonlijke overwegingen over heden en verleden in en om Gaza.

 

 Het meest vreemde aan de slachtpartij van Hamas op 7 oktober blijft hoe verrast het overvallen Israël was, veel meer dan de islamistische Palestijnse terreurorganisatie naar eigen zeggen zelf had verhoopt. Net die week was er immers wereldwijd massaal aan herinnerd hoe Israël vijftig jaar eerder verrast was door de Egyptische en Syrische invasie op 6 oktober 1973 (zie mijn blog van 5 oktober: https://www.rolffalter.com/blog#h.retffh16mc9p)

 

 De analyse van wat fout liep zal nog diepgaand gemaakt moeten worden. Maar nu al weten we dat aan Israëlische zijde de bewaking faalde, de technologie ook, en dat een reactie verbazend lang uitbleef. Hamas slaagde in het uitsturen van dwaalsporen, en, zoals Osama Bin Laden op 9 september 2001, in een strikte geheimhouding, en een maximaal verrassingseffect. Mensen zijn routinebeesten. Het onverwachte voorspellen vergt zeldzame creativiteit, en kan hoe dan ook niet voorbereid worden, omdat mogelijke scenario’s dan oneindig talrijk worden. Wel moet men scherp blijven op onverklaarbare, maar wel onrustwekkende signalen, die er ook ditmaal waren. Die scherpte was er niet, net als vijftig jaar geleden.

 

Wraak

 

 De Hamas-militanten, goed betaald naar blijkt, en ongetwijfeld ook met wat coke of ander spul in de aderen, hebben niet alleen in enkele uren 1500 mensen in koelen bloede vermoord. Ze deden dat vaak ook met een uitermate sadistisch genoegen, filmden het met Go Pro-camera’s, om de beelden te verspreiden op sociale media. We kennen dat al, van de praktijken van IS nu alweer zes tot negen jaar geleden. Uiteraard is dit bedoeld als propaganda: kijk eens welke vernedering wij die almachtige Israëli’s kunnen toedienen.

 

 Waarschijnlijk had het ook tot doel de tegenstander tot maximale razernij te brengen. ‘Wij hopen op een permanente oorlog’, zei één van de Hamasleiders tegenover de New York Times.  Wie zijn militaire geschiedenis kent weet dat mensen die permanent op oorlog aansturen, dat doorgaans doen uit eigen belang: de eigen promotiekansen via meer macht, of geldgewin, al dan niet via de huurlingen en wapenbusiness, zoals bij Poetins vermoorde maatje Yevgeni Prighozhyn. Misschien speelt ook het absurde ideologisch motief mee, dat extreem-linkse terreurgroepen zoals de Rote Armee Fraktion in West-Duitsland en de Rode Brigades in Italië in de jaren zeventig bezigden: de vijand tot dermate brutale repressie brengen,  dat het volk finaal in opstand komt tegen het onrechtvaardige ‘systeem’.

 

 Het leverde alleszins Joe Bidens mooiste moment van zijn ambtstermijn op. Tijdens zijn wat mislukte blitzverplaatsing naar het Nabije Oosten op 18 oktober, liet hij een voor een Amerikaanse president ongewone nederigheid blijken: ‘Gerechtigheid moet geschieden. Maar ik waarschuw: hoe logisch ook dat je woedend bent, laat je er niet door leiden. Na 9/11 waren wij, de Verenigde Staten, woedend. Terwijl we gerechtigheid zochten, en ook verkregen, hebben we fouten gemaakt.’

 

 Israël leek in eerste instantie inderdaad op wraak uit te zijn. De heftigheid van de bombardementen op Gaza, de algemene mobilisatie en het heel gespierde taalgebruik getuigen daarvan. Het Israëlisch leger doet ongetwijfeld inspanningen om het aantal doden onder zijn soldaten te beperken en om de schade voor de twee miljoen Palestijnen in dat gebied te minimaliseren. Het verschil met vroeger is dat het nu honderd procent gaat voor doeleinden die Hamas verzwakken – lanceerplatforms, wapenopslagplaatsen, een waanzinnig uitgebouwd netwerk van ondergrondse tunnels – zonder nog echt te kijken hoeveel burgerslachtoffers daarbij vallen. Hamas, dat geen sikkepit bezorgd is om het volk dat het zegt te verdedigen, kiest immers precies dat soort plekken, en moskees, om een maximale verontwaardiging te creëren bij een Israëlische aanval.

 

Media

 

 Jeruzalem begint dat, naarmate de initiële woede wegebt, te begrijpen. Het beseft dat de vernietiging van Hamas – of op zijn minst zijn krijgers en infrastructuur in de Gaza-strook - in de tijd gespreid moet worden. Een minder snelle opeenvolging van schokkende nieuwsbeelden versnelt de drang van media-redacties om de dure correspondent terug te roepen, omdat er niet regelmatig genoeg iets strafs meer te serveren valt. Bovendien reageren de westerse kijkers – en tot op zekere hoogte ook een deel van de Arabische – steeds meer gelaten op de zoveelste flitsen van chaotische evacuaties van bloedende gewonden, liefst met een kindje in close-up, die we nu al veertig jaar lang telkens zien terugkeren en die nooit veranderen.


  De Serviërs van Slobodan Milosevic beheersten dat effect van kijkcijfers-slijtage al tijdens de Joegoslavische burgeroorlog in de jaren negentig, totdat ze hun hand overspeelden in Srebrnica. De Verenigde Staten hebben, met een kleine schare bondgenoten onder wie België en Frankrijk na de aanslagen van 2014-16 in Brussel en Parijs, die tactiek succesrijk toegepast in het verslaan van de Islamitische Staat van Syrië en Irak (ISIS), tot en met de finale aanval op Mosul in 2018. Die oorlog, die drie jaar duurde, en ongetwijfeld ook burgerslachtoffers heeft gemaakt bij de vele westerse luchtaanvallen, heeft quasi nooit de headlines van de wereldmedia gehaald, laat staan die van Vlaanderen. Media zijn een onderdeel van de oorlog, en het is elke generaal geraden hun werking altijd best in te calculeren.


 Ik wil dit als cynische realiteit formuleren, al bedoel ik het zeker niet cynisch. De verwijten die daarbij naar de journalisten worden uitgestuurd die hierover allemaal berichten zijn onterecht, ook al hebben onvermijdelijk sommigen slordig werk geleverd. Het is de taak en zelfs de plicht van journalisten te blijven berichten over de gruwelijkheid van elke oorlog, ongeacht de strategische motieven van diegenen die hogerhand aan de knoppen zitten.

 

Bombardementen

 

 Oorlog zoals in Gaza blijft natuurlijk ongelooflijk brutaal, en helaas geraak je met het oorlogsrecht niet ver. Hoe reageer je op een aanvaller die in zijn initiële acties elke regel van dat oorlogsrecht heeft geschonden (en zich daarbij beroept op eerdere schendingen door de overvallen tegenstander)? Wat doe je als niemand – maar dan ook werkelijk niemand - bereid is de vluchtelingen van de oorlog uit hun belegerde stad te helpen?

 

 Vooral: welk alternatief heeft Israël als repliek voor wat het is overkomen? Gaat iemand hen genoegdoening, excuses, correctie, schadevergoeding vanwege Hamas kunnen bezorgen? Of gaan we aan Jeruzalem vragen de 1600 vermoorde burgers gewoon door te slikken, tot de orde van de dag over te gaan of die wandaden zelfs te begroeten met concessies naar vrede toe? In princiep eindigt elke oorlog op onderhandelingen, en dus kan je evengoed vroeger beginnen praten dan te wachten tot er een doorbraak is aan deze of gene kant. In de meeste van de oorlogen uit het verleden, waarvan we alleen de meest spectaculaire onthouden, kwam die doorbraak er trouwens niet eens.

 

 Maar gaat dat princiep ook op als je met Al Qaeda, Hamas, of IS te maken hebt? Ze doen, als ‘islamo-fascisten’ zoals de Franse premier Manuel Valls ze ooit noemde, toch snel aan de nazi’s denken. Churchill heeft ook de Duitse steden tussen 1943 en 1945 laten platbombarderen, met een bijna perverse perfectionering naar zoveel mogelijk burgerdoden toe, en met vele honderdduizenden doden en immense verwoestingen tot gevolg. De geallieerden zouden daarvoor ongetwijfeld ook de atoombom gebruikt hebben moest ze vroeger klaar zijn geweest.

 

 De militaire efficiëntie van die stadsbombardementen is altijd dubieus geweest. Maar de geallieerden hadden andere motieven: onderhandelen met Hitler leek hen onmogelijk, dus konden ze Berlijn enkel doen capituleren, iets waartoe ze ook in staat waren (die laatste voorwaarde is essentieel uiteraard). En het was zaak ditmaal de Duitse bevolking zelf te laten voelen dat de oorlog zich ook tegen haar kon keren. Dat leek zo te moeten, nadat ze – mede omdat Duitsland in 1918 niet veroverd was – na het Verdrag van Versailles geweigerd had de in wezen nochtans al desastreuze nederlaag te aanvaarden. Uit rancune bracht ze tien jaar later de extreme revanchist Adolf Hitler via verkiezingen aan de macht. Tussen de ruïnes van hun steden en bij massale hongersnood tussen 1945 en 1948 hebben de Duitsers dat ook begrepen, mede natuurlijk omdat minstens hun westerse overwinnaars heel ongewoon veel geld en eten gingen aanreiken aan de verslagen bevolking.

 

Macho-vrijheidsstrijder

 

 Sommigen beweren nog steeds dat Hamas het extreme, maar onvermijdelijke product is van decennia Palestijnse onderdrukking. Ja en neen. Ja, omdat het zionistisch project dat nu bijna een eeuw geleden Israël creëerde, het altijd te vanzelfsprekend heeft gevonden dat joden massaal gingen wonen in een gebied dat al bewoond was (wat ook de vermeende historische aanspraken van beide partijen zijn). Neen, omdat alle Palestijnse leiders, gesteund door grote delen van hun bevolking, altijd gekozen hebben voor geweld als voornaamste verzetsmiddel, ook toen de tegenstander sterker bleek.

 

 Een eerste maal gebeurde dat in 1948 toen men na de deling die was opgelegd door de Verenigde Naties een Arabische ‘bevrijdingsoorlog’ startte die faliekant afliep (foto: Arabische vluchtelingen toen, op weg naar Libanon). In de jaren zestig greep Yasser Arafat , de leider van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) naar het wapen van de terreur (denk aan de Olympische Spelen van 1972), toen nog vrij bescheiden naar hedendaagse normen. In de jaren zeventig probeerde zijn PLO zowel in Jordanië als in Libanon een staat in de staat te creëren, met gewapende afpersingspraktijken als dagelijkse routine, totdat ze daar met geweld werd verdreven. Twintig jaar geleden opteerde Arafat, weliswaar gekneld tussen de Israëli’s en Hamas, mee voor een onwezenlijke reeks van bloedige zelfmoordaanslagen in de Israëlische samenleving. Eén keer maar, in 1994, omarmde hij een vredesplan.

 

  Er bestaat, bij de Palestijnen, maar ook de in de bredere Arabische wereld – zonder te willen veralgemenen – een stevige aanhang voor het modelbeeld van de macho-vrijheidsstrijder, de Che Guevara die alles opoffert in de strijd tegen Israël, en tegen de voormalige westerse kolonisator van het Midden Oosten. Een Gandhi of een Mandela moet er nog altijd opstaan. Iran profiteert daarvan: het vindt overal in de Arabische wereld genoeg kandidaat-zelfmoordenterroristen, iets waarvoor de blijkbaar meer gesofisticeerde Perzen zelf liever de neus ophalen.

 

 Het heeft ertoe geleid dat in Israël het grootste deel van de publieke opinie twintig jaar geleden, na de reeks zelfmoordaanslagen met veel dode jongeren en de mislukking van de vredesovereenkomst van Oslo met Arafat in 1994, de hoop op een akkoord met Palestijnen en de overblijvende Arabische buren heeft opgegeven. Enkel Egypte kent vrede met Jeruzalem, sinds 1977. Dat alle Arabische landen ook zachtere of harde dictaturen zijn, nog meer na de mislukte Arabische revoluties van tien jaar geleden, verstevigt het vermoeden dat al die regimes geen baat hebben bij het verdwijnen van het tot gigantische proporties opgeblazen vijandbeeld dat het bestaan van noodtoestanden kan legitimeren.

 

 Benjamin Netanyahu van zijn kant is de emanatie van dat Israëlisch afhaken. Zijn rechts-nationalistische strategie om het probleem enkel te omcirkelen en vooral niets te doen en niet te praten, is nu op een overduidelijke mislukking uitgelopen. Ze is de afgelopen twintig jaar echter ook duidelijk gedragen geweest door democratische meerderheden. Die gelatenheid en onverschilligheid groeit, na de Arabische terreuraanslagen van de afgelopen tien jaar in alle westerse landen, ook overduidelijk in de hele westerse wereld.

 

Dictaturen

 

 Maar wat komt er in de plaats? Mogen we hopen dat het bloedbad ook allerlei blokkeringen kan opruimen? Noteer alleszins dat de rechtstreekse gesprekspartners schaars of wankel zijn. Met Hamas valt niet te praten. De Palestijnse Autoriteit (erfgenaam van Arafat) van Mahmoud Abbas is versleten, maar wel gematigd. Netanyahu zal wel van het toneel verdwijnen, maar de meerderheid achter hem niet noodzakelijk. Noteer ook dat wankele regeringen weinig autoriteit hebben om één lijn op te leggen. Zelfs doorheen het Israëlisch militair offensief in Gaza detecteer je verschillende doelstellingen: wil men alle bruggen opblazen, of laat men toch nog deurtjes open?. Voorlopig domineert – nog even? – de Netanyahu-lijn: terugslaan, de tegenstander weer in zijn kot krijgen, geen perspectief voor echt praten, misschien zelfs dat onmogelijk maken door – net als Hamas – veel bloed te laten vergieten.

 

 Het zal vooral van buitenaf moeten komen. De Verenigde Staten uiteraard, maar die zijn nu al – ondanks hun nog formidabele economische en militaire macht – overstretched, met ook Oekraïne en Taiwan op de agenda. Met een heel oude, kwetsbare president, en een bijna even oude favoriet in de presidentsverkiezingen van volgend jaar, die veel meer nog dan vier jaar geleden wartaal begint uit te kramen zonder dat het hem schaadt bij de kiezers. China en India zouden, als powers to be en steeds gulziger importeurs van Arabische en Iraanse olie, mee in het bad moeten kunnen. Maar Washington gaat dat niet willen, want noch Delhi, noch Beijing heeft een band met Jeruzalem. Israël is een kind van het westen, en kan alleen overleven onder westerse hoede.

 

 De enige bewegende factor is de Arabische wereld zelf. Ondanks alle kritiek die je nog kan uitoefenen op strategie en gedrag in die landen (en bij de betogende Arabieren bij ons), toch bewoog het enkel daar in het afgelopen decennium, met Koeweit, de Emiraten, Bahrein en Qatar. Die kozen voor business en welvaart in plaats van oorlog en strijd. Heel vaak doen ze dat zelfs in een fanatiek kopiëren – van het Louvre tot de Premier League - van wat in het westen als prestigieus geldt. Zo kwamen ze vanzelf tot voorzichtige verstandhouding met Israël.  Saoedi-Arabië ging voor 7 oktober dezelfde weg op, zocht hulp bij het maken van een kernbom tegenover die van Iran, in ruil voor toenadering tot de Israëli’s.

 

 Maar het is allemaal fragiel natuurlijk. De impuls tot toenadering kwam ook uit angst voor de machtsontplooiing van Iran, dat Libanon en Syrië controleert, en grote invloed uitoefent in Irak. In Teheran regeert een wankel en versleten regime van ouwe, bekrompen, uiteraard louter mannelijke pastoors, dat zich afschermt met een tot de tanden bewapende en uitermate gewelddadige pretoriaanse wacht. De Palestijnse kwestie – van doorgaans soennitische en een beperkte aantal christelijke Arabieren dus, niet van in meerderheid sjiitische Perzen – dient daar als bewijs van zuivere trouw aan de islam, waarmee het regime van de oude mollahs zich legitimeert.

 

  Iran heeft waarschijnlijk ditmaal minder een hand gehad in de Hamas-aanval dan men zou vermoeden: massale wapenleveringen en veel geld vooraf uiteraard, maar haast zeker geen groen licht. Verwacht daar echter geen gematigdheid. Verwacht ook geen doorbraak naar democratie en mensenrechten bij de Arabische overburen aan de Perzische Golf de dag dat het priesterregime in Teheran in elkaar stort. Hoop enkel een beetje dat Iran als externe vijand Israël als legitimering van Arabische dictaturen kan vervangen.

 

Vluchtelingen

 

 Scenario’s voor vrede daarentegen hoeven niet meer uitgevonden te worden. Ze zijn bekend, uit het verleden. Men heeft vroeger het idee van de gebiedsruil tussen Israël en een echte Palestijnse staat al verregaand verkend. Israël wil af van het risico dat binnen zijn huidige grenzen een Arabische meerderheid groeit. Dan zal het wel ook zijn kolonisatiepolitiek op de Westelijke Jordaanoever moeten afbouwen, iets waartoe er wel wat lijkt te bewegen sinds 7 oktober.

 

 Een vredesverdrag moet dan een mix worden van kleine stukjes Israël die men afstaat aan de Westbank, omdat de bevolking er overwegend Arabisch is, en kleine stukjes Westbank die men aan Israël hecht omdat er veel kolonisten zijn. Daar bovenop komen dan sterke financiële impulsen voor andere groepen om naar de staat te verhuizen waar hun volksgenoten wonen, vooral dan de veel te talrijke joodse kolonisten op de Westbank. Iets gelijkaardigs zal moeten gebeuren in Gaza, in zijn geheel of – wat waarschijnlijker is – in stukjes.


 Het gaat om een operatie die alleszins gespreid zal moeten worden over tien, misschien twintig jaar. En die veel internationaal geld zal opeisen om zeker voor de Palestijnen welvaart te creëren, en voor nog lang een veiligheidsmacht te financieren van Israëli’s en Palestijnen die het risico op verdere aanslagen tot een minimum kan beperken. Amerika, Israël, de Palestijnse Autoriteit en Saoedi-Arabië zijn in dat spel de hoofdrolspelers. Iran blijft de risicofactor, al dan niet met steun van Vladimir Poetin en minstens sympathie van Xi Jinping.

 

 Het nodige geld zou niet echt een probleem moeten zijn. Het in 1948 opgerichte VN-Agentschap UNRWA onderhoudt nog steeds vijf miljoen Palestijnse vluchtelingen van toen, of beter gezegd: diegenen die in princiep hun erfgenamen zijn. Driekwart van de financiering komt van Europa en de Verenigde Staten, niet van de Arabische landen, waarvan er inmiddels toch ook een half dozijn echt rijk zijn. Ruim de helft van die vijf miljoen gesubsidieerde Palestijnen miljoen leven in Jordanië (vooral), Syrië en Libanon. De helft van de bevolking van Gaza leeft van steun van UNRWA.

 

 Er rijzen daar terecht veel vragen bij. Zijn er naast die bestendiging van het vluchtelingenstatuut ook pogingen ondernomen om het aantal geleidelijk te verminderen (zovelen zijn geëmigreerd naar andere Arabische landen en nog meer als asielzoekers in Europa)? Heeft UNRWA niet een bescheiden welvaartsbeleid geleverd waardoor Hamas – nog steeds de vijftien jaar geleden verkozen regering van Gaza – zich kon concentreren op wapens, raketten en tunnels? Moeten de Europese Unie en de VS die financiering dan niet geleidelijk afbouwen of op zijn minst heroriënteren?

 

 Tenslotte is er de kwestie van de gijzelaars van 7 oktober, ruim tweehonderd nog altijd. Naarmate de Israëlische regering duidelijk maakt dat ze geen gevangenen wil maken onder de Hamas-krijgers lijkt ze er zich ook bij neer te leggen dat er weinig kans is dat ze die gijzelaars levend zal terugzien. Hamas heeft er een handvol laten gaan, als geste van goede wil. Misschien zal het op andere momenten nog de nood voelen om te ruilen. Maar de kans is klein.

 

Rondjes

 

 Anthony Blinken is vandaag de centrale figuur. Zijn voorganger Henry Kissinger – dit jaar 100 geworden - detecteerde in 1973, net als de toenmalige Israëlische premier Golda Meir, vrij snel dat de Egyptische president Sadat niet op dwaze verovering uit was, maar op een simpele demonstratie dat Arabische legers het Israël ook moeilijk konden maken. Ze lazen dat in de Egyptische operaties op het terrein. Het bleek te kloppen en de toenadering tot Sadat, tot dan in het kamp van Moskou, volgde heel snel. Hamas heeft op afschuwelijke wijze gedemonstreerd dat Israël bij de status quo niet veilig is, maar wil dat haast zeker niet als hefboom gebruiken voor vrede, net zomin als zijn sponsor in Teheran.

 

 En dus draait Blinken de obligate rondjes, met wat afvijlen van de scherpste kantjes links en rechts. Hij hoopt, ongetwijfeld zoals velen, dat ook deze storm weer overwaait, in afwachting van een echte kans op een doorbraak zoals Kissinger die destijds op zijn bord zag vallen. Er is tot nu toe duidelijk aarzeling bij Teheran om echt te escaleren. De al dan niet aangemoedigde betogingswoede in Arabische en moslim-landen blijft binnen te perken, tenzij in de Europese hoofdsteden. Als Israël zijn aanval in de tijd kan spreiden om het bloedbad onder de waterlijn te houden, kan dat zo blijven. Tot op het kritieke moment natuurlijk dat Hamas helemaal vernietigd lijkt te zullen worden, en het uitkijken wordt of Teheran dat wel slikken kan.

 

 Een echte vrede nadien maakt hopelijk kans, maar blijft tot nader order hopen op een klein diplomatiek mirakel. Veel waarschijnlijker is het scenario dat in het Nabije Oosten al driekwart eeuw opgeld maakt. Nadat iedereen weer voldoende doden heeft getankt om te begraven, likken alle partijen een paar jaar hun wonden, in schijnbare rust. Om dan na verloop van tijd alle frustraties opnieuw te laten uitbarsten in een  zoveelste zorgvuldig voorbereide orgie van geweld.


De koning benoemt ...

 24 oktober 2023


 De benoeming van de magistraat Paul Van Tigchelt tot nieuwe minister van Justitie heeft aanleiding gegeven tot kritiek dat opnieuw iemand zonder parlementair mandaat in de regering werd gehaald. Die kritiek etaleert ten dele een gebrek aan kennis van de grondwet en de aard van een parlementair regime, maar duidelijk ook een verlangen naar meer en een beter functionerende democratie.

 

 Grondwettelijk is er niets fout aan de benoeming van een niet-parlementair in de regering. ‘De federale uitvoerende macht berust bij de koning’, zo bepaalt artikel 37 van de Belgische grondwet. ‘De koning benoemt en ontslaat zijn ministers’ staat in artikel 96 (let op zijn ministers).

 

Scheiding der machten

 

 Wie zijn institutionele geschiedenis wat kent, weet waar dat vandaan komt. Het princiep van scheiding der machten werd al aan het einde van de 17de eeuw – niet toevallig in Holland en in het zog van de Brits-Hollandse koning-stadhouder Willem III – geformuleerd door de Engelse filosoof John Locke, die het vanaf 1689 meteen in de praktijk zag gebracht in Westminster. De rechterlijke macht moest onafhankelijk zijn van de politieke (en transparant!). En die politieke macht was opgedeeld in strikt gescheiden wetgevende en uitvoerende macht.

 

 Allen moesten het ‘algemeen belang’ dienen. Maar de uitvoerende macht kon daarvoor ook machten uitoefenen die niet door wetgeving geregeld waren, op voorwaarde dat het doel het algemeen belang  bleef, aldus Locke. De wetgever waakte op wetgeving en begroting, en, net als de rechterlijke macht, op de inperking van de willekeur van koning en overheid, de uitvoerende macht dus.  De drie leden van de macht hadden dus verschillende taken, ook inzake controle van elkaar, maar hetzelfde doel.

 

 Montesquieu, de Franse filosoof, diepte die staatstheorie een halve eeuw later verder uit. Daarbij was het voor hem en Locke duidelijk dat de uitvoerende macht het prerogatief van de koning bleef, met die beperking dat als de koning en/of zijn ministers al te zeer het algemeen belang verwaarloosden of schonden het volk het recht had ze af te zetten. Uit dat laatste is dan geleidelijk het beginsel van de ‘ministeriële verantwoordelijkheid’ gegroeid.

 

 Dat idee stond centraal in de opstand van de Belgen in 1830 tegen koning Willem I – en vooral tegen zijn onaantastbare minister van Justitie van Maanen, die van 1815 tot 1842 de rechterhand van de Nederlandse vorst was. De ministers in België werden voortaan ‘verantwoordelijk’ voor de daden van de koning, van de uitvoerende macht dus. Het staat zo nog steeds in artikel 88 van de grondwet, met een ouderwetse genitief: ‘de persoon des konings is onschendbaar; zijn ministers zijn verantwoordelijk’.


 Extra-parlementaire ministers kwamen er in ons land vooral na de Eerste Wereldoorlog, toen koning en establishment toch moeite hadden een wetgevende macht te vertrouwen die gekozen was op basis van het algemeen stemrecht en dus veel socialisten telde en wat radicale christendemocraten en flaminganten

 

 

 Ministeriële verantwoordelijkheid betekent dat elke regering maar kan functioneren als ze het vertrouwen heeft van een meerderheid in het parlement. Ze betekent ook dat elke individuele minister door het parlement ter verantwoording kan worden geroepen – en dus ook bij meerderheidsbesluit doorgestuurd - voor zijn of haar beleid (want de regering is in ons systeem in princiep niet zozeer een collectief dan wel een groep van individueel verantwoordelijken).


 Die druk, die zich vertaalde in de procedure van parlementaire interpellaties met een eindstemming over het antwoord van de minister, moest er op zijn beurt voor zorgen dat ‘de koning’ (en met hem de hele overheid) geen beslissingen nam die niet – via zijn handtekening - gedekt waren door een minister. De regering kan wel formele besluiten nemen – via Koninklijke Besluiten – die geen parlementaire goedkeuring behoeven, maar binnen strikt door de grondwet afgelijnde perken.

 

 Ter vergelijking: de Amerikaanse grondwet van 1789 creëerde een electorale scheiding: de koning was er afgeschaft, dus moest men een president verkiezen, die, eens verkozen, zijn regering volledig autonoom kon samenstellen, en enkel zijn wetten – inbegrepen de begroting – aan het verkozen parlement moest voorleggen. Nadien werd die scheiding wel wat afgezwakt door de zogeheten Impeachment-procedure (voor het eerst toegepast in 1974) en de hearings in de Senaat bij de benoeming van een minister. Het Europees Parlement vandaag kent voor de aanduiding van de leden van de Commissie wel hearings, en heeft ook een Impeachment-procedure voor de gehele Commissie, maar kent geen ‘ministeriële verantwoordelijkheid’ voor individuele Commissarissen, en dus ook geen interpellatie-procedure.

 

Koning

 

 Die scheiding der machten betekent dus ook dat de uitvoerende macht niet democratisch hoeft te zijn, wel het vertrouwen moet krijgen van het parlement. Zij kan enkel wetten kan laten goedkeuren die door een meerderheid van het parlement worden gestemd. En zij kan enkel ministers handhaven waarvan het beleid niet formeel door het parlement wordt weggestemd. Vandaar dat de koning die ministers best benoemt uit de meerderheid die na verkiezingen ontstaat. Ze kiezen uit het parlement is daarentegen geen verplichting. Maar het helpt aan de stabiliteit, gezien de benoeming tot minister voor de meeste volksvertegenwoordigers een promotie betekent. Ze afwijzen ontstemt hen doorgaans.

 

 De Belgische koningen hebben lang gevochten om zoveel mogelijk vrijheid te behouden bij de benoeming van ‘hun’ ministers. Ze pikten in de negentiende eeuw zelf de formateur van een regering uit de kleine kring van leidende notabelen van de winnende fractie, konden hun eigen kandidaten voor sommige ministerposten doorduwen en kandidaten van die formateur weigeren. Daarbij hoefden ze zelden buiten het parlement te gaan. Het cijnskiesrecht maakte dat de meeste Kamerleden notabelen waren, terwijl de Senaat volgestouwd bleef met edellieden, geestelijken, grootgrondbezitters en industriëlen. Voor de periode voor 1914 is Sylvain van de Weyer (op de foto: zijn standbeeld in leuven, dat er inmiddels van de aardbodem is verdwenen, al is er wel een brasserie met zijn naam aan het station) in 1845 vermoedelijk de enige niet-verkozen regeringsleider geweest (een ‘premier’ was er formeel niet voor 1918).

 

 Het is – dat is men inmiddels ook vergeten - tegen die koninklijke invloed, en al wat daarmee gepaard ging van zelfbediening door het establishment rond het hof, dat politieke partijen zijn uitgebouwd als structuren om de druk van de kiezer op de verkozen vertegenwoordigers te vergroten. Leopold I moest al in 1847 een eerste keer aanvaarden dat hij de formateur moest kiezen uit een hem niet zo sympathieke meerderheid (Charles Rogier en de liberalen). Naarmate de wetgevende macht steeds beter - en ten laatste sinds de late invoering van het vrouwenstemrecht in 1948 – democratisch gelegitimeerd geraakte, heeft die zijn greep op de uitvoerende macht altijd vergroot, ten koste van de koning en al wat daarrond hing.

 

 Toch zijn constitutionalisten in hun beschrijving van het parlementair stelsel ook altijd huiverig geweest om wetgevende en uitvoerende macht bijna helemaal te laten samenvallen. Er was de – formeel wat in onbruik geraakte notie – dat een verkozene des volks ‘de natie’ vertegenwoordigde, en niet alleen zijn kiezers, zijn partij, zijn lobbies. Dat staat trouwens zo bijna letterlijk nog in artikel 42 van de grondwet. 


 Er zijn ook taken van een bestuur van een land die best (minstens tijdelijk) aan de transparantie van een parlement onttrokken blijven: van handelscontracten met dictaturen over militaire geheimen en (al dan niet breed te interpreteren) privacy-elementen in het personeelsbeleid van de overheid tot gewoon moeilijke onderhandelingen die enkel achter gesloten deuren naar een compromis kunnen leiden. Daarvoor kan de scheiding der machten in princiep nuttig blijven.

 

Extra-parlementairen

 

 Nog tot in de jaren dertig van vorige eeuw zaten Belgische koningen af en toe de ministerraad voor. Zij presenteerden ook lange tijd, zoals de koningen in Groot-Brittannië en Nederland nog vandaag, het jaarprogramma van hun regering. Extra-parlementaire ministers kwamen er in ons land vooral na de Eerste Wereldoorlog, toen koning en establishment toch moeite hadden een wetgevende macht te vertrouwen die gekozen was op basis van het algemeen stemrecht en dus veel socialisten telde en wat radicale christendemocraten en flaminganten.

 

 Koning Albert, die met een huizenhoog prestige terugkeerde van het front in 1918, stelde toen een extra-parlementair aan tot premier: Leon Delacroix, de Brusselse advocaat van de koninklijke familie in allerlei betwistingen rond de erfenissen van Leopold II en tijdens de oorlog een sleutelfiguur in de hulpverlening aan de hongerende bevolking in bezet België. In 1921 deed Albert dat nog eens met de bankier Georges Theunis, die enkel gecoöpteerd senator was.

 

 Eind 1925, tijdens een monetaire crisis na de eerste poging tot het vormen van een rooms-rode coalitie, stuurde hij Emile Francqui uit, vertrouwensman van Leopold II in Congo eerst en China nadien, tijdens de oorlog een sleutelfiguur in het bezette land, en na 1918 de onderhandelaar bij uitstek in Versailles en over de uitstaande schulden van België. Francqui droeg eind 1925 aan Albert de nieuwe premier voor, Henri Jaspar, in een regering waarin hij de sterke man werd, die de financiën van het land terug op orde zou brengen.

 

 Die rol nam Francqui opnieuw op tijdens het dieptepunt van de economische crisis eind 1934, in het jaar voor zijn dood. De kersverse koning Leopold III riep toen Theunis terug als premier, met Francqui erbij. Beiden mislukten ditmaal, waarop Leopold in maart 1935 opnieuw een buitenstaander tot premier benoemde: de amper 42-jarige Leuvense prof in Financiën en vice-gouverneur van de Nationale Bank Paul van Zeeland. Hij drong die ook op toen de socialisten in de verkiezing van 1936 de grootste fractie werden. Zoals bekend geloofde Leopold zoals zovelen in de jaren dertig niet echt meer in goed bestuur via democratie.

 

 De macht van de koning kromp gevoelig na de koningskwestie en het aftreden van Leopold in 1950. Toch waren het precies dan twee louter gecoöpteerde senatoren die premier werden van homogeen christendemocratische regeringen: Joseph Pholien van 1950 tot 1952 en Jean Van Houtte in de twee jaar nadien. Sedertdien zijn er geen extra-parlementaire premiers meer geweest.

 

 Wel bleef Financiën een uitgelezen terrein voor dat soort benoemingen, blijkbaar vaak omdat men er zeker in moeilijker tijden een hoge mate van expertise verwachtte die men in het parlement niet vond. Bankier Camille Gutt, voor tijdens en vlak na de oorlog, was dat al. Hoogleraar en ambtenaar Franz De Voghel volgde hem op in 1945. Later in de crisisjaren 1980-81 waren er nog de kortstondige extra-parlementaire ministers Paul Hatry, Robert Henrion, Robert Vandeputte (1981). Gaston Geens, tot 1981 gecoöpteerd senator (en hoofd van de christendemocratische studiedienst CEPESS), was sinds 1974 staatssecretaris en minister van Begroting, werd van vanaf medio 1980 de eerste Vlaamse minister-president. Het is in die jaren dat het begrotingstekort volledig ontspoorde.

 

 Mieke Offeciers kwam in 1992 in het eerste kabinet-Dehaene vanuit de studiedienst van het VEV (vandaag VOKA) op Begroting, en werd anderhalf later opgevolgd door gecoöpteerd senator Herman Van Rompuy. Koen Geens werd federaal minister van Financiën in 2013 als ex-kabinetschef van de Vlaamse minister-president en hoogleraar aan de Rechtsfaculteit in Leuven.

 

 Nog bekende politici die als extra-parlementair begonnen, zijn Mark Eyskens (als hoogleraar in Leuven begonnen als staatssecretaris voor Ruimtelijke Ordening in 1976), Jean-Luc Dehaene (kabinetschef van de premier, vanaf 1981 minister van Sociale Zaken en meteen vice-premier) , en Philippe Moureaux (werd als hoogleraar geschiedenis en kabinetschef in 1980 minister van Binnenlandse Zaken).

 

Politieke crisis

 

 Extra-parlementairen zijn dus niet nieuw. Alleen valt het op dat het in het kabinet De Croo toch wel een trend wordt. Annelies Verlinden (advocate) was er van in het begin bij, Hadja Lahbib (journaliste) kwam op Buitenlandse Zaken, nu is daar dus ook Paul Van Tighelt (magistraat) bij, drie extra-parlementairen op drie oerfuncties van een federale regering (Binnenlandse Zaken, Buitenlandse Zaken, Justitie, portefeuilles die al in 1830 bestonden in de eerste regering met zes leden). Bij de staatsecretarissen is de oogst nog groter, al dan niet na vervanging van de oorspronkelijke titularis: Nicole De Moor, Thomas Dermine, Alexia Bertrand (na Eva De Bleeker) en Mathieu Michel.

 

 Dat gaat natuurlijk in tegen de hierboven gesignaleerde historische trend om de uitvoerende macht ook steeds meer democratisch te maken. De opstoot van extra-parlementairen is ook plots. Vermoedelijk moeten we er een zoveelste symptoom in zien van de steeds dieper wordende politieke crisis die België doormaakt. Die bestaat ook elders in West-Europa, al heeft ze bij ons nog een zich verscherpende communautaire dimensie bovenop. Sinds 2010 is bij ons continu de premier ook geen lid meer van de grootste fractie in het parlement, wat nochtans ook een democratische traditie is.

 

 De benoeming van de extra-parlementair Van Tigchelt is dus zeker niet ongewoon of ongrondwettelijk, ze kadert wel in een toenemende crisis van de parlementaire democratie.


Polemiek om een oorlogsincident, 

een eeuw later

 20 oktober 2023


 Het eerste slachtoffer van elke oorlog is altijd de waarheid, zo luidt een oud gezegde. Deze week kregen we daar nog eens een illustratie van, na de explosie dinsdag op een binnenplaats van het Al-Ahli Arab ziekenhuis in Gaza en al dan niet ruim 400 doden. Zo’n betwisting kan lang duren. Sinds een jaar of tien is opnieuw een honderd jaar oude controverse uitgebroken tussen hoofdzakelijk Belgische en Duitse historici.  Onderwerp van hun polemiek zijn de Duitse slachtpartijen in België in de zes eerste weken van de Eerste Wereldoorlog in 1914.

 

 Radio-zender Klara serveerde donderdag in het ochtendprogramma Ampersand, met de hulp van luisteraars, een cocktail van muziek die in en om de Eerste Wereldoorlog was gecreëerd. Daar zaten – voor het gedeelte na 11u dat ik kon beluisteren - behoorlijk wat verrassingen in, met Britse, Franse en Italiaanse componisten die in hun muziek het lijden van het kleine België evoceerden. Dat leverde zelfs een variatie op de Brabançonne op, vanwege Claude Debussy uit 1914. De absolute held in vele van die muziekverhalen was koning Albert, de ongelukkige monarch van het ongelukkige land.

 

 Oorlogen creëren zeker in hun beginfase altijd felle emoties. In 1914 ging de felste wereldwijd naar het door de Duitsers overvallen België. Een klein, welvarend landje, de successtory van de negentiende eeuw, waar het zo aangenaam vertoeven was, zoals Stefan Zweig in de laatste dagen van juli in Oostende nog mocht ervaren. Een land dat nu overvallen was door één van de vijf mogendheden die het in 1831 een permanente en absolute neutraliteit hadden opgelegd.

 

 Bovenal een land waarin de binnenrukkende Duitse legers in de eerste zes weken, vanaf de allereerste dag en quasi elke dag, en buiten de onmiddellijke vijandelijkheden om, dorpen en steden in brand staken en duizenden burgers, vrouwen kinderen en babies, voor vuurpelotons en machinegeweren sleepten om ze bij tientallen af te maken en hun lijken te laten rotten. De reden die het Duitse leger daar telkens voor aanhaalde was dat zijn soldaten, in strijd met het oorlogsrecht, door burgers waren beschoten, zogenaamde franc-tireurs of vrijschutters.

 

 Het leverde een bijkomende schok op dat Duitsland, het land van Goethe en Beethoven, en ook zo’n land dat zich razendsnel ontwikkeld had in de voorgaande decennia, tot zoiets in staat was. De klap op de vuurpijl kwam er toen Duitse soldaten in de laatste week van augustus ook Leuven in de vernieling schoten en platbrandden, 270 burgers afknalden en bovenal de Universiteitsbibliotheek met honderden onvervangbare middeleeuwse boeken in brand staken en helemaal lieten uitbranden. Duitsers werden nu ‘Hunnen’, ook in geschriften van Angelsaksische en Franse cultuur-iconen. En het kleine België werd een dappere martelaar met een heroïsche vorst (zie het beeld hiernaast van het Parijse weekblad L’image de la guerre uit 1917, met koning Albert en koningin Elizabeth).




Het voedt mijn pijnlijke stelling dat ook de historici in West-Europa – veel academici inbegrepen – zich in de aanslepende politieke en economische crisis sinds vijftien jaar weer dieper achter de nationale grenzen gaan verschansen


 

 Dat riep dan weer een reactie in het leven waarbij aardig wat academische en culturele coryfeeën in Duitsland publiekelijk het Vaterland gingen verdedigden en de officiële Duitse versie van de feiten in België uitdroegen. Tevergeefs overigens, want de publieke verontwaardiging wereldwijd over de barbarij was zo groot dat zelfs de Duitse legerleiding medio september besefte dat men de zogeheten ‘bestraffingen’ beter stopzette. De schade aan het Duitse image geraakte nooit meer hersteld, zeker niet toen twee decennia later in Berlijn de nazi’s aan de macht kwamen van wie dat soort geweld en moord de core business was. Louis Tobback, de burgemeester van Leuven, gebruikte bij de herdenking in 2014 het terechte beeld dat in zijn stad honderd jaar eerder de weg naar Auschwitz was geopend.

 

Polemiek

 

  Vooral bleef de polemiek over de al dan niet vermeende aanleiding van de franc-tireurs duren, tot nog een stuk na vijftigste verjaardag van de gebeurtenissen. Ze werd gevoed door omstandige rapporten die zowel België als Duitsland opstelden vanaf 1915 en tot diep in de jaren twintig. Ze leveren een overvloedige bron aan informatie op voor historici, zijn vaak ook met behulp van toenmalige historici geschreven en proberen allemaal een indruk van feitelijkheid en sereniteit te wekken. 


 Toch mag men niet vergeten dat ze een concreet doel hadden: de Belgen wilden in 1919 op de vredesconferentie van Versailles zo hoog mogelijke herstelbetalingen afdwingen van de Duitsers (of territoriale compensatie zoals ze uiteindelijk een beetje verkregen met Eurpen-Malmedy). Berlijn wilde uiteraard de argumenten daarvoor minimaliseren.

 

 Pas vanaf de jaren zestig begonnen Duitse historici zich ook openlijk af te vragen of het verhaal over de schietpartijen door Belgische burgers niet overroepen was. Sommigen onder hen gingen in de decennia nadien ook min of meer de Belgische stelling aanvaarden dat er eigenlijk nooit zogenaamde vrijschutters waren geweest. Misschien had men gendarmes verkeerdelijk voor burgers gehouden. De Belgische Rijkswacht, die was voortgekomen uit de voormalige Burgerwacht van de revolutie van 1830, was in 1914 (en tot aan de politiehervorming van 1998) een militaire eenheid, en vocht mee.

 

 Die evolutie leidde eind van de 20ste eeuw tot een internationaal – ook door Belgische en Duitse autoriteiten – gesubsidieerde doorwrochte studie van twee specialisten van de Eerste Wereldoorlog, John Horne en Alan Kramer, beiden verbonden aan het Trinity College in Dublin. Zij namen alle vroegere publicaties, documenten en archieven door en publiceerden in 2001 het resultaat daarvan onder de titel German Atrocities, 1914, a History of Denial.

 

 Hun conclusie luidde dat er geen bewijzen zijn van vrijschutters, maar ook niet – mede doordat vele archieven van Duitse eenheden van toen in de Tweede Wereldoorlog zijn vernield - van formele Duitse bevelen in de eerste dagen van de oorlog om met de brutaalste voet vooruit op de Belgische bevolking in te hakken. Ze spraken een vermoeden uit dat alleszins de eerste slachtpartijen zijn ontstaan uit de opgespannen sfeer in het Duitse leger. 


 Dat had zich immers tot doel gesteld in veertig dagen een omsingeling van Parijs te realiseren. Het had gehoopt dat de Belgen nauwelijks weerstand zouden leveren.  Daarbij zouden wel oude en bekende verhalen over Franse franc-tireurs in de Frans-Pruisische Oorlog van 1870-71 bij de Duitsers in de hoofden gespeeld hebben. De vermoeidheid van de lange marsen en soms ook dronkenschap door het warme weer, deden de rest.

 

Revanchisme

 

 Case closed at last, zo leek het. In 2001 kwam voor het eerst een Duitse gezagsdrager – de minister van Defensie Rudolf Scharping – een herdenking in Dinant bijwonen (waar in 1914 ruim zeshonderd burgers werden afgeslacht) en er namens zijn land zijn excuses aanbieden. Maar bij herdenkingen van het begin van de oorlog vanaf 2014 gingen twee Duitse historici, beiden zeventigers, de ene een leraar (Gunter Spraul, Der Franktireurkrieg), de andere een prof in Californië (Ulrich Keller, Schuldfragen) frontaal het werk van Horne en Kramer aanvallen.

 

 Ze konden – als we de recensies mogen geloven, want we moeten zelf de werken nog lezen - blijkbaar wel hard maken dat die behoorlijk slordig waren geweest met de situering van Duitse eenheden tijdens de inval, en dus ook over hun betrokkenheid bij sommige slachtpartijen. Tegelijkertijd wezen critici erop dat beide Duitsers hun thesis dat er wel degelijk vrijschutters waren geweest amper onderbouwden, en dat hun werk ook vol slordigheden zat. Bovenal hadden ze de historici van de West-Duitse Bondrepubliek van de jaren zestig en zeventig systematisch ervan beschuldigd dat die al te snel de schijnbare internationale consensus hadden aanvaard dat Berlijn de zwarte piet moest dragen van de Eerste Wereldoorlog.

 

 De polemiek deed ook Belgische historici in de pen kruipen, net als Horne en Kramer uiteraard, soms met de niet altijd even academische suggestie over een algemene terugkeer bij onze oosterburen naar de revanchistische historiografie van de jaren dertig. Het voedt mijn pijnlijke stelling dat ook de historici in West-Europa – veel academici inbegrepen – zich in de aanslepende politieke en economische crisis sinds vijftien jaar weer dieper achter de nationale grenzen gaan verschansen.

 

 Gelukkig zijn er in beide kampen ook lui die de sereniteit trachten te bewaren. Die houden in grote lijnen vast aan de poging tot consensus zoals Horne en Kramer die formuleerden. Tegelijk aanvaarden ze dat de twee inderdaad wel wat vergissingen hebben gemaakt en dat er dus verder onderzoek nodig is, onder meer inzake een grondige vergelijking met wat aan andere fronten in Europa in 1914 is gebeurd.


Geweren

 

 Ikzelf volg die kwestie al decennia, ongetwijfeld ook omdat ze in mijn jonge jaren nog leefde in beide takken van mijn familie (in en om Leuven en in en om Eupen). Mijn informatie is zeker al grondig, maar uiteraard ook niet volledig. Ik heb inderdaad nog nooit een volwaardig bewijs van vrijschutters gezien – al zal ik de twee Duitse werken eens grondig nalezen – en ook geen van een bewijs van een Duits bevel tot moorden. Ik neig naar de ‘psychologische’ hypothese van Horne en Kramer.

 

 De sleutel zit volgens mij niet in de grote slachtpartijen van Aarschot, Leuven, Dinant, Andenne en Tamises, die allemaal in de tweede helft van augustus plaatsvonden. Toen stonden de Duitse kranten al bol van de verhalen over franc-tireurs ,en die versterkten dus nog de neiging tot ‘represailles’ bij lokale bevelhebbers en tot in het Duitse opperbevel toe. Veel eerder moet men de eerste slachtpartijen in de provincies Luik en Luxemburg in de eerste en tweede week uitbenen, in al hun details. 

 

 Mij is bij een paar getuigen van die eerste dagen – een Duitse officier, een Nederlandse journalist uit Maastricht - opgevallen dat die vertellen over een totale paniek bij de eerste vuurgevechten. Het heeft me doen vermoeden dat de Belgische geweren – van het kwaliteitsmerk FN Herstal – misschien wel de oorzaak waren. Die schoten toen 1 km ver, veel verder dan de halve kilometer die men in de decennia voordien maximaal haalde. 


 Een neveneffect was dat die kogels sneller troffen dan het geluid, dat een fractie achterna hinkte. Je hoorde of zag dus niet waar de dood toesloeg en waar ze vandaan kwam. Misschien lag daar de reden voor de grote paniek.  Het contrast met de euforie van de dagen van het uitbreken van de oorlog kon ook niet groter zijn. Heeft dat dan het gevoel doen ontstaan dat men door burgers als sluipschutters werd beschoten?

 

 De lectuur van de heruitgegeven honderd jaar oude dagbladen van Het Laatste Nieuws in 2014 leerde me ook dat de journalisten toen, ondanks soms waanzinnig foute berichtgeving, toch ook getuigenverslagen neerpenden die behoorlijk wat info bevatten. Misschien moeten men de pers van die eerste veertien dagen eens goed uitbenen, vooral in Luik en Luxemburg, in Nederlands-Limburg en het Duitse Rijnland vlak achter de grens (Aachener Zeitung bv.). Ik heb me voorgenomen dat ooit eens te doen, maar een ouder wordende mens beseft steeds scherper dat men altijd meer plannen maakt dan men kan waarmaken.

 

 In ieder geval is de kwestie van de ‘vrijschutters’ van 1914 en de Duitse wandaden blijkbaar nog altijd niet helemaal opgelost. Ze is en blijft voor een stuk ook wel relatief. Want er was uiteraard geen enkele gegronde reden te bedenken voor het pure afsclachten van waarschijnlijk wel zesduizend Belgische burgers. En de systematische plundering van het kleine landje door de Duitsers tussen 1914 en 1918 was een minstens even erge oorlogsmisdaad. Waren de Amerikanen van Herbert Hoover toen niet te hulp geschoten, dan zouden er zeker honderdduizenden Belgen gewoon van honger zijn gecrepeerd, door Duits toedoen.

 

  Het diepe geweld achter de gebeurtenissen van toen verklaart ongetwijfeld mee waarom de emoties ruim een eeuw later nog een beetje kunnen oplopen, zeker onder historici en daardoor ook soms nog heel sporadisch in de media (van Der Spiegel tot De Standaard). Reserveer inmiddels nu al uw plaatsen voor het grote debat tussen Israëlische en Palestijnse historici over het ziekenhuis van Gaza … in het jaar 2133.

 

 


Oorlog, olie en het

 einde van de groei


5 oktober 2023

 

Wie al oud genoeg is om zich Golda Meir te herinneren, de tot nog toe enige vrouwelijke premier van Israël, moet deze dagen naar Nederland om de Britse actrice Helen Mirren te zien schitteren. Zij speelt Golda in de uitstekende gelijknamige film over de zogenaamde Jom Kippoeroorlog net vijftig jaar geleden. Veel breder dan de film herinneren we ons dat die oorlog in West-Europa het einde inluidde van een kwarteeuw economische opbloei. Zo begon een langdurige recessie, de zwaarste na de Tweede Wereldoorlog tot aan die van 2008.

 

 Het was op zondag 6 oktober 1973 om 14u in de namiddag lokale tijd dat zowel het Egyptische als het Syrische leger met vliegtuigen, tanks en grote troepenmachten hun bestandslijn met Israël aanvielen. Na drie oorlogen in minder dan twintig jaar tijd lag die grens met Egypte aan het Suez-kanaal, met Syrië op de Golan-hoogte op nog geen zeventig kilometer van het centrum van Damascus. De Israëli’s hadden de laatste oorlog in juni 1967, die amper zes dagen duurde, verpletterend gewonnen.

 

 Het offensief verraste de Israëlische regering van premier Golda Meir op één van de belangrijkste joodse feestdagen, Jom Kippoer, waarop het openbare leven helemaal stilvalt. Golda Meir, van de Labourpartij, was 75 op dat moment en sinds maart 1969 aan de macht, nadat haar voorganger plots was overleden. Ze was geboren in Kiev. Toen ze tien werd trok ze met haar ouders via de Red Star Line van Antwerpen naar de VS. Op haar 23ste verhuisde ze, met haar man, naar het Brits mandaatgebied Palestina. Ze was, zoals de film goed benadrukt, kettingrookster en toen al in behandeling voor kanker.

 

 Haar regering, de geheime dienst Mossad en de legerleiding hadden wel goede indicaties en informatie doorgekregen dat een aanval nakende was. Maar ze twijfelden tot de laatste minuut aan de logica van een dergelijk opzet en aan het lef van de Arabieren. Zoals zou blijken, waren het Syrische en Egyptische leger inderdaad nog altijd geen partij voor het Israëlische. Maar men schatte verkeerd in waar vooral Kaïro op aanstuurde.

 

 De Egyptische president Anwar Al-Sadat, 55, gold tot op dat moment als een praatjesmaker. Hij was kolonel in het Egyptisch leger en had mee de staatsgreep georganiseerd die in 1953 een einde had gemaakt aan de door de Britten gecontroleerde farao-dynastie. Hij was in 1970 de overleden president en kolonel Nasser opgevolgd, het brein achter de staatsgreep en sinds de nationalisering van het Suez-kanaal in 1956 de absolute held van alle Arabieren. Sadat was er in drie jaar in geslaagd zijn oorlog voor te bereiden, ook door dwaalsporen te creëren zoals het brutaal wegsturen van alle Sovjet-adviseurs in zijn land. Hij had Hafiz- al Assad overtuigd mee te doen, 63 en sinds 1963 de sterke man van het militair regime in Damascus. Assad is de vader van Bashir, de huidige dictator van Syrië.

 

 

 ‘Schlagerzanger Vader Abraham (Pierre Kartner) scoorde in die dagen met een megagrote karnavalhit over de toenmalige premier Joop Den Uyl (‘Den Uyl is in den olie’), dat hij samen met het parlementslid Boer Koekoek zong, een populist avant la lettre’

 

 

 Het Arabisch militair offensief was drie dagen lang een fors succes. De Syriërs heroverden een groot deel van de Golan-hoogte die ze in 1967 verloren hadden. Ze naderden het Meer van Galilea (waar Christus in de florissante stadjes aan de oever een groot deel van zijn prediking zou hebben verricht), op zo’n 120 km van de toenmalige Israëlische hoofdstad Tel-Aviv. De Egyptenaren slaagden er in op een vijftal plaatsen het Suez-kanaal over te steken en tot twintig kilometer diep op het schiereiland Sinai door te dringen. Daar hielden ze opvallend halt, omdat ze dan nog onder de dekking van hun luchtafweerrraketten bleven.

 

Tegenaanval

 

 Henry Kissinger, die toen net ook formeel minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten was geworden, beschrijft in zijn memoires dat hij snel doorhad dat Sadat zijn strategisch doel al bereikt had: de blamage van 1967 wegvegen door aan de hele wereld te demonstreren dat de Arabieren Isräel militair ook pijn konden doen. Eens dat doel bereikt, kon hij hopen dat de Israëli’s hem als volwaardige gesprekspartner zouden accepteren in onderhandelingen die Washington zou leiden. Kissinger begreep dat Egypte nood had aan economische steun, die het westen beter dan de Sovjetunie kon aanreiken. De film suggereert dat ook Golda Meir dit snel doorhad.

 

 In wezen overtrof het succes van de Arabieren de eigen verwachtingen. Meer dan een derde van de Israëlische luchtmacht werd afgeschoten met raketten van Sovjet-makelij. Zo’n vijfhonderd Israëlische tanks gingen verloren. De regering van Golda Meir zette druk op Kissinger om snel nieuwe vliegtuigen en wisselstukken voor de tanks te leveren, wat met wat aarzelingen in Washington ook gebeurde.

 

 De Israëli’s brachten vanaf 9 oktober beide offensieven tot staan. Ze opteerden dan voor een snelle herovering van de Golan-hoogte. De gevechten waren daar in de eerste dagen desastreus geweest voor Israël, wat  minister van Defensie Moshe Dayan, de held van 1967, even deed overwegen de atoombom in te zetten. Golda Meir wilde er niet van horen. De tegenaanval op Syrië kwam op gang, en op 11 oktober overschreden de Israëli’s de oude bestandslijn. Ze rukten in de daaropvolgende dagen op tot zo’n 40 km van Damascus, dat ze met hun artillerie begonnen te bestoken.

 

 In het westen begreep Sadat dat Israël zijn tegenoffensief in eerste instantie op Syrië richtte. Hij gaf op 14 oktober zijn troepen het bevel verder op te rukken in de Sinai. Het bekwam hem slecht. De Israëli’s ontdekten een zwak verdedigd gebied in het midden van het front. Ze staken daar vanaf 14 oktober het Suez-kanaal weer over, met generaal (en latere premier) Ariel Sharon als één van de architecten van de doorbraak. Ze bouwden dit bruggenhoofd, na vaak bijzonder heftige gevechten, uit tot een gebied dat tegen 24 oktober van Ismaïla tot Suez – of over de hele zuidelijke helft van het kanaal – zo’n 50 km diep op Egyptisch grondgebied reikte. Kaïro zelf lag 100 km verder. Door dat maneuver was ook het Derde Egyptische leger, met 30.000 soldaten nog steeds in de Sinaï, omsingeld.

 

Onberekenbaar

 

 Moskou en Washington hadden de eerste week vooral toegekeken, in de hoop dat de oorlog in het voordeel van de eigen bondgenoot zou evolueren. Maar dan nam de nervositeit toe, mede omdat beide hun wapenleveringen opvoerden. Op 19 oktober trok Henry Kissinger naar Moskou voor overleg na daartoe te zijn uitgenodigd door Sovjet-partijleider Leonid Breznjev. Drie dagen later geraakten beide supermogendheden het eens over een resolutie bij de Verenigde Naties om een staakt-het-vuren op te leggen.

 

 Maar Israël zette zijn voet dwars in de toepassing ervan, omdat het zijn omsingeling van het Derde Egyptische leger nog wilde voltooien. Breznjev stelde daarop Kissinger voor om gezamenlijk een strijdmacht te sturen om het bestand op te leggen. Washington weigerde. In de nacht van 24 op 25 oktober kwamen in de Amerikaanse hoofdstad steeds duidelijker indicaties binnen dat de Russen zeven divisies aan luchtlandingstroepen klaarmaakten. Kissinger vroeg uitleg, kreeg geen duidelijk antwoord, en liet dan alle Amerikaanse strijdkrachten in verhoogde staat van paraatheid zetten.

 

 De Amerikaanse president Nixon, zelf al zwaar getroffen door het Watergate-schandaal dat hem negen maand later tot aftreden zou dwingen, waarschuwde Moskou langs diplomatieke kanalen voor ‘de onberekenbare gevolgen’. Kissinger haalde uit tijdens een persconferentie, liet echter tegelijk een opening door VN-blauwhelmen als alternatief voor te stellen. Daarover bereikte men op 30 oktober een akkoord. Diezelfde dag begonnen Egyptische en Israëlische generaals in een tentenkamp op de inmiddels gerespecteerde nieuwe bestandslijn op km 101 op de weg van Kaïro naar Suez overleg over de verdere uitvoering van de wapenstilstand. Het was de eerste rechtstreekse dialoog tussen Arabieren en Israëli’s sinds het ontstaan van Israël in1948.

 

 Het pokerspel tussen de supermogendheden komt nauwelijks aan bod in de film Golda, die voor de rest wel heel getrouw het verhaal aan Isräelische zijde weergeeft, met de premier als ankerpunt. Heel even gaat de prent op het einde in op wat later volgde: de onderhandelingen tussen Egyptenaren en Israëli’s met vooral het zeer emotionele bezoek van Sadat aan Israël in 1977 en finaal het vredesakkoord van 1978 dat nog altijd stand houdt. De Egyptische president had zijn doel bereikt. Daarvoor waren aan beide zijden samen minstens twaalfduizend soldaten gesneuveld. Sadat zelf werd op 6 oktober 1981 vermoord door islamistische officieren van zijn eigen leger, tijdens een parade ter herdenking van de militaire doorbraak van acht jaar eerder.

 

Recessie

 

 Ook maar zijdelings in de film komt het gegeven aan bod dat ons, in West-Europa, het hardst trof. Sadat had van in het begin gerekend op een olieboycot van het westen door de Arabische oliestaten – vooral Irak, Koeweit en Saoedi-Arabië – en het Iran van de sjah van Perzië. Het oliewapen was eerder al uitgetest in de oorlog van 1956. Op 16 en 17 oktober kondigde het oliestatenkartel OPEC (Organisation of the Petroleum-Exporting Countries) inderdaad een reeks maatregelen aan.

 

 De prijzen op een al krappe markt gingen met 70 % omhoog. OPEC kondigde een verkoopverbod af voor de VS, Nederland en Zuid-Afrika als voornaamste bondgenoten van Isräel, en voor Portugal omdat het met de Azoren had bijgedragen tot de luchtbrug met Amerikaanse wapenleveringen aan Tel-Aviv. Bovendien beloofden de OPEC-landen een verdere inkrimping van de productie met 5 % voor elke maand dat de sinds 1967 bezette gebieden in Isräelische handen bleven.

 

 Japan importeerde 90 % van zijn olie uit het Nabije Oosten en boog meteen als een knipmes om de Arabische standpunten uit te dragen. Europa, iets minder afhankelijk, deed dat wat schoorvoetend, tenzij het hard getroffen Nederland natuurlijk. Schlagerzanger Vader Abraham (Pierre Kartner) scoorde in die dagen een megagrote karnavalhit over de toenmalige premier Joop Den Uyl (‘Den Uyl zit in den olie’), dat hij samen met het parlementslid Boer Koekoek zong, een populist avant la lettre.

 

 

Hij moet 't maar versieren bij al die Arabieren

Als haremmeisje met een blonde pruik

Ik zie hem daar al dansen, knipogen en sjansen

Jopie met z'n blote witte buik

En mocht 't daar niet lukken bij die Arabier

Dan rijden we voortaan op lekker schuimend bier

 

 

  Den Haag rekende op de solidariteit van de acht mede-lidstaten in de Europese Economische Gemeenschap (zoals de EU toen nog heette). Maar die kwam maar aarzelend tot stand en op voorwaarde dat die enigszins verborgen kon blijven voor de OPEC. Verscheidene West-Europese regeringen voerden, zoals in 1956, een autoloze zondag in, die tot in februari 1974 werd gehandhaafd.

Al bij al vielen de gevolgen mee, op de prijs aan de pomp na, die inderdaad verdrievoudigde. Die prijs was voordien zo belachelijk laag geweest dat de producerende landen er nauwelijks aan verdienden.

 

 Autoproducenten gingen in de jaren nadien werk maken van minder benzineverbruik en voor het eerst begon men te zoeken naar methodes om woningen beter te isoleren. Men haalde opnieuw rapporten boven van eind de jaren vijftig over het risico op energieschaarste en de noodzaak aan investeringen in alternatieven zoals kernenergie. Die rapporten waren anno 1960 in de lade verdwenen door het gemak waarmee olie geïmporteerd werd aan een bijzonder lage prijs.

 

  Bovenal versnelde de prijsopstoot de al sluimerende inflatie in de meeste westerse landen. Die hadden immers in de jaren zestig veel geïnvesteerd in de verwachting dat de hoge economische groei de terugbetaling van royale leningen zou vergemakkelijken. Zo begon in 1974 een langdurige economische crisis, die in de jaren 1980-81 een dieptepunt bereikte en pas na 1985 helemaal verdween, toen de olieprijs opnieuw instortte. Het was het einde van een kwarteeuw forse economische groei na de start van het Marshallplan in 1947 in West-Europa.

 

 Moeizaam leerde de westerse wereld rekening te houden met wat een rapport van wetenschappers in een zogenaamde Club van Rome, in opdracht van het Massachusetts Institute of Technology, in 1972 met behoorlijk apocalyptische accenten had verkondigd: dat als de economische groei van het westen exponentieel bleef, zoals sinds 1947, ‘de grote meerderheid van de belangrijkste niet-hernieuwbare grondstoffen nog voor het einde van de eeuw een onbetaalbaar prijsniveau zullen bereiken.’

 

 Er waren blijkbaar grenzen aan de groei. Die discussie duurt tot op de dag van vandaag voort, ook al haalde de westerse wereld na 1973 nooit meer de groeicijfers van voorheen.

 

 


Vrouwen in de Furie

  29 september 2023

  In het Museum aan de Stroom in Antwerpen hangt nu al twaalf jaar een klein schilderij dat de Spaanse Furie van november 1576 uitbeeldt. Een passage in het recente boek van Pieter Serrien, Opstand, deed me opnieuw nadenken over iets wat me is opgevallen van toen ik het schilderij het eerst zag: meer dan de brand van de stad, de moordpartijen en de verwoestingen is de schilder vooral de massale mishandeling van vrouwen bijgebleven.

 

 Ik heb deze zomer verscheidene weken lang de ruim zeshonderd bladzijden Opstand van Pieter Serrien gelezen. Het is een stevig feitenrelaas, waarin de inmiddels 38-jarige Antwerps historicus de geuzen centraal stelt, de gewone volksmensen en lagere edellieden die de stoottroepen vormden van de Opstand van de Nederlanden tegen Filips II vanaf 1566. Hij noemt het zelf een ‘eerherstel’, maar tracht dat toch zoveel als mogelijk te objectiveren. Je krijgt alleszins een hemelsbreed fresco van de veelal bijzonder bloedige en zelden heroïsche gebeurtenissen tussen 1565 en 1578 in de Lage Landen.

 

 Ik weet niet of Serrien ooit Het Geuzenboek van Louis Paul Boon heeft gelezen, dat vierenveertig jaar geleden verscheen, net na de dood van de Aalsterse schrijver en journalist. Boon hanteerde dezelfde invalshoek – sympathie voor de geuzen – deed ook veel historisch opzoekingswerk, maar verwierp elke poging tot objectiviteit. Zijn boek was even dik als dat van Serrien, maar met veel kleinere letters en zonder interlinie.

 

 Het was vooral vanaf de eerste bladzijde – met de legendarische scene van Juana la Loca die boven een ordinaire nachtemmer in een koude februarinacht in het Prinsenhof van Gent de latere keizer Karel de wereld inperst - een vlammende aanklacht van het onrecht dat de Nederlanden was aangedaan. In het volle besef dat Boon als kritisch historicus compleet fout zat, heb ik dat boek nochtans, ingepakt door zijn geweldige schrijfstijl, rechttoe, rechtaan, in één ruk uitgelezen en ook onthouden, al is het nu bijna vier decennia geleden. Het is en blijft een literair meesterwerk.

 

Hogendorp

 

 Dit gezegd zijnde, viel mijn oog bij het lezen van Serrien op een wat vreemde passage in zijn verhaal over de Spaanse Furie van Antwerpen (p.480-488). Dat zijn de vier dagen begin november 1576 dat het Spaanse leger in het Zuiderkasteel de stad, toen de rijkste van West-Europa en één van de grootste, innam en plunderde, omdat het al maanden niet meer was uitbetaald. Er zouden toen tot achtduizend doden gevallen zijn. Het was de meest gewelddadige plundering van een stad sinds de Sacco di Roma van 1527 door de troepen van de vader van Filips II, keizer Karel.

 

 Quasi alle illustraties in Serriens boek zijn gravures van Frans Hogendorp, de Mechelaar van wie die taferelen van de eerste decennia van de Tachtigjarige Oorlog inmiddels werelderfgoed zijn geworden. Ook de Spaanse Furie wordt uitgebeeld in Hogendorps gravures. Hij was toen al naar Keulen gevlucht, waar hij tot aan zijn dood in 1590 een drukkerij zou uitbaten. De foto bij dit artikel geeft één van de gravures weer, in een variant op die van het Rijksmuseum. Ik vond die vorig jaar in de Consciencebib van Antwerpen in het boek uit 1880 over de Furie van voormalig stadsarchivaris Génard. 

 

  Wat schrijft Serrien: ‘Ongetwijfeld vonden enkele van de afgebeelde gruwelpraktijken plaats, maar Hogenberg gebruikte ook symboliek. Met het verkrachten van vrouwen verwees de kunstenaar bijvoorbeeld niet alleen naar het onrecht dat sommigen was aangedaan, maar ook naar de ‘verkrachting’ van de stad Antwerpen als geheel. Zo waren de brand in het stadhuis en de dronkenmannen in de beurs ook symbolen.’

 

 Het is een wat ongelukkige passage vermoed ik, maar het verhaal deed me toch terug het schilderij opzoeken dat ik twaalf jaar geleden in het MAS zag hangen (dat overigens ook op de cover van mijn boek België een geschiedenis zonder land staat: https://www.rolffalter.com/bio#h.knwkl3um2ux ). Het is van een anonieme Antwerpse schilder, en men dateert het tegenwoordig in de eerste tien jaar na de gebeurtenissen. Alleszins viel het mij meteen op toen ik het voor het eerst zag, omdat ik geen enkel schilderij ken dat zo gedetailleerd en realistisch de plundering van een stad weergeeft. Dat heb je zelfs niet voor beruchte antecedenten als die van Rome in 1527 of die van Constantinopel in 1453.



Het lijkt erop dat de schilder nadrukkelijk heeft willen uitbeelden hoezeer vrouwen zijn mishandeld in de Spaanse Furie

 

 

 Het schilderij in het MAS is artistiek zeker geen meesterwerk, maar inhoudelijk is het voor een historicus een absoluut topstuk. Want je kan er inderdaad het brandend stadhuis zien, de vele brandende huizen, de massa’s lijken, ook van kinderen, de gruweldaden. Mij lijkt Frans Hogendorp hier duidelijk een paar keer zijn inspiratie gehaald te hebben. En zoals Serrien zelf citeert, bevestigen die taferelen ook het getuigenis van de Engelse dichter George Gascoigne die in die dagen in Antwerpen vertoefde: ‘Ik kan en mag hier niet voorbijgaan aan het in brand steken en de verwoesting van het stadhuis, met alle afbeeldingen en papieren van de stad. Ook kan ik niet zwijgen over beschamende verkrachtingen en de uitzinnige geweldplegingen die zijn begaan bij verscheidene vrouwen en maagden.’

 

Mukwege

 

 Dat laatste is het punt, dat mij ook het meest opvalt bij het schilderij. Het lijkt erop dat de schilder nadrukkelijk heeft willen uitbeelden hoezeer vrouwen zijn mishandeld in de Spaanse Furie. De taferelen, die we hieronder in foto’s van de details van het schilderij weergeven, staan nadrukkelijk op de voorgrond (ik kopieerde ze van de afbeelding in hoge resolutie op wikipedia, die teruggaat op het origineel van het MAS, je moet ze hieronder wel uitvergroten). Het is alsof onze anonieme schilder in de eerste plaats daarover ontzet is geweest. En ik vrees dat daar, net zomin als bij het brandende stadhuis, weinig symboliek bij te pas kwam, zelfs al kan je uit andere details van het schilderij afleiden dat de kunstenaar protestantse sympathieën had.

 

 Hoe dan ook moet je niet woke zijn – of maar een beetje – om te beseffen dat hier een fameus onderwerp zit voor verder historisch onderzoek, in het nederige besef trouwens dat in een dominant mannelijke wereld daar in het verleden waarschijnlijk te weinig aandacht aan is besteed. Hoe zat dat met de verkrachtingen bij gewelddadige innames van steden: wordt dat vaak of slechts zeldzaam vermeld, zijn er bronnen over wat met de mishandelde vrouwen nadien gebeurde, wat met eventuele kinderen die eruit voortkwamen?

 

 Ik weet niet of er daar veel bronnen over zijn. Het is het opzoeken waard. Maar het idee van onderzoek is me ook ingegeven doordat ik enkele jaren geleden Dennis Mukwege heb bezig gehoord, de gynaecoloog (en inmiddels ook Nobelprijswinnaar) die in Oost-Congo duizenden verkrachte vrouwen heeft behandeld. Hij heeft het altijd over verkrachting als een moedwillige tactiek van oorlog en terreur, om nog meer dan met slachtpartijen, gemeenschappen bewust en diepgaand te ontwrichten.

 

 Ik herinner me ook de vele reisverhalen over de Nederlanden in de zestiende en zeventiende eeuw waarin het reizigers opviel hoe zelfstandig en mondig – sommigen omschreven dat als vrijpostig - de vrouwen hier wel waren. Was het daarom misschien dat de overwinnaars in Antwerpen nog meer als een beest te keer gingen tegenover vrouwen dan anders? Is het daarom dat het schilderij van het MAS misschien wel de oudste illustratie levert van Mukweges stelling?


Linkonder op het schilderij: een burgervrouw met rijke kleding wordt met de handen gebonden voortgeduwd door een soldaat terwijl een ruiter toekijkt. Links van haar begint een andere soldaat de rok van een zwangere vrouw op te heffen.


Net boven het vorige tafereel: een naakte vrouw slaat op de vlucht voor een soldaat, de volle straten in, waar talloze lijken op de grond liggen. Iets hoger slepen twee soldaten een burgervrouw mee, en dreigt ééntje met zijn mes. Achter haar is het silhouet te zien van een naakte vrouw die voorvergebogen op haar knieën ligt terwijl een soldaat achter haar zijn zwaard boven haar rug houdt. Links in de gebouwen worden naakte vrouwen gefolterd (een tafereel dat ook Hogendorp inspireerde). Merk de twee paters rechts die de soldaten lijken te zegenen.


Linksboven op het schilderij: een soldaat houdt een naakte vrouw bij haar benen vast en laat ze uit een venster hangen. Veel vrouwen zijn op de daken gevlucht en wachten bang af. Herkenbaar is het silhouet van de kathedraal.


 

Rechtsonder: andermaal hangt een naakt vrouwenlichaam uit het venster terwijl een soldaat met zijn mes dreigt. Door een ander venster springt een vrouw naar beneden, in een poging te ontsnappen. Onderaan wordt een naakte vrouw gefolterd, opnieuw een tafereel dat je ook bij Hogendorp terugvindt.


Eendracht maakt 'kut'

 23 september 2023

 

 Deze zomer, tijdens een bezoek aan Amsterdam, kwam ik uit op het verhaal van Naatje. Een monumentaal beeld, ook weer met een nationale maagd (zoals bij ons in Kortrijk), midden op de Dam in het centrum van de stad, dat er tot 1914 heeft gestaan. Het moest de Nederlanders herinneren aan de Nationale Eendracht in de glorierijke Tiendaagse Veldtocht van koning Willem I en zijn zoon in augustus 1831 tegen het ‘muitziek rot der Belgen’. Helaas – of gelukkig maar - was het monument te zuinig gebouwd, en brokkelde het na iets meer dan een halve eeuw uit elkaar.

 

 Het is een verhaal dat ik nooit eerder vernomen heb, ook niet bij het schrijven van mijn boek, in 2005, over de Belgische Revolutie  van 1830 (https://www.rolffalter.com/bio#h.xzs07flc9cf9). Nu stuitte ik op beelden erover het tijdens een bezoek aan de boeiende ‘Schatkamer’, een embryo van een heus stadsmuseum, in het Stadsarchief tussen de grachten van Amsterdam.

 

 In de jaren vijftig van de negentiende eeuw schijnen Nederlandse oud-strijders van de Tiendaagse Veldtocht van 1831 een collecte gestart te zijn voor een standbeeld dat de herinnering aan het roemrijk moment zou vastleggen. Ongetwijfeld met behulp van de Oranje-dynastie was er dra voldoende geld ingezameld. In 1856 werd het beeld ingehuldigd, op de Dam zelve. Dus op het plein voor het sinds een halve eeuw tot Koninklijk Paleis omgedoopt voormalig stadhuis van Amsterdam, zoals bekend een kopie in groter formaat van dat van Antwerpen.

 

Dijhoogte

 

 Het werk werd aan … een Belg toevertrouwd, de Mechelaar Louis Royer. Die was als jonge artiest in het nog Verenigde Koninkrijk der Nederlanden in de jaren twintig naar Den Haag verhuisd. Hij was daar opgeklommen tot de beeldhouwer par excellence voor alle monumenten met een nationale symboliek: Rembrandt, de Ruyter, Vondel, Willem van Oranje en finaal – de zestig al voorbij – ook dit monument op de Dam. Louis Royer is inmiddels vergeten, de naam roept vandaag vooral een tweehonderd jaar oud Cognacmerk op uit Jarnac, de geboortestad van François Mitterrand en vandaag ook het productiecentrum van de cognac van Jean Monnet.

 

 Tweeëntwintig meter hoog moest het beeld in Amsterdam zijn, waarvan vier voor de centrale vrouwenfiguur, de Nederlandse Maagd. Maagden, veelal krijgshaftig getooid en met een strijdbare blik, schijnen in de decennia in de aanloop naar 1914 zowat overal als symboolfiguur voor het onschendbare vaderland opgang te hebben gemaakt. We zagen dat eerder deze zomer al in Kortrijk https://zonderland.blogspot.com/2023/07/hoe-een-parisienne-het-tot-maagd-van.html ), waar ze tegelijk ook nog het ongeschonden katholiek geloof verbeeldde.

 

 

 'Bij (iets) meer democratie, zoals de revolutionairen in Brussel en de opstandige steden in het zuiden leken te eisen, dreigde voor het hele Koninkrijk der Nederlanden de politieke meerderheid in handen te komen van de katholieken. Dan was ook het oude graafschap, nu de provincie Holland zijn sinds 1600 gevestigde dominantie kwijt’

 

 

 Deze Maagd, een halve eeuw ouder dan die van Kortrijk, droeg een klassiek gewaad, met ontblote nek en een wat slordig geknoopt onderste stuk dat een stevig linkerbeen tot op dijhoogte onthulde. Het geheel werd afgewerkt met een Romeinse helm op een forse kop, en ook nog blijkbaar een stevige Romeinse lictorenbundel aan haar voeten. Dat laatste kan men de Amsterdammers inzake hun getormenteerd verleden nu voor een keer niet verwijten, want dit symbool (fasces in het Latijn) werd pas zestig jaar later door Mussolini gerecupereerd, wat de naam gaf aan zijn beweging.

 

 Op de voorzijde van het monument was een opschrift aangebracht: ‘Aan de volksgeest van 1830 en 1831’. Aan de achterkant benadrukte men het stichtelijk karakter, zoals dat toen heette: ‘tot opwekking van tijdgenoot en nageslacht.’ Blijkbaar besefte men niet dat men bij zo’n slogan van alles kan bedenken … Ergens in een opschrift moet ook de term ‘natie’ gevallen zijn. Het volk van Amsterdam, dat zoals het gepeupel van heel de wereld veel sneller bombarie doorheeft dan de vermeende volksverheffers veronderstellen, maakte er Naatje van, Amsterdams voor ‘kut’ zeg maar.

  

 Priestergebroed

 

 Dat inmiddels verdwenen beeld was vermoedelijk de meest concrete veruitwendiging van de oneindige zucht van verlichting die in Nederland opging toen de Belgen in het najaar van 1830 in hun revolutie slaagden. De eerste delegatie van burgers uit het opstandige Brussel – met Alexandre Gendebien onder meer - die in de laatste augustusdagen na de revolte door de Stomme van Portici naar koning Willem trok, werd in Den Haag meteen uitgejouwd en spelde veiligheidshalve maar oranje linten op de revers in plaats van de Brabantse driekleurige kokardes waarmee ze vertrokken was. ‘Het kabinet is in dermate moeilijkheden dat door toe te geven aan onze eisen het een opstand in Nederland riskeert’, zo kregen ze in het paleis te horen.

 

 Er ontstond begin september 1830 inderdaad meteen een al dan niet spontane tegenbeweging in Holland tegen de zuiderse revolutiedrang. Bij (iets) meer democratie, zoals de revolutionairen in Brussel en de opstandige steden in het zuiden leken te eisen, dreigde voor het hele Koninkrijk der Nederlanden de politieke meerderheid in handen te komen van de katholieken, waarvan het merendeel in het zuiden woonde (België dus), maar ook in de (gediscrimineerde) voormalige Generaliteitslanden van de Nederlandse Republiek van voor 1789, dus Noord-Brabant en Limburg. 


 In dat geval zou ook het oude graafschap, nu de provincie Holland zijn sinds 1600 gevestigde dominantie kwijtspelen. Vandaar dat Willems voornaamste raadgevers hem tussen 1813 en 1815 op het hart hadden gedrukt zijn pas gesticht Verenigd Koninkrijk in te richten als een uitbouw van Holland. Dat leek in hun ogen gewoon logisch: protestants Holland leefde al twee eeuwen in vrijheid en glorie, het zuiden al even lang onder de katholieke knoet, in verdrukking en bekrompenheid dus. Zo zagen zij dat.

 

 Die psyche heeft ongetwijfeld ook bijgedragen tot de aarzelingen van prins Frederik toen hij tussen 23 en 27 september 1830 met zijn verdeelde leger (ook met rekruten en soldaten uit het zuiden) probeerde de achtergebleven revolutionairen – hun leiders waren allen gevlucht – uit Brussel te verjagen. Finaal schrokken hij en de meeste van zijn officieren terug voor het bloedbad dat hem alsnog had kunnen doen slagen. Zijn opperbevelhebber Constant de Rebecque had de prins aanbevolen daartoe over te gaan, maar die werd meteen met een smoes naar huis gestuurd. 


 Na die nederlaag was in Den Haag het hek helemaal van de dam. De Haagse politiecommissaris Ampt registreerde dat het volk in zijn stad  ‘van dat karakterloze volk en priestergebroed gescheiden wilde worden’, die van het zuiden dus. En Cornelis van Maanen, de sterke man van heel Willems bewind, raadde hem op 8 oktober aan de zuidelijke provincies gewoon te lozen. Hij had altijd al zijn twijfels gehad over het Verenigd Koninkrijk.

 

 Zeldzaam waren diegenen die, zoals de Zuidhollandse gouverneur van der Duyn, één van de sleutelfiguren in 1813, beseften dat een dergelijke keuze neerkwam op ‘het bewijs aan Europa dat men onbekwaam is te regeren.’ De grootmachten hadden na de val van Napoleon de Zuidelijke Nederlanden immers aan de Oranjes toevertrouwd om het als buffer uit te bouwen tegen Frankrijk. Nu klapte het in elkaar, ook en vooral militair, dus op het terrein waar het zich had moeten waarmaken. Willems gulden viel pas in het voorjaar van 1831. Hij mobiliseerde toen met een buitengewoon budget een nieuw, ditmaal puur-noordelijk leger, met oproepen tot patriottisme die duizenden studenten enthousiast van hun college-banken weghaalden.

 

 Dat leger viel dan op 2 augustus 1831 België binnen, tien dagen amper na de eedaflegging van de uit Engeland overgevaren prins Leopold van Saksen-Coburg als nieuwe koning der Belgen op een zonovergoten Koningsplein in Brussel. Het zootje ongeregeld dat tot Belgisch leger was bijeengeraapt, onder wie de 18-jarige Henri Conscience uit Borgerhout die zich als enthousiaste vrijwilliger had gemeld, was geen partij. Via Turnhout en Diest veegden de Nederlanders de Belgen bijeen in twee kleine veldslagen, in Kermt bij Hasselt en tussen Boutersem en Leuven. Leopold had tegen dan de Fransen van zijn latere schoonvader Louis-Philippe ter hulp geroepen. Die deden de Nederlanders ter hoogte van Roesel- en Ijzerenberg ten westen van Leuven wijselijk voor een wapenstilstand kiezen.

 

 Vooral Engeland en Pruisen vonden nadien dat de nochtans katholieke steden Maastricht en Luxemburg toch beter bij Nederland bleven. Dat was vanwege de sterke militaire vestingen daar, waarvan men de controle indirect, via de slappe Belgen, niet aan Parijs wou overlaten. Willem vond die beloning niet voldoende, en hield nog zeven jaar de staat van beleg in stand, totdat de budgettaire kost daarvan tot te veel ongenoegen in Den Haag leidde. Het kwam hem ongetwijfeld goed uit de spanning aan te houden. Want nu de Belgen geloosd waren, zouden de Hollanders misschien toch meer democratie willen wagen. Aan die periode van blijvende spanning houden we in België de vestingmuren van Diest en het kamp van Beverlo-Leopoldsburg over. In Nederland, naast de kazerne van Tilburg, een reeks reusachtige schilderijen over de roemrijke veldslagen bij Hasselt en Leuven. En dus ook het beeld van de Dam, want vijfentwintig jaar was de pathos nog altijd niet afgezwakt.

 

Zandsteen

 

  Naatje is inmiddels verdwenen, want ze hield niet lang stand. Weer en wind van de Hollandse polder teisterden haar vanaf de eerste jaren. Eerst vroor haar neus af, decennia later stortte haar rechterarm naar beneden. De fontein aan de voet bleek vaak niet te werken, en de wind sneed groeven in haar hoofd. Op zoveel gecorrumpeerde protserigheid zou men vandaag een audit afvuren, toen passeerde dat nog. 


 Finaal, na nog een vergeefse restauratie van Naatjes hoofd, werden haar restanten op 8 april 1914 weggetakeld, met de aanleg van een tramlijn als nuttig motief en geschikt excuus. De resten bleven nog enkele decennia liggen in een hoek van het stadsmuseum, totdat de NSB in haar schijnbare gloriejaren interesse begon te betonen. Sindsdien is er niets meer van gehoord.

 

 Royer had Naatje in zandsteen moeten bouwen, Belgische zandsteen dan nog. Dat was geen symbolische keuze, maar waarschijnlijk eerder een budgettaire. Het eerste idee, een groot ijzeren kruis, gemaakt van de gesmolten kanonnen die in augustus 1831 op de Belgen waren buitgemaakt, had men opgegeven om de zuiderse buren, met wie de relatie sinds 1848 enigszins verbeterd was geraakt, niet te hard voor het hoofd te stoten. Die oplossing was ongetwijfeld goedkoper en – zoals dat hedendaags heet – duurzaam geweest.

 

 

 


Arnout in de koekendoos

 12 september 2023

 Twee afleveringen zijn er nu al gepasseerd van ‘Interview met de geschiedenis’, de reeks portretten-via-gefingeerde-interviews van de zes voorgangers van Filip I als koning der Belgen. Daarbij ongetwijfeld ook de moeilijkste episode, die over Leopold II (al zal Leopold III ook een harde noot zijn). Voorlopig besluit: heel knappe televisie, qua geschiedenisinhoud eerder bescheiden, soms zelfs vooral royalty.

 

 Om het maar meteen te zeggen: ik heb geweldig geboeid gekeken naar de eerste twee afleveringen van ‘Interview’. Het is een lust voor het oog, met prachtige locaties die, onder meer via drones, bijzonder fraai in beeld worden gebracht, van het Clarendon House met zijn piekfijn Engels gazon over Coburg en het Schoonselhof tot de oude stoomtrein en een visueel gereconstrueerd strand van Oostende omstreeks 1885.

 

 Er zitten heel originele vondsten in, om moeilijke stukken verhaal aan te snijden, zoals de heel overtuigende kinderpsychiater Binu Singh over de jonge Leopold II, de bus met oudjes uit Haacht, die in Brussel gidsen met Congolese roots meekrijgen (in het Frans) die hun verhaal over Leopold brengen, de goedlachse baron de Bioley in het aan stukken vallend voorvaderlijk huis in de ook vervallen stationsbuurt van Verviers, of de historische harmonie van Veurne die prins Leopold daar in juli 1831 op het strand kwam verwelkomen.

 

 Daartussen laveert Arnout Hauben, met zijn cameraploeg die ook regelmatig in beeld komt (een wat absurde maar daarom ook leuke truuk), enthousiast, verbaasd, goedlachs, schroomvallig als hij de gespeelde vorsten nadert. Jommeke in het land van Mic Mac Jampudding, maar het werkt aanstekelijk en draagt het verhaal!

 

Schurk

 

 Het enige wat nog niet zo goed lukt is wat waarschijnlijk het oorspronkelijk idee was, en een heuse vondst: de interviews van de zes koningen, elk gespeeld door een acteur uiteraard. Bij Leopold I kwam het er helemaal niet uit. Dat was maar heel ten dele omdat Bruno Vanden Broecke nu eenmaal te bekend is om iemand anders dan hem te zien. Het was vooral dat de figuur nauwelijks wat te vertellen had, behalve wat verdrietige gedichten om Charlotte en een woede-uitval over Bonaparte die zich ook tegen interviewer Hauben keerde. Terwijl het gekozen moment – een week voor zijn intrede in België - zich juist leende om heel de onzekerheid uit de doeken te doen waarmee Leopold naar het zootje revolutionair ongeregeld in Brussel trok. Jammer.

 

 Bij Leopold II (Tibo Vandenborre) was het interview al een stuk overtuigender. Het gaf zijn versie van de feiten weer, zijn misprijzen voor de kleine, bekrompen en ruziënde Belgen, zijn stelling – typisch voor die tijd – dat hij de inwoners van Congo beschaving ging brengen (wat hij misschien voor een klein beetje zelfs meende), zijn ‘bevrijding’ van de noodzaak om met een autonome regering en een parlement overeen te moeten komen. Het had gerust een stuk langer en wat dieper nog gemogen, en misschien eerder vlak voor zijn sterfbed gesitueerd moeten zijn, om alle wrange kanten van de intrigerende figuur grondiger aan te snijden.

 

 Leopold II was immers in de meest positieve interpretatie de enige van de Belgische vorsten die ooit echt meegespeeld heeft op het wereldtoneel, als epigoon van een land dat zich in die dagen daar nadrukkelijk voor kon melden maar dat manifest weigerde te doen. In de meest negatieve schildering was hij niet alleen een verbeten reactionair, maar een ordinaire gewetenloze schurk, en zelfs geen klein beetje. Iets van beide uitersten kwam wel uit het interview uit, maar het beklijfde niet. Vergelijk het met de boosaardige dikzak uit Daens, die maar een paar seconden en woorden nodig had om onvergetelijk te worden.

 

 Maria-Hendrika was het minst geloofwaardig. Dat lag zeker niet aan actrice Evelien Bosmans, maar aan de enscenering (ze hadden haar beter in Spa gefilmd dan met of zonder hem – men scheen het niet goed te weten - in de trein), aan de niet uitgediepte slechte verhouding met haar man (was ze cynisch, of enkel spottend, of gelaten?), en aan het feit dat de Bioley heel het verhaal van de archi-slechte relatie al ruim had gesignaleerd.

 

 Los daarvan voelt het, alleszins voor mij, vreemd aan, die Belgische monarchen fraai Nederlands te horen spreken. Geen van de twee Leopolds heeft ooit een iota van die taal gebezigd. Maar goed, de Nederlandse verfilmingen van Willem de Zwijger zijn ook in onze taal, al heeft Guillaume d’Orange, die de eerste twee derden van zijn leven vooral in Brussel doorbracht, waarschijnlijk nooit een woordje volkstaal gepleegd. Enkel in ‘Het Verhaal van Nederland’ twee jaar geleden liet men hem voorzichtigheidshalve zelfs geen woord prevelen.

 

Kikkers

 

 Leer je iets uit die eerste twee afleveringen over ons verleden? Als het de eerste keer is, waarschijnlijk wel. Het Engelse verleden van Leopold I als kortstondig prince-consort van Wales of een exact beeld van Coburg werden ook in onze geschiedenislessen destijds niet vermeld. Congo, de afgehakte handjes, Oostende en de architectuur van Brussel werden dat al wel. Daarom was het goed het nog niet zo lang geleden herontdekte verhaal van de zeven gestorven Congolezen op de wereldtentoonstelling van Antwerpen uit te diepen en zelfs te sublimeren, op een net voldoende sober gespeelde ceremonie op Schoonselhof. Van de tweede aflevering van ‘Interview’ gaan mensen zeker wat onthouden. En het is die harde realiteit die ook spannende televisie maakt, omdat je je, zoals de oudjes van de bus tegenover hun gidsen, wat ongemakkelijk gaat voelen dat men je ook wel wat heeft wijsgemaakt op school.

 

 Leopold I daarentegen was vooral een aflevering uit de koekendozen van Delacre, met nadruk op zijn liefdesverdriet en de relatie met Charlotte. Toch had ik daar het gevoel dat er kansen waren blijven liggen door het gebrek aan research. Moeder Agusta bijvoorbeeld werd maar heel even aangesneden als de onvermoeibare kloek die fanatiek maar ook uitermate succesvol een ruime kroost kinderen wist te ‘plaatsen’ aan de Europese hoven, wat Bismarck veel later deed zeggen dat de piepkleine Saksen-Coburgs zich tot ‘stoeterij van Europa’ hadden opgewerkt.




'Iets wat nooit uit de verf komt uit dergelijke tv-behandelingen van het eigen koningshuis – niet alleen bij ons, maar in alle ’s werelds landen – is dat zo’n dynastieën ook een familiebelang nastreven. Gewoon het eigen inkomen en vermogen verbeteren, en een goede post voor de hopelijk niet te talrijke kinderen nastreven, zijn daarvan de belangrijkste doelstellingen.' 


 

 Charlotte, de Britse troonopvolgster die prins Leopolds eerste echtgenote werd, lag overhoop met haar vader, de koning, die buitengewoon gehaat was, waardoor zij van de weeromstuit buitengewoon populair werd. De 25-jarige Leopold was onbetwist de beauty van de twee, en dat trok haar aan (en maakte dat de tsaar goed gezien had om hem uit te sturen), naast het feit dat zo’n prins uit een piepklein hertogdom haar goed uitkwam, want niet veel centen had en dus wel in Londen en in de schaduw zou blijven. Er ontwikkelde zich zo, zoals we via de sinds een kwarteeuw opgedoken briefwisseling weten, een echte liefdesband.

 

 Daarom stuurde zij de eerste, opgelegde keuze, de Oranje-Hollander Willem (die eigenlijk ook nauwelijks Nederlands sprak) ‘terug naar zijn kikkers’ zoals ze dat misprijzend zei. Ze had gevreesd regelmatig in Den Haag te moeten vertoeven en dus Londen aan haar tegen haar intrigerende vader te moeten laten. De bons kreeg zo de latere koning Willem II van Nederland (die van de Tilburgse sigaren), waarvan men vermoedt dat hij ook gay was, en die in oktober 1830 in Antwerpen even probeerde … koning der Belgen te worden, negen maanden voordat Leopold daarin slaagde.

 

 Het huwelijk van Leopold en Charlotte werd in die context – geliefde prinses kiest knappe man (zie het bekende schilderij van beiden hiernaast) - het eerste glamour-event ooit van de Britse kranten. Het bracht daardoor zoveel volk in de straten van Londen dat de hele ceremonie oneindige vertraging opliep omdat de koetsen niet door konden. Het even enthousiaste House of Commons stemde prompt een royale dotatie voor het nieuwe paar, die Leopold mocht houden na de kraamdood van zijn jonge vrouw. Die budgettaire post schrappen was één van de motieven om hem een dozijn jaren later eerst naar Griekenland uit te sturen als mogelijke vorst, finaal naar België. De heethoofdige jonge revolutionaire Belgen boden overigens meer, wat ook wel hielp, naast het feit dat ze knarsetandend plooiden voor de politieke eisen die Leopold hen, namens Parijs (Talleyrand) en Londen (Palmerston), afdwong.

 

Klein land

 

 Allemaal dingen die we niet meekregen in het verhaal van Charlotte en Leopold. Natuurlijk is het format, binnen een klein uurtje dan nog, haast zeker te beperkt om dat allemaal mee te geven. Al speelt ook de typische ziekte van een klein land, zoals Leopold II niet ten onrechte en veel meer smalend opmerkte: we kijken zelden over de grenzen. Dat Leopold I een puzzelstuk op het internationaal schaakbord was (en dat besefte en daar het maximum uit haalde), dat Leopold II handig inspeelde op Bismarcks afkeer van koloniale avonturen en dus een verlangen om Congo niet aan Engeland of Frankrijk te geven, dat het internationale druk was (onder andere van de literatoren Mark Twain, Joseph Conrad en Arthur Conan Doyle) die België Congo bezorgde, komt dus niet aan bod. Ach, we geloven zo graag in de kracht van het eigen kleine land om dingen alleen te regelen.

 

 Iets wat nooit uit de verf komt uit dergelijke tv-behandelingen van het eigen koningshuis – niet alleen bij ons, maar in alle ’s werelds landen – is dat zo’n dynastieën ook een familiebelang nastreven. Gewoon het eigen inkomen en vermogen verbeteren, en een goede post voor de hopelijk niet te talrijke kinderen nastreven, zijn daarvan de belangrijkste doelstellingen. Leopolds II verlangen naar een kolonie waarvan enkel hij de baas was, en later van de rubber-inkomsten waarvoor handen werden afgehakt, had daarmee te maken. Misschien ook wel zijn mateloze bouw- en verkavelingswoede in Brussel en Oostende, al is dat nog nooit nagetrokken.

 

 Daarom moest zijn afstand van de qua mensenrechten totaal gediscrediteerde Congo-Vrijstaat op zijn sterfbed van de oude koppigaard worden afgedwongen, door de politici afgeperst eigenlijk. België had inmiddels ook meer dan voldoende centen genoeg opgehoest om, vooraleer het rubber hem bevrijdde, Leopold en zijn Congo telkens weer van de financiële ondergang te redden. Later heeft men uit vaderlandse pudeur aan ons toch maar wijsgemaakt dat hij Congo uitermate genereus aan zijn geliefde Belgische onderdanen heeft toevertrouwd. De Belgische regering kon moeilijk anders. Had ze die reusachtige kolonie in 1909 weggegeven of verkocht, dan was de Eerste Wereldoorlog waarschijnlijk vijf jaar vroeger uitgebroken.

 

 Dat is allemaal stof voor langere en meer duurzame portretten van de twee eerste Leopolds, geacteerd, en in vele afleveringen, zoals in de ‘kostuumseries’ uit grotere landen. Maar dat is vandaag voor de Vlaamse openbare omroep – zelfs in eventuele samenwerking met de RTBf en steun van de Tax shelter die ook Hauben en productiehuis De Chinezen meekregen – waarschijnlijk te hoog gegrepen. Klein land, kleine mensen, zo is het nu eenmaal.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De rode handen van

 generaal Pinochet

 9 september 2023


 

 Vijftig jaar na datum is de militaire staatsgreep van 11 september 1973 in het Zuid-Amerikaanse Chili nog altijd niet vergeten. Getuige daarvan de aandacht die de herinnering dit weekeinde in de internationale media kreeg. Dat is omdat het om een bijzonder bloeddorstige machtsgreep ging, omdat het indrukwekkend op tv te zien was, omdat het gebeuren zich entte op de bijwijlen naïeve en zelfs dwaze opstoot van linkse progressiviteit die toen in de westerse wereld van de studentenbeweging uitging. Na een halve eeuw blijft de conclusie echter onwrikbaar: geloof nooit dat een militair regime goed bestuur kan opleveren.

 

 Latijns-Amerika inspireerde Hergé tussen 1929 en 1976 driemaal tot een Kuifjes-album (Het gebroken oor, De zonnetempel, Kuifje bij de Picaro’s) Daarin vind je het clichébeeld dat eigenlijk tot omstreeks 1970 van het verre continent bestond: geweldige natuur, van de Amazone tot de Andes, het mysterie van de Inca’s, mensen die op straat slapen met een poncho en een sombrero, Noord-Amerikaanse olie- en wapenmarchands die aan alle partijen verkopen en de oorlog stimuleren, overal armoede. En bovenal een hilarische politieke instabiliteit: in Het Gebroken Oor (1935) probeert een vuurpeloton tot driemaal toe Kuifje te fusilleren, maar telkens wordt het onderbroken door berichten over een nieuwe staatsgreep, waarbij de soldaten in een instinctieve reflex meteen de naam van de nieuwe heerser – afwisselend de generaals Tapioca en Alcazar – toejuichen, en Viva la Libertad scanderen.

 

Neruda

 

  Eind maart 1964 hadden militairen in Brazilië de macht gegrepen, tegen een verkozen zacht-linkse president, en met steun van de Verenigde Staten. Die laatsten hadden sinds de machtsgreep van Fidel Castro in Cuba op Nieuwjaarsnacht van 1959 en de nucleaire Cuba-crisis van 1962 hun heksenjacht op communisten tot Zuid-Amerika uitgebreid. Voordien had Washington vooral gelet op de business-belangen bezuiden de Rio Grande en daar via haar diplomatie hand- en spandiensten voor geleverd.

 

 De staatsgreep in Brazilië was de eerste in een reeks op het continent. Het duurde vier dagen om het immense land onder controle te krijgen. Maar de omwenteling verliep relatief vreedzaam – er vielen een twintigtal doden – en vrij geleidelijk, op de onmiddellijke arrestatie van een paar duizend vermeende linkse militanten na. De facto was het militair ingrijpen in Rio en Brasilia niet zo ongewoon, en zoals altijd in eerste instantie een reactionaire kramp van een even steenrijke als geïsoleerde upper-class. Het was nauwelijks nieuws. Buiten Zuid-Amerika bleef Brazilië vooral synoniem voor carnaval, samba en het voetbal van Pelé.

 

 Chili was anders. Het had de reputatie van een vreedzaam, relatief democratisch land. Het was vooral een leegte, met zijn raar territorium lang uitgestrekt op de westflank van de Andes, en met toen evenveel inwoners als België, maar op 25 maal meer oppervlakte. Het was, zoals alle Latijns-Amerikaanse landen toen, uiteraard een ontwikkelingsland dat louter bestemd leek om het westen grondstoffen te leveren, met vooral kopermijnen. Het kwam enkel in het nieuws met aardbevingen en tsunami’s, waarvan het samen met Japan de wereldkampioen is. Al leverden zelfs die toen enkel kleine berichtjes onder de fait divers op in de westerse kranten, en nooit beeld in het tv- of bioscoopjournaal.

 

 Sinds 1970 was Salvador Allende president van Chili. Zijn grootvader langs moederszijde, Arsène Gossens, was een uit België afkomstige migrant was, wiens oudste zoon – de broer van Salvadors moeder – voor het vuurpeloton eindigde vanwege deelname aan een mislukte staatsgreep in Valparaiso. Allende, 62, was arts van opleiding, maar vooral een oude rot in de Chileense politiek. Met een heel nipte relatieve meerderheid voor zijn linkse Volksfront van socialisten en communisten verwierf hij aan het einde van zijn carrière het hoogste ambt.


 Zijn gebrek aan controle over de achterban compenseerde hij met vlammende retoriek over solidariteit met Cuba, tegen het Noord-Amerikaanse kapitalisme en imperialisme. Dat was iets waarin ook Pablo Neruda excelleerde, de dichter en latere Nobelprijswinnaar die in die dagen ambassadeur in Parijs was. (Neruda overleed, 69 jaar en al een tijdje ziek, twaalf dagen na de staatsgreep in Santiago aan een hartaanval, al zijn er tot vandaag twijfels of die wel toevallig was.)

 

  Al die vlammende ideeën beperkten zich in de beleidspraktijk vooral tot de klassieke nationalisaties van de mijnen en bedrijven, die zoals altijd de betrokken ondernemingen verder de dieperik in dreven. Allemaal niets abnormaals eigenlijk in het Latijns-Amerika van toen. Wel verzonk het land anno 1973 in steeds grotere chaos, voor een klein deeltje opgepookt door de VS, vooral doordat de eenzijdige interpretatie door Allende en zijn aanhangers van de nipte overwinning van 1970 door links de polarisatie op gang joeg in een straatarm land. Wat voldoende was om zeker de Chileens elite te doen schrikken, en ook en vooral Washington.  

 

 In zijn memoires begint Henry Kissinger – die president Nixon op 22 augustus 1973 van Nationale Veiligheidsadviseur tot minister van Buitenlandse Zaken promoveerde – zijn hoofdstuk over Chili met een forse affirmatie dat de Verenigde Staten nooit een hand hebben gehad in de staatsgreep tegen Allende. Waarna de rest van het hoofdstuk eigenlijk het tegendeel bewijst. Vooral getuigt het van de zeer Duits-rigide anticommunistische paranoia en het gebrek aan empathie dat Kissinger een paar jaar later ook zou overvallen tegenover linkse partijen in Portugal, Spanje en Griekenland toen die landen hun dictatuur afwierpen (zelfs de Griekse PASOK en de Portugees Mario Soares vielen onder zijn wantrouwen). Kissinger wordt terecht geroemd om een drietal diplomatieke tours de force, maar in Chili demonstreerde hij één van zijn minder fraaie kanten.

 

Pinochet

 

 In de ochtend van 11 september 1973 namen eenheden van de Chileense marine de stad Valparaiso in, vanaf 7 uur. Dat deed Allende naar het presidentieel paleis in Santiago trekken, onder de hoede van zijn paleiswacht. Vanaf half negen was duidelijk dat radio en tv-omroepen in handen waren van het leger, en dat telefoonverbindingen waren afgesloten. Tanks en pantserwagens verschenen in de straten van de Chileense hoofdstad Santiago. Loyale troepen rondom het paleis wisten in eerste instantie de aanval van de opstandelingen af te slaan. Allende kon zo nog een televisietoespraak van zeven minuten houden, een uitermate bevlogen speech, waarin hij tot verzet opriep, maar ook ontraadde om tegen kogels te vechten. Hij liet vooral geen twijfelover zijn heel nabije dood. ‘Anderen zullen dit duister en bitter moment moeten overwinnen, waarin verraad de overhand wil nemen.’

 

 Er bestaat een iconische foto van hem in zijn laatste minuten, met een pistool in een portaal van het brandend paleis, dat inmiddels was bestookt door de luchtmacht (zie foto hiernaast). Westerse cameraploegen filmden vrolijk en ongemoeid de beschieting, vernieling en brand . Spoedig stroomden van overal journalisten toe naar Santiago. Daar wachtte hen ruim een week later een uitnodiging om in het nationaal voetbalstadion – waar Brazilië in 1962 de wereldbeker had gewonnen – te komen kijken dat de vele gearresteerden goed behandeld werden. Dat liep mis, want die schreeuwden de journalisten toe over de summiere executies die ze hadden gezien en de folteringen die ze al hadden ondergaan, in de catacomben van het stadion zelf. Maurice De Wilde was daarbij, zelf een legende van wat toen nog de BRT-nieuwsdienst heette. Men mag hopen dat de omroep deze dagen zijn verslag nog eens op het net zet.

 

 De nieuwe sterke man heette Augusto Pinochet, zoals Allende uit Valparaiso afkomstig, maar zeven jaar jonger. Tot dan had die zich onledig gehouden met carrière maken in een leger dat veel te groot was en de facto louter voor binnenlands gebruik diende. Op 22 augustus pas was hij stafchef van dat leger geworden, nadat de vorige, generaal Pratts, die ook minister van Binnenlandse Zaken was, onder druk van zijn mede-officieren ontslag had genomen (Pinochet liet hem en diens vrouw een jaar later in Brazilië vermoorden met een bomwagen). De nieuwe sterke man, van wie Allende ook op 11 september nog vele uren geloofde dat hij loyaal was, kwam pas na een paar dagen uit zijn pijp.

 

 Hij vestigde een uitermate brutaal regime, dat in zestien jaar tijd ruim dertigduizend tegenstanders met een steeds weer terugkerende dorst naar sadisme aan de pijnbank onderwierp (gemiddeld vijf per dag eigenlijk) en twee- tot drieduizend ervan liet executeren zonder proces of deed ‘verdwijnen’. Vele tienduizenden Chilenen vluchtten het land uit, naar België en andere Europese landen, waar ze asiel verkregen. Ze verbroederden er met de Spanjaarden die nog altijd op de vlucht waren voor het even bloeddorstige Franco-regime van de burgeroorlog vijf en dertig jaar eerder. Pinochet bleef de voornaamste onder hen in het buitenland achtervolgen met aanslagen en moordpartijen.

 

 De schok van de beelden, de brutaliteit van het nieuwe regime, het martelaarschap van Allende en duidelijke indicaties van Amerikaanse ondermijning van diens regime – onder meer door de International Telephone en Telegraph Company (ITT) – zorgden voor ongewone beroering in de hele westerse wereld. Ze leverde koren op de molen van de nog steeds roerige studentenbeweging die in die dagen helemaal naar uiterst links was doorgeschoten in de cultus van Marx, Mao en het communisme en die de eerste jonge gedreven journalisten op nieuwsredacties bracht. Daar is dan een brede geëngageerde beweging uit voortgekomen, om Latijns-Amerika te blijven volgen, te steunen en te ‘redden’.

 

 De legendevorming rond de gewezen Cubaanse minister en opnieuw guerillero geworden en uiteindelijk omgebrachte Che Guevara eind de jaren zestig had daarvoor de eerste steen geleverd. Centraal-Amerika, met de moord op de Salvadoriaanse aartsbisschop Romero en de opstand van de sandinisten van Daniel Ortega in Nicaragua rondom 1980 zorgden later voor een nieuwe golf van echte en vermeende solidariteit. (Ortega, inmiddels zo oud als Donald Trump, is vandaag al vijftien jaar dictator naar Venezolaans model van dat land). Zo was Latijns-Amerika vijftien jaar lang een dagelijks item in de Europese actualiteit. Daarbij werd telkens overal de hand van de CIA gezien, die er overal inderdaad wel was, maar die, zoals zo vaak, meer kunde en intrige werd toegedicht dan datgene waartoe ze in de veel banalere praktijk (met heel veel foute inschattingen) in staat was.

 

Chicago-boys

 

 Latijns-Amerika werd tegen het eind de jaren zeventig het continent waar militaire dictaturen de regel waren. Nog brutaler dan de Chileense was die van Argentinië. Die was in 1976 via een staatsgreep aan de macht was gekomen en ruimde zes jaar later de plaats vanwege de nederlaag in de Falkland-oorlog tegen het Groot-Brittannië van Margaret Thatcher. Daar ‘verdwenen’ vele linkse opposanten van het regime naar we vandaag weten ook door hen ver boven zee vanaf grote hoogte levend naar beneden te gooien.

 

 Pinochet bleef nog tot 1989 aan de macht, toen hij bijna zo oud was als Donald Trump. Een referendum dat bedoeld was om zijn termijn nog met acht jaar te verlengen, liep dankzij de toenemende oppositie faliekant af. Hij zocht alsnog met de oude brutaliteit dat resultaat te vernietigen, maar vond ook onder zijn militaire medestanders geen steun meer. In de daaropvolgende overgang naar democratie wist hij zich nog eens tien jaar het opperbevelhebberschap van het leger te verzekeren en de benoeming van senator-voor-het-leven, wat hem immuniteit tegen vervolging verzekerde.

 

 In oktober 1998 lanceerde een pientere Spaanse onderzoeksrechter, Baltasar Garzon, een arrestatiebevel tegen hem tijdens een bezoek in Londen, op basis van de nieuwe internationale verdragen over wereldwijde rechtsvervolging voor schending van mensenrechten. De Britten hielden hem twee jaar in huisarrest, maar uiteindelijk stuurde de Labour-regering van Tony Blair hem terug naar Chili, impliciet vanwege de steun die Pinochet Londen had gegeven tijdens de Falkland-oorlog. Garzons initiatief wakkerde in Chili wel de moed aan om de generaal alsnog voor de rechter te krijgen voor zijn misdaden, maar hij wist met goede advocaten en ziektebriefjes de dagvaarding uit te stellen, tot hij eind 2006 - net 91 geworden – vredig overleed.

 

 Margaret Thatcher bleef altijd een openlijke fan van de generaal. Daarvoor hanteerde ze het argument dat hij de Chileense economie tot bloei had gebracht. Dat was een karikatuur. Pinochet haalde om de chaos van de Allende-jaren te corrigeren een eerste lichting Chicago-boys binnen, telgen van Milton Friedman die met harde hand de vrije markt invoerden. Dat zorgde voor een geweldige ontwrichting, die echter na enkele jaren ook wegebde. Want Chili ging nu meedraaien in de algemene tendens tot globalisering, die heel Zuid-Amerika in de jaren negentig tot bloei bracht. Die maakte  een einde maakte aan het gegeven dat ruim 80 % van de bevolking op dat continent tot diep in de jaren tachtig in een dagelijks primitief gevecht om overleving verwikkeld was, om voeding, kleding en woning, en in de hoop te ontsnappen aan de gevolgen van een oneindig gebrek aan medische verzorging. Die evolutie zou vermoedelijk ook zonder militairen plaats hebben gevonden, niet het minst omdat Brazilië, Argentinië en Peru veel sneller dan in Santiago al de dictatuur afschreven.

 

 Want ook de Chileens militairen leerden dat macht gebaseerd op louter geweld de mogelijkheid opent om vrijelijk en onbezorgd in de kas te graaien, een verleiding waaraan ze niet noodzakelijk altijd zelf bezwijken, maar haast zeker altijd hun familieleden en dus toch weer zijzelf. De vrije markt vrijwaren wordt dan minder belangrijk dan het draineren van inkomsten naar de eigen zak. Pinochet en zijn staatsgreep zijn de geschiedenis ingegaan als crapulositeit van het niveau van Idi Amin in Oeganda, Saddam Hoessein in Irak of vader en zoon Assad in Syrië. Regimes waar moord op de tegenstander gesublimeerd wordt als een hefboom voor vermeende stabiliteit. Generaal Sissi in Egypte doet deze dagen ook zijn best om in die rij terecht te komen. Voor de rest blijft de les van militaire dictaturen dat ze in het beste geval mateloos corrupt zijn, in het slechtste gewoon beestachtig. Ze leveren geen enkele meerwaarde op, enkel diepe wonden.

 

 Hergés laatste Latijns-Amerikaans verhaal over de Picaro’s van 1976 nam al een stuk van het grimmiger beeld mee, in de mate dat generaal Alcazar nu guerillero’s leidde en geld kreeg van de International Banana Company. Zijn eeuwig tegenstander, generaal Tapioca, keeg steun van het op Stalins satellietstaten geïnspireerde Bordurië. Bovenal beklijfde het allerlaatste beeld van een Kuifjes-strip ooit. Als Hergé’s held en de zijnen naar Europa terugvliegen, scheert hun vliegtuig over de slums waar een uitgemergelde moeder en een kind vanop een grote vuilnisbelt naar twee patrouillerende soldaten kijken. Een bijna identiek beeld als in het begin van het album. Het enige dat na de revolutie van Alcazar veranderde, is dat de soldaten nu een wat meer revolutionaire outfit dragen. En dat het gammele bordje met Viva Tapioca op de vuilnisbelt vervangen werd door een even gammel met Viva Alcazar.


Prometheus in 1945

1 september 2023

 

Deze week de gelegenheid gehad om naar Oppenheimer te gaan kijken, de succesfilm van de Britse regisseur Christopher Nolan. Een bezoek aan de bioscoop meer dan waard, ruim drie uur waar voor uw geld. Al blijft er na de eindgeneriek toch een wat onbestemd gevoel.

 

 Ik ben al langer dan vandaag gefascineerd door de geschiedenis van hoe het E=MC2 van Einstein van 1905 naar de atoombom van 1945 leidde (met een sleutelrol voor de Solvay-conferenties in Brussel). En naar de nucleaire waanzin van de jaren tachtig, waarin de Verenigde Staten en de Sovjetunie samen zo’n 70.000 (!) zogenaamde warheads op elkaar gericht hadden. Het moet begonnen zijn met de polemieken rond de plaatsing van de middellange afstandsraketten in West-Europa tussen 1978 en 1987, in mijn laatste jaren als student en mijn eerste als journalist dus.

 

 In juni 1988 kon ik een persbriefing volgen rond de nieuwe inspecties die de Amerikaanse president Ronald Reagan en Sovjet-leider Mikhail Gorbatsjov een jaar eerder in het zogenaamde INF-verdrag van Washington (INF staat voor Intermediate Nucleair Forces) hadden afgesproken. Ik mocht als journalist van De Standaard ook enkele van de twintig cruise missiles gaan bezichtigen die inmiddels in ons land waren geplaatst. 


 Die waren in onderhoud in de Sabca-fabriek van Gosselies bij Charleroi, en in blijde verwachting van de eerste Sovjet-inspecteurs. De tuigen die ik zag waren niet geladen met een kernkop, in tegenstelling tot de zestien op de luchtmachtbasis van Florennes. Eén van de nieuwtjes die dag was onvermijdelijk dat er 150 jobs gingen sneuvelen door het nieuwe ontwapeningsakkoord. Ik heb de foto waarop ik naast zo'n cruise missile sta, die de volgende dag op de voorpagina van het Belang van Limburg prijkte, nog altijd.

 

 Later, in 2017, heb ik nog de gelegenheid gehad het museum van hun grotere broers (de ICBMs of Intercontinental Ballistic Missiles) te gaan bezoeken ten zuiden van Tucson in Arizona, en eind vorig jaar het voormalige hoofdkwartier van het nucleair commando van de Navo-luchtmacht voor het noorden van Europa in de mergelgrotten van Maastricht. (zie mijn blogpost van 10 maart 2023: https://www.rolffalter.com/blog#h.o5e3xbo12421). Vandaar dat ik dus ook met enige gretigheid uitkeek naar Oppenheimer.

 

Nolan

 

 Om meteen alle twijfels weg te nemen: het loont absoluut de moeite de film te gaan bekijken, ook al duurt hij volle drie uur. Regisseur Nolan bewees al met Dunkirk (2017) (zie mijn blogpost van 19 augustus: https://www.rolffalter.com/blog#h.gx9vmrhh16up ) dat hij een omvangrijk en soms ook ingewikkeld verhaal in moderne filmtaal kan omzetten: korte beeldflashes met een minimum aan dialoog die worden aangevuld met diepe emoties en nadrukkelijke klank en muziek (soms ook even sprekende stilte). Af en toe is dat laatste in Oppenheimer wat te nadrukkelijk, te veel illustratie bij wat de verbeelding ook wel invult, maar het stoort niet echt.

 

 Nolans tweede succes is dat hij drie uur lang de spanning weet te bewaren. Niet eenvoudig in een verhaal dat eigenlijk draait om wetenschappers die samen een technologisch uitermate ingewikkeld project trachten te verwezenlijken. Daarvoor heeft de regisseur het perspectief gebruikt om de hele film te vertellen vanuit de hoorzittingen in een achterkamertje van het Congres in 1954, die eindigden op de feitelijke veroordeling van de tien jaar eerder bejubelde Oppenheimer, met het ontnemen van zijn veiligheidsmachtiging vanwege communistische sympathieën. Het waren de jaren van de hysterische heksenjacht op communisten in de VS, die bijvoorbeeld ook Charlie Chaplin naar Zwitserland deed emigreren.

 

 Nolans invalshoek werkt, maar krijgt dan een overdosis door er nog eens een verhaal bovenop te zetten van Oppenheimers malus genius Lewis Strauss, de verantwoordelijke ambtenaar in Washington (als voorzitter van de Atomic Energy Commission) met wie hij botste over de verdere ontwikkeling van kernwapens en die hem daarom met alle middelen trachtte opzij te zetten. Strauss’ verhaal wordt in de film ook vrij sterk uitgebeend tot aan de weigering van zijn formele benoeming – toen nog iets heel uitzonderlijks – tot minister van Handel door de Senaat in 1959. Dat laatste element trekt de film naar zijn derde uur en vond ik er eigenlijk te veel aan.

 

Geniaal

 

 Leert de film iets over de echte geschiedenis van Oppenheimer en de bom? Robert Oppenheimer (in de film gespeeld door Cillian Murphy) werd geboren in New York, als zoon van een rijk geworden textielmarchand, van joodse afkomst, niet langer pratikerend, en met Duitse roots. Zijn moeder schilderde, waakte over zijn opvoeding, die hem finaal naar Harvard, Cambridge (UK) en Göttingen bracht, waar hij excelleerde als student.

 

 Oppenheimer bleek een geniaal brein en een kwetsbare, onzekere mens met de nodige capriolen, een kettingroker onvermijdelijk, die ook opsneed nooit actualiteit te volgen. Hij was briljant in zijn wetenschap, maar ook geïnteresseerd in andere dingen, van schilderkunst tot sanskriet. Tegen dat hij aan het onderzoek voor de atoombom begon, in het najaar van 1941, nog voor Pearl Harbour, was hij 37 en waren de scherpste kantjes afgeveild.

 

 Het was een jaar later dat generaal en ingenieur Leslie Groves (een sterke Matt Damon in de film) hem uitpikte om het Manhattan Project te leiden, tot eenieders verbazing, want Oppenheimer had nog nooit een groep geleid.  Groves, die vandaag ongetwijfeld aangeklaagd zou worden omdat bullying zijn favoriete managementsstijl was, had de gave van een geweldig organisatietalent. Hij was vooral breeddenkend genoeg om te vermoeden dat een geleerde van joodse afkomst met zeer linkse sympathieën wel gedreven de race met de nazi’s zou aangaan, en dat Oppenheimer een gave had die de omgekeerde was van die van Groves zelf: heel veel geduld, zachtzinnigheid en empathie om te detecteren hoe je wetenschappelijke en academische prima donna’s verleidt tot optimale samenwerking aan een gemeenschappelijke zaak.

 

 De generaal vermoedde ook een schroeiende zucht naar erkenning, en bleek die te hebben aangeboord. Oppenheimer stak zijn ziel en een stuk van zijn gezondheid in het Manhattan-project. Na 1945 genoot hij van de erkenning, kwamen ook de twijfels naar boven over wat hij gedaan had. Hij bleek minder geïnteresseerd in onderzoek, nam in Princeton, waar ook Einstein doceerde, een goedbetaalde rol aan als mentor voor debatten en research in de grote menselijke uitdagingen.

 

 Tegelijk vocht hij zich een weg in het labyrint van politiek Washington om zijn visie op het afremmen van de nucleaire wapenwedloop ook tot beleid te maken. Daar geraakte hij verstrikt in de rauwe machtsstrijd van vele lobbies in wat Eisenhower spoedig ‘het militair-inustrieel complex’ zou gaan noemen.  Hij wist dat zijn omgang met communisten twintig jaar eerder hem al lang in het vizier van het FBI had gebracht. Hij heeft altijd geweten dat dat zijn kwetsbare plek was, en verzette zich nauwelijks, toen Lewis Strauss hem uit het establishment liet zetten.

 

 Hij trok zich nadien, vijftig geworden, terug op Princeton, zijn zeilboot en sporadisch wat lezingen en teksten over heel brede onderwerpen. President Kennedy bezorgde hem eerherstel. Oppenheimer overleed in februari 1967 aan keelkanker, amper 63 jaar oud. Zijn vrouw Kitty, zes jaar jonger en geboren in het Ruhrgebied, overleefde hem vijf jaar. Ze hadden twee kinderen. Kitty worstelde met een permanent alcoholprobleem, Oppenheimer net niet. Beiden hadden ook een wat hobbelig liefdesleven achter de rug.

 

JFK

 

 Dat alles – op het laatste deel van hun leven na - komt in de film van Nolan goed terecht. De essentiële elementen van zijn biografie worden telkens heel kort, maar helder gesignaleerd: de prognose dat er een piepkleine kans was dat de atoombom de dampkring zou in brand steken, zijn poging als student om een gehate docent te vergiftigen met een appel, Oppenheimers liefde voor de leegte van New Mexico, het onwaarschijnlijk succes van zijn en Groves’ plan om daar een nieuwe stad te bouwen en de crème van de wetenschap bijeen te brengen, zijn elegante evacuatie van de roerige Edward Teller (later inderdaad de vader van de atoombom), het bezoek van Niels Bohr, de relatie met een onder wetenschappers wat op een zijspoor geraakte maar nog altijd haarscherpe Albert Einstein, de voetbalambiance de avond na de eerste ontploffing op 15 juli 1945, de zelfmoord van zijn minnares Jean Tatlock, het misprijzen van Truman, de nare, bekrompen sfeer van de communistenjacht, de afgemeten bedanking vanwege Groves onmiddellijk na 15 juli met de melding dat het project nu louter in militaire en politieke handen was.

 

 Er zitten onvermijdelijk lacunes in, al zijn die voor een stuk ook het gevolg van de vraag die oprijst als de eindgeneriek afloopt: welk verhaal, welk stuk geschiedenis heb ik nu bekeken? Nolans keuze om Oppenheimer te vertellen via de hoorzittingen van 1954 heeft hem een bijkomend spanningselement opgeleverd. Maar daarmee is niet duidelijk wat het verhaal is: gaat het over de ontwikkeling van de atoombom, over de heksenjacht, over de twijfels van Oppenheimer?

 

 Het is niet helemaal een biografische film, het is ook niet het verhaal van de race met de Duitsers (en hoe ze onder meer verloren doordat het puik van de Europese fysici, waarvan velen van joodse afkomst of met een joodse vrouw, naar de VS was gevlucht), of van de relatie tussen Oppenheimer en Groves, of ook niet het verhaal van de gewetensvragen waar iedereen mee zat, tot en met de presidenten Truman en Eisenhower. Dat had ongetwijfeld ook prima scenario’s opgeleverd. Nolans film doet daarom een beetje aan JFK denken, de film van Oliver Stone uit 1991, over de zelfmoord van Kennedy: een vlammende versie van het verhaal, filmisch geweldig boeiend. Maar met een blijvend gevoel dat de echte geschiedenis nog geschreven moet worden.


De verhaaltjes van

 een omniprésident


 

 27 augustus 2023


 Sinds een kleine week is het derde deel van de memoires van Nicholas Sarkozy op de markt. Ze beslaan ruim 500 bladzijden, en gaan over de jaren 2009, 2010 en 2011. Ik heb ze inmiddels uitgelezen, niet in één ruk, eerder met veel momenten van snel doorbladeren. Want dit deel is duidelijk het zwakste van de drie. Toch bevat ook dit luik, zoals de vorige, een overdosis pikanterieën.

 

 Sarkozy was president van Frankrijk van 2007 tot 2012. Hij is de zoon van een Hongaarse immigrant, en woont quasi al heel zijn leven in Parijs. Hij was, als afgestudeerd jurist, zijn politieke carrière in 1983 begonnen, met het burgemeesterschap in de chique Parijse voorstad Neuilly. Hij werd minister van Begroting en woordvoerder van de regering in 1993, onder premier Balladur die hij in 1995 steunde in diens presidentiële ambities tegen Jacques Chirac. Die laatste nam hem dat kwalijk, tot hij in 2002 opnieuw in het kabinet mocht, in 2004 zelfs als minister van Binnenlandse Zaken.

 

 Dat platform gebruikte Sarkozy maximaal om zich dagelijks via spectaculaire media-acties te profileren als de harde man van rechts. Bij langdurige rellen in de banlieues van de voornaamste Franse steden eind oktober, begin november 2005 steeg zijn populariteit tot het zenith, onder meer door het beeld dat hij had gebruikt dat hij de voorsteden wou ‘opkuisen met de hogedrukreiniger’. In een web van onwaarschijnlijke intriges – die later tot een pak rechtszaken zouden leiden – wist hij zich uiteindelijk als kandidaat van Chiracs partij door te zetten, tegen de president en vooral diens laatste premier en poulain Dominique de Villepin in. Op 6 mei 2007 kozen de Fransen Sarkozy tot hun nieuwe president van Frankrijk, met 53 % van de stemmen tegenover de socialistische kandidate Ségolène Royal. Hij was 52 op dat moment.



'De conversatie knalde van vleierij via opschepperij naar authentiek inzicht, maar week nooit af van zijn voornaamste amper verhuld belang: in het centrum van de actie staan en de bloemen in ontvangst nemen, voor wat dan ook waard leek de bloemen te krijgen.’


 

 Eens in het Elysée, wilde Sarkozy zich naar eigen zeggen bewust profileren als man van permanente actie en daadkracht, altijd ook op het terrein. Dat deed hij soms met briljante ideeën, even vaak met oppervlakkige of zelfs slecht uitgewerkte schijnmaneuvers. De media noemden hem spottend de omniprésident. Ze verweten hem de blijkbaar hoog ingeschatte waardigheid van het Franse staatshoofd naar beneden te halen. Ze gingen dat dra vermengen met zijn neiging om zich graag te laten zien in gezelschap van alle mogelijke celebrities – le président bling bling - en de problemen in zijn privé-leven: de scheiding van zijn tweede vrouw aan het begin van zijn ambtstermijn en een nieuw huwelijk met het Italiaanse model en zangeres Carla Bruni, met wie hij drie jaar later een dochter kreeg. Sarkozy’s mooiste moment was dat hij in 2008 sneller dan Angela Merkel de diepe impact van de financiële crisis begreep. Maar zijn populariteit was dan al ondermijnd. Hij betaalde de rekening van een nieuwe recessie bij de presidentsverkiezingen van 2012.

 

Obama

 

  Jacques Chirac kende in zijn memoires Sarkozy talent en een scherp verstand toe, maar heeft hem ook in twee fijne zinnetjes samengevat: ‘nerveus, onstuimig, overlopend van ambitie, aan niets twijfelend, nog het minst aan zichzelf. Hij had een onmiskenbare kwaliteit: zijn intenties lagen altijd open en bloot.’ 


 Barack Obama was zo mogelijk nog scherper: ‘Hij was één en al emotionele uitbarstingen en opgeblazen retoriek, amper 1,65 meter groot en met dikke hakken onder zijn schoenen om er groter uit te zien. Wat hij miste aan ideologische consistentie maakte hij goed door durf, charme en een manische energie. Gesprekken met hem waren afwisselend amusant en vermoeiend, zijn handen altijd in beweging, zijn borst vooruit zoals bij een krielhaan. De conversatie knalde van vleierij via opschepperij naar authentiek inzicht, maar week nooit af van zijn voornaamste, amper verhuld belang: in het centrum van de actie staan en de bloemen in ontvangst nemen voor wat dan ook waard leek de bloemen te krijgen.’

 

 De memoires zijn zoals de man. Sarkozy heeft van zijn voorgangers Chirac en Giscard de stijlfiguur overgenomen om zijn verhaal te beschrijven ‘zoals hij het heeft ervaren’, als een opeenvolging van gebeurtenissen en ontmoetingen, ‘die elkaar voortdurend wegdringen en de kalender doorbreken.’ Hij gaat nog een stuk verder: het boek is een breiwerk van verhaaltjes van telkens vijf à zes bladzijden, zonder hoofdstukken, zonder veel chronologische aanduidingen, gelardeerd met veel emoties die vrij baan krijgen en met persoonlijke beschouwingen. Die laatste zijn in twee categorieën in te delen: permanente afrekeningen met de (uiteraard fundamenteel linkse) pensée unique van de Parijse elite; en nog meer gefrustreerd geweeklaag over het functioneren van de Franse media. Dat laatste is vaak de graadmeter voor het niveau van de betrokken memoires-schrijver. Echte toppers staan daarboven.

 

 Maar finaal krijg je wel het gevoel dat Obama er niet ver naast zat: dit is inderdaad het verhaal van een politicus met een fel temperament en dito actiedrang, zonder enige angst voor risico’s ook, die echter vooral - meer dan gebruikelijk is bij politici - ernaar smeekte geliefd te worden (en daar natuurlijk niet in slaagde). Het voordeel is dat Sarkozy ook geen blad voor de mond neemt, al is het in dit derde deel allemaal wat fletser en minder afgewerkt dan in de vorige. Hij beoefent een charmerend parler vrai, dat je daarom uiteraard nog niet – zoals bij geen enkele memoires – als ‘de waarheid’ moet gaan beschouwen. Het onthult wel wat er in de hoofden van de wereldleiders op dat moment allemaal (aan menselijke kanten) meespeelde. En dus krijgt bijvoorbeeld Obama in dit boek van Sarkozy lik op stuk.

 

 Zoals:  ‘Zijn reële persoonlijkheid verschilt vrij sterk van het per millimeter opgebouwde en uitermate verzorgde imago dat hij op elk moment wilde uitstralen. In feite is zijn temperament zeer koud en introvert, en heeft hij maar een geringe belangstelling voor diegenen die hem omringen. Zijn vrouw Michèle is authentieker, sterker, oprechter in het uitdrukken van haar overtuigingen. Ze heeft er trouwens veel, en komt er vrank en met reële moed voor uit. Haar man daarentegen haatte alles wat de indruk kon wekken dat hij afweek van de meest strikte versie van de pensée unique. Hij wilde vooral elke gebeurtenis vermijden die zijn image kon aantasten.’

 

Merkel

 

 De Franse president beschrijft een paar botsingen met Obama die wel duidelijk maken dat de relatie tussen beide niet bijster was. Daarentegen blaast hij vaak de loftrompet over zijn goede relatie met de Duitse bondskanselier Angela Merkel. Die beschrijft hij als cruciaal voor zijn Europees engagement, dat hij zonder enige aarzeling belijdt. Sterker dan welke Franse president ook benadrukt Sarkozy de onmogelijkheid voor Parijs om nog alleen te ageren. Toch krijgt ook Merkel regelmatig wat fijn gestyleerde bloempotten naar haar hoofd:

 

 ‘Vaak zei ze en deed ze niets en liet ze me maar ageren. Tot op het moment waar ze uiteindelijk de positie zou innemen die zij het meest redelijk vond. En dat zou altijd op de laatste seconde van de laatste minuut zijn. Ik verwijt haar die overdreven aarzelingen niet. Het is haar aard, haar cultuur, haar geschiedenis zelfs. Waarom zou men iemand verwijten wat zij in haar diepste is? Ze komt uit het oosten, uit het communistisch regime en dus is weerstand bieden de voornaamste deugd. De balk die alles ondersteunt en waaraan alles hangt. Duren is haar obsessie, tot welke prijs ook, zelfs die van het immobilisme. Geen risico nemen was bij haar een diep verankerde overtuiging geworden.’



‘Ik heb haar gezegd: Angela, ben je op je kop gevallen?Maar Nicholas, heb je Fukushima dan niet gevolgd? Ik heb meteen gerepliceerd: En waar denk je dan dat in Beieren die tsunami zal plaatsvinden?’ 


 

 Dergelijke inschattingen leiden er ongetwijfeld toe dat Sarkozy’s inschatting van sommige gebeurtenissen flink verschilt van die van andere aanwezige regeringsleiders. Zelf dicht hij nu in het derde deel van zijn memoires een hoofdrol als pretbederver toe op de top van de G-20 in Londen in april 2009. Obama daarentegen beweert in zijn memoires dat Sarkozy de Amerikaanse minister van Financiën Tim Geithner kwam feliciteren: 


 ‘In een uitbarsting van enthousiasme pakte Sarkozy zowel mij als Tim vast. ‘Dit akkoord is historisch, Barack!’, zei hij. ‘En dat is dankzij u … neen, nee, ik meen het! En uw Mr. Geithner hier, die is gewoon magnifiek’. Sarkozy begon dan de naam van mijn minister te zingen zoals een voetbalfan, luid genoeg opdat enkele hoofden in de zaal naar ons draaiden. Ik moest lachen, niet enkel vanwege Tim’s overduidelijk ongemak, maar ook vanwege de verbazing op het gezicht van Angela Merkel. Ze had juist het nalezen van het slotcommuniqué beëindigd en staarde nu naar Sarkozy op de wijze van een moeder die een onhandelbaar kind bekijkt.’

 

Berlusconi

 

 Los van al die kleine cactussen die hier worden uitgewisseld, leveren Sarkozy’s memoires helaas te weinig gestructureerde feitelijke gegevens op om veel nieuws te vernemen over wat toen allemaal gebeurd is. De voornaamste onthulling is dat hij bevestigt dat hij en Merkel op het hoogtepunt van de eurocrisis op de G20 in Cannes begin november 2011 inderdaad bewust aanstuurden op het ontslag van zowel de Griekse premier Giorgos Papandreou als van diens Italiaanse collega Silvio Berlusconi, die beiden dan inderdaad hun laatste dagen aan de politieke top van hun land beleefden. Wat Sarkozy daarover beweert zal de geschiedschrijvers - en hedendaagse tegenstanders van de EU  en het kapitalisme tout court - nog veel stof opleveren. 

 

 ‘Wij hebben Papandreou en Berlusconi moeten opofferen om de tsunami van een financiële crisis te vermijden, waarvan het epicentrum deze keer duidelijk in Europa lag’, schrijft hij. En over zijn beroemde persconferentie met Merkel toen (waarop beiden een schaterlach leken te onderdrukken toen de naam Berlusconi viel): ‘Die had de verdienste duidelijk te zijn. We waren inderdaad bereid het vertrek van Griekenland uit de Unie te overwegen. Als het een volwaardige partner wilde blijven, zou dat op de voorwaarden van de Unie gebeuren. Die boodschap van vastberadenheid heeft de markten gerustgesteld, die ook wel begrepen hadden dat wij het vertrek van Berlusconi wensten.’ (Zie ook een vorige blogpost, van 12 juni 2023, over de val van Berlusconi in 2011: https://www.rolffalter.com/blog#h.8oeysor2opti )

 

 Stof voor controverses bevat het boek dus meer dan genoeg, helemaal in de geliefde stijl van de auteur. Zo onthult hij zijn verbazing toen hij vernam dat Merkel na de ramp in Fukushima kernenergie afzwoer, wat hij nog altijd een totaal foute beslissing vindt, genomen ‘onder de indruk van de emoties’. Zijn verhaal: ‘Ik heb haar gezegd: Angela, ben je op je kop gevallen?Maar Nicholas, heb je Fukushima dan niet gevolgd? Ik heb meteen gerepliceerd: En waar denk je dan dat in Beieren die tsunami zal plaatsvinden?’ Dergelijke finesses larderen het hele boek, naast de provocatieve exposés die altijd tegen het politiek correcte denken ingaan, de oproep tot onderhandelingen met Poetin inbegrepen. Maar je moet je dan wel door veel binnenlandse Franse afrekeningen worstelen, naast de blingblingmomenten over ontmoetingen met celebrities en culturele coryfeeën (en hoe graag hij ze zag).

 

 Sarkozy zegt tenslotte weinig over de vele affaires en processen die hem blijven achtervolgen. Maar je begrijpt dat hij vaak de confrontatie heeft gezocht met de rechterlijke macht en dat daar met snel hoogoplopende rancune op gereageerd is. Hij is ervan overtuigd dat ook de magistratuur beter rekenschap moet kunnen geven van haar beslissingen, wil men ontsporingen vermijden. 


 Mijn indruk na al die jaren blijft dat Sarkozy in zijn bewogen en bitter bevochten opmars naar de positie van presidentskandidaat van rechts in 2007 ongetwijfeld kwetsbaar is geworden in de financiering van zijn campagne. De rechterlijke macht heeft hem daarbij na zijn mandaat op wetsovertredingen kunnen vastpinnen en laten veroordelen. 


 Maar de hardnekkigheid die het Franse gerecht heeft gedemonstreerd om zelfs maar de minste beschuldiging van corruptie of machtsmisbruik van de president tot een grote zaak te maken, doet vragen rijzen. Het gebeurde ook al met zijn voorganger Chirac en kan, als dat inderdaad een systematiek wordt, alleen maar mensen afschrikken om nog het hoogste ambt of zelfs een gewoon politiek mandaat na te streven. En dan hou je enkel nog de schurken en onbekwamen over om het te ambiëren.

 

Nicholas SARKOZY, Le Temps des Combats, Fayard, 544 blz, 28 €.

 

 

 

 


11 juli dit jaar: Vlaamse Taliban, Vlaamse zelfkritiek en het model van de Maagd

23 augustus 2023


 Bij het begin van ons nieuwe geschiedenisseizoen, toch nog even een opwarmer uit het vorige. Rond mijn activiteiten op 11 juli van dit jaar. 

 

 Ik heb op de mediapagina van deze website twee teksten gezet.


 De eerste is de yekst die ik op 11 juli publiceerde op de opiniepagina in De Morgen rond de vraag of de Vlaamse milities van de Guldensporenslag echt te vergelijken zijn met de Taliban? Dat was inspelen op een polemiek van begin dit jaar tussen twee historici: de alom bekende Bart De Wever, en de Gentse onderzoeker Jan Dumolyn. Hier de link:


https://www.rolffalter.com/media#h.o1yq3p262ja4


 De tweede tekst is de toespraak die ik op zondag 9 juli in het stadhuis van Ronse en op 10 juli rond zes uur in het Groeningepark in Kortrijk mocht houden tijdens de plaatselijke elf-julivieringen. Van die toespraak verscheen het tweede deel op 11 juli opde opiniepagina van De Standaard. 

 Ik was gevraagd te zoeken naar een hedendaagse betekenis van de Guldensporenslag ruim zevenhonderd jaar geleden. Ik riep er vooral op tot meer Vlaamse zelfkritiek, na een halve eeuw zelfbestuur en tot het wagen van meer democratie. Hier die link:

 

https://www.rolffalter.com/media#h.gnhsjpja6t2l



 Ten overvloede leg ik er ook de link bij van het verhaal waar ik zelf heel veel plezier aan heb beleefd, na heel veel opzoekingswerk: het vermoeden dat de Franse operadiva Georgette Leblanc model heeft gestaan voor het beeld van de Vlaamse Maagd die zo verguld boven het Groeningepark in de zon staat te schitteren. Vanwege de foto’s moest ik het op een oude blog plaatsen, maar hier de link:


 https://zonderland.blogspot.com/2023/07/hoe-een-parisienne-het-tot-maagd-van.html 

 

Veel leesplezier.


Nog vijftien jaar laatste oudstrijders

19 augustus 2023


(We hernemen, na enkele weken vakantie, onze geschiedenisblog, over alles wat onze aandacht trekt en iets met geschiedenis te maken heeft: een foto, een boek, een tekst, een datum van zoveel jaar geleden. Veel leesplezier)


 Maandag publiceerde de nieuwssite van de VRT een verhaal dat de dienstdoende journalist in volle komkommertijd (met enkel verhitte weerberichten en popfestivals als nieuws, naast de dagelijkse portie historische gebeurtenissen in de sport) opdiepte op basis van een facebook-bericht. De laatste veteraan van de Britse marine die in de laatste dagen van mei 1940 deelnam aan de Britse terugtocht tegenover de oprukkende Duitsers via het Noordfranse haventje Duinkerke, is overleden. Hij was 103 jaar oud. Hier de link:

https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2023/08/14/laatste-veteraan-van-de-royal-navy-dunkirk-is-een-paar-dagen-vo/

  Het is een wat opgeklopte uniek verhaal, natuurlijk. Er waren vooral Britse infanteristen in Duinkerke, meer dan zeelui van de marine. Zij verzamelden daar op het strand, opgejaagd door de Duitse legers die Hitler op 10 mei België en Nederland had doen overvallen. Daar moesten ze met marineschepen, maar vooral met een geimproviseerde vloot van vissers worden weggehaald. De nog nagelnieuwe regering van Winston Churchill in Londen had die daartoe opgeroepen, en betaalde die ook. De evacuatie vond inderdaad plaats, in een zestal dagen, onder het voortdurend spervuur van de Duitse artillerie en hun toen nog superieure luchtmacht.

 Finaal bereikten er op 2 juni 1940 toch veel meer Britse soldaten – ruim driehonderdduizend - het vaderland dan enkele dagen eerder nog was verhoopt. Daarom sprak men later van het ‘mirakel’ van Duinkerke. De film Dunkirk van Christopher Nolan van 2017 gaf een goed beeld van wat in het stadje en op het strand gebeurde, ook al kan film nooit zelfs maar niet bij benadering de ellende en vooral de angst van zo’n gevecht weergeven. De film schonk wel veel te weinig aandacht aan de Franse troepen rondom Duinkerke die bleven vechten en de Britse evacuatie mee mogelijk maakten. Er stierven trouwens veel meer Franse dan Britse soldaten in de slag om Duinkerke.

 Aangenomen dat de jongste van die lichting Britse soldaten 18 was op dat moment, dan was hij van 1922, en is hij vandaag101 jaar. Daarvan zullen er nog wel een handvol overblijven. Net als burgers van Duinkerke die het meemaakten, als kind misschien nog, al sneuvelden er ook daar ruim duizend van, en werd het stadje compleet verwoest. In maart 1947, toen Britten en Fransen na een paar jaren van onderkoelde relatie weer samen begonnen te werken, ondertekenden ze daar hun eerste diplomatiek akkoord, in het enige gebouw dat was blijven rechtstaan

 Het berichtje van vrtnws signaleert vooral een nieuwsitem dat de volgende jaren voortdurend zal terugkeren. De laatste oudstrijders van de Tweede Wereldoorlog zijn aan het sterven. In het besef dat de nazi’s in de laatste maanden van de oorlog ook 15-jarige jongens onder de wapens riepen, is de lichting van 1930 de laatste. Als de laatste veteraan daarvan 110 jaar wordt, zoals de laatste van de Eerste Wereldoorlog, gaat het sterven van die oudstrijders nog tot een eind in de jaren dertig van deze eeuw duren.

 De laatste van de Eerste Wereldoorlog stierf op 12 maart 2008, 110 jaar oud. Het was Lazare Ponticelli, een Italiaan die, gedreven door de miserie, Fransman wilde worden, en beide legers diende. Hij stierf twee maanden nadat op 19 januari 2008 de voorlaatste Franse loopgravensoldaat, Louis de Cazenave, was gestorven. Ik zocht toen het verhaal van beiden op, en schreef erover op 23 januari in de column die ik toen wekelijks in De Standaard publiceerde. Het zegt, denk ik, alles over hoe die soldaten zelf de oorlog ervaarden.

 

‘In Europa

Ze hebben hem gisterennamiddag dan toch een rustige begrafenis gegund, aan het familiegraf in Saint-Georges-d’Aurac, een dorp van 600 zielen langs een route nationale en een staatsspoorweg, diep in de Auvergne. De zondag overleden Louis de Cazenave, 110, had daar uitdrukkelijk op aangedrongen.

Ze gaan nu snel heen, de laatste soldaten van de Eerste Wereldoorlog. De laatste Duitser is op 1 januari in Hannover gestorven en in alle stilte begraven. In België sloten de laatste oudstrijders in 2004 de ogen. Alsof God ze zelf had uitgekozen ging het om een Westvlaamse boerenzoon die later naar Detroit emigreerde, en een Henegouwse wielrenner, die ooit de  Tour meereed, maar opgaf op de Col de la Faucille nabij Genève, omdat het de eerste keer was dat hij een echte berg op fietste.

Louis de Cazenave moest toch naar het leger in 1916 en meldde zich, uit vaderlandse trots, enkele maanden vroeger. Men stak hem in een koloniaal bataljon, met veel Senegalezen, op de Chemin des Dames , ten oosten van Soissons. Hij nam dus deel aan het nutteloos offensief van de lente van 1917, dat 200.000 Fransen het leven kostte en tot ongekende muiterijen leidde.

‘Je moet die gewonden tussen de linies gehoord hebben. Ze riepen hun moeder, en smeekten om hen af te maken’, vertelde hij daarover enkele jaren geleden in een zeldzaam interview, toen de media hem hadden ontdekt. Pas toen is hij er een paar keer over beginnen vertellen. Voordien nooit, ook niet tegen zijn vrouw en zijn kinderen.

Na de oorlog werd hij spoorman, huwde hij en kreeg drie zoons. Als die over les boches begonnen, corrigeerde hij: les Allemands. Hij had ze immers gesproken, als er niet geschoten werd en ze mekaar tegenkwamen aan de waterputten. ‘Ze waren zoals wij, ze hadden er schoon genoeg van.’

Patriottisme omschreef hij als ‘het spuiten van mist waarmee men je om het even wat kan doen slikken.’ Hij werd een rooie, wat hem in 1941, onder het Vichy-regime van generaal Pétain, zijn job kostte. Hij bleef nadien werkloos, leefde uiterst spaarzaam, en werkte veel in zijn tuin, waar hij de eekhoorns observeerde. Hij rookte drie pijpen per dag.

Alsof God ze zelf heeft uitgekozen, is de laatste levende Franse veteraan, Lazare Ponticelli (110), een nog sterker verhaal. Hij is van een bergdorpje nabij Piacenza in Italië. Zijn vader stierf  jong en moeder en de andere kinderen emigreerden van miserie naar Frankrijk. Ze lieten hem achter bij een tante, omdat ze zijn reis niet konden betalen. Zo werd hij schaapherder op zijn zevende.

Hij spaarde, door vogels te verkopen en schoenen te snijden. Twee jaar later trok hij te voet via de spoorlijn naar de grens. Eens daarover wipte hij op een trein, die hem naar de Gare de Lyon in Parijs bracht. Hij kon niet lezen of schrijven, en sprak geen woord Frans.

Het duurde twee jaar voor hij zijn familie vond, maar hij overleefde met karweitjes. Hij vond werk op zijn twaalfde, als hulp bij een steenkoolleverancier, en begon een eigen zaak als schoorsteenveger op zijn zestiende. Daar groeide later een bedrijf uit, dat tegenwoordig zo’n 2000 man tewerkstelt.

Ponticelli meldde zich in de zomer van 1914, om te strijden voor zijn nieuw vaderland. Ook hij kwam aan de Chemin des Dames terecht. Op een nacht in 1915, toen hij het kermen van de gewonden niet meer kon horen, bracht hij vanuit de vuurlinie een gewonde Duitser naar zijn loopgraven en een gewonde Fransman naar de zijne.

Als Italiaan stuurden de Fransen hem eind 1915 tegen zijn zin op de trein naar het vaderland waarvan hij zich enkel de miserie herinnerde. Aan het front in Zuid-Tirol onderscheidde hij zich door exploten in gevechtssituaties,  liep hij een paar zware verwondingen op, maar nam hij evengoed deel aan de occasionele verbroederingen met de Oostenrijkse vijand. Hij is dus ook de laatst levende Italiaanse oudstrijder.

Ponticelli werd in 1939 Fransman. Hij leeft vandaag in Kremlin-Bicêtre, een voorstad van Parijs, vlakbij de Porte d’Italie. Hij heeft zijn Légion d’Honneur, en is tot 2006 naar de ceremonies van 11 november gegaan. ‘Omdat we aan de vooravond van elk offensief telkens afspraken: als ik sterf, ga jij me toch herdenken.’

Twee jaar geleden ontvouwde president Jacques Chirac een plan om de laatste poilu van 1918 met een staatsceremonie in het Panthéon te begraven. Louis de Cazenave, de voorlaatste, liet toen beleefd weten ‘dat er teveel gestorven zijn zonder zelfs maar een houten kruis.’ De nieuwe Fransman Lazare Ponticelli, de laatste poilu, denkt daar niet anders over: ‘Het zou een affront zijn aan al de anderen.  On s’en est foutu un peu.’

 

 

  


Dood van een koning,

 een herinnering

 De tijd van toen … herinneringen. Die zondagmorgen 1 augustus 1993 stond ik op, zette koffie en hoorde rouwmuziek op de radio. Ik dacht meteen: er is iets met de koning, hoe onverwacht dat ook leek. En inderdaad meldde het nieuws de dood van de net geen 63-jarige Boudewijn I, die al van voor mijn geboorte op de troon zat. Het was Jos Bouveroux, als ik me goed herinner, die de eerste uitleg gaf.

 

 Vrijdag was de laatste dag van de Wetstraat geweest, want in die dagen – van de regering Dehaene – eindigde het politiek seizoen nog eind juli, met de altijd moeizame opmaak van de begroting. Voor zes van de acht leden van de toenmalige Binnenland-redactie van de Standaard was dus de vakantie begonnen (‘Binnenland’ sloeg op de Wetstraat-redactie, de rest van het binnenlands nieuws – op Economie en Cultuur na - werd geleverd door de collega’s van Het Nieuwsblad). Zoals elk jaar in augustus zou de vaste bladzijde twee gevuld worden met vooraf klaargemaakte stukken en reeksen, en in de marge het sporadische Wetstraat-nieuws.

 

 Maar nog voor de middag die zondag stond de hele ploeg terug op de redactie in Groot-Bijgaarden. Dat waren toen Dirk Achten, die chef was, Evita Neefs (volgens mij toen de enige vrouw onder het exclusief mannelijk gild van Vlaamse Wetstraat-journalisten;  bij Le Soir had je toen wel al de nog steeds voortreffelijke Martine Dubuisson), Guido Fonteyn, Guy Tegenbos, Johan Raskin, Pol Van den Driessche, Luc Neuckermans (van wie we vier jaar later afscheid zouden nemen) en ikzelf. Ik hoop dat ik niemand vergeten ben.

 

 We zijn de hele week gebleven, hebben allen onze vakantie uitgesteld. Niemand wilde dit missen. En we hebben, zonder pretentie, goed werk afgeleverd. We spraken die zondagnamiddag een lijn af: we gaan dat, zoals het hoort bij journalisten, kritisch behandelen, rationeel, want het instituut monarchie is met zijn erfelijke troonopvolging in wezen niet te verdedigen. Maar we gaan dat zacht doen, want over een mens die pas gestorven is, zeg je geen kwaad.

 

 We hebben dat met zijn allen de hele week gedaan, in uitermate hechte teamgeest, bij schitterend weer. De sfeer was goed. Iemand lanceerde het flauwe grapje dat alleen het Staatsblad dit had voorspeld: Boudewijn ondertekende immers vaak in zijn Spaanse buitenverblijf wetten met ‘Gedaan te Motril’.

 

 We rotsten lange dagen rond langs alle mogelijke gebeurtenissen in het hart van Brussel: de premier die het heft in handen nam na eerst ook verrast te zijn (met Louis Tobback aan zijn zijde); de immens rouwende massa op het Paleizenplein; de nieuwe vorst, koning Albert II, die bevend van de zenuwen de eed aflegde voor een bomvolle kamer (Zietemna, fluisterde een Antwerpse collega, Bert Bibber!), terwijl volksvertegenwoordiger Jean-Pierre Van Rossem ‘Vive Julien Lahaut, vive la République’ kraaide en Senaatsvoorzitter Frank Swaelen al zijn verontwaardiging bovenhaalde. We mochten, als Wetstraat-journalisten, ook apart de opgebaarde koning gaan groeten. Uiteraard nam ik die uitnodiging aan. Ik zou liegen als ik beweerde dat de dode mens en heel het decorum mij ongevoelig lieten.

 

 Maar we bleven rationeel. Belden experts op om te weten hoe de procedures voor de opvolging verliepen, zochten bij onze onvolprezen en ijzersterke documentatiedienst (al lang verdwenen), maar ook in de bibliotheek van de Kamer alle details van het precedent van de troonopvolging in 1951 en 1934 op (internet stond nog in de kinderschoenen). Daar leerden we onder meer dat ook in de vrieskou van februari 1934, bij de plotse dood van de tot nationale held gestyleerde koning Albert, de massa urenlang had staan aanschuiven op het Paleizenplein. Zo konden we de nieuwsstroom over een ongeziene uitbarsting van dynastieke aanhankelijkheid ook wat tot zijn juiste proporties terugbrengen, zonder uiteraard de populariteit van de gestorven monarch te ontkennen.

 

 We vernamen, van iemand die altijd wilde doen geloven hij kind aan huis was aan het paleis (maar waarvan we niet zeker waren dat die daar niet over opsneed), dat de vorst een paar dagen vergeten was zijn cholesterol-remmers in te nemen. Daardoor had hij een hartaanval of een beroerte gekregen op het bloedwarme terras van het koninklijk buitenverblijf in het Spaanse Motril. We kregen dat toen nergens bevestigd en hebben dat niet gepubliceerd.

 

 Straatinterviews stonden niet centraal, al heb ik die dagen veel mensen in de lange rij en de straten rondom aangesproken, en sommige quotes ook meegenomen in mijn artikels. Zakelijkheid bleef de toon. Totdat op vrijdag of zaterdag de krant plots op haar voorpagina kopte met ongewoon vette en grote letters rondom het verdriet van koningin Fabiola, en daar een heel grote foto van de rouwende koningin in het halfduister op het balkon van het paleis in Brussel bij plaatste. Ik las onlangs de memoires van onze legendarische hoofdcommentator Manu Ruys – in 1993 al drie jaar met pensioen, maar toen nog altijd met een ruim wekelijks opiniestuk – en die was over die plotse stijlverandering van die dag zes jaar later blijkbaar nog altijd ontdaan.

 

 Niet ten onrechte trouwens. De titelpagina was die avond diepgaand gewijzigd onder druk van de mensen die haar dagelijks samenstelden. Zij kwamen niet buiten, volgden wel de hele dag de onophoudelijke beeldenstroom op de televisie, zagen finaal niet meer – en aan het einde van een vermoeiende week - dat even buiten de perimeter van het Warandepark de wereld gewoon bleef draaien en vooral met vakantie was. Daar was heel veel discussie over geweest op de avondvergadering van de redactietop, maar finaal was de emo toch doorgebroken. Daar lag onze rationele aanpak.

 

 Het bleek een voorbode. De Murdochisering van de media was al aan een opmars bezig: nieuws moest mainstream blijven, en liefst eenvoudig en emotioneel, want advertenties zorgden nu voor het grootste stuk van de bedrijfswinst, niet langer de verkoop van informatie. Bestond die druk toen al bij De Standaard? Ik weet het niet. Hugo De Ridder, die in 1990 de krant in onvrede had verlaten, waarschuwde in die dagen nadrukkelijk voor de commercialisering van het nieuws, waar volgens hem de directie van de Vlaamse Uitgeversmaatschappij op aanstuurde. Ik vond toen – en zei hem dat ook in even intense als altijd hoffelijke gesprekken – dat hij overdreef. Achteraf, moet ik toegeven, bleek Hugo (alweer) gelijk te hebben.


Op reis naar de top-7 van

middeleeuws Vlaanderen

 

30 juni - 6 juli 2023


Nu de zomer aanbreekt en velen op reis vertrekken, hebben we ons de vraag gesteld: waar vind je vandaag in het voormalige graafschap Vlaanderen nog het meest terug van de glorierijke periode van de middeleeuwen? 


 We hebben daar dan maar een (uiteraard zeer subjectieve) top-zeven van mogelijke bestemmingen van gemaakt. Die gaan we hier de komende zeven dagen uitrollen, elke dag één, van nummer zeven naar nummer één.  Telkens onder deze inleiding.


 De Bourgondische tijd, na 1369, hebben we niet inbegrepen, die verdient een apart verhaal.

Op nummer één: 

Saint-Omer en omgeving

6 juli 2023 


 Ik heb er lang over geaarzeld om deze stad in Noord-Frankrijk tot persoonlijke topbestemming uit te roepen als het om middeleeuwse geschiedenis van het voormalig graafschap Vlaanderen (voor 1369) gaat. Brugge of Gent lijken een zoveel logischer keuze, maar sta me toe u te overtuigen met mijn onvermijdelijk subjectieve argumenten.

 

 Eén reden is dat Brugge zo vanzelfsprekend is – zelfs al is Gent aan een inhaaloperatie bezig – dat je maar beter kan verrassen met iets anders. Een andere is dat het niet slecht is op deze manier eraan te herinneren dat ruim de helft van het territorium van het voormalige graafschap – zeker als je de periode voor 1214 neemt – in het hedendaagse Frankrijk ligt (zie mijn blogpost van 12 april: https://www.rolffalter.com/blog#h.9z435nygz1kr). Maar de hoofdreden is, ik geef het grif toe, puur sentiment.

 

 Saint-Omer is een oude stad, op het eerste gezicht zelfs een vrij doodse stad, zeker als je er gaat als de wind en de regen er huishouden. Er zijn nauwelijks nieuwe gebouwen te zien, jonger dan vijftig jaar zeg maar. De hele stad wordt getekend door de gele baksteen waarmee eeuwenlang huizen, kloosters, kerken en handelshuizen zijn rechtgezet (zie foto hiernaast).

 

 En er is vooral de rue Saint-Bertin: als je weet dat hier ooit de stad is ontstaan, als processie-route met eigen kerken tussen de Sint-Bertijnsabdij beneden aan de rivier en de Onze-Lieve-Vrouwekerk boven op de twintig meter hoge heuvel, en als je kijkt in die nog altijd niet zo brede kasseistraat met vele kleine huizen, dan voelt dat alsof je rechtstreeks in een ver verleden staat te staren.