TERUGBLIK

Een blog over ons verleden en het heden

Bericht voor de keizer in Wenen: 

hoe België barst

 8 mei 2024

 

 In september 1912 stuurde de ambassadeur van het keizerrijk Oostenrijk-Hongarije in Brussel, graaf Clary, een rapport aan zijn minister van Buitenlandse Zaken in Wenen over de ‘vanuit een Europees standpunt veruit meest interessante kwestie in België’: het communautair vraagstuk. Ik vond de brief veertig jaar geleden en schreef hem toen integraal over, omdat ik hem zo relevant vond. Die tekst vond ik onlangs terug. En het loont nog steeds de moeite hem weer te geven.

 

 Siegfried Graf Clary von Aldringen (foto links, rond 1900), zo luidde de volle naam van de 64-jarige edelman uit Teplice in Sudetenland in Bohemen (vandaag Tsjechië, op amper 80 km van Dresden) die al sinds 1903 königliche und kaiserliche Gesandten in Brussel was. De ambassadeur dus van het keizer- en koninkrijk Oostenrijk-Hongarije.

 

 Dat was de veelvolkerenstaat van 50 miljoen inwoners met steden als Zagreb (vandaag de hoofdstad van Kroatië) Lviv (Oekraïne), Timisoara (Roemenië) Krakau (Polen) of Riva del Garda (Italië). Clary moet vermoed hebben dat de regering van  de oude keizer Franz-Josef in Wenen zeker geïnteresseerd zou zijn in de communautaire problemen in België. Die wist immers op dat moment zelf helemaal niet meer hoe ze het interne vraagstuk van de vele nationaliteiten onder controle kon krijgen.


Jules Destrée

 

 België zelf was net opgeschrikt door de Lettre au Roi sur la séparation de la Wallonie et de la Flandre . Jules Destrée, de 49-jarige socialistische volksvertegenwoordiger en advocaat uit Charleroi, had die op 24 augustus 1912 over de hele (broadsheet)-voorpagina van de Journal de Charleroi laten publiceren. Het was één grote en schitterend geschreven aanklacht tegen de machtsovername van België door de katholieke Vlamingen (il nous ont pris la Flandre), met vooral de ene beoemde zin: Sire, il n’y a pas de Belges. Destrées conclusie: we moeten naar een séparation administrative van Vlaanderen en Wallonië. Hij gaf wel ruiterlijk tie geen flauw idee te hebben hoe men dat moest verwezenlijken.

 

 We weten vandaag dat Destrée die brief schreef als uitlaatklep voor ontgoocheling. Die was bij de Waalse socialisten en liberalen geëxplodeerd na de nederlaag van het liberaal-socialistisch kartel bij de parlementsverkiezingen van 2 juni 1912. Iedereen had verwacht dat die een einde zouden maken aan achtentwintig jaar katholieke regering, maar het tegendeel bleek waar: ze kwam er versterkt uit. Dat leidde in Henegouwen en Luik tot een week van stakingen. In Luik, op de place Verte, schoten de gendarmes  op 3 juni ’s avonds op de zoals altijd kokende demonstranten. Er vielen meteen drie doden. Een jongen van veertien werd ook getroffen door een kogel en overleed een maand later.

 

 In Charleroi wist Destrée de uitbarsting te kanaliseren. Hij riep het volk op om vooral de twee extra zetels te vieren die het kartel in die stad had gewonnen. En hij richtte de overblijvende druk naar de roep om een algemene staking voor algemeen stemrecht en vooral naar de eis van Waalse autonomie, los van het klerikale Vlaanderen.


 Destrée, die voor de verkiezingen tot de ministeriabelen behoorde, gebruikte dit ook als hefboom in Brussel. Op het hoofkwartier van de Werkliedenpartij in Brussel zwaaiden de Brusselse advocaat Emile Vandervelde en vooral de  Gentse gewezen notarisklerk Edward Anseele de plak. Gent en Brussel hadden de partij gesticht in 1885, zonder op de chaoten in Luik en Henegouwen te wachten. En Anseele beheerde een formidabele economische macht in de partij.


 Geen van beiden wensten een algemene staking. Destrée ging op 4 juni met de trein naar de hoofdstad met in zijn federatie gestemde resolutie voor een congres van louter Waalse socialisten op zak. En dus besloot de partij dan toch principieel tot een algemene staking, zij het pas na rijp beraad over zes maand.


 Dat was genoeg voor Destrée: hij had zich als spilfiguur geaffirmeerd, ook al was het project dat hij meer dan wie ook verdedigd had - het kartel met de liberalen - mislukt. Hij had zich ook als potentieel staatsman gedragen, door de onvrede in zijn eigen stad te kanaliseren en door het compromis in de partij te verdedigen. Hij ging nog even door, tot en met zijn Lettre ouverte van eind augustus. Maar dat was meteen ook het voorlopig slotakkoord van de opstoot van Waals separatisme. De gemoederen in Charleroi en Luik waren tegen dan duidelijk bekoeld. 


Koning Albert

 

 We weten ook hoe koning Albert reageerde. Die vernam het nieuws op alpinisme-vakantie in de Italiaanse Dolomieten (in het deel dat toen nog in Oostenrijk-Hongarije lag). Albert antwoordde aan zijn secretaris, Jules Ingenbleek in Brussel, die hem het artikel had opgestuurd: Tout ce qu’il dit est absolument vrai, mais il n’est non moins vrai que la séparation administrative serait un mal entraînant beaucoup plus d’inconvenients et de dangers de tout genre que la situation actuelle. (‘Alles wat hij - Destrée - zegt is absoluut waar. Maar het is niet minder waar dat administratieve scheiding een kwaad zou zijn dat veel grotere nadelen en gevaren zou opleveren dan de huidige situatie.’)

 

 Graaf Clary had het dus goed aangevoeld dat hierover bericht moest worden aan het thuisfront. Hij rapporteerde aan zijn baas, de 49-jarige graaf Berchtold, de minister van Buitenlandse Zaken (voluit: Leopold graf Berchtold von und zu Ungarnschitz, Fratting und Pullitz, uit een Moravisch geslacht). Al wie ooit al iets gelezen heeft over de diplomatieke crisis van juli 1914 – in Sleepwalkers bijvoorbeeld - kent die naam natuurlijk.

 

 Clary’s  brief is een goede analyse van de toestand van het communautaire dossier in België op dat moment – twee jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. De diplomaat las zijn Franstalige kranten, zeer zeker, zoals elke diplomaat, maar had duidelijk ook andere informatiebronnen. Zijn terminologie is wat wankel, zeker inzake het onderscheid tussen Fransen en Walen of Nederlanders en Vlamingen, en hij beschrijft Conscience als een dichter, eerder dan als schrijver. De rest is vrij correct, en geeft een goed beeld van hoe de communautaire verhoudingen in België in 1912 waren.

 

 Veel uitleg hoeft er niet bij. Het congres waar Clary het over heeft is het zogenaamd Nederlands Taal- en Letterkundig Congres waarvan er tussen 1849 en 1912 32 plaatsvonden. Dat van 1912 vond plaats in Antwerpen van 25 tot 29 augustus. Pol de Mont was voorzitter en Frans Van Cauwelaert hield de openingsspeech. 


 Tussen haakjes en onderlijnd heb ik de Duitse terminologie weergegeven van Clary, omdat ze zo wankel is. De andere citaten tussen haakjes zijn van hemzelf. Hier gaat-ie:

 

 

 

Brussel, 5 september 1912

 

 Vanuit een Europees standpunt bekeken is de veruit meest interessante kwestie in België ongetwijfeld het nationaal vraagstuk. Voor vijftig jaar bestond dat hier nauwelijks. Maar vandaag beroert het de gemoederen meer dan het antagonisme, dat in alle landen bestaat, tussen conservatieve, liberale en socialistische tendensen.

 

 Vroeger leefden de twee volkeren die het Belgisch koninkrijk bewonen vreedzaam naast elkaar. Dat waren de Franse Walen (französischen Wallonen) en de Vlamingen (Vlämen), die een Germaans dialect spreken dat identiek is aan het Plattdeutsch. 


 Dat ging hierop terug. De Vlamingen hadden in de 16de en 17de eeuw nog een uitgesproken nationaal bewustzijn. Maar ze hebben dat bijna volledig verloren door het contact met de vooral in de achttiende eeuw dominante Franse cultuur. Ze hebben zich vrijwillig laten verfransen, of, zoals de huidige Vlamingen dat zeggen, laten ‘verwaalsen’.

 

 Na het jaar 1848 ontwaakte het Vlaamse volk echter uit zijn lethargie. Het begon zich zijn roemrijk verleden te herinneren. Daartoe hebben verscheidene Vlaamse literatoren – onder andere de dichter Conscience, waarvan het standbeeld recent in Antwerpen is onthuld – door hun nationaal-patriottische geschriften en gedichten niet weinig bijgedragen.

 

 Deze Vlaamse Beweging (‘le mouvement flamand’) is door de katholieke regering van België gesteund geworden. Dat is omdat die in de grotendeels katholieke en conservatieve bevolking van de Vlaamse provincies haar grootste steun vindt. Daar waar de liberale partij van oudsher een dominante invloed in de Franse provincies van België had.

 

 De genoemde beweging heeft namelijk de jongste twintig jaar grote vooruitgang geboekt. Er is aan de Vlamingen de ene toegeving na de andere gedaan. Men kan eigenlijk zeggen dat ze vandaag, inzake het taalgebruik in de scholen, de rechtbanken, de correspondentie van de besturen, etcetera, zo goed als gelijkberechtigd zijn met de Franse Walen.

 

 Wat de Vlamingen nog missen, is een eigen universiteit. Er bestaan in België zoals bekend twee staatsuniversiteiten, in Gent en in Luik. Er zijn ook twee vrije universiteiten die niet onder staatstoezicht staan, in Brussel en in Leuven. Die zijn allemaal helemaal Frans.

 

 De Vlamingen verlangen nu dat de staatsuniversiteit in de Vlaamse stad Gent van een Franse naar een Vlaamse universiteit wordt omgevormd. Sedert twee à drie jaar wordt door de twee nationale partijen een bittere strijd om deze kwestie gevoerd.

 

 De Walen willen voor geen enkele prijs dit bolwerk van de Franse cultuur in Vlaanderen opgeven. Zij verzetten zich dan ook in alle heftigheid tegen dit project. De regering bevindt zich in dit verband in een moeilijke positie. Enerzijds vreest ze de steun van de Vlamingen te verliezen. Anderzijds wil ze de Walen niet van zich vervreemden.

 

 Mogelijk zal ze een middenweg inslaan, en de Franse universiteit van Gent uiteindelijk tot een tweetalige maken. Dat zou betekenen dat in die universiteit lessen in beide talen zullen plaatsvinden. Of een dergelijke toegeving de Vlamingen zal voldoen, is des te meer te betwijfelen, omdat in het nationaal vraagstuk de Vlamingen van alle partijen het vrij eens zijn.

 

 De Walen hebben aanvankelijk de Vlamingen (‘flamingants’) veracht en zich op alle mogelijke manieren vrolijk over hen gemaakt. Nu echter beginnen ze zich over deze problemen fel op te winden. Ze zoeken tegenmaatregelen om de voortgang van de ‘flamingants’ te bestrijden. Zo is onder meer met dat doel een organisatie gecreëerd (‘Société pour favoriser l’expansion de la langue française’), die een geweldige propaganda maakt voor de verspreiding van de Franse taal in België.

 

 Zeer verbitterd zijn de Walen over het overspoelen van de Franse provincies met Vlaamse ambtenaren. De beambten moeten immers in alle delen van het land, minstens toch vanaf een bepaalde graad, beide talen kunnen beheersen. Maar vermits alle min of meer opgeleide Vlamingen de Franse taal machtig zijn – terwijl nauwelijks wat Walen de moeite doen om de Vlaamse taal onder de knie te krijgen – is het gevolg dat de meest geschikte kandidaten voor de ambtenarencarrière eerder bij de Vlamingen dan bij de Walen te vinden zijn.

 

 Tot nog toe hoorde je vooral de Vlamingen over de ‘verfransing’ klagen. Nu beginnen de Walen de ‘vervlaamsing’ te vrezen. Een angst die nochtans niet gegrond schijnt. De Walen zullen nooit ‘vervlaamst’ (vlämisiert) worden. Wel staan ze op het punt hun tot nog toe uitgeoefende hegemonie in het land te verliezen.

 

 Enkele Walen verlangen nu, uit angst voor het oprukken van de Vlamingen, een ‘administratieve scheiding’ van het land. In hun projecten moeten de Waalse provincies helemaal in het Frans bestuurd worden, en de Vlaamse helemaal in het Vlaams.

 

 Een recent door de Waalse socialistische volksvertegenwoordiger Destrée aan koning Albert gerichte open brief heeft dat idee uitgewerkt. Het zal door de regering echter nooit aangenomen worden, want dat zou het begin van het einde van België inluiden. In dat geval zullen de Waalse landsdelen altijd maar dichter naar Frankrijk toeschuiven, en de Vlaamse provincies naar Holland of naar Duitsland.

 

 Ook de meeste Walen zullen de door de heer Destrée geuite meningen niet echt graag horen. De reden daarvoor is dat door administratieve scheiding (‘séparation administrative’) vele honderdduizenden Franse Vlamingen (französische Vlämen) die in de Vlaamse provincies wonen opgeofferd zouden worden. Zij zouden voor de Franse nationaliteit weer verloren gaan.

 

 Tegenwoordig is in Antwerpen een congres van Nederlandse en Vlaamse schrijvers en geleerden bijeen (‘Congres de langues et littérature néerlandaise’). Dat wil voor de belangen van zowel de Hollandse als de Vlaamse taal opkomen, en die laatste tegen de Franse taal in België verdedigen.

 

 Het hoofdthema van de discussie in de genoemde bijeenkomst was tot op heden het postulaat van de omvorming van de Franse hogeschool in Gent naar een Vlaamse universiteit. Er werd daar eenstemmig besloten deze ‘voor Vlaanderen rechtvaardige en absoluut noodzakelijke eis’ op elke mogelijke manier te steunen.

 

 Er werd ook over de ‘séparation administrative’ gedebatteerd. Het heeft vele kringen hier hoogst pijnlijk beroerd dat ook de Hollandse afgevaardigden zich ingelaten hebben met dit vraagstuk, dat een binnenlandse aangelegenheid van België betreft.

 

 Uit een statistiek die betrekking heeft op het Belgische taalvraagstuk leert men dat er na de in het jaar 1900 plaatsgevonden volkstelling 2.574.805 inwoners enkel de Franse taal machtig waren en 2.822.005 inwoners enkel de Vlaamse taal. Daarentegen waren er 801.587 personen die zowel Frans als Vlaams konden spreken.

 

 Gelieve, Uwe Excellentie, de uitdrukking van mijn diepste eerbied te aanvaarden.

 

(De drie genoemde brieven uit de zomer van 1912, van Clary, Destrée en koning Albert, zullen ook aan bod komen in mijn nieuwste boek, De Breuk, dat in het najaar bij Lannoo zal verschijnen. Het wordt een poging om de communautaire geschiedenis van België met enige afstand te beschrijven. Maar later meer hierover

 

De referentie die ik veertig jaar geleden van de microfilm noteerde is: Archief KU Leuven, Haus-, Hof und Staatsarchiv Wien, Politisches Archiv,, XXII, Belgien), Berichte 1912, Karton 62 - microfilm rol 284)

Zonsopkomst in het zuiden (2)

 

 24 april 2024


 Morgen vijftig jaar geleden ontwaakten de Portugezen met het nieuws van een militaire staatsgreep. Het werd een vreemd verhaal. Militairen die een eind maakten aan de dictatuur en aan een achterhaald en verkrampt kolonialisme. Het parfum van een vrolijke linkse ‘Anjerrevolutie’. De Amerikanen die nerveus werden. Finaal: de militairen, die graag wat langer hadden gebleven, die moesten wijken voor een normaal West-Europees democratisch bestel.

 

 Op donderdag 25 april 1975 ontwaakten de inwoners van het land met anonieme communiqués van de Portugese strijdkrachten op de radio. Die vroegen iedereen binnen te blijven, en van elk verzet af te zien. Tanks en troepen hadden in de loop van de nacht de voornaamste strategische punten – kruispunten, de omroep, de luchthaven, de regeringswijk – van Lissabon ingenomen.

 

 Ook in de steden van het noorden van het land gebeurde dat. Bevelen vanuit de regering in de loop van de nacht aan vermeend loyale eenheden om in het tegenoffensief te gaan bleven dode letter. Heel even, aan het einde van die donderdagnamiddag werd er geschoten door leden van de veiligheidspolitie, die eerst weigerden zich over te geven. Daar vielen de enige vier doden.

 

 Vanaf de eerste uren negeerden de inwoners van Lissabon met duizenden het bevel om binnen te blijven. Er groeide een uitgelaten sfeer. Vanaf de namiddag kwamen nieuwe politieke partijen tot leven, op vrijdagmorgen ook al de vijftig jaar verboden communistische en socialistische partij. Alle politieke gevangenen kwamen vrij, de censuur was opgeheven en er mochten weer vakbonden zijn.

 

Kermis

 

 Pas dan werd duidelijk dat generaal Antonio de Spinola het boegbeeld was van de staatsgreep. Dat was de adjunct-stafchef van het leger, en de voormalige gouverneur van de Portugese kolonie Guinee-Buissau. Die was in februari door premier Caetano, de opvolger van dictator Antonio Salazar, ontslagen. Spinola had een boek gepubliceerd waarin hij opriep een einde te maken aan de koloniale oorlogen.Dat was een mening die de meeste militairen deelden.

 

 Zij waren het zinloze en uitzichtloze bloedvergieten tegen rebellen in de kolonies, vooral Mozambique en Angola, beu. Vandaar de staatsgreep. Caetano zelf gaf zich op donderdagavond 25 april over. Hij mocht in ballingschap naar Brazilië vertrekken. Hij overleed er zes jaar later aan een hartaanval, in zijn woning in Copacabana.

 

 Inmiddels was het beeld rondgegaan van vrolijk vierende burgers die verbroederden met soldaten. Ze staken rode anjers in de loop van de geweren.  Dat is de bloem die je normaal aan de vooravond van 13 juni – de feestdag van Santo Antonio, de patroonheilige van Lissabon – aan je geliefde moet schenken.

 

 Een mei, voor het eerst in bijna een halve eeuw weer gevierd, bracht een miljoen mensen in de straten van de hoofdstad. Dra geraakten de verwachtingen, na zoveel decennia politieke diepvries, buiten controle. Portugal beleefde zijn zomer van een zalig zachte, geweldloze revolutie.

 

 Arbeiders in de fabrieken stuurden hun bazen de deur uit en namen het bedrijf over. Boeren confisqueerden de grond van hun landheren. Wijkcomités verdeelden leegstaande woonsten. Politie en gerecht waren ten prooi aan eindeloze discussies en stakingen. Nieuwe media zochten heel snel de grenzen van de vrije meningsuiting op, dus vooral naakt en sex in een door en door katholiek land. 


 Vanuit heel Europa stroomden sympathiserende studenten en jongeren toe, naar de zon van het zuiden uiteraard, maar ook met Fidel en Cuba in hun hoofd en al de linkse idealen die in die jaren na mei 68 de universiteiten van West-Europa domineerden.

 

 Achter die vrolijke kermis brandde echter meteen de machtsstrijd los. Spinola, een in wezen traditioneel-conservatieve 64-jarige officier met een grote monocle, werd op 15 mei formeel het nieuwe staatshoofd. Maar hij mocht op 30 september alweer opstappen. Het ging allemaal veel te snel voor de generaal, onder meer inzake de kolonies.

 

  Binnen het jaar schonken de opeenvolgende regeringen in Lissabon die allemaal hun onafhankelijkheid, om ervan af te zijn. In Angola en Mozambique ontbrandde een bloedige burgeroorlog, Guinee-Buissau zou van staatsgreep naar staatsgreep sukkelen. Oost-Timor werd eind 1975 veroverd en geannexeerd door buurland Indonesië, totdat het in 1999 dan toch zijn onafhankelijkheid herwon.

 

 Op 9 juli 1974 was de eerste regering van het nieuwe bewind – samengesteld uit de diverse politieke partijen, technocraten van het oude regime en militairen – uit elkaar gevallen. De politieke tegenstellingen lagen nu helemaal op straat. Weken van tegenstrijdige betogingen, stakingen en barricaden in de straten van Lissabon volgden elkaar op, totdat Spinola er de brui aan gaf. Hij zou op 11 maart 1975 nog een mislukte poging tot rechtse staatsgreep wagen. Hij vluchtte toen op zijn beurt naar Brazilië.

 

 Onder zijn opvolgers – nog steeds militairen – evolueerde het bewind verder naar links. Dat was onder druk van de revolutionaire stemming in de bevolking en de effecten van de economische crisis die heel West-Europa in 1974 teisterde. Een hele groep officieren steunde een linkse koers, onder hen de charismatische 38-jarige majoor Otelo Saraiva de Carvalho, die wat vage maoïstische sympathieën koesterde. Die had de staatsgreep van 25 april op het terrein georganiseerd. Inmiddels was hij aan het hoofd komen te staan van de legereenheden die de deficiënte politie moesten vervangen.

 

Kissinger

 

 Op 25 april 1975 vonden de eerste vrije verkiezingen in Portugal plaats, voor een grondwetgevend parlement. De sociaaldemocraten van Mario Soares wonnen met 38 % voor de centrumrechtse PPD met 26 %, terwijl de communisten van de Moskou-getrouwe Alvaro Cunhal op 13 % strandden. Desondanks ging die laatste steeds meer invloed op de vakbonden en op het regime uitoefenen, in regeringen waarin de militairen meer en meer de overhand kregen.

 

 De sluiting van de sociaaldemocratische krant Republica in juli 1975, onder druk van een staking van zijn werknemers en hun communistische vakbond, deed overal alarmbellen rinkelen. Niet in het minst in de westerse hoofdsteden. Spinola had de Amerikaanse president Nixon al in juli 1974 op de Azoren gealarmeerd inzake het risico op een evolutie naar communisme.

 

 Minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger liet zich tegenover Nixons opvolger, Gerald Ford, en diens Europese bezoekers, in het najaar herhaaldelijk sceptisch uit over de kansen om dat tegen te houden. Hij zag naast Portugal ook het prille democratische regime in Griekenland kwetsbaar voor een ommezwaai naar communisme.

 

 Hij zou daar vanaf 1975 Italië aan toevoegen, omdat de communistische PCI in dat land, in de regionale verkiezingen van juni bijna even groot werd als de christendemocratische DC (35 % tegenover 38 % van de stemmen). De communisten herhaalden dat bij de parlementsverkiezingen van juni 1976. Partijleider Enrico Berlinguer had zich inmiddels openlijk en herhaaldelijk gedistantieerd van Moskou en zich uitgesproken voor een normale deelname aan het parlementair democratisch proces.

 

 In juli 1976 kwam er in Rome een minderheidsregering van de DC tot stand onder leiding van allesfixer Giulio Andreotti. Die werd getolereerd door de PCI, op voorwaarde dat er naast besparingsmaatregelen ook sociale hervormingen zouden komen.  De architect van dat ‘historisch compromis’, DC-voorzitter Aldo Moro, werd echter op 16 maart 1978 ontvoerd door de extreem-linkse terreurgroep van de Rode Brigades. Nadat zijn lijk op 9 mei doorzeefd werd teruggevonden in de koffer van een Renault 4 in het centrum van Rome, en de PCI bij de parlementsverkiezingen van een jaar later een afstraffing kreeg van 4 %, kozen beide partijen, permanent onder druk van Washington en Moskou, weer aparte wegen.

 

 Kissinger zag dat allemaal niet graag, vanaf 1974 al. Hij twijfelde in Portugal vooral aan de sociaaldemocratische voorzitter Mario Soares: ‘Die is typisch voor het soort types dat Europa in rampspoed stort, goedbedoelend, vriendelijk, inefficiënt', zei hij. 'Hij heeft de ballen niet voor een gevecht … Hij zal altijd een dag te laat zijn of een speech houden op de verkeerde plaats.’

 

Breznjev

 

 Soares was een 50-jarige advocaat uit een vooraanstaande burgerlijke familie in Lissabon, die geschiedenis, rechten en filosofie gestudeerd had. Als student had hij onder meer les gekregen van leraar Alvaro Cunhal. Hij had gemiliteerd als communist, daarvoor vele malen in de cel gezeten. Hij was gefolterd geworden, verbannen geweest naar Sao Tomé, en finaal in Parijs terechtgekomen in de late jaren zestig.

 

 Anno 1970 was hij met enkele vrienden in de Franse hoofdstad de Portugese sociaaldemocratische beweging in ballingschap beginnen uitbouwen. Die werd in april 1973 met de hulp van de Duitse SPD in Bad Münstereifel tot partij omgevormd. Soares keerde als partijvoorzitter op zondag 28 april 1974 in het feestende Lissabon weer.

 

 Zijn sociaaldemocraten wonnen de verkiezingen voor een grondwetgevend parlement een jaar later. Maar ze werden uit de regering gehouden door de linkse militairen, met de steun van Cunhals communisten. Een sleutelfiguur in dat proces was de 53-jarige kolonel Vasco Gonçalves, die sinds juli 1974 de regering leidde. Hij was in de zomer van 1975 bezig banken, verzekeringen, de staalindustrie en het openbaar vervoer te nationaliseren.

 

 Op 29 mei van dat jaar had Vasco Gonçalves ook Gerald Ford in Brussel ontmoet. Hij legde hem, op aandringen van de Amerikaanse president, uit hoe hij het samenleven van democratie en militair bewind zag: ‘Het originele element aan ons systeem,’ zei hij, ‘is dat er een wetgevende vergadering zal zijn die verkozen is door het volk, in toevoeging van de assemblee van de Beweging van de Strijdkrachten.’

 

 ‘Maar wie controleert dan de regering?’, vroeg Ford. ‘De Raad van de Revolutie’, antwoordde Gonçalves, verwijzend naar het 15-koppig uitvoerend orgaan van de leger-assemblee, waarin uitsluitend officieren mochten zetelen. ‘Dat zal zo blijven gedurende de overgangsperiode die drie tot vijf jaar zal duren. Waarna we een nieuwe grondwet nodig zullen hebben, maar dat zal tijd vergen.’

 

 Tegenover de Duitse sociaaldemocratische bondskanselier Helmut Schmidt vroeg Ford diezelfde dag nog ‘hoe de Europeanen zouden reageren als de Azoren hun onafhankelijkheid ten opzichte van Portugal zouden uitroepen?’ Het was een scenario dat in Washington werd overwogen, voor de eilandengroep in het midden van de Atlantische Oceaan die sinds 1941 zo cruciaal was voor de militaire luchtverbindingen met Europa. De bondskanselier maande aan tot voorzichtigheid.

 

 Hij en zijn West-Europese collega’s – vooral dan SPD-voorzitter Willy Brandt, en de Britten van Labour, premier Harold Wilson en diens latere opvolger Jim Callaghan – hadden ook wel Gonçalves gesproken. 

En voor alle zekerheid ook met Leonid Breznjev, president en partijleider van de Sovjetunie.


 Britten en Duitsers hadden die met fluwelen handschoenen gewaarschuwd geen avontuur in Lissabon te beginnen. Ze leerden dat Breznjev de veiligheidsdiensten van zijn satellietstaten Roemenië en de DDR had uitgestuurd in steun aan de communisten in Lissabon. Maar op termijn liet Breznjev verstaan niet belast te willen worden met de economische steun voor een communistisch geworden en door het westen totaal geïsoleerde Portugal? Eén Cuba dat zwaar te onderhouden was, was hem al genoeg.

 

 Schmidt, Callaghan en ook toenmalig SPD-voorzitter Willy Brandt hielden nauw contact met hun wat aarzelende Portugese collega Soares. Ze bezorgden diens partij en de ermee gelieerde vakbond ruimschoots geld, harde Duitse marken, om de strijd aan te gaan. ‘Ik ben daar, ondanks de kritiek die er geweest is, nog altijd fier op,’ schreef Brandt later in zijn memoires, ‘zeker in een eeuw die niet bepaald zwanger was van een overaanbod aan Europese solidariteit.’

 

 Ook van Amerikaanse zijde kwam er in het najaar van 1975 financiële hulp, voor de rechtsere partijen PPD en CDS. Ambassadeur Frank Carlucci legde op 15 september aan Kissinger uit dat Soares wel degelijk de moeite was om in te investeren, maar zich liever niet aan Amerikaanse hulp wilde verbranden en voldoende had aan de Europese. Waarop de Harvard-professor toegaf dat Soares ‘het inderdaad wel wat beter doet de jongste maanden.’

 

Soares

 

 De finale machtsstrijd in Lissabon kwam er in het najaar van 1975. Het land verviel aan het eind van de zomer in anarchie. Er heerste een diepe economische crisis die nog versterkt was door de politieke chaos. Het bbp van Portugal kromp in 1975 met 15 %. De regering stond permanent onder druk van stakingen.

 

 Er was ook een machtsstrijd in het leger bezig om de sleutelposities bij een eventuele staatsgreep in te nemen. Dan, op 25 november, in een al dagen nerveuze sfeer, deden een aantal militaire eenheden, vooral paratroepen onder leiding van Otelo de Carvalho, een poging om de macht te grijpen in Lissabon en het zuiden van het land.

 

 Ze botsten echter op een beter voorbereide tegencoup onder leiding van luitenant-kolonel Antonio Ramalho Eanes. Die was tot dan een eerder anoniem lid van de Beweging van Strijdkrachten. Eanes kon rekenen op quasi alle legereenheden in het noorden van het land en ook verscheidene in en om Lissabon.

 

 Het noorden was een gebied van kleine landeigenaars, waar men niet gediend was met de nationalisering en herverdeling van de landbouwgrond, die vooral gericht was tegen het grootgrondbezit in het zuiden. Men was er dus veel minder enthousiast over de revolutie. 


 De confrontatie duurde een dag, en eindigde met drie doden en de arrestatie van de linkse putschisten, onder wie de Carvalho. Cunhal vaardigde al in de vooravond een persmededeling uit waarin hij alle partijleden opriep van ‘wanhoopsdaden’ af te zien.

 

 Tot op vandaag wordt er overigens, niet geheel ten onrechte, in Portugal gediscussieerd of de stuntelige linkse machtsgreep niet bewust uitgelokt is door provocaties van het rechtse kamp, om de staatsgreep die al lang voorbereid was door te kunnen voeren met een perfect motief. 


 Manuel Prado y Colon de Carvajal, de financieel beheerder van de Spaanse troonopvolger Juan Carlos, was op 3 november 1975 – terwijl in Madrid dictator Franco op sterven lag – bij Henry Kissinger om namens de prins een direct contact te leggen met Washington voor de spannende dagen die zich in november ook in Spanje aandienden.

 

 Terloops zei hij dat ‘we rechtstreekse informatie hebben dat er in de volgende twee weken een beslissend moment zal komen in Portugal’. Van rechts of van links, vroeg Kissinger, die blijkbaar niet op de hoogte was. ‘Van rechts,’, antwoordde Prado. Die had eerder ook de Franse president Valéry Giscard d’Estaing gezien. Hij signaleerde nu dat ‘Giscard aanvoelt dat Portugal op de weg zou kunnen zijn om zijn problemen op te lossen.’

 

 Vanaf dan kreeg de democratische beweging heel geleidelijk de overhand. Mario Soares en zijn sociaaldemocraten wonnen de eerste gewone parlementsverkiezingen op 25 april 1976 – zij het met 3 % minder dan een jaar eerder. De presidentsverkiezingen van 27 juni gaven Eanes 60 % van de stemmen, tegenover 16,5 % voor de tweede, de Carvalho.

 

 Het duurde nog vele jaren eer er enige regeringsstabiliteit intrad. En er bleef tot 1982 een militaire raad met een vetorecht op regeringsbeslissingen bestaan, naast de grondwettelijke verplichting om het socialisme na te streven. Maar de democratische verankering van Portugal stond na 1976 vast. 


 Soares zou in 1986, na de tweede termijn van Eanes, de eerste burgerlijke president van Portugal worden, ook voor twee termijnen. Op 28 maart 1977 had hij als eerste minister Portugals aanvraag tot lidmaatschap van de Europese Economische Gemeenschap in Brussel ingediend.

 




Zonsopkomst in het zuiden (1)

 19 april 2024


 Vijftig jaar geleden was democratie in Europa een zeldzaam regime. Vanuit Brussel bekeken lag de buitengrens van de democratie 400 km oostwaarts, dwars door Duitsland, en duizend kilometer zuidwaarts, aan de voet van de Pyreneeën. Maar plots begon de bevrijding van Zuid-Europa van zijn oude grauwe dictaturen. Eind april 1974 in Portugal, vier maand later in Griekenland, eind 1975 in Spanje. Die evenementen kleurden de politieke invulling van mijn studentenjaren. Vandaag en donderdag dus een terugblik op die dagen, toen de zon in het zuiden opkwam.

 

 Vijftig jaar geleden waren staten waar er een vreedzame afwisseling van de macht kon plaatsvinden via vrije verkiezingen een absolute zeldzaamheid. In de wereld vond je die in de Verenigde Staten, Canada, Israël en een groot stuk van West-Europa.

 

 Daarbuiten hadden India en Japan relatief vrije verkiezingen, al had in beide landen de dominante partij sinds 1945 nog geen enkele keer de macht moeten afstaan. Overal elders waren er dictaturen, in een wereld overigens die, buiten het Westen, homogeen straatarm was. China had net weer één van zijn communistische massaslachtingen achter de rug, met miljoenen doden.

  

 Op 25 april 1974 maakte paradoxaal genoeg een staatsgreep van linkse militairen een einde aan de dictatuur. Vier maanden later zakte de militaire junta in Griekenland in elkaar. In november 1975 overleed Francisco Franco, de dictator die ruim 36 jaar voordien na een uitermate bloedige burgeroorlog in Spanje de macht had gegrepen. De grens van de democratie zou zich in de jaren nadien moeizaam verleggen naar het midden van de Midellandse Zee.

 

Griekenland

 

  De burgeroorlog in Griekenland was in het voorjaar van 1947 de aanleiding geweest voor de Amerikaanse president Harry Truman en zijn minister van Buitenlandse Zaken, generaal George Marshall, om de nieuwe mogendheid Amerika na vele aarzelingen volop te engageren in Europa. Het nam er de rol van het uitgebluste Britse Empire over.

 

 Griekenland had sinds de start van de eerste Balkanoorlog in 1912 – waarin het Kreta, Epirus en Macedonië verwierf - alle mogelijke plagen van de twintigste eeuw in Europa over zich gehad. De plastische beschrijving door Truman voor het Congres van een diep verdeelde, vernietigde, getraumatiseerde en hongerende natie van 7 miljoen inwoners was niet eens overdreven.

 

 Er was toen net, eind 1946, een nieuwe burgeroorlog op gang gekomen. Enkele tienduizenden communistische oud-weerstanders poogden het noorden van het land in handen te krijgen. Hun wapens kregen ze bij mondjesmaat van Stalin, de leider van de Sovjetunie. Die liet hen echter ook verstaan dat hij Griekenland als het jachtterrein van Britten en Amerikanen beschouwde.

 

 Ze kregen vooral hulp van de Joegoslavische communistische leider Josip Broz , bijnaam ‘Tito’. Die poogde zich op te werken tot de sterke man van de Balkan. Toen hij, precies daarom, in februari 1948 in botsing kwam met Stalin, kozen de Griekse communisten toch voor Moskou. 

 

 De regering in Athene, rechtgehouden door de Amerikanen, en het Griekse leger konden met de betere wapens vanuit Londen en Washington de rebellie tegen begin 1949 onschadelijk maken. De westerse schenking van de Dodekanesos-eilandengroep rond Kos en Rhodos, die Italië in 1912 op het Ottomaanse Rijk had veroverd maar nu moest afstaan, verhoogden het nationaal prestige van de winnaars in Athene.

 

 Tegen dan waren er minstens 150.000 mensen gesneuveld. Er volgde, tot begin van de jaren zestig, een stevige repressie onder de verliezers, met vele tienduizenden arrestaties en duizenden executies. Permanente folterpraktijken en heel breed geïnterpreteerde inbeslagnames van eigendommen van veroordeelden bleven nog lang aan de orde van de dag.

 

 De Griekse samenleving bleef op de oude leest geschoeid. Er was een kleine geprivilegieerde elite, die voor de zekerheid altijd voldoende deviezen in het buitenland behield. Er was nog veel grootgrondbezit, vooal in handen van een onaantastbare Grieks-orthodoxe staatskerk. Er was een reactionaire monarchie en een sterk en volledig autonoom leger. Dat laatste motiveerde zijn grote beslag op het overheidsbudget met de aloude Turkse vijand. Iedereen deelde, van hoog tot laag, in de corruptie, de plantrekkerij, het permanente doen-alsof.

 

 Gaandeweg groeide toch een zekere burgerlijke invloed, onder de regering van Konstantinos Karamanlis. Dat was een conservatieve, uit Macedonië afkomstige advocaat, die in 1955, op zijn 48ste, een eerste maal premier kon worden. Hij versnelde de door de Amerikanen al zachtjes op gang gebrachte modernisering van het land.

 

 Griekenland was in 1952 lid geworden van de Navo. Het zou, na een eerste aanvraag in 1958 en stevige diplomatie van Karamanlis, in 1962 als geassocieerd lid aanvaard worden in de Europese Economische Gemeenschap. Het perspectief heette volwaardig lidmaatschap in … 1984. De voorloper van de Europese Unie zou de volgende tien jaar ook financiële hulp aan Athene leveren.

 

 In juli 1963 kwam de premier, van wie het aanzien al tanende was, in botsing met de zieke en autoritaire koning Paul. Twistpunten waren minder privilegies voor de monarchie, en meer controle op het leger.  Karamanlis vertrok in ballingschap naar Parijs. Bij verkiezingen in november won PASOK, de nieuwe linkse partij van Georgios Papandreou. Dat was een 75-jarige veteraan van de Griekse politiek, die kortstondig de eerste premier na de Bevrijding van de nazi’s in oktober 1944 was geweest.

 

 Papandreou wilde een gematigd progressieve koers varen. Maar dat was andermaal teveel voor de nieuwe koning, Konstantinos II, en vooral ultrarechtse kringen van officieren. In juli 1965 stuurde de vorst hem de laan uit. Er volgden twee jaren van onstabiele regeringen, en uiteindelijk nieuwe verkiezingen, die op 26 mei 1967 moesten plaatsvinden.

 

Kolonels

 

 Net vijf weken voordien, in de nacht van zaterdag 20 op zondag 21 april 1967, greep een groep militairen de macht. Ze werden aangevoerd door brigadier-generaal Stylianos Pattakos, die de tank-opleidingsschool aan de rand van Athene leidde, en twee kolonels. Eén van die laatsten, de 48-jarige Georgios Papadopoulos, zou spoedig de leiding van het regime nemen.

 

 Pattakos zorgde ervoor dat zijn tanks die nacht de belangrijkste kruispunten in Athene konden bezetten. Andere legereenheden gingen over tot arrestaties van politieke en andere prominenten, ook van leger-opperbevelhebber Grigorios Spandikakis. De drie coup-leiders wisten die laatste te overtuigen een bestaand plan operationeel te maken, dat voorzag in de overname van het land door de militairen. Tegen de ochtend hadden ze Griekenland zo goed als in handen. De Griekse omroep speelde enkel nog militaire muziek, afgewisseld met aankondigingen van het nieuw bewind.

 

 Tienduizenden verdwenen in de gevangenissen. De meesten kwamen snel weer op vrije voeten. Maar ongeveer 6000 bleven als (echte en vermeende) communisten gebrandmerkt. Het ‘kolonelsregime’, zoals het dra werd genoemd, vermeed ditmaal de executies. Maar onmenselijke gevangenisomstandigheden, onteigeningen, en vooral gesofisticeerde foltertechnieken werden opnieuw legio.

 

 Toen de actrice en zangeres Melina Mercouri in de zomer van 1967 in de Verenigde Staten een campagne tegen het regime opstartte, ontnam Pattakos, inmiddels minister van Binnenlandse Zaken, haar het staatsburgerschap. Hij liet al haar bezittingen in Athene in beslag nemen. Mercouri reageerde: ‘Ik ben Grieks geboren en zal altijd Grieks blijven, Pattakos is fascist geboren en zal altijd fascist blijven.’

 

 De componist Mikis Theodorakis, communist en in 1964 beroemd geworden door de muziek van de film Zorba de Griek, beleefde drie jaar lang de gevangenissen en het huisarrest van de kolonels. In 1970 lieten die hem onder internationale druk in ballingschap vertrekken.

 

 Koning Konstantinos bezorgde het regime op 21 april 1967 na enig aarzelen zijn goedkeuring. Zijn biechtvader gaf Papadopoulos namens de kerk de zegen, waarvoor die hem beloonde met een benoeming tot aartsbisschop. Het regime zou de vorst nadien vooral negeren. De koning organiseerde daarom een tegen-staatsgreep in Thessaloniki op 13 december 1967, die echter deerlijk mislukte. Konstantinos en zijn familie vlogen daags nadien naar Rome. Hij zou nooit meer terugkeren.

 

 Washington had initieel aarzelend gereageerd op de coup. Maar toen zes weken later Griekenland als luchtsteunpunt onontbeerlijk werd voor de eventuele hulp aan Israël in de Zesdaagse Oorlog (van 5 tot 10 juni 1967), gingen de VS het regime steunen. Pogingen van Europese leden om Griekenland uit de Navo te gooien, botsten op een Brits en Amerikaans veto. Onder druk van Nederland en de Scandinavische landen trad Athene eind 1967 wel uit de Raad van Europa. De Europese Commissie schortte voor 1968 haar financiële hulp op.

 

  Investeerders en toeristen keerden na de initiële verbazing dra weer. Economisch ging het de kolonels voor de wind, zolang ook elders in Europa de hoogconjunctuur aanhield. Mentaal draaide het regime de klok helemaal terug. Het zuiverde universiteiten en scholen van te vernieuwende professoren en leraren. De minirok en het Beatles-kapsel (haargroei bij mannen die ook het bovenste stuk van de oren bedekt) waren voortaan verboden.

 

Portugal

 

 Die verstikkende sfeer van dorpscultuur van anno 1900 kenden de Portugezen al veel langer. In 1926 had een militaire staatsgreep een einde gemaakt aan de chaotische jaren van de eerste republiek na de val van de monarchie in 1910. Maar ook de militairen kregen geen stabiliteit in het zes miljoen inwoners tellende straatarme land.

 

 In 1928 dreigde het bankroet. De nieuwe president, een generaal, bood daarop de 39-jarige Antonio de Oliveira Salazar de portefeuille van Financiën aan. Dat was een professor in de economie aan de universiteit van Coimbra. Hij was de zoon van een kleine landeigenaar uit de streek die dankzij een studiebeurs rechten had kunnen studeren. Salazar had schitterende resultaten behaald die hem de benoeming aan de universiteit opleverden. De professor was diep katholiek, conservatief en ascetisch.

 

 Hij vroeg volmachten voor hij zijn benoeming aanvaardde. Daarna saneerde hij de financiën, werd hij populair. Hij promoveerde in 1932 tot premier.  Salazar zou die functie 36 jaar blijven uitoefenen, altijd in cumul met Financiën, vaak ook met andere portefeuilles. Hij dwong Portugal, zich beroepend op pauselijke encyclieken, een eenpartijstaat op, de Estado Novo, een autoritaire versie van reactionair katholicisme.

 

 De ultieme verzekering daarachter was een versterkte politie, die genadeloos optrad tegen politieke tegenstanders. In alles was dit de dictatuur van één man, die allen die hem gekend hebben als een briljante conservatief omschrijven. Salazar was er op uit de in zijn ogen vele kwalen van de moderne wereld uit Portugal te houden. Daartoe rekende hij het ongebreideld kapitalisme, het communisme, maar ook het in zijn ogen te volkse fascisme. Geleerd uit de politiek chaotische jaren van zijn jeugd wou hij vooral depolitiseren.

 

 Met het wijzigen van de achterhaalde maatschappelijke structuren van een arm en achterlijk land was hij niet gehaast, ook al loodste hij het in de Navo, de OESO, en de Europese Vrijhandelsorganisatie EFTA. Hij heeft zich zo lang kunnen handhaven, omdat hij stabiliteit bracht en niemand hem ooit van enige corruptie of verrijking heeft kunnen beschuldigen. Het maakt dat hij ook vandaag nog een vrij goede reputatie geniet in zijn land.

 

 Eén van de dingen die Salazar onveranderd wou houden was Portugals nog aanzienlijk koloniaal imperium, ook toen de dekolonisatie ca 1960 wereldwijd in een stroomversnelling trad. Het onafhankelijke India veroverde eind 1961 in twee dagen de 451 jaar oude Portugese kolonie Goa, ten koste van vijftig doden. De eerste minister zette van dan af volop in op de militarisering van de andere kolonies – Angola, Mozambique, Guinée-Bissau. De prijs bestond uit steeds hogere defensie-uitgaven en langere dienstplicht voor de slecht betaalde rekruten en soldaten.

 

 Toen Salazar in augustus 1968 getroffen werd door een beroerte – hij was toen 79 en zou twee jaar later sterven – volgde Marcelo Caetano hem op. Dat was de 62-jarige rector van de universiteit van Lissabon. Die had in de jaren veertig en vijftig een tijdlang als tweede man van het regime gegolden. Hij deed zijn best wat kleine openingen te creëren, maar het was allemaal te laat. De wereld kwam eind de jaren zestig nog veel meer in beweging dan voorheen. De herinnering aan de politieke chaos van veertig jaar eerder was als motief voor een verstikkende stabiliteit en een politiestaat al lang vervlogen.

 

Spanje

 

 Spanje, dat zo’n 25 miljoen inwoners telde in 1936, was een ander verhaal, veel bloediger ook. Als grootmacht was het in verval sinds de dynastie van de Austrias (met onze Karel V en Filips II) tussen 1520 en 1630 de economische opbloei van Castilië en zijn nieuwe kolonies opgesoupeerd had in eindeloze oorlogen elders op het continent.  Wat overbleef van zijn koloniaal rijk verloor het in een kort conflict met de Verenigde Staten om Cuba en de Filippijnen in april 1898. Daarin schoten de Yankees zowat de hele Spaanse vloot naar de haaien.

 

 Zoals Portugal en Griekenland was Spanje nauwelijks beroerd door de Industriële Revolutie. De nog steeds machtige kasten van het Ancien Régime en het uitgebuite volk stonden er tegenover elkaar, met daartussen een uitermate bescheiden middenklasse.  Bij het volk domineerden de boeren en landarbeiders. De kleine concentraties aan arbeiders in onder meer Barcelona, Baskenland en vooral de mijnen van Asturië zochten soelaas in de armen van de meest radicale socialisten.

 

 Het culmineerde, zoals in Portugal, in politieke chaos in de jaren twintig en dertig, vaak gepaard gaande met explosies van geweld. Er kwam, tussen 1923 en 1930, een eerste rechtse dictatuur tot stand, onder generaal Miguel Primo de Rivera. Na de val van de monarchie in 1931 en vijf nieuwe chaotische jaren begon op 17 juli 1936 een staatsgreep van een groot deel van het leger. Daar zette zich na enkele maanden de amper 44-jarige generaal Francisco Franco (foto) als leider door.

 

 Franco was de tweede zoon uit een familie van marine-officieren in El Ferrol, in het uiterste noordwesten van Galicië. De klap van 1898 dwong hem een voorgeprogrammeerde carrière bij de marine in te ruilen voor het landleger. Hij zou dra opvallen, als organisator en strijder, in de oorlog die Spanje vanaf 1909 aanging om de controle van het tot dan onverkende Rifgebergte in Noord-Marokko. In 1916 liet hij bijna het leven, toen een schot hem in de lever trof, maar hij herstelde. In 1926, 34 jaar oud, promoveerde hij tot de jongste generaal ooit van het Spaanse leger.

 

 Franco had op verre na niet het intellect van Salazar. Zijn kleine gestalte (1m64), zijn falsetto-stem, zijn kepietje van de koloniale strijdkrachten, zijn snorretje, zijn te hoge laarzen en dra ook een zekere corpulentie maakten hem tot geliefkoosd doelwit van karikaturisten. Maar hij had een ijzeren zelfdiscipline en buiten de oorlog een voorzichtige en wantrouwige natuur,

 

 Beide waren gekneed door een vereerde, gedecideerde en strenge moeder, die de vele slippertjes van haar man stoïcijns negeerde.  De kleine jonge Franco was vooral verschroeiend ambitieus, en goed in zelfpromotie. Zijn echtgenote vanaf 1923, de dochter van een vooraanstaande advocaat in Oviedo, zou hem in beide trekken nog aanmoedigen.

 

 Als generaal werd hij in oktober 1934 de verantwoordelijke voor het bloedig neerslaan van een opstand van de woelige mijnwerkers in Asturië. Hij liet daar ongeveer 1500 doden achter. Hij was meteen bekend, net als zijn conservatieve voorkeuren voor kerk, leger en monarchie. Zo geraakte Franco, toen begin 1936 het geweld in het land overal uit de hand liep, betrokken bij de samenzweerders die het hele leger wilden inzetten om een einde te maken aan de chaotische democratie van de vijf jaar oude Tweede Republiek.

 

 Van in de eerste dagen van de staatsgreep van juli 1936 was het militair overwicht van het leger duidelijk. Dat werd later nog versterkt door de forse steun – onder meer met vliegtuigen - vanwege Mussolini’s Italië en Hitlers Duitsland. Daartegenover kregen de sowieso al verdeelde Republikeinen enkel wat hulp van 15.000 buitenlandse vrijwilligers en wat wapens van Stalin, die de Republiek zijn totalitaire praktijken oplegde. Toch duurde het nog bijna drie jaar eer de burgeroorlog, na de val van Madrid en Barcelona begin van dat jaar, bezegeld werd met het zegecommuniqué van generallissimo Franco op 1 april 1939.

 

 Er waren toen een half miljoen mensen gesneuveld, waarvan slechts de helft op het slagveld. Nog eens zoveel Spanjaarden vluchtten het land uit. Bovenal werd de Spaanse Burgeroorlog bekend om zijn systematische gruwelpraktijken. Daarvan was het door Picasso vereeuwigde brutale Duitse bombardement op het Baskische Guernica (26 april 1937, een duizendtal doden) nog een kleintje. Gedurende drie jaar maakte geen van de strijdende partijen krijgsgevangenen. Aan de terechtstelling van grote groepen tegenstanders gingen vaak de meest perfide en sadistische voorbereidingen vooraf, versterkt door het overmatig gebruik van drank.

 

Opus Dei

 

 Na Franco’s triomf in de Paasweek van 1939 liet het regime nog minstens 50.000 al dan niet vermeende tegenstanders genadeloos executeren. Graaf Ciano, Mussolini’s minister van Buitenlandse Zaken, schatte tijdens een bezoek in juli 1939 het aantal terechtstellingen per dag op 250 in Madrid en 150 in Barcelona.

 

 Officieel gebeurde dat allemaal na veroordeling door het gerecht, maar gezien de aantallen laat zich raden hoe. Zelfs SS-baas Heinrich Himmler, op bezoek in Madrid in 1940, signaleerde Franco zijn verbazing over zoveel brutaliteit. Hij suggereerde dat de gevangenen nuttiger konden zijn als uitgebuite arbeidskrachten bij de wederopbouw.

 

  Spanje begon aan een ijstijd van twintig jaar, met een totalitair en repressief regime rond Franco, dat internationaal geïsoleerd stond. Intern herstelde het zowat het Ancien Regime en bestuurde het een hongerend en straatarm land. Emigratie – vooral naar Latijns-Amerika – vormde er het beste perspectief.


 Om en bij de 200.000 Spanjaarden zouden in de jaren veertig aan honger zijn gestorven. Willy Vandersteen vertelde in zijn Suske en Wiske-verhaal over De Stierentemmer in 1950 nog hoe de primitieve wegen in de Spaanse bergen geteisterd werden door roversbenden.

 

 Pas aan het einde van de jaren vijftig doorbrak Washington dat isolement, in ruil voor drie luchtmachtbasissen en één voor de Navy. Franco zelf, dan al de 65 voorbij, begon het dagelijks regeren steeds meer over te laten aan conservatieve technocraten, die geschoold waren in Opus Dei.

 

 Dat was een elitair katholiek diep-conservatief genootschap, ontstaan in Spanje in 1928 en erkend door het Vaticaan in 1950. Vanwege zijn regels van geheimhouding noemden de rivaliserende jezuïeten – op wiens vroegere aanpak het Opus geïnspireerd was – de organisatie smalend ‘een vorm van christelijke vrijmetselarij.’

 

 Onder hun impuls werd Spanje rijp gemaakt voor binnen- en buitenlandse investeringen, in een industrie met goedkope arbeidskrachten en met het toerisme als speerpuntsector. Tegen het eind van de jaren zestig werd het zelfs mogelijk bikini's te gedogen op de stranden. Spanje schakelde zich ook geleidelijk in de internationale handel in, met zelfs een eerste, afgewezen verzoek tot lidmaatschap van de EEG in 1962.

 

 Vooral in de noordelijke kustgebieden en Catalonië drong zo dan toch de twintigste eeuw binnen, via een stroom van buitenlandse bezoekers. Zelfs vele van de conservatieve technocraten van het regime begonnen aan het eind van de jaren zestig te vermoeden dat de aanpak van de bejaarde generallissimo stilaan zijn tijd gehad had.

 

 (Deel II, over de Anjerrevolutie in Portugal, volgt op 25 april. In de zomer zullen we ook aandacht besteden aan de val van de Griekse kolonels)

 


Wijsheden van Woeste

`1 april 2024


 Eind 1921, enkele maanden voor zijn dood, schreef de 85-jarige katholieke conservatieve Belgische politicus Charles Woeste de laatste hoofstukken van zijn omvangrijke memoires. Daar staan ook passages in over het verval van de politiek. Die klinken 103 jaar later nog altijd alsof ze vandaag geschreven werden. En ook elders in die vergeten tekst kan men wijze lessen over politiek en samenleving vinden.

 

 Charles Woeste (foto: de cover van Le Patriotte Illustré bij zijn dood in april 1922) kennen we – voor zover we hem nog kennen – als de oerconservatieve politicus en tegenstander van Pieter en priester Daens, in beide meesterwerken: het boek van Louis Paul Boon en de verfilming daarvan door Stijn Coninx (waar Studio 100 dan nog een succesrijke musical van heeft gemaakt). Coninx deed hem overigens grotendeels recht door Woeste ook als een geslepen en sluwe intrigant op te voeren met een heel groot netwerk dat hij handig voor zijn eigen belangen kon inzetten, tot de paus in Rome toe.

 

 Woeste was echter niet voor niets de politicus die de Belgische politieke scene van 1884 tot 1914 domineerde. In elk parlement is het grootste plezier voor een verslaggever de (schaarse) toespraken te beluisteren van sprekers die met goede dossierkennis, ijzeren logica en retorisch talent een onzeker debat een andere richting kunnen uitsturen. Als je zijn interventies in de Kamer vandaag erop naleest – en vooral het vervolg van de debatten nadien – is het duidelijk dat Woeste ook zo iemand was.

 

 Zijn memoires, drie delen dik, getuigen daar eveneens van. Woeste was een begenadigd schrijver en polemist, hield zich heel zijn leven lang bezig met het uitgeven en vullen van de vele tijdschriften met lange artikels waarvoor de mensen toen nog de tijd vonden om die te lezen. Zijn memoires leveren het getuigenis van een ijdel man, maar ook van een scherpzinnig analyst en van een politiek strateeg, die heel goed wist wanneer hij in de contramine moest gaan en wanneer hij zich moest inhouden. Zijn portretten van mede- en tegenstanders zijn even genadeloos als realistisch.


Graaf

 

 Woeste was de zoon van een Duitse immigrant die als protestant Brussel boven het Rijnland had verkozen. Zijn moeder was Belgisch en katholiek. Gezette burgers, zeg maar, die hun zoon naar het atheneum van Brussel stuurden, en naar de universiteit van Brussel, om er advocaat te worden. Edmond Picard was een medestudent. Woeste bekeerde zich op zijn 15de tot het katholicisme en zette zich van dan af in als verdediger van kerk en hiërarchie, zonder daarom ultramontaan te worden, dus in de beste traditie van het vrij liberaal Belgisch katholicisme.

 

 Hij werd een succesvol zakenadvocaat en pleiter bij Cassatie. Sinds 1874 wasvolksvertegenwoordiger voor Aalst, wat hij 48 jaar zou blijven. Zijn ministerschap was kort, vier maanden in 1884, omdat Leopold II de katholieke regering als te radicaal ontsloeg na wat liberale rellen in Brussel. De koning had de liberale oppositie nodig om zijn benoeming tot koning van Congo-Vrijstaat goed te keuren.

 

 Woeste, 47 op dat moment, revancheerde zich door organisatie in de katholieke rangen te brengen, zodat de fractie wat beter de koninlijke invloed kon inperken als die inging tegen de belangen van de achterban. Maar vanaf het midden van de jaren negentig werd hij de vertrouwensman van de even conservatieve Leopold II, die hij ook in diens Congolese avonturen en schandalen afdekte tegen August Beernaert.

 

 Beernaert, een veel meer wereldse en modern denkende heer als Woeste en een even succesvol advocaat, was de regeringsleider geweest van 1884 tot 1894. Hij had toen de koning aan zijn Congo geholpen, maar begreep na 1900 dat die toestand onhoudbaar werd, toen de internationale kritiek losbarstte. Beernaert zou ook de meer progressieve christendemocraten onder de katholieken steunen, omdat die de partij een toekomst konden verzekeren onder het algemeen stemrecht.

 

 De eeuwige rivaliteit tussen de partijgenoten Woeste en Beernaert is één van de meest legendarische uit de Belgische politieke geschiedenis. Woeste werd door Leopold II beloond met de titel van graaf, een eer die de vorst Beernaert duidelijk niet gunde. Die won wel de Nobelprijs voor de Vrede voor zijn werk inzake bemiddelingstechnieken tijdens de Vredesconferenties van Den Haag anno 1900. Beernaert overleed in 1912.


Kalevoet

 

 Charles Woeste huwde op zijn 29ste met Marie-Louise Greindl, de dochter van een Brusselse generaal en vrijmetselaar, die na een kortstondig ministerschap op Oorlog in de laatste unionistische regering van Pierre de Decker (1855-57) door koning Leopold I tot baron was gemaakt. Het echtpaar kreeg zeven kinderen. 


 Ze woonden in de winter in de Napelsstraat 19 in Elsene, in een burgerhuis met koetsportiek dat er nog staat, wat vervallen en met een versleten gedenkplaat die aan Woeste herinnert. Dat huis ligt vlak achter de (kleine) ring, op twintig minuten wandelen van zowel het Justitiepaleis als het Parlement. In de zomer verbleven de familie Woeste  in een klein kasteeltje met een groot domein in het zuiden van Ukkel, wat nu het Brussels natuurdomein Kinsendael is, niet zo ver van het station van Kalevoet.


 De eerste twee delen van zijn memoires, die vijf en tien jaar na zijn dood verschenen, zijn dikke volumes die over de hele periode tussen 1870 en 1914 handelen. Ze zijn onmisbare lectuur voor wie de politieke geschiedenis van die tijd wil begrijpen. In 1937 verscheen een laatste en veel korter deel, over de jaren 1914-1921. De hoofdstukken daarvan zijn apart geschreven, telkens weer als aanvulling, en met vermoedelijk telkens in het achterhoofd dat dit zijn laatste tekst kon zijn. Hij kon het schrijven duidelijk niet laten. De laatste bladzijden gaan over december 1921. Woeste stierf op 5 april 1922, beloken Pasen, 85 jaar oud.

 

 Hij gold natuurlijk in de revolutionaire tijden van het einde van de Eerste Wereldoorlog helemaal als dépassé. De nieuwe koning Albert, die komaf wou maken met de al dertig jaar oude politieke dominantie van Woestes katholieken voor 1914, raadpleegde hem niet eens toen hij op het kasteel van Loppem bij Brugge tussen 13 en 15 november een driepartijenregering samenstelde. Daarin duidde de vorst zelf nieuwe leiders voor de katholieken aan en legde hij het algemeen enkelvoudig stemrecht op zonder de noodzakelijke grrondwetsherziening.

 

 Woeste zou nog een paar keer in de Kamer wat scherpe salvo’s afvuren op de zo ontstane regering. Maar ook uit zijn memoires blijkt dat hij doorgaans op compromissen aanstuurde met wat hij overduidelijk als de nieuwe realiteit beschouwde. Hij was nooit het type geweest dat een oorlog startte die hij niet kon winnen. Inmiddels de tachtig voorbij, kon of wou hij duidelijk ook niet meer de arena in, waarin hij zolang een echte vedette was geweest.


Staatsfinanciën

 

 Toch willen we uit zijn laatste memoires drie passages aanhalen, die veel minder op politieke feiten uit die laatste jaren slaan, dan wel met zijn gebruikelijke scherpte zijn geschreven en nog vandaag actueel klinken. In het eerste fragment, uit het jaar 1920, beschreef Woeste de in zijn ogen chaotische aanpak die gegroeid was in het beheer van de staatszaken, door het ontstaan van coalitieregeringen:

 

 Terwijl de politieke agenda beheerst werd door de grondwetsherziening, diende de regering een overvloedig aantal wetsontwerpen in. Het Parlement kreeg amper de tijd ze te lezen. Vele ervan werden in zekere zin met de ogen dicht goedgekeurd. Daarbij wil ik speciaal de nieuwe wetten op de huur vermelden… Daarin stonden de eigenaars en de huurders tegenover elkaar. De socialisten wilden de huurders bevoordelen. Maar ze waren tegelijkertijd op hun hoede voor de kleine eigenaars. Om aan alle belangen iets te geven werden we verplicht allerlei incoherente bepalingen goed te keuren.

 

 Een ruime plaats in de parlementaire debatten kregen ook de wetten op de lastenverhogingen. Eerste minister Leon Delacroix had eigenlijk onmiddellijk bij zijn aantreden het land moeten waarschuwen dat besparingen noodzakelijk waren, omdat er in de Financiën van de Staat geen enkele ruimte meer was voor vrijgevigheid. Niets daarvan echter.

 

 Ongetwijfeld heeft hij op een vage manier zijn collega’s verwittigd dat men maat moest houden in de uitgaven. Maar van alle kanten eiste men schrikwekkende verhogingen van de lonen. Er vond in dat verband een constante wedijver plaats waarbij de verwachtingen in buitengewone proporties werden overtroffen. En eens men de eerste toegevingen had gedaan, dacht men niet de nieuwe te kunnen ontwijken, die zich elke dag aandienden.

 

 De leden van de Kamers gaven het slechte voorbeeld. Ze keurden voor zichzelf een jaarlijkse vergoeding van 12.000 frank goed, waartegen ik heb geprotesteerd en gestemd. De ministers hadden het voorbeeld gegeven door zichzelf 30.000 frank toe te kennen, met bovenop 9000 frank representatiekosten en een dure automobiel, allemaal bovenop de parlementaire vergoeding overigens.

 

 Uiteindelijk kwam premier Delacroix toch met een ‘budget in evenwicht’ op de proppen. Het bleek een fictie. Want enkele weken later al verklaarde de nieuwe minister van Oorlog, Janson, dat de regering tegen 31 december 4 miljard frank moest vinden om de uitgaven te dekken, en dat ze die niet had.

 

 Delacroix greep dan maar naar nieuwe belastingwetten. Maar hij ondervond de grootste moeilijkheden om de nieuwe wetgeving op de inkomsten uit te werken. Die wet was, zogezegd omdat ze urgent was, heel snel gestemd geweest aan het einde van de parlementaire zittijd van 1919. Maar de regering begreep snel dat, zoals ze was opgesteld en goedgekeurd, ze nauwelijks in de praktijk te brengen was. Ze diende dan maar een aanvullende wet in en liet die stemmen, niet zonder dat er weerstanden ontstonden. En toen de uitvoeringsbesluiten moesten worden opgesteld, rezen nieuwe moeilijkheden …

 

Massawraak


 Een herkenbaar verhaal, toch? Ook al is het ruim een eeuw oud. Heel interessant is ook de passage waarbij Woeste de sfeer beschreef onmiddellijk na het einde van de oorlog, in de winter van 1918-19 en hoe ook de magistratuur en de volksvertegenwoordigers onder druk stonden van wraakgevoelens bij de bevolking. Hij gaf, aan het einde, ook toe dat hij en zijn collega’s daarin niet erg dapper waren

 

 Er vonden vele debatten plaats over de vervolgingen die men al dan niet moest instellen of energiek moest steunen tegen diegenen die, terecht of ten onrechte, ervan beschuldigd werden zwak te zijn geweest tegenover de vijand. Daarbij verwaarloosde men compleet de moeilijke positie waarin een massa Belgen had gestaan in de vier jaar dat zij op het grondgebied van het (bezette) vaderland waren gebleven.

 

 De plotse bevrijding, de schittering van de overwinning, het terugtrekken van de vijand, veel sneller vanaf oktober dan men had durven verhopen, bracht vele hoofden op hol. Enkele radicalen lieten zich opvallen als de meest opgenaaide en gewelddadige lui. Ze eisten straffen. En zo gebeurde het dat, waar men tijdens de oorlog het patriottisme van alle Belgen had uitgedragen, men nu enkel nog sprak over het zo breed als mogelijk openen van de gevangenispoorten, en over een regen aan straffen.

 

 Men beschuldigde de parketten en de rechters. Men verweet hen te zacht te zijn. En het is door die beschuldigingen dat het aantal processen met verraad als aanklacht snel toenam. Natuurlijk moesten er voorbeelden gesteld worden. Maar als men alle omstandigheden in rekening zou hebben gebracht, zou men vermoedelijk wat voorzichtiger zijn geweest. Represailles maken slachtoffers. En als je ze niet op tijd stopt, creëer je reacties.

 

 Het is inderdaad onder de invloed van die epidemie van beschuldigingen, dat men aan de Kamer de toestemming vroeg om één van haar leden te vervolgen, aan wie men verweet cement aan de Duitsers te hebben geleverd. Ik onderzocht zijn dossier, en mijn vrienden en ik kwamen tot het besluit dat men geen schuld bij hem kon vinden. Desondanks, en na behoorlijk wat aarzelingen, besloten we toch vervolging toe te laten, ook al lieten we in ons rapport duidelijk blijken dat we ze afkeurden.

 

Magistratuur


  Woeste werd overigens zelf in die verhitte sfeer beschuldigd van collusie met de bezetter. Hij was ook in het bezette land gebleven en had een paar keer als bemiddelaar opgetreden tussen Belgische en Duitse autoriteiten. Zo vond hij onder meer dat de staking van Justitie die in februari 1918 begon nadat de bezetter drie hoge magistraten had laten deporteren niet hoefde te blijven duren.

 

 Hij probeerde te bemiddelen, en wilde, gezien de machtsverhoudingen, de protesterende magistratuur van Cassatie ertoe aan te zetten wat minder scherpe taal te gebruiken in een besluit dat ze had genomen, zonder daarom haar principieel protest te laten vallen. Waarna deze geraffineerde beschrijving volgde vanwege een geroutineerd advocaat over het functioneren van de magistratuur:

 

 Ik ging hierover overleggen met mijnheer Van Iseghem, Kamervoorzitter in het Hof van Cassatie, aan wie het auteurschap van het besluit van dit Hof werd toegeschreven. Hij had in die tekst duidelijk alle kwaliteiten van de jurist gelegd, eerder dan die van de staatsman. Maar ik kon hem niet overtuigen. Hij was er zeker van dat hij een onwrikbare tekst had opgesteld.

 

 Hij voegde daaraan toe dat iedereen hem gelijk gaf. Ik probeerde hem te corrigeren. Maar dat lukte niet. Finaal zei ik hem dat hij ‘toch een slechte pers had’, en dat dat gevoel enkel zou groeien. Wat ik zeker wist was dat nogal wat magistraten in hun gesprekken betreurden dat men niet beter gemaneuvreerd had naar een zekere verstandhouding toe.

 

 Ach, het is altijd moeilijk om mensen terug te halen die zich inbeelden dat ze een meesterwerk hebben afgeleverd. En misschien is het ook wel zo dat diegenen die eigenlijk hun onvrede lieten blijken over de onverzoenlijkheid bij sommige leden van het Hof van Cassatie, dat tegenover henzelf ook niet openlijk durfden of wilden zeggen. Burgermoed is nu eenmaal zo’n zeldzaam iets. 


 Niemand vroeg overigens aan de magistratuur om niet langer haar onafhankelijkheid te benadrukken en op te komen voor die rechtvaardige zaak. We hadden alleen gewenst dat ze het bereiken van een akkoord dat op dat moment wenselijk was voor wezenlijke Belgische belangen, niet extra had bemoeilijkt.


Het oude keizerlijke paleis (Schloss) in hartje Berlijn, helemaal afgebroken in 1950 en in 2020 helemaal in zijn oude glorie hersteld.

De verkiezingsaffiche van de katholieke Zentrumpartei van Heinrich Brüning in 1932. Blijkbaar geloofden de partijstrategen dat dit kon aanslaan.

Terug naar Berlijn (3, slot)

  

23 maart 2024

 

 Berlijn etaleert vandaag meer dan ooit zijn geschiedenis. Ik ken geen stad waar je zoveel verwijzingen en uitlegborden over het verleden tegenkomt als de Duitse en voormalige Pruisische hoofdstad. Daarbij gaan de autoriteiten van het land de nazi-periode niet uit de weg, ze etaleren ze voluit, in wat bijwijlen zelfs een oefening in zelfkastijding lijkt te worden. Of is er ook een zekere fascinatie?

 

 Ze hebben het dan toch gedaan: het hele Berliner Schloss heropbouwen, aan het oostelijk uiteinde van Unter den Linden. Dat was het oude keizerlijk paleis, met zijn beroemd balkon. Van op die plek riep keizer Wilhelm II op 1 augustus 1914 uit Ich kenne keine Parteien mehr, nur noch Deutsche. Vier jaar later riep Karl Liebknecht, de leider van de linkervleugel van de sociaaldemocraten, vanop hetzelfde balkon de socialistische republiek Duitsland uit.

 

 Het oude paleis was geleidelijk gegroeid, sinds de eerste hertogen – tegelijk keurvorsten – van Brandenburg in het midden van de vijftiende eeuw daar een residentie bouwden, in het nog piepkleine stadje Berlijn. Het lege paleis werd zwaar gebombardeerd in de Tweede Wereldoorlog. De Oost-Duitse partijleider Ulbricht liet de restanten in 1950, als getuigen van een reactionair verleden, opblazen.

 

 Enkel het middenstuk met het balkon liet hij behouden, omdat dat door Liebknechts afkondiging communistische heilige grond was. Dat balkon staat er nog steeds, ingewerkt in de voorste wand van het gebouw uit de jaren 1950 van de Staatsrat, de zetel van de regering van de voormalige DDR. Dat staat vlak achter het hernieuwde Schloss, dat uiteraard een gelijkaardig middenstuk met balkon heeft. Een kopie van het origineel in de Staatsrat dus. (zie foto hierboven, met het Schloss en rechts erachter de Staatsrat) Berlijn is soms wel heel speciaal.

 

 Waar geen spoor meer van te bekennen is, tenzij op een kleine pancarte in een hoekje, is van het Palast der Republik, dat DDR-leider Erich Honecker in de jaren zeventig liet bouwen op de plek van het Schloss. Dat was een fraai modernistisch gebouw met heel veel ramen. En omdat er altijd licht brandde, noemde de bevolking dat ‘Eriks lampenwinkel’.

 

 Het Palast is in 2009 afgebroken, en vrij snel nadien is begonnen met de complete heropbouw van het Schloss. Het geld kwam er via fundraising onder de bevolking, de Duitse bedrijven en de vele Duitse overheden, een formule die eerder ook al de Frauenkirche in Dresden en het oude stadscentrum van Frankfurt had doen herrijzen. Als je wil leren hoe je oude vernielde stadscentra in ere herstelt, moet je ten oosten van de Elbe zijn, in Warschau zeker, tot in Kiev zelfs.

 

 Ik was wat sceptisch over die plannen voor het niet zo fraaie Schloss, maar het mag gezien worden. Het is af sedert 2020. Het hoort wel bij de andere historische gebouwen in de omgeving. Een wand – de oostkant – en de hele binnenbouw zijn op moderne leest geschoeid. Het zogenaamde Humboldt-forum huist er, met wetenschappelijke centra, ruimte voor kunstenaars, en dergelijke.

 

 Zo heeft ook deze hoek van Berlijn zijn overvloed aan historische gebouwen. Tegenover het balkon van het Schloss staat de Berliner Dom, de voormalige keizerlijke hofkerk met het graf van de allereerste Pruisische koning (dat was de hertog van Brandenburg, die anno 1700 door de Weense Habsburger-keizer bevorderd werd omdat hij met koning-stadhouder Willem III van Engeland en de Nederlandse Republiek Lodewijk de Veertiende had bestreden op de slagvelden van onder meer het latere België). Wat verder staan de musea van het eiland in de Spree dat Museuminsel heet.

 

Bastion

 

 Direct achter het Schloss staat het gebouw van de DDR-Staatsrat, met zijn balkon, en daarnaast dan weer de grote nieuwbouw van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Dat reikt zelf tot diep in een ouder gebouw daarachter. Dat is de oude Reichsbank van Hjalmar Schacht, de legendarische centrale bankier die in 1923 de Grote Inflatie temde en tien jaar later Hitlers oorlogsplannen hielp financieren.

 

  In DDR-tijden was dat het gebouw van het Centraal Comité van de communistische partij. Het is daar dat de kortstondige opvolger van Honecker, Egon Krenz, in de late namiddag van donderdag 9 november 1989 een papiertje doorgaf aan zijn media-verantwoordelijke, Gunther Schabowski. Die diepte het iets voor zeven aan het einde van een slaapverwekkende persconferentie op en gaf een heel verwarrende uitleg over de opening van de grens tussen beide Duitslanden ab sofort.

 

 De DDR krijgt flink wat aandacht in de wandelingen in de stad. Er is nu zelfs een heus DDR-museum (vlakbij het Schloss) dat je wil embedden in de sfeer van veertig jaar communisme, met veel audiovisueel materiaal en allerlei bewaarde trivalia. Daarnaast zijn er her en der bewaarde stukjes Muur, de al vermelde glasramen van Honecker, het Stasi-museum en uitleg aan de meeste van de voormalige grensovergangen.

 

 Niet aan de Glienicker Brücke, de uitwisselplaats voor spionnen in het hoge noorden van de stad, ondanks Spielbergs film Bridge of Spies van tien jaar geleden. Wel heel fraai aan de Bornholmer Strasse, een kilometer of wat ten noordwesten van de Hauptbahnhof. Daar vond in de nacht van 9 op 10 november 1989 tussen tien en elf de eerste grensopening plaats, onder druk van de massa aan deze grensovergang voor louter Duitsers.

 

 Voor mij was het ditmaal de eerste keer dat ik deze plek bezocht, gezien ik in 1989 via Checkpoint Charlie – de internationale grensovergang – naar West-Berlijn moest en terug (en later via het station Friedrichstrasse). Wat men er vandaag vooral toont is hoe de DDR-autoriteiten hemel en aarde bewogen om met alle mogelijke infrastructuurwerken elke ontsnapping via de grens onmogelijk te maken.

 

 Dat gebeurde op een plek die via een brug over treinsporen naar West-Berlijn leidde en uitermate ongeschikt was om af te sluiten. Helemaal ontwapenend is een zwart-wit foto uit de jaren vijftig die de brug toont richting West, met ‘DDR’ op het asfalt geschilderd, gesloten slagbomen en bovenaan vooral de slogan: DDR-die Bastion des Friedens in Deutschland. (zie de foto op de front van mijn website) Leuk om weten voor al diegenen die ten allen prijze dat helse bastion wilden verlaten en de kogel risceerden.

 

Kever

 

 Waar je niet aan ontkomt is dat Berlijn de hoofdstad van de nazi’s was. Hitler, Himmler, Göring mogen dan al van Beieren gekomen zijn, en Goebbels uit Mönchengladbach, Berlijn wil niemand eraan laten twijfelen dat alle kwaad van het Evil Empire destijds vanuit zijn stadsmuren is gesticht.

 

 Vijfentwintig jaar geleden, bij de verhuis vanuit Bonn, is nog lang gediscussieerd of het ministerie van Financiën wel zijn intrek zou nemen aan de Wilhelmstrasse, in het enige icoon van nazi-architectuur dat intact is gebleven: het Luftwaffeministerium dat Göring liet bouwen. Vandaag zitten de ambtenaren van Financiën er bijna allemaal in. (zie foto op de front van mijn website: je ziet er de tentoonstelling Topographie des Terrors vooraan, daarachter de Muur, en daarachter het ministerie. Links boven zie je ook nog het oude gebouw van het Pruisisch (machteloos) parlement van tussen 1848 en 1933, waar tegenwoordig het parlement van de deelstaat Berlijn huist)

 

 Het is vanuit dat ministerie van Financiën dat onder leiding van de eind vorig jaar overleden Wolfgang Schäuble de Grieken bijna doodgewurgd zijn tijdens de eurocrisis tussen 2010 en 2015.  Vandaag staat er vlak naast de ingang een uitlegpaal voor toeristen, fotootje van de dikke Reichsmarschall, Luftwaffeminister und Preusische Ministerpresident Hermann Göring (de nazi’s wisten ook wat cumul was en wat dat opbracht) inbegrepen.

 

 Idem dito aan het eind van het straatje In den Ministergärten, op een paar tientallen meter van het Holocaust-monument. Vijftien jaar geleden moesten insiders je daar vertellen dat het kleine ophopinkje op de parking achter de appartementen uit de DDR-tijd – waar Krenz en andere bonzen nog verbleven – het enige overblijfsel was van de Führerbunker, die uit de film Der Untergang.

 

 Nu staat er een grote pancarte, met uitleg, en uitgeschreven fragmenten van die film (zie foto hiernaast). Een zwart-wit foto van een vergadering Duitse ministers onder Hitlers voorganger Heinrich Brüning in 1931 in een tuin, herinnert er aan dat de bunker in de tuin lag van de Kanselarij aan de Wilhelmstrasse, waar ooit  Bismarck huisde. En er passeert wel wat volk langs die simpele pancarte met haar  hedendaagse nietszeggende achtergrond van gewezen DDR-luxe-appartementen met parking.

 

 Zo wordt nu alles onder ogen gebracht. Op de voettocht vanaf de Hauptbahnhof naar Brandenburger Tor passeer je langs het nieuwe monument ter herdenking van de nazi-moord op een enkele honderdduizenden Sinti en Roma. Het veel spectaculairder Holocaust-monument dat Helmut Kohl liet bouwen op de plek waar de Muur werd afgebroken, is een paar honderd meter verder.

 

 Finaal eindig je aan de zuidkant van het Financiën-Luftwaffeministerium in de Niederkirchner Strasse: daar hebben ze een strook muur bewaard, en direct daarachter bevindt zich, in het inmiddels opgeruimde puin van het oude Gestapo-gebouw de openluchttentoonstelling over de nazi-misdaden: Topographie des Terrors. Die laatste is gegroeid uit een spontaan initiatief van historici en kunstenaars in de jaren tachtig.

 

 Er is nu een groot wit museum achterin gebouwd, dat verder ingaat op hetzelfde thema.Het drukt je met je neus op alles wat de nazi’s aan moord en vernieling hebben achtergelaten, in heel Europa, inbegrepen in Duitsland zelf. Tegelijk wordt uitgelegd hoe de nazi’s konden groeien en aan de macht komen, met veel visueel materiaal. Wie iets over de nazi’s wil zien, moet hier zijn.

 

 Ik heb er nu voor het eerst een verkiezingsaffiche gezien waarmee de katholieke Zentrumpartei van kanselier Heinrich Brüning in 1932 de Duitsers wou overtuigen niet voor de nazi’s te stemmen. Je moet geen communicatie-expert te zijn om te beseffen wat een miskleun dit was, het ziektesymptoom van een democratie die op dat moment eigenlijk al helemaal uitgeteerd was. (zie foto boven dit artikel)

  

Fascinatie


 Daarnaast is er een andere affiche, met de eerste Volkwagen Kever, en een prentkaart-gezin dat er naar opkijkt en gelokt wordt om zegeltjes te sparen, zodat die wagen haar bezit wordt. Of ook de spectaculaire beelden van tot in de puntjes georchestreerde nazi-bijeenkomsten, naast die van de Olympische Spelen van 1936 of van grote bedrijven die de modernste vliegtuigen produceerden.

 

 Ik begin, na al die jaren te begrijpen, waarom er van de nazi’s ook fascinatie kan uitgaan (zoals ook van Stalin in Rusland), wat men zeker in Hollywood goed beseft. Het is een tijd van immense emoties. Een radicale dictatuur kan met wat geluk in haar eerste jaren wonderlijk grensverleggend lijken.De nazi’s hadden dat geluk, zowel met de economie die zich herstelde, als met Hitlers oorlogsbluff waarop Londen en Parijs initieel geen antwoord hadden.

 

 Bovendien waren Hitler en de zijnen een generatie jonger dan die van Brüning, speelden ze met de nieuwe communicatiemethodes (radio, film, microfoons en luidsprekers, waarbij geld geen probleem was, want de industriëlen betaalden). Die 37,2 % van de stemmen in juli 1932 (tegenover 21,7 % voor de tweede grootste, de SPD) kwam niet uit de lucht vallen.  Hitlers eerste jaren oogden als een succesverhaal, en medio 1942 was hij nog voor vele Duitsers en zelfs daarbuiten de meest succesvolle Duitse leider ooit.

 

 De jodenvervolging, die pas in 1938 echt op gang kwam na een eerste mislukte poging in april 1933, liet de meesten koud en woog niet op bij de ‘verwezenlijkingen’ die men zag. De nazi-jaren ogen tenslotte ook als een ongewoon gecondenseerde periode van spectaculaire gebeurtenissen. 


 Natuurlijk zit daar allemaal een risico in, dat de Duitse historici – zeker die van Topgraphie des Terrors – ook allemaal beseffen en waar ze voor waarschuwen. Dat de fascinatie gaat omslaan in momenten van bewondering

 

 Je kan echter, in het besef van alle massamoord en totale vernieling die erop volgde, ook een andere les trekken. Het was niet zo abnormaal dat de Duitsers in 1932 de nazi’s democratisch aan de macht brachten. Zeer zeker had dat met vertwijfeling te maken in het donkerste uur van de economische crisis van de jaren dertig.

 

 Maar waarschijnlijk oogde het nazi-bod op de kiezer sowieso goed: eenvoudige en snelle oplossingen voor al lang aanslepende toestanden, een jong en dynamisch alternatief voor een wat versleten democratie. De mogelijke risico’s kende men, maar oogden verwaarloosbaar. 


 Dat betekent ook dat een dergelijke keuze vanuit een democratie niet noodzakelijk enkel in uitermate extreme omstandigheden kan gebeuren, eerder dat de kiezer erin tuint voor hij goed beseft wat er aan de hand is. Dergelijke dwaasheid kan ons dus weer sneller overkomen dan we pakweg een paar decennia geleden nog dachten, en van ons afwentelden.

 

 Die bijwijlen bijna fascinerende etalering van de nazi-tijd neem ik als voornaamste les mee uit mijn jongste Berlijn-bezoek, naast het verlies van het knusse en hyperdemocratische Bonn-gevoel rond de machthebbers in Duitsland. Het Berlijn van de Muur, de Bordurïe-sfeer van de DDR, de bruinkoolgeur, en de existentiële twijfels West, zijn nog slechts vervagende herinnering van een ouder wordende mens. Berlijn anno 2024 is een totaal andere stad, veel aangenamer gewoon, maar toch nog voor een groot stuk op zoek naar wat ze nu eigenlijk is en wil zijn.  


Terug naar Berlijn (2)


19 maart 2024

 

  Dit voorjaar is het net vijfentwintig jaar geleden dat de bondskanselier – toen de sociaal-democraat Gerhard Schröder – van Bonn naar Berlijn verhuisde. Het heette toen ronkend dat een nieuw tijdvak begon, dat van de Berliner Republik. Een kwarteeuw later breekt iedereen zijn hoofd over de vraag: maar wat heeft die verhuis nu exact aan Berlijn veranderd, en aan de Duitse regering zelf?

 

 Ik ben met de S-Bahn naar Berlin Hauptbahnhof getrokken. De S-Bahn, een net van vooral bovengronds rijdende stadstreinen die van in het begin op elektriciteit reden, was in de Koude Oorlog bezit gebleven van de Oost-Berlijnse autoriteiten. Daarom werd ze geboycot door die van West-Berlijn. Tot die in de jaren tachtig, in het kader van een beperkte détente, een akkoord sloten met de DDR over een fusie van het gedeelte van de oude S-Bahn in West-Berlijn met de plaatselijke metrobeheerder.

 

 Het eindstation in West-Berlijn was toen de Lehrter Bahnhof. Daarnaast stond ooit het kopstation van de Duitse spoorwegen met dezelfde naam, van waar de treinen naar Maagdenburg en Hannover vertrokken. Maar dat was aan het einde van de oorlog kapotgebombardeerd. De laatste resten waren in de jaren tachtig al opgeruimd.

 

 Het S-Bahn station was, achteraf bekeken, bijna het cliché van een plek uit de Koude Oorlog. Roest overal, met gebroken ramen, altijd tochtig in de winter. Het gammele treintje van de S-Bahn reed daar over ook al roestige sporen het station binnen naar perrons van verbrokkelend beton. De trein reed ook verder oostwaarts, maar het volgende station Friedrichstrasse, lag in Oost-Berlijn. Dus spoorden er sowieso al weinig West-Berlijners naar Lehrter Bahnhoff, en stapten ze bijna allen daar uit.

 

 De conducteurs wisselden daar: een Oostduitser nam over, en omgekeerd als het in de andere richting ging. Ginder, aan de overkant, wachtte de stringente grenscontrole van de DDR. Het is die lijn die ik het meest zou gebruiken in mijn tochten van Oost naar West en omgekeerd in de uren en dagen na de opening van de grens op 9 november 1989. Vanaf die vrijdagmorgen moest je telkens ruim een uur aanschuiven, zoveel volk was er.

 

Triomflaan

 

 Die Lehrter Bahnhof is nu definitief verdwenen. In de plaats is Berlin Hauptbahnhof gebouwd. Denk aan het Centraal Station van Antwerpen. Treinen rijden hier ook op minstens drie niveaus over elkaar. Het verschil met Antwerpen is dat het station tevens een kruispunt is: de grote lijn van West naar Oost – van Parijs naar Warschau zeg maar, en vroeger verder door naar Moskou  - kruist die van Noord naar Zuid, van Hamburg naar Rome.

 

 Het hele stationscomplex, dat vooral van glas is, is helder, levendig, vol winkeltjes (vooral eetgelegenheden) en drukte. En zodra je het grote voorplein betreedt, zie je Berlijn voor jou: rechts, achter de boog van de rivier de Spree het Bundeskanzleramt, (het beeld zoals op de foto) links de nieuwe Bondsdag en de oude Reichstag die vandaag ook Bondsdag heet. Het is een ronduit spectaculaire vista, goed gepland door de moderne urbanisten.

 

 Voor mij nog meer, omdat ik de plek nog heb gekend als halve ruïne en kaalgeslagen vlakte, grotendeels verlaten ook. De Muur liep daar, langs de Spree, maar wel aan de westerse oever. Daar stonden toen wat kruisen die herinnerden aan de gesneuvelde Oost-Duitsers die een poging hadden gedaan om te vluchten. De Reichstag was nog altijd met zwartgeblakerde plekken van de brand van 1933. Daarrond was de leegte, tot aan de Brandenburger Tor. Die was potdicht, maar je kon er doorkijken, en zien hoe tot 150 meter diep geen enkele burger op de Pariser Platz was toegelaten, enkel politiewagens.

 

 Zeg het overigens niet te luid: het was in die bocht van de Spree – vandaag tussen Hauptbahnhoff, Reichstag en Bundeskanzleramt  - dat Albert Speer, de architect van Hitler, in 1939 zijn megalomane Volkshalle plande, een super-versie van het Pantheon. Rond het voorplein daarvan moest het centrum van de macht komen: het paleis van de Führer, de diensten van de Reichskanzlei, en, naast de al bestaande Reichstag, een nieuwe groot-Duitse Rijksdag. En uiteraard het Oberkommando der Wehrmacht.

 

 Vandaar moest een hemelsbrede laan zuidwaarts trekken, die zou eindigen in een heel hoge triomfboog anderhalve kilometer verderop. Aan beide uiteinden van de laan moesten een Noordstation (achter de Volkshalle, dus niet zover van waar nu de Haupstbahnhof staat)  en een Zuidstation verrijzen, beide eindstations.De nieuwe triomflaan zou de oude kruisen, die van Bismarck en keizer Wilhelm I. Die loopt nog steeds in het verlengde van Unter den Linden vanuit oost dwars door de reuzengrote Tiergarten (vroeger een echte zoo) naar de Siegessäule voor de Pruisische overwinning op Frankrijk in 1870. Dat is het ruime groene hart van Berlijn.

 

 Het centrum van de macht is in princiep nu inderdaad gevestigd op waar Speer zijn voorplein plande. Wat mij ditmaal meer dan de vorige keren opviel is, zodra je het station uitkomt, dat monumentale gebouw van het Bundeskanzleramt, de zetel van de bondskanselier dus. De hele Belgisch-politieke Wetstraat (van nr 2, Binnenlandse Zaken tot 16, de premier) kan er in, en het is tweemaal zo hoog, met dan nog een spectaculaire uitbouw over de Spree naar een speciaal (omringde) tuin waar de bondskanselier met zijn (zestien jaar lang: haar) gasten kan gaan wandelen.

 

Gekreun

 

 Ik moet dan altijd weer aan Bonn denken, de kleine Duitse stad aan de Rijn. De geboorteplaats van Beethoven ook, de kleinzoon van een zanger uit Mechelen met dezelfde naam. Daar heeft de West-Duitse regering vijftig jaar vertoefd, van 1949 tot 1999. Er zijn overigens nog altijd zes federale ministeries die daar hun zetel hebben, op basis van de wet die in 1991 gestemd werd nadat de Bondsdag nipt voor terugkeer naar Berlijn had gekozen. Maar die ministeries worden qua personeel wel even geleidelijk als systematisch afgebouwd. Er zouden nog ongeveer 10.000 federale ambtenaren in Bonn vertoeven.

 

 Bonn was piepklein, en de regeringswijk lag ten zuiden van de stad aan de buitenkant van een Rijnbocht. De Rijn was afgeschermd door een hoge dijk, maar als je die overstak kwam je langs een prachtige promenade langs de oever van de rivier terecht, met uitzicht op de hoge heuvels aan de overkant. Alles in Bonn lag binnen loopafstand van een vierkante kilometer. Dat heel bescheiden voorkomen paste natuurlijk perfect voor de naoorlogse West-Duitse regering, na de megalomane agressor die Hitler heette.

 

 Daar in Bonn vlakbij de Rijn staat trouwens ook nog het torengebouw dat in de jaren zestig voor de kantoren van de parlementsleden werd gebouwd, in de typische snelbouw van na de oorlog, die je ook op het Kiel in Antwerpen had. Men noemde het der Lange Eugen, naar de voornaam van de Bondsdagvoorzitter onder wie het gebouwd werd. 


 Helmut Kohl, die graag smakelijke anecdotes vertelde, getuigde daarover off the record tegen zijn biograaf (die dat later zonder zijn toestemming publiceerde) dat vele parlementsleden daar ’s nachts in hun bureau bleven slapen om kosten te besparen. 'Maar je hoorde door de dunne muren alle geluiden', vertelde Kohl, ‘heel veel scheten, en, er waren toch al wat vrouwen, soms ook gekreun.’ Vandaag is het een gebouw van de Verenigde Naties, inmiddels gerestaureerd en dus vermoedelijk iets meer geluiddicht gemaakt.

 

 Het meest spectaculaire in Bonn was het Bundeskanzleramt. Konrad Adenauer, de eerste West-Duitse bondskanselier, die 20 km van daar zijn eigen huis had, gebruikte nog het Palais Schaumburg, een oud adellijke residentie, die tot 1949 het hoofdkwartier huisde van de … Belgische legereenheden die in het zog van de Britse troepen mee een stuk van het verslagen Duitsland bezet hielden.

 

 Adenauer, die men der Alte noemde, werd in 1963 opgevolgd door de minister die al die jaren zijn tweede in rang en dus zijn grootste rivaal was geweest, Ludwig Erhard, uit Beieren, bijgenaamd der Dicke. Erhard was, zoals Adenauer altijd gewaarschuwd had, geen al te beste bondskanselier. Maar hij was een liefhebber van moderne architectuur en kunst, zoals zijn evenknie Georges Pompidou in die tijd in Frankrijk. En met een uitstekende smaak.

 

 En dus liet hij in de tuin van Palais Schaumburg een heel modern Bundeskanzleramt bouwen, een gebouw dat spoedig de naam Kanzlerbungalow kreeg. Want dat uiterlijk had het, een buitenverblijfje in een open ruimte tussen bomen, met een plat dak, en slechts een gelijkvloerse verdieping, maar heel veel ramen die van bodem tot dak liepen. Binnenin was er heel veel hout, minder kinderkaka dan bij Honecker, en was het heel warm en gezellig. Het was (en is) een pareltje en droeg nog meer bij tot het image van bescheidenheid dat men in Bonn zo wenste. Erhards latere opvolger Helmut Schmidt liet de tuin ook nog eens verfraaien met sculpturen van Henry Moore. Ook dat was geslaagd.

 

Byzantium

 

 Daar zit ik allemaal te denken wanneer ik voorbijwandel langs de huidige residentie van de brave Olaf Scholz in Berlijn. Architectonisch is het ook weer heel geslaagd. Maar het is monumentaal, dichter bij Speer dan bij Erhard en Schmidt. Beide kwalificaties gelden ook voor de nieuwe Bondsdag in witte steen vlak naast de oude, inmiddels proper gemaakte gerestaureerde Bondsdag, met de iconische koepel van Norman Foster.

 

 Elders, verspreid over de stad, kom je nog monumentale ministeries tegen: Financiën en Buitenlandse Zaken (naast Honeckers Staatsrat waar we het in vorige aflevering over hadden) onder meer. Heel leuk is dat de meeste vertegenwoordigingen van de zestien Duitse deelstaten in Berlijn hun zetel hebben gevonden bij elkaar, in de straat die in den Ministergärten heet. De facto is dat tussen het Holocaust-monument en de ruines van de Führerbunker.

 

 Daar vindt wel elke avond een wat mondainer event plaats, waar de politieke klasse van Berlijn elkaar terugvindt. De meeste Bondsdagleden hebben een appartement of een huisje in de stad, waar ze gemiddeld 22 weken per jaar vertoeven. Ze wonen verspreid over heel Berlijn: sommigen willen in het hart van de hoofdstad blijven, andere verkiezen wat rust en afzondering verderop, wat met het uitstekend openbaar vervoer geen probleem vormt. Overigens heeft Berlijn al minstens één effect ondergaan van de rol als nieuwe hoofdstad: een forse opwaardering van zijn restaurant-cultuur.

 

 Wat voor hoofdstad is Berlijn geworden? Het centrum van de Duitse federale macht ligt nu op de plek waar Speer zijn gigantisch hal plande, en waar de DDR haar Muur bouwde. Het stadbestuur van Berlijn is de opvallende afwezige in Berlin-Mitte en heeft zijn gebouwen nog altijd hoofdzakelijk in het westelijk stadsgedeelte staan. Er groeit ook een soort van cultureel centrum één kilometer oostwaarts rond het Museum-Insel, de Humboldt-universiteit en het Schloss.

 

 Visueel vervagen de verschillen. Van de Hauptbahnhof naar Checkpoint Charlie wandelen doet je vele malen het oude tracé van de Muur volgen. Ik heb die beelden nog in mijn hoofd – je vergeet die getuigenissen van extreme menselijke absurditeit gewoon niet.  Maar wie er vandaag rondwandelt zonder die voorkennis merkt er niets meer van. Tenzij waar er, zoals aan het ministerie van Financiën, nog een strookje Muur is bewaard.

 

 Ook oostwaarts vergaan die contouren, zelfs van de ooit spectaculaire oude monumentale naoorlogse communistische hoogbouw aan de voormalige Stalinallee – de huidige KarlMarxallee. Aan de Kurfürstendamm, ooit het centrum van West-Berlijn, ben ik ditmaal zelfs niet geraakt. Unter den Linden is the place to be vandaag, zoals ten tijde van de laatste Duitse keizer.

 

 Het enige waar je nog echt ziet dat de oude kloof bestaat, is de kaart van de verkiezingsuitslagen in Berlijn. De sociaaldemocratische SPD, de grootste partij, haalt overal stemmen, behalve in het centrum. In dat laatste, de duurste plekken van de stad, domineren de Groenen, de tweede grootste partij. De christendemocratische CDU, de derde partij, is vooral een Westberlijns gegeven, terwijl Die Linke – de vierde grootste partij, die voor een stuk nog altijd bestaat uit de erfgenamen van het gewezen communistisch regime van de DDR – vooral in het oosten scoort. De nieuwkomer, de extreem-rechtse Afd, staat, als knipperlicht van frustratie, duidelijk ook sterker in het oosten van de stad.

 

 De megalomanie van de overheidsgebouwen in Berlijn zou ongerustheid kunnen opwekken. Maar ik laat me vertellen dat de veel te grote gebouwen vooral gevuld zijn geraakt met bureaucratie, nog meer dan bij de Vlaamse of Europese overheid bij ons (onze federale is daar te armlastig voor). Niets om van te schrikken, en de brave Scholtz is na de saaie Merkel ook niet iemand die vrees aanjaagt. Desondanks zegt mijn buikgevoel dat Duitsland nu een iets meer oosterse hoofdstad heeft, dichter bij het oude Oost-Romeinse Byzantium zeg maar, dus met een overheid die van meer autoriteit droomt, en ze gelukkig ook zelf ondermijnt door haar eigen regeldrift.

 

 In die zin heb ik, als West-Europeaan zeg maar, toch een beetje heimwee naar Bonn, waar de Duitse regering heel herkenbaar was, zich heel bescheiden moest gedragen en dus democratie moest inademen. Waar de bondskanselier regelmatig voor een avond afsprak met de Franse president in excellente restaurantjes in de Elzas een beetje stroomopwaarts de Rijn. Waar hij met de auto – toen nog met minder files en wegenwerken – op een goede twee uur en zonder escorte op de Europese top toekwam, in de Brusselse Wetstraat.


Terug naar Berlijn (1)

 

17 maart 2024


Begin deze maand was ik nog eens een keer in Berlijn. Het was zo’n vijftien jaar geleden. De stad is nu min of meer ‘af’. Ik heb Berlijn sinds 1984 nooit anders geweten dan gespleten door de Muur en vanaf 1991 als gigantische werf. Nu lijkt de tijd van radicale metamorfoses voorbij. Misschien zal Berlijn er op het einde van de eeuw wel uitzien zoals het vandaag al oogt.

 

 In december 1984 bezocht ik Berlijn voor het eerst. Oost-Berlijn dan nog. Ik was vier maand journalist bij De Standaard en reisde mee, samen met nog enkele collega’s van andere media, met de Belgische minister van Buitenlandse Zaken, Leo Tindemans. Het was mijn eerste buitenlandse opdracht.

 

 Het vliegtuig moest toen nog de omweg over Denemarken gebruiken, want de drie in 1945 overeengekomen luchtcorridors tussen Britten, Amerikanen en Russen naar Berlijn (diep in de Russische bezettingszone) waren enkel voor de geallieerden zelf in gebruik. En de landing gebeurde in de verlaten en doodse Oost-Duitse luchthaven van Berlin-Schönefeld, ten zuiden van de stad, die nu tot de centrale luchthaven Berlin-Brandenburg is uitgebouwd.

 

 Tindemans kwam aan vredesdiplomatie doen. De West-Duitse Bondsrepubliek van Helmut Kohl, en de Britse regering van Margaret Thatcher hadden eind 1983 de plaatsing van Amerikaanse kernraketten op de zogenaamde middellange afstand op hun grondgebied laten plaatsen. België was in maart 1985 aan de beurt. DDR-president en partijleider Erich Honecker trachtte de Belgen te bewerken om het nucleaire opbod te doen stoppen.

 

 Tindemans was bereid te praten, in uitdrukkelijke opdracht van zijn eigen christendemocratische achterban trouwens, maar niet buiten Navo-verband. De marge was voor beide partijen bijzonder klein, want dit was het geprivilegieerd jachtterrein van Washington en Moskou zelf natuurlijk. 


 In Oost-Berlijn, in de Belgische ambassade, waarschuwden de Belgische diplomaten iedereen van de delegatie voortdurend dat al wat we zeiden door de Stasi opgenomen werd, de alomtegenwoordige regime-politie. Het was met de relaties tussen Oost en West zoals met het weer in Berlijn buiten: mistig, grijs en tegen het vriespunt. Wisten we veel dat amper drie maand later in Moskou een nieuwe partijleider zou aantreden, Mikhail Gorbatsjov?

 

 Er was, voor communistische landen nog vrij nieuw, een foto-opportunity. Ik ben dus even mee in het bureau van Erich Honecker geweest. Met zijn meubelen van de vroege jaren zestig in dat typische kinderkaka-bruin – radio- en tv-meubel inbegrepen - dat ook het bureau van Stasi-baas Erich Mielke kenmerkte. Dat laatste kan je vandaag nog in het Stasi-museum diep in het voormalige Oost-Berlijn bezichtigen.

 

 De trap naar Honeckers bureau op de eerste verdieping in de Staatsrat – een gebouw wat achterin aan Unter den Linden – is nu nog altijd te bekijken, met zijn moderne glasramen waarop in felle kleuren zalig-gelukkige boeren en arbeiders met vrouw en kind staan afgebeeld. Ik ben dit keer nog eens langsgegaan, en heb toen de foto hiernaast van de glasramen gemaakt.

 

 Hoe het verder, na 1984, verliep met mijn ervaringen in Berlijn heb ik in 2009 verteld, in een lange bijlage op vraag van de redactie van De Standaard naar aanleiding van de twintigste verjaardag van de val van de Muur. Ik geef die tekst nog eens weer hieronder. In de twee volgende afleveringen de komende dagen op deze blog, ga ik verder in op wat ik vorige week in Berlijn nog heb gezien en ervaren. Hier alvast l

mijn verhaal van 2009:

 

 

Vijfentwintig jaar geleden reisde toenmalig Standaard-redacteur Rolf Falter voor het eerst naar Berlijn. Hij zag de stad sindsdien verscheidene metamorfosen ondergaan, niet het minst bij de val van de Muur in 1989. En hij zag ze vooral uit de actualiteit verdwijnen.


  Van Oost-Berlijn onthou ik vooral de geur. Hij trof me meteen, in december 1984: de alomtegenwoordige doffe zwavelgeur van bruinkool. Berlin, Hauptstadt der DDR, verwarmde zich met de vette variant van steenkool, de enige energiebron waarover de arbeiders- en boerenstaat zelf beschikte. Royaal trouwens: bij elke winterovernachting in Oost-Berlijn moest steevast het raam open, om de verwarming te overleven.

  Voor het overige was het Bordurië, de politiestaat uit de Kuifje-albums. Schaarse auto's, te veel kepi's, zielige etalages, geen cafés die naam waardig en mensen die schuw wegliepen omdat ze niet met je mochten praten. Elke avond opende het tv-journaal om halfacht met de woorden ‘Der Erste Vorsitzende des Staatsrates und Generalsekretär der SED', de officiële aanspreektitel van de hoogbejaarde partijleider en president Erich Honecker.

  In de zomer van 1986 kon ik met een Beierse politiehelikopter over de Duits-Duitse grens vliegen: een omheining met prikkeldraad, een greppel van anderhalve meter diep, een weg, nog een omheining, wachttorens, zoeklichten, een Sperrgebiet van 5 kilometer in het binnenland waar je zonder pas niet binnenkwam. Mijn gids wees me op de Wildschlupflöcher in het metalen draadwerk. ‘Recent aangebracht. Kleppen die de konijnen doorlaten, zodat er geen signaal afgaat naar de automatische machinegeweren als ze de omheining naderen. Dat gebeurt enkel nog bij groot wild of mensen', zei hij. En met een grijns: ‘Wass der Deutsche macht, macht er gut.'

  In Berlijn was de omheining een Muur, drie à vier meter hoog, dwars door de stad en helemaal rondom West-Berlijn: der antifascistischer Schutzwall, goed voor een kleine tweehonderd afgeknalde vluchtelingen, meestal jonge mannen, tussen 1961 en 1989.

Een roestige vuist

  Net als de andere landen achter het IJzeren Gordijn gedroeg de DDR, de Deutsche Demokratische Republik, zich als een modale Europese staat uit de jaren dertig: nationale veiligheid was een obsessie, en de gesloten economie leverde vooral schaarste op. De ruïnes van de oorlog waren nog alomtegenwoordig en de autosnelwegen lagen erbij als op de dag dat Hitler zelfmoord pleegde. Het had, achteraf bekeken, ook wel iets zindelijks: nergens in het straatbeeld was een merknaam of reclame te bespeuren, op een sporadische houterige kreet van de partij na (‘Die Vollendung des siebten Funfjahrenplanes ist unserem Streben.')

  De ijzeren vuist werd wel verteerd door roest. De erfenis van Lenin was medio jaren tachtig toevertrouwd aan de bevende handen van opa's. Hun burgers verbieden om via simpele dakantennes naar de West-Duitse televisie te kijken konden ze niet meer, ze konden hooguit nog slechte carrièrepunten geven aan diegenen wier kinderen op school iets te gretig spraken over programma's van de ‘BRD-tv' (de omroep van de Bundesrepublik Deutschland).

De persattaché van de Oost-Duitse ambassade in Brussel, even jong als ik, kon vreselijk fulmineren op de oude knarren — tenminste als hij zeker wist dat er geen microfoons in de buurt waren. In zijn ogen verknoeiden ze de kansen op een veel betere communistische maatschappij. Eentje met meer overvloed en minder krampachtigheid. Zoiets als wat de Chinezen net uitprobeerden: communistische dictatuur, kapitalistische economie.

  Dat leek toen het beste wat hij, en ook wij, konden verhopen. Na 1989 hadden velen de vreedzame val van de Muur zien aankomen. Maar voor 1989 gold de wetenschap dat revoluties in Europa nooit vreedzaam zijn. En dat je met tienduizend kernkoppen en een paar miljoen parate soldaten aan weerszijden van het IJzeren Gordijn maar beter niet kon gaan experimenteren.

Miele in de keuken

  Erst kommt dass Fressen, dann die Moral. Was dat niet de sleutel van het West-Duitse succes geweest? De Keulenaar Konrad Adenauer, die tot zijn 87ste bondskanselier was, had na 1945 zijn deel van de Duitsers bekeerd en getemd: veeg de oorlog onder de mat (ook de nare dingen die we gedaan hebben), laat de politiek over aan de Amerikanen en de allesverzorgende christendemocratie, word enkel nog rijk en vet. West-Duitsland, geregeerd vanuit een onooglijk kleine wijk aan de Rijn in Bonn, was anno 1989 de op twee na sterkste economie van de wereld, gezegend met de stabielste munt en een onuitputtelijke overheidskas.

  Via de BRD-tv rolde dat de Oost-Duitse huiskamers binnen: barbecue in de tuin, Miele in de keuken, Mercedes op de oprit, vakantie aan de Costa, en heel de zomer hossen van massa-evenement naar massa-evenement. Bij een ervan, een concert van Michael Jackson aan de westkant van de Brandenburger Tor in 1988, kwamen Oost-Duitse jongeren massaal meeluisteren. Tot de Volkspolizei hen uiteensloeg.

  Er waren andere symptomen van tektonische verschuivingen. Aan de Nollendorfplatz in het armere deel van West-Berlijn huisde sinds de vroege jaren zeventig een vlooienmarkt in de lege winkelhallen onder het in 1945 vernielde metrostation. In de jaren tachtig namen de Turkse immigranten de handel over. En in januari 1989 zag je hoe ze als heren hun waren aanprezen aan tientallen verarmde Polen, de eersten die uit hun land mochten wegreizen.

  Die maand bezocht een Belgische handelsdelegatie de Grüne Woche in West-Berlijn, de gigantische landbouwbeurs die in de volksmond Fress-Messe heette omdat iedereen er zich a volonté kon volproppen. In de marge volgde ik prins Albert naar het platform aan de Muur waar de Amerikaanse president Ronald Reagan twee jaar eerder had geroepen: ‘Tear down that wall, Mr. Gorbachev.'

  Voor ons lag een kale, brede vlakte tussen twee Muren met de obligate wachttorens. Achterin, wat schimmig onder de bleke januarihemel, waren de overheidsgebouwen van de DDR te zien. Een van de Duitse gastheren wees op een grote grijze klomp: ‘Heeft Göring nog laten bouwen, het Luftwaffeministerium'. Het was er muisstil en koud, alsof de tijd bevroren was.

Ananas en seksblaadjes

Elf maanden later, in de nacht van donderdag 9 op vrijdag 10 november, dwaalde ik daar rond, zoals de meeste journalisten op zoek naar uitsluitsel. Op de kroon van de Muur dansten honderden mensen, verlicht door de zoeklichten van de Volkspolizei en de schijnwerpers van CNN.

  Ik had de persconferentie van partijbons Günter Schabowski bijgewoond, maar was, zoals alle collega's, perplex over zijn verwarde aankondiging aan het eind van een saaie uiteenzetting: ja, het staat hier, we gaan de grens openen, ab sofort. Ik had om halfnegen een tekst naar de krant doorgestuurd dat de grens openging, maar met behoorlijk wat slagen om de arm. En ik zag de Volkspolizei om vier uur 's ochtends aan de Brandenburger Tor naar het waterkanon grijpen, maar kon net zo min als iemand anders duiden of dit een voorbode was van een escalatie.

  De DDR communiceerde niet meer, maar tolereerde die vrijdag wel de explosie van vreugde, en vooral van grensverkeer. ‘Is het waar wat u daar schrijft?' had de receptioniste die mijn fax over de geopende grenzen doorstuurde wanhopig gevraagd. In haar hotel was de voorbije weken al een derde van het personeel vertrokken. ‘Dan gaan ze allemaal weg en wordt het hier zo miserabel als in Polen'.

  Maar nadat de BRD-tv om half elf die donderdagavond 9 november bevestigd had dat ‘de Muur van de schande na 28 jaar weg is', was de massa in beweging gekomen. Feest, euforie, tranen, omhelzingen, gebalde vuisten, champagne en rondjes bier, nooit geziene files in de straten en in de metro.

 ‘Dat we dit nog mogen meemaken', was een veel gehoorde kreet bij hartstochtelijk huilende oudere mensen. God werd alom gedankt en de kerken zaten nooit zo vol als dat weekeinde. Inmiddels kochten de vrijgelaten DDR-burgers ananas en seksblaadjes, dingen die ze bij hen niet hadden. En ze vergaapten zich aan de toonzalen van BMW en Mercedes op de Kurfürstendamm, de etalage bij uitstek van the free world.

Massale euforie

  Van de val van de Muur onthou ik vooral een uitzonderlijk gevoel van massale euforie. Iedereen was op straat. Het hele lange zonnige novemberweekeinde was chaotisch. Politie en hulpdiensten konden dit onmogelijk aan. Desondanks verliepen de drie dagen zonder één incident, omdat iedereen zich fantastisch goed scheen te voelen. Wisten we toen veel dat de in paniek geraakte DDR-minister van Defensie alsnog overwoog zijn troepen te laten schieten, totdat zijn collega's hem haastig met pensioen stuurden.

  Pas op zondag communiceerde de DDR, met een duidelijk signaal. Onder het oog van de burgemeesters van Oost- en West-Berlijn braken bulldozers om acht uur 's morgens bij nul graden de Muur af op de plek waar prins Albert in januari had gestaan. Roestige tramsporen werden zichtbaar onder de weggegraven graszoden: de Potsdamer Platz, in de jaren dertig het grootste verkeersknooppunt van Europa. ‘Toen we nog jong waren, stonden hier overal bioscopen', vertelden twee toekijkende dames.

  Nadien ging het snel. Heel even nog golden geitenwollen dissidenten met roots in de lutherse kerk als potentiële vaandeldragers van een nieuwe Oost-Duitse staat. Maar dra werden zij overspoeld door de massa, die maar naar één ding hunkerde: vet en rijk worden, zoals die van het Westen. De West-Duitse bondskanselier Helmut Kohl, een telg van Adenauer, beloofde dat, met het beeld van blühende Landschaften en de consequentie dat de DDR weer zou opgaan in één Duitsland. De instemming van de Fransen kocht hij af met de euro, die van de Russen met bakken Duitse marken. Acht maanden na de val van de Muur verdween de Oost-Duitse munt naar het stort van de geschiedenis, drie maanden later volgde de hele DDR.

Wereldvreemd

  Berlijn na de Muur wist niet goed blijf met zichzelf. In 1991 besliste de Bondsdag in Bonn met een nipte meerderheid om de kleine stad aan de Rijn in te ruilen voor de oude Pruisische hoofdstad. De zwartgeblakerde monumentale Reichstag aan de Muur, die leeggestaan had sedert de brand van 1933, werd helemaal herkneed door een Britse architect, Norman Foster. Hij heet vandaag ‘Bondsdag'.

Toen de beslissing viel, was West-Duitsland nog in de roes van het Wirtschafstwunder. Het mocht wat kosten. Tegen 1998 was Berlijn de grootste bouwwerf aller tijden. De lange, kaalgeslagen vlakte langsheen de afgebroken Muur was een horizon met vele honderden bouwkranen. De Potsdamer Platz herrees vol kantoorgebouwen, appartementen en ook weer bioscopen. Het orgelpunt, in 2007, was Berlin Hauptbahnhof, het gigantische station waarbinnen de treinen van Noord- naar Zuid-Europa en van West- naar Oost elkaar kruisen op verschillende verdiepingen.

  Aan de regeringsgebouwen zie je ook nu nog dat het Duitse establishment in 1991 hoopte leider van Europa te worden. De Bundeskanzlei, de kantoren van de parlementsleden, zelfs het Pressezentrum zijn van een omvang die het Elysee, Whitehall of de hoofdkwartieren van de EU degraderen tot koterij.

Maar het is niet zo uitgekomen. De kost van de eenmaking bezorgde het Wirtschafstwunder een indigestie. Politiek Berlijn, in zijn protserige kantoren, is een afgesloten en wereldvreemde biotoop in een stad die daar zo weinig mogelijk mee te maken wil hebben.

  Die stad raakt, ondanks 3,5 miljoen inwoners, niet van de grond: de beurs en de banken zitten in Frankfurt, de media in Hamburg en Keulen, de vernieuwers in theater en muziek zowat overal behalve in de hoofdstad. De grootste creatieve vonk, de Love Parade op de monumentale laan rond de Pruisische zegezuil van 1870, doofde enkele jaren geleden uit.

  Berlijn wordt zoals Wenen tijdens de Koude Oorlog: een veel te grote stad zonder geld, die het vooral moet hebben van musea en een fascinatie voor het verleden. Net iets te ver van het beschaafde Westen van het continent om hoogstaand te zijn, maar best gezellig en niet langer neurotisch van brandende ambities naar Duits leiderschap.

  Tijdens een reportage in 1998 was de eerste Berlijner die ik tegenkwam een 93-jarige man die nog monter zijn ochtendwandeling deed op Unter den Linden. ‘Ik heb met mijn klas nog voor de keizer gezongen, in 1916 in de oorlog', vertelde hij. ‘Elke zondag reed hij met zijn open koets, zonder lijfwachten, van zijn Schloss naar de dierentuin, de Zoologischer Garten, over Unter den Linden.' In de jaren twintig had de man nog in de Ufa-studio's in het nabije Potsdam gewerkt, en Marlene Dietrich en Fritz Lang gezien.

  Berlijn na de Koude Oorlog ontpopte zich tot een etalage van de recente Europese geschiedenis, in al haar gruwel en extremiteiten. Geert Mak in open lucht, een soort Troje, waarin elke laag van het verleden een andere verbergt.

  Langs Unter der Linden lag het Palast der Republik, een modernistische icoon van de DDR-staat. Asbest werd het perfecte excuus voor de afbraak van het gebouw. Op hetzelfde plein wil men binnenkort het nog veel lelijker keizerlijk paleis van voor 1918, het Berliner Schloss van Willem II, doen herrijzen. Dat werd na dertig jaar leegstand en zware beschadigingen in de bombardementen en gevechten van 1945, in 1951 als symbool van een reactionair verleden opgeblazen door de DDR-leiders.

  De eerste straat vlak achter de Muur in Oost-Berlijn heette de Otto Grotewohlstrasse, naar een communistische coryfee. Daar huisde de nomenklatoera, omdat men vermoedde dat die geen poging zou wagen de Muur over te steken. Na 1989 kreeg die straat weer haar oude naam: de Wilhelmstrasse, waar alle kanseliers van Bismarck tot en met Hitler kantoor hielden.

  De Führer had er ook zijn bunker, die van Der Untergang. Het is nog slechts een puinhoop. Enkel een bultje op een parkeerplaats verraadt, voor wie het weet, de plek van de oude ingang. Wegwijzers zijn er niet, om geen extreem-rechtse pelgrims te lokken. Wel wonen de laatste DDR-bonzen nog steeds in hun appartement aan de Wilhelmstrasse. De regering van Helmut Kohl liet hen na 1989 na enig aarzelen hun verblijf behouden.

Vet en rijk

  Het was een vreemde ervaring in 2004 om een paar honderd meter daarvandaan, in de bioscopen van de Potsdamer Platz, Der Untergang te zien. ‘Der Feind steht schon am Potsdamer Platz', kwam een ijverige soldaat de zieke en bevende Hitler vertellen, terwijl de Surround-luidsprekers de inslagen van Russische artillerie in je zetel deden dreunen.

In Görings Luftwaffeministerium, ook vlakbij, huist vandaag het ministerie van Financiën. Ernaast is nog een stukje Muur bewaard, en daarnaast de ruïnes van het Gestapogebouw met middenin het puin van het gebombardeerde Berlijn van 1945. In de ruïne is ook een beklemmende permanente tentoonstelling over de gruwelen van de nazi's te zien.

  Buitenlandse Zaken huist in het oude gebouw van het Centraal Comité van de Oost-Duitse communistische partij, tot 1945 de Reichsbank. In het vernieuwde Olympisch Stadion, dat oorspronkelijk voor de Spelen van 1916 werd gebouwd, liep Usein Bolt voor drie maanden zijn wereldrecord op dezelfde banen als Jesse Owens in 1936. Elk stukje Berlijn is even rijk aan geschiedenis als de Arabische woestijn aan olie.

  De bruinkoolgeur van Oost-Berlijn is kort na de eeuwwisseling verdwenen. De Muur in de hoofden van de Ossies en Wessies doet er langer over, maar vervaagt. De voornaamste inwoner van de Bundeskanzlei is vandaag vrouw en Oost-Duitse.

  Het verenigde Duitsland is in zijn geheel vet en rijk geworden. Het wordt de meest vergrijsde staat van Europa, met een gezapige hoofdstad waar files zeldzamer zijn dan in de rest van het land. Polen, Fransen, Russen of Britten, die het voor 1989 wel konden smaken dat er twee Duitslanden waren, vinden dat best zo. Berlijn blijft een magneet door zijn tumultueus verleden. Maar het schrijft gelukkig zelf geen geschiedenis meer.


Dries Van Agt in Tokio


10 februari 2024


 

 De voormalige Nederlandse minister-president Dries Van Agt, 93, is vorige maandag ‘hand in hand’ met zijn één jaar oudere vrouw Eugenie Krekelberg gestorven, nadat beiden voor euthanasie hadden gekozen. Het echtpaar had drie kinderen. De familie maakte het overlijden pas bekend na de begrafenis in kleine kring. Ik heb Van Agt één keer ontmoet, voor een uitgebreid interview, begin 1989, in het verre Tokio dan nog.

 

  Je moest de voorbije dagen wel wat zoeken naar In memoriams die de complexe figuur van Van Agt recht deden, maar er waren er wel. Zelfs de VRT corrigeerde haar aanvankelijke titel over ‘conservatieve droogstoppel’, waaraan Walter Pauli van Knack zich terecht ergerde.

 

 Van Agt laveerde tussen conservatisme en progressiviteit, zoals zovele katholieken na het Concilie en de jaren zestig. We kunnen ons die tijd en de discussies van toen nauwelijks nog voorstellen. Als goede Nederlandse burger stond hij er wel op dat hijzelf zijn mening zou vormen, en niet klakkeloos zou napraten wat priester of bisschop voorschreven. In die zin steunde hij ook het protest aan de katholieke universiteit van Nijmegen tegen mede-docent en theoloog Edward Schillebeeckx nadat die vanuit het Vaticaan spreekverbod was opgelegd. Schillebeeckx was in die dagen een naam in heel Europa.

 

 Van Agt was toen al voorstander van euthanasie, en je kan hem zelfs als één van de wegbereiders van de coffeeshops (en al de drugsellende die dat vandaag voortbrengt) beschouwen. Als je de walm van de marihuana in de straten van Amsterdam te veel wordt, denk dan mee aan Dries. Maar hij bleef ook gelovig en, samen met Eugenie – een juriste uit Maastricht die ooit won in de enige zaak waarin ze als jonge advocaten tegenover elkaar stonden -, naar de kerk gaan.

 

Tindemans

 

 Zijn conservatieve reputatie dankt Van Agt aan zijn optreden tegen de abortuskliniek van Bloemenhove als minister van Justitie in het kabinet Den Uyl. De administratie had twijfels over de wettelijke onderbouw van wat daar allemaal gebeurde, en Van Agt pleitte altijd voor uiterste voorzichtigheid inzake zwangerschapsonderbreking. Daarnaast was hij natuurlijk de saboteur van het kabinet-Den Uyl.

 

 Dat regeerde Nederland tussen 1973 en 1977. Vandaag is het de bon ton in Nederland om wat meewarig te doen over die regering, maar toen gold zij, zeker in de van oudsher eerder progressieve media, als het heilskabinet dat het land in een roes van bevrijding definitief de moderne tijdens zou doen binnenzeilen, die zich in de jaren zestig zo nadrukkelijk hadden aangekondigd. De nieuwe regering ademde ook torenhoge ambities uit.

 

 Maar van in het begin zat de klad erin, omdat eind 1973 de oliecrisis was uitgebroken die de al aanzwellende recessie verscherpte, en de eerste echte economische crisis in een kwarteeuw opstartte. Het bevlogen kabinet kwam in besparingstoestanden terecht. Van Agt snoof eerder dan wie ook de natuurlijke  reflex van mensen bij ontij: zich terugplooien op zichzelf en op oude waarden. Hij begon zichzelf dra als verpersoonlijking daarvan uit te dragen: met zijn harde aanpak tegen het terrorisme van de Zuid-Molukkers, met zijn oproepen tot een ‘ethisch reveil’ tegenover een maatschappij die in haar blijheid-vrijheid aan het ontsporen leek.

 

 Persoonlijk klikte het ook niet met Den Uyl. Die laatste was van streng-gereformeerden huize, progressief socialist, economist en journalist geweest, en op en top Hollander, die ook de ernst en last van het minister-presidentschap leek te willen belichamen. Van Agt was in 1977 nog maar de tweede Noord-Brabander ooit die in het Torentje geraakte. Afkomstig uit Eindhoven (toen nog Philips met een stad errond), prof in het katholieke Nijmegen, waar hij en zijn vrouw verleden week ook gestorven zijn.

 

 Hij had wat eerder Belgisch aandoende politieke eigenschappen: zichzelf niet altijd ernstig nemen, geen zin in detailkennis, graag onder de kiezers komen, durven denken in termen van politiek scoren en verliezen. Wilfried Martens nam later van hem – na zijn eigen hartaanval – het profiel over van premier-wielertoerist.

 

 Leo Tindemans, Martens’ voorganger, scherpte in de crisisjaren ook zijn ‘ethisch’ profiel ‘dicht bij het volk’ aan, wat hij met een formidabele retoriek ongelooflijk goed verkocht kreeg in Vlaanderen. Totdat hij in botsing kwam met PS-voorzitter André Cools, bijwijlen een charmante mens, maar ook een brutale machtswellusteling. 


 Toen in de zomer van 1978 tijdens oplopende ruzies over de staatshervorming Cools ziedend en tierend eiste dat Tindemans een advies van de Raad van State straal zou negeren, reageerde de Antwerpenaar ‘ethisch’. Hij riep, als bevlogen redenaar, vanop de Kamertribune uit dat ‘de grondwet geen vodje papier is’ en blies zijn eigen regering op. Tindemans werd daarop bijna een messias in Vlaanderen, maar was voortaan – en naar aloude Antwerpse traditie - persona non grata in het Belgisch establishment.

 

Hirohito

 

 Die Dries van Agt, die Tindemans zo inspireerde, heb ik ooit lang mogen interviewen, voor De Standaard in 1989. In Tokio. Hij had tijd. Zijn politieke carrière lag al acht jaar achter de rug, nadat hij in 1981 opnieuw in een kabinet met Joop Den Uyl terecht dreigde te komen, en liever de plaats had geruimd voor Ruud Lubbers. Die bleef dertien jaar minister-president, een record dat inmiddels is verbeterd door Mark Rutte.

 

 Van Agt was 58 toen ik hem interviewde. Ik was in Tokio voor de begrafenis van keizer Hirohito, op 24 februari. Roger Schoemans, de hoofdredacteur van Het Nieuwsblad (die ik nog altijd op handen draag voor alles wat hij mij leerde) stuurde heel graag snel mensen uit naar groot nieuws. Zijn vaste journalist daarvoor was Mon Vanderostyne, inmiddels ook al overleden, en een geweldige reporter, bewogen en grondig tegelijk.

 

 Maar het kon al eens iemand anders zijn. Ik herinner me dat er op een late namiddag in de zomer van 1987 in het noorden van Italië een grote aardverschuiving had plaatsgevonden met tientallen doden. Nog voor de krant die avond sloot was collega Sylvain Christiaens, die van Beringen was en met wie ik toen vaak samen naar het werk in Groot-Bijgaarden reed, al onderweg.

 

 Hij praatte immers Italiaans – hij was getrouwd met een Italiaanse – en stuurde de volgende dag een volledig verslag door van ter plekke. Hij had dus de hele nacht doorgereden met wat toen nog een echte bedrijfswagen was, namelijk een witte Peugeot op de parking van het bedrijf die altijd klaarstond voor reportages. Dat soort toestanden – en de ermee gepaard gaande adrenaline – sterkte ons wel dat we in het mooiste beroep van de wereld waren beland.

 

 Ook Hirohito werd snel besloten, geboekt en gestart. Ik had al een paar last-minute opdrachten voor Schoemans gedaan en hij wist dat ik twee jaar eerder voor De Standaard en op uitnodiging van de Japanse ambassade veertien dagen in het land had rondgetoerd (samen met Philippe Paquet van La Libre). Reizen naar Japan was in 1989 peperduur en een hotel boeken in Tokio waanzinnig duur, want de vastgoedzeepbel daar was op haar hoogtepunt. Maar het bedrijf, toen nog de Vlaamse Uitgeversmaatschappij van André Leysen, had goed geboerd en het kon eraf.

 

  Koning Boudewijn zou er ook zijn, en die nam in zijn vliegtuig een paar tv-journalisten mee. Zo heb ik tussendoor ook een dag het spoor gevolgd van de grote Wim Robberechts, die in die jaren zijn eigen videonieuws-bedrijf was gestart en er was voor het nagelnieuwe VTM. Wim had in 1987 furore gemaakt door al in de avond van 6 maart helikopterbeelden te leveren van de gekapseisde Herald of Free Entreprise die in het nine-o-clock news van de BBC te zien waren, op een moment dat de Vlaamse media, BRT, Standaard en Nieuwsblad incluis, die vrijdagavond nog niet doorhadden dat er zich een grote catastrofe aan het afspelen was.

 

 Wim poogde die hele dag in Tokio Nguza Karl I-Bond vast te krijgen. Die was ooit minister van Buitenlandse Zaken geweest van Mobutu, sinds 1965 dictator van Zaïre (het huidige Congo). Nguza was dan in ongenade gevallen, en in de cel beland, later weer in de genade gekomen en terug op zijn oude post.

 

 Wim was de enige westerse journalist die hem destijds in zijn cel had opgezocht, en hoopte nu op een gesprek om in primeur bevestigd te krijgen waar alle Belgische journalisten naar hengelden: zou Mobutu koning Boudewijn zien, zodat de andermaal gespannen relaties tussen Brussel en Kinshasha weer konden worden platgestreken? Aan het einde van een lange dag jagen en achtervolgen, stond Nguza Wim uiteindelijk een paar minuten toe, om te zeggen dat de kans gering was. Wim uiteraard ontgoocheld, maar ik had weer veel geleerd van een dag op de hielen van een absolute nieuwsjager.

 

Lufthansa

 

 Van de begrafenis zelf kon ik een origineel verslag brengen. Ik was de dag voordien door de straten van Tokio gaan kijken naar de voorbereidingen, en volgde ook de begrafenis tussen de mensen, rondwandelend van plek naar plek waar de stoet voorbijkwam. Wat mij opviel: die Japanners bekeken dat allemaal heel nuchter. De avond tevoren had ik in de laatste metro tussen de opeengepakte dronken Japanners gestaan, want het was een onverwachte extra-feestdag morgen en dus gingen ze nog langer op stap dan gebruikelijk.

 

 Waar de uitermate sobere begrafenisstoet met zwarte limousines voorbijtrok de volgende dag, onder de motregen in nog kille straten, stond wel volk, maar heerste een normale ambiance van wat curiositeit, spelende kinderen die met moeite onder controle gehouden werden, ingetogenheid als de stoet voorbijkwam en een minuut later alweer de joligheid van een gewone kermis. Groot was dan ook mijn verbazing toen ik ‘s avonds in mijn hotel toekwam – het was nog ochtend in Brussel - en het verslag van CNN zag.

 

 Die hadden er alle Japanners in ouderwetse kleurige kimono uitgepikt en vooral de grijsaards die pathetisch en hartstochtelijk weenden. De clichés dus die benadrukken hoe een ver land heel erg vreemd voor ons moet zijn. Ik had die dramatische figuren ook wel gezien, maar die waren gewoon marginaal in de massa mensen die eigenlijk grotendeels reageerden zoals u en ik zouden hebben gedaan. Dat indachtig legde ik in mijn verslag de nadruk op precies het gewone en herkenbare van de hele begrafenisstoet, alle mythes en ook ter plekke opgeklopte sacraliteit rond de Japanse keizerlijke familie ten spijt.

 

 In de slordigheid van het snelle vertrek hadden we in Brussel ook vermoed dat er wat opvolgingsceremonies zouden zijn na de begrafenis, maar die bleken pas voor veel later gepland. Ik had dus nog een vijftal dagen over. Ik heb die aan allerlei reportages besteed over hoe rijk en ambitieus Japan toen wel was. Ik was onder meer gaan uitzoeken hoe de nieuwe grootmacht aan ontwikkelingshulp wilde doen in Zaïre, en hoe ze Europalia in Brussel zou aanpakken, waarvan ze het volgende gastland was.

 

 En hoe Tokio tegen de EU aankeek, want die was, onder Jacques Delors, in volle opbloei. Wat me op het idee bracht de EU-ambassadeur in de Japanse hoofdstad te gaan opzoeken, en dat was op dat moment Dries Van Agt. De afspraak was zo gefikst, hij was blij eens een journalist van de Lage Landen te zien, kende uiteraard De Standaard, en nam uitgebreid zijn tijd. Het was allemaal heel formeel, heel vriendelijk, en vooral heel solied wat hij zei. Een aangename man, zonder spatje pretentie.

 

 Het interview reproduceren we in zijn geheel hiernaast en hierboven, met een schitterende foto van een andere formidabele collega, Eric Peustjens. Bijzonder intrigerend, als je het nu leest, is hoe Van Agt beschreef dat de Japanners, als nieuwe would-be grootmacht, hard bezig waren de Europese Unie te bestuderen, want blijkbaar was die een hoge vlucht aan het nemen. En dat het omgekeerde veel minder waar was: men deed in Europa niet half zoveel moeite om de nieuwe grootmacht Japan te bestuderen.

 

 Van Agt had gelijk natuurlijk. Japan was toen een economische magneet en hype zoals China dat de de eerste twintig jaar van deze eeuw in het westen is geweest. In 1990 kwam er echter plots een einde: de vastgoedzeepbel explodeerde, de recessie zette zich in en de economie ging, bij een dalende bevolking, dertig jaar van stagnatie in. Het patroon dat ook Europa in 1973 kende na een lange uitbundige hoogconjunctuur, en dat China nu sinds 2020 schijnt te kennen.

 

 Ik keerde eind februari huiswaarts, met één van de allereerste rechtstreekse lijnvluchten van Tokio naar Europa, van Lufthansa, dat in het Moskou van Gorbatsjov toelating had verworven om over de Sovjetunie te vliegen. Daardoor verminderde de reistijd (tot Frankfurt) tot 12 uur, daar waar mijn heenvlucht met tussenlanding in Alaska ruim 20 uur in beslag had genomen. 


 Het interview verscheen pas op 22 maart in De Standaard. Op dat moment zat ik alweer in Wenen, te bekijken hoe Oostenrijk plots lid van de EU wilde worden, en hoe er daar aan de grens met communistisch Hongarije van alles aan het schuiven was.

 

 Japan verdween helemaal achter de horizon. Net als Dries Van Agt.


De zee van Amerika


27 januari 2024


 

 Wie de jongste weken de berichten volgde over de raketaanvallen van de Houthi’s beseft meer dan ooit: de mogelijkheid om vooral via zeevaart internationaal handel te drijven hangt af van de vloot van de Verenigde Staten. Dat is al ruim tweehonderd jaar zo, al waren het voor 1941 de Britten die die rol vervulden. En de vraag blijft natuurlijk: hoelang kan Washington dat nog volhouden?

 

 Op de foto boven dit artikel kan je de tekst lezen die ik op 21 oktober 2005 in De Tijd publiceerde. De aanleiding was de tweehonderdste verjaardag van de Slag bij Trafalgar, aan de Zuid-Spaanse kust, toen de Britse admiraal Horatio Nelson de verzamelde Frans-Spaanse vloot van Napoleon Bonaparte versloeg. Het was de grootste uitdaging ooit voor de Britse suprematie op zee die daar werd afgeslagen.

 

 Nelsons admiraalsschip, HMS Victory, kan je overigens nog altijd bezichtigen in de haven van Portsmouth. Ze tonen je er de plek op het tussendek tussen de kanonnen waar hij die dag zijn laatste adem uitblies, net laat genoeg om te beseffen dat zijn vloot gewonnen had (zie foto hiernaast).

 

 In het artikel in De Tijd beschreef ik kort de geschiedenis van 1805 en liet voor de rest vooral Willy Herteleer aan het woord liet, vandaag 83, toen vice-admiraal van de Belgische marine en net gewezen stafchef van het Belgisch leger. Zijn analyse staat nog altijd recht.

 

 Op dit moment hebben de Amerikanen, vanwege het conflict in Gaza, 57.000 soldaten aanwezig op en rondom het Arabisch schiereiland, waaronder de bemanningen van minstens twee vliegdekschepen. Dat is ongeveer een derde van de mankracht die ze in 2003 gebruikten bij de inval in Irak.

 

 Met hun vliegdekschepen kunnen ze vanop zee stellingen aanvallen van de Houthi’s in Jemen. De Britten, die al een paar keer meededen, moeten hun vliegtuigen daarvoor laten vertrekken en landen vanop de twee basissen in Cyprus (één ten westen van Limassol, één ten noordoosten van Larnaca), die ze als soeverein gebied hebben kunnen behouden toen ze Cyprus in 1960 de onafhankelijkheid toestonden.

 

 De Houthi’s zijn een door Iran gesteunde sjiitische militie die het noordwesten van het verdeelde Jemen controleert, na een lange burgeroorlog die sinds begin vorig jaar even een wapenstilstand kent. Ze krijgen hun raketten van Iran, dat volgens westerse bronnen ook zou helpen bij de geleiding ervan. Het is duidelijk dat naarmate Israël het punt nadert waarop de militaire macht van Hamas in Gaza, vooral dan de tunnels en raketinstallaties, zal breken, Teheran gezichtsverlies lijdt en ‘iets’ moet doen om dat beeld te corrigeren. Een kat in het nauw is het gevaarlijkst, zei generaal Eisenhower destijds over Hitler.

 

 Zoals Willy Herteleer al opmerkte twintig jaar geleden kan zelfs zo’n schermutseling in de Rode Zee nog niet fataal zijn voor de wereldhandel. De Financial Times merkte vanmorgen op dat gezien het dreigend overaanbod aan transportcapaciteit op zee, vanwege de algemene vertraging van de economische groei wereldwijd, het omleggen van de routes via Kaap de Goede Hoop nauwelijks een prijsstijging kan veroorzaken, een initieel kortstondig piekje misschien te na gesproken.

 

 Toch zijn er twee risico’s. Het eerste is de toenemende sofisticering van de (doorgaans dure) raketten en vooral van de (eerder goedkope) drones. Om die in te zetten heb je bij wijze van spreken enkel een laptop en een harde vloer nodig (en software met een goed geleidprogramma natuurlijk, naast gedetailleerde inlichtingen over wat je wil treffen). En uiteraard kan wie aangevallen wordt nog altijd riposteren op waar het tuig vandaan komt, wat je zou moeten doen aarzelen om die tuigen in te zetten (niet zo bij Hamas of Houthi's die geen zak geven om de bevolking die ze beweren te verdedigen).

 

 Het andere risico is Amerika zelf natuurlijk. Voorlopig blijft de machtsbalans heel zwaar naar de Verenigde Staten door hellen. Die hebben nog altijd elf nucleair aangedreven vliegdekschepen achter de hand, en ook plannen om die verder te blijven moderniseren. China zit aan drie, plant er met zekerheid vier. De rest speelt eigenlijk minstens voorlopig niet mee, ook Rusland niet dat één verouderd vliegdekschip bezit en geen plannen schijnt te maken om dat te vervangen.

 

 De twijfel over de houdbaarheid van die Amerikaanse machtspositie is vooral ingegeven door de economische machtsverhoudingen. In een wereld waarin het economisch aandeel van het Westen steeds maar geringer wordt (omdat de anderen qua welvaart ons inhalen, wat op zichzelf goed is) gaat de inspanning om de vloot te onderhouden voor de burgers van de VS altijd maar zwaarder worden, zeker als bijvoorbeeld China zich als een echte uitdager zou manifesteren.

 

 In princiep mogen we op dat vlak waarschijnlijk nog wel een paar decennia vrij gerust zijn. Maar The Economist analyseerde twee weken geleden al dat alleszins in de Rode Zee de Amerikaanse scheepvaartbelangen eerder klein zijn. De VS zijn olie-onafhankelijk sinds een jaar of tien (dankzij de exploratie van shale gas) en de meeste Aziatische import verloopt bij hen via de Stille Oceaan. 


 Hun voornaamste strategisch belang in de Rode Zee is de verslaving van de zo al wankele bondgenoot Egypte aan de inkomsten uit de transit via het Suez-kanaal. Voor de rest zijn de VS daar eigenlijk vooral de Europese handelsroutes aan het beschermen. Als dat Donald Trump maar niet op ideeën brengt …

 

 Veel leesplezier dus


Creatief met noodkabinet

 

19 januari 2024

 

Met een spectaculair voorstel op een reusachtige Nieuwjaarsreceptie in de Nekkershal in Mechelen heeft NVA-voorzitter Bart De Wever vorig weekeinde het verkiezingsjaar 2024 op gang getrapt. Hij slaagde er meteen in onder meer CD&V en VLD weer in de tactische fout te lokken die ze sinds 2010 blijven begaan: het ging bij hen over hem, niet over wat ze zelf te bieden hebben. Anderzijds was De Wevers gebruik van de term ‘zakenkabinet’, zeker voor een historicus, er één van het soort slordigheid dat hem in 2019 al het premierschap kostte.

 

 Even terug naar 14 augustus 2020, toen de koninklijke onderhandelaars Bart De Wever en Paul Magnette hun opdracht inzake regeringsvorming na drie weken teruggaven aan koning Filip. De Wever heeft het toen te laat zien komen: dat Alexander De Croo, anders dan Gwendolyn Rutten en ongetwijfeld ook via het oude netwerk van zijn vader, het partij-apparaat van de VLD op zak had en dus ook Egbert Lachaert.

 

 En dus behandelde de NVA-voorzitter VLD en zelfs MR te lang als quantité négligeable. Mijn vermoeden is dat De Croo toen al aan Magnette het door hem geprefereerde Vivaldi had aangeboden, op voorwaard dat Magnette hem het premierschap liet. Het drama over de keuze tussen beiden inzake de 16 dat ze alletwee nog opvoerden naar de media toe op 1 oktober was dan niets anders dan een nummertje om te bevestigen en te veruitwendigen wat al zes weken eerder stilzwijgend was overeengekomen.

 

 Sedertdien spuwt De Wever vuur telkens de naam De Croo valt. Het was herkenbaar wie Sammy Mahdi zondag bedoelde toen hij het zinnetje liet vallen ‘Met azijn bestuur je geen land’. Soms wint echter de leepste, net als in de koers, en dat was in 2020 De Croo. Het doet me – om in de Vlaamse Ardennen te blijven – denken aan de legendarische wereldtitel van Benoni Beheyt in 1963, die in de laatste meters in Ronse zijn kopman Rik van Looy voorbijstak. In de weken nadien brak bijna een burgeroorlog uit onder wielerliefhebbers in Vlaanderen over het 'verraad' van de nieuwe wereldkampioen. Vandaag zegt Van Looy, op zijn negentigste verjaardag, dat Beheyt (zelf 83) niks verkeerds gedaan heeft, dat hijzelf te vroeg op kop kwam en stilviel.

 

 De Wever is gewoon net iets te slordig geweest in die zomer van 2020. Hij wou toen al premier worden. Ditmaal bevestigt hij dat expliciet, zij het met de mimiek alsof hij azijn moet drinken. Dat hoort zo, als captatio naar dat deel van de achterban dat België nog altijd het liefst ziet barsten. De aankondiging leverde het voorspelbare media-gehuil op dat hij in 2019 ook aangekondigd had minister-president te zullen worden (en de schitterende karikatuur van Zaza in De Standaard waarbij Ben Weyts aan Jan Jambon zegt: 'Jan, maak u klaar, ge verhuist naar de Zestien').

 

 Maar tactisch is het goed gezien. De Wever wil de verkiezing om die premierkeuze doen draaien. Dat is ten opzichte van De Croo die enkel als premier van Vivaldi boven het gewicht van de verschrompelde VLD kan blijven boksen. Hij daagt zo ook Van Grieken uit klare wijn te schenken r of hij als leider van de vermoedelijk grootste partij premier wil worden of niet. Zegt de laatste ‘niet’ op die vraag, dan kiest hij feitelijk voor Belgische onbestuurbaarheid. Al kan De Wever, vanwege die achterban, ook niet voluit claimen dat hij België gaat redden van de chaos. België en Vlaanderen zijn nu eenmaal ingewikkeld, en … soms vermoeiend.

 

Volmachten

 

 De Wever liet zaterdag ook de term ‘zakenkabinet’ vallen. Het loont de moeite hem letterlijk te citeren (uit zijn interview op de VRT met Michael Van Droogenbroeck): ‘Wij zouden zelfs onmiddellijk een federaal kabinet willen maken, een klein kabinet, een zakenkabinet, dat zich focust op het budget, want dat is rampzalig, en een aantal socio-economische hervormingen, en die dan in de diepte kan werken aan de grote hervormingen, institutioneel en sociaal-economisch.’

 

 De NVA-voorzitter bezit dus al duidelijk één kwaliteit van een aantal voorgaande Vlaamse premiers (Dehaene zowel als Verhofstadt), namelijk dat hij wat slordig is in zijn voornaamwoorden. Maar in wezen is zijn uitspraak vooral vaag en eerder verwarrend. Hopelijk voor hem is dat bewust gebeurd, om zich niet meteen te laten vastpinnen.

 

 Walter Pauli heeft in Knack al uitgelegd wat er in het verleden aan gedachten zijn geventileerd over mogelijke zakenkabinetten – vooral vanuit het hof en zijn entourage, in de niet zo lang verleden tijd dat Belgische koningen nog wilden meespelen. Het basisidee daarachter was altijd, en meestal op momenten van diepe economische en/of monetaire crisis, dat een groep technocraten het heft in handen zou nemen en de noodzakelijke maatregelen zou uitwerken.

 

 Men zocht die vooral in de sociaal-economische wereld, in de eerste plaats bij banken en bedrijven, maar minstens voor de schijn ook bij de vakbonden. In al die scenario’s bleef altijd één of andere vorm van parlementaire goedkeuring voorzien. De regeringen in ballingschap tijdens de wereldoorlogen vormen daar de enige uitzondering op.

 

 Tot een zakenkabinet in die strikte zin is het nooit gekomen in België, en bij mijn weten ook niet in onze democratische buurlanden Groot-Brittannië, Frankrijk en Nederland net zomin als in de Scandinavische naties, of in Duitsland, Oostenrijk of Italië na 1945. In Zwitserland uiteraard niet. Wel hebben enkele van die landen momenten gekend waarbij men zogenaamde noodprocedures van parlementaire democratie toepaste om sneller dringende maatregelen goed te keuren.

 

 Daar bestaan varianten op. In crisistijden ziet men vaak technocraten opduiken, of zogenaamde extra-parlementairen, die dan voorgesteld worden als nieuwe bezems die het normale slenteren van elke democratie zullen doorbreken. Niet zelden gebeurt dat in combinatie met regeringen die als ‘noodkabinet’ worden voorgesteld, en die van korte duur zouden zijn. Dat laatste is meestal omdat partijen die eigenlijk liever geen coalitie met elkaar willen vormen, vanwege de nood toch even samen gaan werken, met de neus dicht geknepen en onder een neutrale buitenstaander.

 

 Soms komt daar dan een procedure van volmachten bij te pas. Het princiep van die techniek is dat het parlement eerst de materies toewijst waarop de volmachten betrekking kunnen hebben, dat de regering dan gedurende de periode van de volmachten maatregelen per Koninklijk Besluit kan nemen die normaal wetgeving vereisen, en dat alle KBs samen aan het eind van de termijn als te nemen of te laten pakket worden voorgelegd aan het parlement. In de hele periode blijft de rest van het normale controlerecht van het parlement, onder meer via vragen en interpellaties, wel gehandhaafd.

 

De Gaulle

 

 Het meest markante voorbeeld in die zin is de regering van Lamberto Dini in Italië, die het land regeerde tussen januari 1995 en mei 1996. Dini was de gouverneur van de Nationale Bank en werd, na de val van het eerste kabinet Berlusconi (een zakenman!), uitgestuurd. Men was in het laatste jaar voor de parlementsverkiezingen, dus met het risico dat geen knopen meer werden doorgehakt. En de hervormingen die Italië nodig had om toe te treden tot de euro konden niet langer wachten.

 

 Dini vormde een kabinet van wat men technocraten noemde, maar vooral toch uit ambtenaren en magistraten bestond, alle met een voor de ingewijden gekende politieke signatuur (op een militair op Defensie en een arts op Volksgezondheid na). Op die manier kon hij doseren naar een parlementaire meerderheid toe, zowel inzake partijpolitieke affiliaties als naar evenwicht onder de regio’s. Dini kreeg vooral een pensioenhervorming rond, en met wisselende meerderheden wat kleinere veranderingen. Hij had geen volmachten nodig.

 

 Mario Draghi, ex-gouverneur van de Italiaanse Nationale Bank en van de Europese Centrale Bank, mocht van februari 2021 tot juli 2022 (en in lopende zaken tot oktober) ook opdraven als technocraat-premier van zijn land. Opnieuw was het motief, naast de nog aanslepende coronacrisis, dat er parlementsverkiezingen voor de deur stonden, er geen meerderheid in zicht was en er een nood heerste: het indienen en uitwerken van een plan dat Italië aan de ruim honderd miljard euro zou helpen die het was toegekend via het Europees Recovery and Resilience Fund. Draghis kabinet bestond wel uit geroutineerde politici. Met zijn gezag bouwde hij een regering van Nationale Eenheid uit, die een brede meerderheid had, maar finaal  niet zoveel meer deed dan proper op de winkel passen.

 

 Frankrijk heeft maar één keer iets dergelijks gekend, maar dat is dan ook het model bij uitstek. In 1958 haalde de politieke klasse generaal De Gaulle terug, die al met pensioen was, en die tussen 1944 en 1946 premier was geweest. Dat gebeurde onder de extreme druk van een staatsgreep van Franse militairen in Algerije, die in verzet kwamen tegen plannen om die kolonie onafhankelijk te maken, en die dreigden over te komen naar het vasteland.

 

 De Gaulle vroeg twee jaar volmachten, kreeg zes maand en stelde een kabinet samen met politici uit alle partijen (op de foto als kandidaat- premier tijdens het vertrouwensdebat in de Assemblee op 1 juni 1958, één van de heel zeldzame keren dat hij zich daar ooit heeft vertoond). In die tweede helft van 1958 realiseerde hij als premier de grootste reeks hervormingen van Frankrijk – institutioneel en sociaal-economisch – sedert het consulaat van Bonaparte tussen 1800 en 1804. Dat was dankzij het algemeen besef van een extreme nood en zijn enorm persoonlijk gezag als de nationale held van de Tweede Wereldoorlog. Hij kon nadien nog tien jaar aan de macht blijven, bij het weer normaal functioneren van de democratie.

 

Noodkabinet

 

 In België kennen we vooral het voorbeeld van de regering Jaspar, die in mei 1926 aan de macht kwam in een periode waarin de Belgische frank snel aan waarde verloor op de internationale markten. Jaspar, een conservatieve Brusselse katholiek, vormde een kabinet van Nationale Eenheid (katholieken, socialisten, liberalen). Dat presenteerde hij als kortstondig noodkabinet, met de monetaire sanering als enig doel. Enkel daarom verwierf het een meerderheid want de socialisten waren heel onwennig. De regering bleef finaal toch nog tot oktober 1927 aan de macht.

 

 De sterke figuur, als minister zonder portefeuille, was onomstreden Emile Francqui, 63 op dat moment. Hij was dan al ex-militair in de Congo-Vrijstaat van Leopold II, ex-consul in China, ex-directeur van de Société Générale (de dominante holding van België toen), ex-sleutelfiguur in de bevoorrading van het hongerende België tijdens de Eerste Wereldoorlog, en ex-onderhandelaar over de Duitse herstelbetalingen na 1919.

 

 Hij was vooral vertrouwensman van koning Albert. Francqui saneerde inderdaad de begroting, onder meer door van de staatspoorwegen de NMBS te maken en nog terug te betalen schuldtitels van banken en particulieren verplicht om te zetten in aandelen van die nieuwe spoormaatschappij. In november 1926 kon hij alweer ontslag nemen nadat de koers van de frank zich had gestabiliseerd.

 

 Zes jaar later werd Francqui opnieuw als minister zonder portefeuille en wonderdokter opgenomen in het kabinet van Georges Theunis, op het dieptepunt van de economische crisis va de jaren dertig, met de Belgische frank opnieuw in vrije val. Ditmaal slaagde hij echter niet en het kabinet viel na vijf maand. In de jaren dertig van vorige eeuw grepen overigens vijf regeringen (waaronder die van Theunis) tussen 1932 en 1936 en opnieuw in 1939 naar volmachten, driemaal een half jaar en tweemaal een jaar.

 

 Na de Tweede Wereldoorlog hanteerden ook de regering Vanden Boeynants (1966-68), Martens V(1981-1985) en VI (1985-87) en Dehaene II (1995-99) dat procédé, telkens om budgettaire saneringen door te voeren. Een heel specifiek geval was de regering Wilmès in het voorjaar 2020. Die was  vanuit lopende zaken weer opgelapt vanwege de corona-crisis, en kreeg bijzondere machten toegekend, specifiek op het terrein van de bestrijding van de pandemie. Ook de meeste regionale regeringen namen dat instrument toen aan, op Vlaanderen na.

 

 De rooms-rode regering Dehaene I in het voorjaar van 1992 begon ook als noodkabinet. De formatie na de verkiezingen sleepte lang aan, voor die tijd alleszins nog. CVP-voorzitter Herman Van Rompuy besloot de boel te forceren. Hij haalde Jean-Luc Dehaene terug, die na een zware verkiezingsnederlaag uit de politiek wilde stappen. Tegen de sterke man van het vorige kabinet bestond echter felle weerstand bij de achterban, die hem de nederlaag van de partij in de schoenen schoof. Van Rompuy koos bovendien voor een coalitie met de socialisten, iets wat ook moeilijk lag.

 

 En dus presenteerde hij zijn beslissing als ‘noodkabinet’. Dehaene slaagde er in zijn regering te vormen, maar zette zich meteen ook een deadline: hij zou zich na zes maand laten evalueren door een CVP-congres, ook over de staatshervorming die de CVP-achterban wenste, maar waarvoor de nieuwe premier op dat moment geen twee derde meerderheid had. Zes maand later had hij die wel, en een akkoord over staatshervorming, net in de nacht voor het congres. De term noodkabinet verdween, en hij en zijn coalitie bleven zeven jaar aan de macht.

 

 Er bestaan dus wel een aantal technieken om sneller dan gebruikelijk beslissingen te nemen, vooral in echte of vermeende noodsituaties. Maar het idee van het zakenkabinet is nog nooit uitgeprobeerd in ons land, ook al heeft het herhaaldelijk op de agenda gestaan. De reden is waarschijnlijk doodeenvoudig: zoals de ervaring met bedrijfsleiders die in de politiek gaan leert, is politiek ook een stiel, waarvan de voornaamste techniek van vakmanschap er ongetwijfeld in bestaat het kiezerskorps aan te spreken en een meerderheid te kunnen vormen en te beheersen.

 

Begroting

 

 Blijft de vraag: wat wil en moet men oplossen vanaf 9 juni? De Wever verwees naar de budgettaire situatie. Die is inderdaad verontrustend, omdat België in het koppeloton van de EU zit inzake zowel begrotingstekort (4%) als schuldgraad (110 %). Het deelt daar het gezelschap van Griekenland, Italië, Spanje en Frankrijk.

 

 We zitten op het niveau van Parijs, en voorlopig is vooral Italië het meest kwetsbare land als de financiële markten hun roofdierinstinct weer de vrije loop zouden laten. Al kan je, wat die laatste betreft, even goed verhopen dat die de EU-lidstaten het voordeel van de twijfel geven, bij veel hogere schuldgraden van onder meer China, de VS en Japan.

 

 In die zin geldt ook wat de EU en de Afdeling Financieringsbehoeften van onze eigen Hoge Raad van Financiën al enkele jaren stellen: op korte termijn is het Belgische begrotingsbeleid niet al te kwetsbaar, op de middellange echter heel sterk. Bekijk je het zo dan kan een even genereus begrotingsbeleid als dat van Vivaldi – waarbij de corona-pandemie en de Oekraïne-crisis als verzachtende omstandigheden kunnen gelden - nog even schijnbaar zonder problemen worden voortgezet.

 

 Of anders gezegd: er zal ook weerstand zijn in elke meerderheid die men kan bedenken voor elke variatie inzake een regering-De Wever – laat staan binnen Vivaldi II - tegen het idee dat ingrijpen urgent is. Dit land heeft trouwens een traditie waarbij ingrijpen in de begroting pas echt kan als het didactisch voor iedereen duidelijk is dat het water aan de lippen staat. In dit geval kan dat een razzia van de financiële markten zijn die de intresten van de overheidsobligaties de hoogte injaagt (het meest waarschijnlijk) of een echte tik vanwege de Europese instanties (weinig waarschijnlijk).

 

 Bekijkt men de begrotingskwestie met wat zin voor staatsmanschap dan heeft De Wever natuurlijk wel gelijk dat het tijd wordt voor ingrijpen. Sinds twintig jaar stijgen pensioen en ziekte-uitgaven, zelf samen goed voor een vijfde van alle overheidsuitgaven in dit land, sneller dan de economische groei. Dat is ten dele door de vergrijzing van de babyboomgeneratie natuurlijk, maar ook door de oplopende uitkeringen en kosten. Het gaat om een permanente herverdeling van jongeren naar de oudste generaties, om investeren in het bijna-verleden in plaats van in de toekomst dus.

 

 Daarin snijden is echter geen sinecure. Zelfs de extreem-rechtse regering van Italië schrikt daarvoor terug. Vanuit de NVA heb ik nog geen concrete voorstellen gehoord, laat staan vanuit de rest. Waarschijnlijk zijn enkel lang in de tijd gespreide en dus nauwelijks zichtbare correcties politiek haalbaar, zoals Jean-Luc Dehaene die nog als laatste heeft goedgekeurd gekregen inzake pensioenen in 1996. Overigens bestaat er, zoals PS-tenoren maar al te graag opmerken, inzake pensioenen eerder een transfer van Franstalig België naar Vlaanderen.

 

 Het andere fundamenteel begrotingsprobleem is dat er in België tussen de diverse bestuursniveaus al bijna een decennium geen fatsoenlijk overleg meer bestaat over begroting en de sociaal-economische aanbevelingen vanuit de Europese Commissie, ondanks de Europese wetgeving en het Belgisch samenwerkingsakkoord (beide uit 2013 en 2014) daarover. 


 Dat betekent dat iedereen nu zijn eigen schuldbeleid voert en zich nog weinig aantrekt van het globale plaatje, waarover België nochtans internationaal rekenschap moet afleggen. De lokale autoriteiten blijken het meest betrouwbare begrotingsbeleid er op na te houden. Daarentegen zijn oplopende schulden bij gewesten en gemeenschappen, Vlaanderen inbegrepen, sinds vijftien jaar de normaalste zaak geworden.

 

Staatshervorming

 

 Dat laatste is natuurlijk ook koren op de molen van wie een nieuwe staatshervorming wil, al was het maar omdat door een gebrek aan begrotingsdialoog tussen de entiteiten de distorties toenemen. Vertel vooral niet aan het parket van Brussel dat de Vlaamse overheid minstens vijftien man in dienst heeft voor het voeren van campagnes tegen zwerfvuil, waarbij het opruimen zelf of vervolgen van overtreders maar een marginale activiteit vormt.

 

 En er is natuurlijk nog een veel grotere redenen waarom een vrij radicale overheveling van nog meer bevoegdheden naar de deelstaten vrij nuttig zou kunnen zijn. Als we de peilingen mogen geloven gaat straks nog hooguit een derde van de Vlaamse kiezers links stemmen (en dan tellen we daar de helft van VLD en CD&V bij) en nog geen kwart van de Franstalige eerder rechts. Die tendens versterkt, dankzij de forse groei van de extremen.

 

 Je moet dat federale niveau dus wel verder uitkleden, omdat de basis voor gemeenschappelijk beleid daar gewoon wegsmelt. Er mogen gerust wat sterkere overlegstructuren en een gematigde hiërarchie der normen gecreëerd worden, bijvoorbeeld in crisistijden en inzake buitenlands beleid,  om wat bestaande anomalieën te corrigeren. Maar de beweging is overduidelijk naar verder decentraliseren. Wie dat ontkent doet aan struisvogelpolitiek. Noem dat voor mijn part 'confederalisme', al is het gebruik van die terminologieën altijd meer verwarrend dan verhelderend geweest.

 

 En het risico verhoogt natuurlijk dat we en stoemelings, in de hitte van de onderhandelingen, toch bij de ontbinding van België terechtkomen, misschien nog het meest omdat zoiets het ideale excuus oplevert om de schuld van het eigen falen helemaal bij anderen te leggen. 


 De kans dat we nadien dan beter bestuur hebben na zo'n scenario is minimaal, om niet te zeggen onbestaande. De kans dat er wat chaos losbreekt en we dus met zijn allen zullen achteruitgaan is ook reëel.

Structuren hervormen levert even vaak, of misschien zelfs vaker, veel gebakken lucht op, eerder dan beter bestuur. Of waarom denkt u dat we vijftig jaar na de eerste bescheiden staatshervorming al lang niet meer durven toeteren dat ‘wat we zelf doen, beter doen.’

 

 Maar de communautaire knoop zit niet alleen daar. Paul Magnette heeft er al herhaaldelijk op gewezen: als de peilingen straks bewaarheid worden hebben Vlaams Blok en de maoïsten na 9 juni 40 tot 45 zetels in de Kamer. Wil je dus een grondwettelijke twee derde meerderheid zonder die extremen, dan heb je al de rest nodig, zijnde Vivaldi en NVA samen.


 De quasi-onmogelijkheid daarvan wordt meteen een goede reden om van een staatshervorming af te zien - leve Vivaldi II – voor zover trouwens Vivaldi I nog werk maakt van de noodzakelijke procedure voor het opstarten van een grondwetsherziening.

 

 Er is inmiddels wel al een uitgebreide trukendoos om die formaliteiten te omzeilen, die in 1830 werden ingevoerd om instellingen niet te kwetsbaar te maken voor de grillen van snel evoluerende gewone meerderheden. Elio di Rupo gebruikte in 2012 de hocus pocus met artikel 195. Koning Albert legde in 1919 de voorbarige toegepaste grondwetsherziening op. Gaston Eyskens creëerde in 1970 de brede bypass van de bijzondere wet.

 

 Jean-Luc Dehaene, tussen 1988 en 1993, schrok er niet voor terug wijzigingen door te voeren via een grondwetsartikel dat wel voor herziening vatbaar was verklaard en tegen een materie aanschurkte die  in een ander artikel thuishoorde, dat echter niet voor herziening vatbaar was verklaard. Dat gaf wat tegenstrijdigheden in de grondwet, die een eminent panel van constitutionalisten in 1994 discreet mocht stroomlijnen tot een nieuwe grondwettekst.

 

 Als de peilingen bewaarheid worden dan is een staatshervorming langs de klassieke procedure zo goed als uitgesloten. Legitimiteit zal dan op een originele manier moeten verworven worden. Dehaene in 1992, en voor hem vader Eyskens in 1970 begonnen zonder tweederde meerderheid aan een staatshervorming, maar verwierven die onderweg. Vanwege de hedendaagse partijpolitieke versnippering is de kans op een dergelijk succes vandaag echter kleiner.

 

 Een mogelijkheid zit eventueel in het precedent van de koningskwestie van 1950. Men organiseerde toen een referendum over het al dan niet aanblijven van Leopold III. Constitutionalisten toen zeiden dat zo’n instrument niet voorzien was in de grondwet. Dus werd het referendum enkel ‘raadgevend.’

Maar iedereen weet dat zo’n stemming politiek dan dwingend wordt. Die van de koningskwestie werd het dan toch niet, omdat men de mogelijke en zelfs te verwachten communautaire dimensie niet had onderkend, wat met een consensus-instelling als de monarchie natuurlijk fataal was.

 

 In een analoog verhaal zou men vandaag vanuit een gewone meerderheid een staatshervorming aan de kiezers kunnen voorleggen, op voorwaarde dat men vooraf een minimum-drempel van goedkeuring invoert voor elk van de twee grote gemeenschappen (40 of 45 % bijvoorbeeld; in Zwitserland moet elke nationaal referendum de steun hebben van niet alleen de helft van de kiezers, maar ook van de helft van alle kantons). En dan met een positieve uitslag testen of meer dan een derde van het parlement zich nog tegen die raadgevende wil van de kiezer wil verzetten. Iets dergelijks.

 

Lopende zaken

 

 Wat het ook wordt, er bestaat geen twijfel dat de volgende federale regeringsvorming nog complexer wordt dan de vijf vorige. Daarbij hebben we in de laatste vijftien jaar al tweemaal meer dan 500 dagen nodig gehad. We zijn daarin wereldrecordhouder hors catégorie.

 

 Waarbij de vorming van de deelstaatregeringen ook niet simpeler worden. PS en NVA kunnen daar overwegen om die vervelende nieuwe rivalen in de extreme hoek te verslijten aan de macht, maar dan enkel als zij als grootste in de stuurkabine blijven. Meer conventionele coalities zijn wel waarschijnlijker, al ligt de oude droom van symmetrie op alle niveaus al vijftien jaar aan scherven. Hou vooral Brussel in het oog: de NVA wordt daar aan Vlaamse kant haast zeker incontournable, terwijl aan Franstalige kant de peilingen de PTB voorlopig met de leiderspositie doen flirten. 

 

 Premier De Croo wacht vermoedelijk nog een lang mandaat in lopende zaken. En uiteraard doet iedereen er goed aan te wachten of de peilingen inderdaad bewaarheid worden, wat ze in het beste geval nooit voor meer dan 80 % doen. Misschien blijkt op 9 juni ’s avonds dat De Wevers kans op het premierschap in 2020 zijn enige is geweest. Al zou dat de formatie zeker niet minder gecompliceerd maken.

 


1983: Frankrijk of Europa?

6 januari 2024 


 Net na Kerstmis is in Parijs Jacques Delors zachtjes ingeslapen, 98 jaar oud. Gisteren is er een internationale rouwplechtigheid voor hem gehouden aan de Invalides in de Franse hoofdstad. Terecht prijst men Delors als de beste stuurman aan het hoofd van de EU-instellingen ooit, al kon hij dat natuurlijk ook maar zijn dankzij de volle steun van de Franse president François Mitterrand en de Duitse bondkanselier Helmut Kohl. 


 Maar nog boeiender is de geschiedenis van de vier jaar die Delors vertoefde in de Franse regering tussen 1981 en 1985, toen in Parijs voor Frankrijk en voor Europa cruciale sociaal-economische keuzes moesten gemaakt worden.  Aan het einde van deze Kerstvakantie dus een lang verhaal, dat veertig jaar later echter nog altijd heel actueel is omdat het de keuzes van onze tijd beter doet begrijpen.

 

 

 François Mitterrand (links op de foto, als president in 1983, met Delors, toen zijn superminister van Economie en Financiën) was 64 toen hij op 10 mei 1981 bij zijn derde poging dan toch president van Frankrijk mocht worden. Hij was geboren op 26 oktober 1916 als één van acht kinderen in een burgerlijke, katholieke familie van ambtenaren en agro-ondernemers, in Jarnac, een stadje iets stroomopwaarts van Cognac aan de Charente (het cognacbedrijf van Monnet huist tegenwoordig in Jarnac). Hij zou schitterend studeren, en advocaat worden.

 

 Maar in 1940 was hij dienstplichtige onderofficier  geweest, en krijgsgevangen, ontsnapt in 1942, dan ambtenaar voor het Vichy-regime geworden, uiteindelijk weerstander, en de politieke chef van een beweging van ex-krijgsgevangenen en gedeporteerden. Zo kwam hij in de politiek terecht, bij één van de vele kleine socialistische partijen in de marge op links van de heel grote communistische partij,  toen de grootste partij van het land. Mitterrand werd in 1947 verkozen in de Assemblee en meteen ook minister (van Oudstrijders).

 

 Hij klom op, tot Binnenlandse Zaken (onder Mendès-France in 1954) en Justitie (onder Mollet in 1956), twee posten die hem mee verantwoordelijk maakten voor executies en folteringen van Algerijnse onafhankelijkheidsstrijders. Het premierschap leek hem voorbestemd, tot De Gaulle in 1958 een einde maakte aan de Vierde Republiek. Als enige die de generaal durfde uit te dagen bij de presidentsverkiezingen in 1965 kwam hij met een onverwacht sterke score weer boven water.

 

 In 1969 ging hij ervan uit dat links na mei 1968 te gediscrediteerd was om kans te maken (wat een juiste inschatting bleek). In 1974 verloor hij met minder dan een procent van Valéry Giscard d’Estaing, de minister van Financiën van De Gaulle en Pompidou. Sinds de parlementsverkiezingen van een jaar eerder stond een partijpolitieke mijlpaal op zijn naam: voor het eerst sedert 1945 was de Parti Socialiste groter geworden dan de communisten.

 

 Mitterrand sterkte was zijn afstandelijkheid. Hij geloofde in de staatsraison, ging totaal on-emotioneel om met macht, ambieerde die als doel waarvoor de middelen heiligden. Hij liet zich door vermeende experts, noch door gebeurtenissen opjagen en beheerste perfect de kunst om een beslissing te nemen wanneer hij er de tijd rijp voor achtte. Toen Jacques Attali, de internationale adviseur van de president en diens kroniekschrijver, hem in 1985 vroeg wat de voornaamste kwaliteit van een politicus was, antwoordde hij: ‘Ik wou dat ik eerlijkheid kon zeggen, in feite is het de onverschilligheid.’

 

 Tegelijk was hij een gecultiveerd man, een boekenmens met een brede intellectuele kennis, die hij graag etaleerde. Altijd welopgevoed-formalistisch ook – slechts een handvol mensen sprak hem met tu aan -, en in zijn beste momenten uitermate charmant, onder meer in twee huwelijken en wat (bekende) buitenechtelijke avonturen. Zijn sterkte was ook zijn zwakte: Mitterrand werd heel zijn leven lang door zijn tegenstanders aangevallen op zijn ijskoud opportunisme. De Gaulle beschuldigde hem zelfs van collaboratie met het Petain-regime, niet ten onrechte, ook al was het maar heel even.

 

 Vier dagen na Mitterands verkiezing voor de stoel van De Gaulle in 1981 legde zijn staf een dik dossier op zijn tafel met alle politieke projecten die uitgevoerd moesten worden. Hij weigerde het open te doen. ‘Het zal aan de regering zijn om dat te bekijken,' verklaarde hij. Nu hij eindelijk zover was geraakt, zou hij zich positioneren zoals De Gaulle het presidentschap had geconcipieerd: grote lijnen en vooral buitenlandse zaken. Het is in die rol dat misschien wel zijn voornaamste – sommige zullen zeggen: enige – engagement ooit vorm kreeg: voor Europese samenwerking.

 

 De toen 31-jarige Mitterrand  had al in 1948 aan het legendarische Europese Congres van Den Haag deelgenomen, met prinses Juliana als gastvrouw en Winston Churchil als absolute vedette. Hij zou vanaf 1983 een ongewone band opbouwen met bondskanselier Helmut Kohl, karakterieel bijna een antipode. Er was natuurlijk al een traditie, van Adenauer en de Gaulle, van Schmidt en Giscard. Maar de band tussen Mitterrand en Kohl was evenwichtiger en daardoor waarschijnlijk de meest intense, op een niveau van verstandhouding dat sedertdien niet meer is herhaald.

 

Delors

 

 Daarvoor moesten Frankrijk en de Franse linkerzijde wel eerst door een proces van boetedoening. Al vanaf de eerste dag na Mitterrands overwinning liep het mis op de beurs van Parijs. De koers van de Franse franc daalde en de aandelen van de grote Franse bedrijven gingen in solden. Die laatsten zouden immers volgens het verkiezingsprogramma van de nieuwe president, het programme commun van socialisten en communisten, genationaliseerd worden. Na de vervroegde parlementsverkiezingen van 14 en 21 juni 1981, die de socialistische PS via het meerderheidsstelsel 285 van de 491 zetels in de Assemblee bezorgde, traden vier ministers van de tot 44 zetels gekrompen Parti Communiste de France toe tot de regering.

 

 Het kabinet kwam in handen van premier Pierre Mauroy, de 53-jarige burgemeester van Lille, die de sterkhouder was van het rode bastion in het uiterste noorden van het land. In de aanloop van de verkiezingen had hij een cruciaal bondgenootschap gesloten met Mitterrand tegen de andere clans van de PS. De belofte van een radicaal-linkse breuk met 23 jaar rechts bewind vertaalde zich in arbeidsduurverkorting (van 40 uur naar 39 zonder loonverlies), een vijfde week betaalde vakantie, belastingen op de grote fortuinen, pensioen op 60, en een verhoging van het aantal ambtenaren, naast loonsverhogingen onder syndicale druk natuurlijk.

 

 Daarnaast begon een feitelijke ‘uitzuivering’ van de macht, omdat rechts – de partij van De Gaulle vooral - al die tijd het staatsapparaat naar zijn hand had gezet, niet geheel onvergelijkbaar met de wijze waarop Viktor Orban dat dertig jaar later in Hongarije zou doen. Jacques Attali heeft in zijn volumineuze kroniek van Mitterrands presidentschap de sfeer beschreven waarin de nieuwe meesters in de eerste dagen door de staf van het Elysée bekeken werden als parvenus die de macht geusurpeerd hadden van zijn rechtmatige eigenaar.

 

 Het economisch concept achter de radicale koerswijziging was ‘de groei sociaal te stimuleren’, zoals Jacques Delors dat later beschreef. Delors, 55 was door Mitterrand tot minister van Economie en Financiën benoemd, en dus sleutelfiguur van het economisch beleid. Om hem wat te bewaken stelde de president de rijzende ster Laurent Fabius, amper 35, aan tot adjunct-minister voor het budget.

 

 De nieuwe super-minister kwam uit de katholieke arbeidersjeugd en het christelijk syndicalisme. Hij had even met de christendemocratische MRP van Schuman en Bidault geflirt, die na de oorlog een decennium lang sterk stond, maar evolueerde naar de socialistische strekkingen. Zijn vader was begonnen als loopjongen bij de Banque de France in Parijs, zijn moeder verdiende bij met naaien. Hun ambitie was het enig kind de beste studies te bezorgen. De oorlog verplichtte hen dat buiten Parijs, bij de familie in de Auvergne, te doen. Onmiddellijk na de bevrijding kon Jacques ook bij de Banque de France beginnen.

 

 Hij militeerde er in de vakbond, werkte zich op. In de jaren zestig verkaste hij naar het Commisariat du Plan (de creatie van Monnet). Dat maakte hem in 1969 tot adviseur op het kabinet van premier Jacques Chaban-Delmas (onder Pompidou), bij la droite dus, al was niemand in Parijs toen echt sectair. Na 1972 doceerde hij economie aan de universiteit van Parijs en de ENA, engageerde hij zich voor Mitterrand, was hij van 1979 tot 1981 Europarlementslid.

 

 Hij maakte opgeld als iemand die, zoals de West-Duitse bondskanselier Helmut Schmidt, klassieke economische visies kon verzoenen met even originele als pragmatische sociale hervormingen. Bovenal was hij ambitieus. Hij verzorgde uitstekend zijn eigen publiciteit, in een moderne omgang met de media. 


 Delors was een dossiervreter, een goed spreker, een nerveuze en gedreven man. Hij had een zachtmoedige kant, al beschreef Helmut Kohl hem in een gesprek met Mitterrand in 1986 in heftige bewoordingen: ‘Hij is opvliegend, je kan dat niet geloven. Als ik u was zou ik hem aanraden tien procent van zijn woede te gebruiken om zijn bureaucratie op te zwepen.’

 

 ‘Ons beleid was een reële ommekeer, waarvan de kost berekend moest worden,’ zo schreef Delors later met een absoluut understatement. ‘Ik ben op Financiën gestart in het volle besef van dat probleem, gezien de context in Europa en in de wereld.’ Die ‘context’ ging de andere richting uit: De eerste vrouwelijke Britse premier ooit, Margaret Thatcher, was sinds 1979 begonnen aan een radicaal beleid van afbouw van de staatsinterventie in haar land, door drastische besparingen en privatiseringen, door deregulering en belastingverlagingen en door een bikkelharde strijd om de wurggreep van de vakbonden op de Britse economie te breken.

 

 De nieuwe Amerikaanse president Ronald Reagan - hoogbejaard voor die tijd, want net nog 69 toen hij zijn eed aflegde - begon in Washington vanaf 20 januari 1981 aan een gelijkaardig beleid, al liet hij de militaire uitgaven drastisch stijgen.Hij liet vooral de Federal Reserve de interestvoeten fors verhogen om eindelijk een einde te maken aan de dubbelcijferige inflatie. Helmut Schmidt in de Bondsrepubliek probeerde al jaren iets gelijkaardigs maar moest rijden en omzien naar zijn eigen sociaaldemokratische achterban toe. De Benelux-landen gooiden in 1981 het roer om.

 

 De westerse wereld koos na 35 jaar keynesiaans beleid, met toenemende overheidsinterventie in de economie, stijgende inflatie en groeiende begrotingstekorten, voor een neoliberale koerswijziging. Die zou dertig jaar duren, de wereld als geheel een stuk welvarender maken, de Amerikaanse economie en de financiële wereld innoveren, en in het westen de herverdeling stoppen en de kloof tussen rijk en arm weer doen toenemen. Totdat vanaf 2007 de onthutsende bijwerkingen elkaar opvolgden: een ongeziene net niet fatale bankcrisis, ongecontroleerde migratie, de ontregeling van het klimaat en een heuse pandemie

 

Devaluaties

 

 Delors schetst in zijn memoires dat er in 1981 een kleine hoop was dat het aanzwengelen van de consumptie de Franse economie had kunnen stimuleren. Maar dat gebeurde niet, door het fundamenteel wantrouwen van de financieel welstellenden in links en door de inertie van het Franse bedrijfsleven. Dus gingen overheidstekort (- 3 % bbp) en handelsdeficit weer diep in het rood. Het probleem verscherpte nog door de snelle stijging van de dollarkoers onder Reagan, die Europa een derde oliecrisis (olie werd betaald in dollars) bezorgde.

 

 ‘Je moet nu eenmaal aanvaarden dat een democratie nood heeft aan afwisseling en dat die een prijs heeft,’ aldus Delors. Hij stelde dus net niet in zijn memoires dat er vanaf het begin rekening mee gehouden was dat het linkse project kon mislukken, maar dat men minstens naar de kiezer toe verplicht was een begin van uitvoering te geven. Was het daarom dat Mitterrand Delors, in de PS toch verdacht als ex-cabinetard onder Pompidou en vertrouweling van het internationale bankwezen,  benoemde op de sleutelpost van Economie en Financiën? ‘Het was inderdaad de laatste keer dat een regeerprogramma de traditionele dromen van links wenste uit te voeren,’ aldus Delors, ‘Dromen over de kwaliteit van het leven, van sociale rechtvaardigheid en van een betere verdeling van de vruchten van de nationale economie.’

 

 Het was dus een kwestie van tijd eer de opsplitsing van de weg bereikt zou worden: Frankrijk helemaal alleen een eigenzinnige linkse economische koers opsturen, met alle gevolgen – ook naar de Europese Gemeenschap toe. Of bijdraaien, mee-evolueren met de rest. Mr. President, I do not think your program will work,  sneerde Margaret Thatcher hem in volle vergadering toe, nadat Mitterrand als nieuwkomer was uitgenodigd om zijn economisch plannen te verduidelijken op de G-7 top in Ottawa op 20 juli 1981.

 

 Op zondag 4 oktober 1981 beslisten de ministers van Financiën van de Tien EU-lidstaten in Brussel tot de devaluatie van de franc, met 3 %, terwijl de D-mark met 5,5 % werd gerevalueerd. Bondskanselier Schmidt, die besefte dat links in Frankrijk eerst zijn dromen moest uittesten, gunde Mitterrand dat Bonn cijfermatig de zwaarste schok op zich nam. 


 Hij had vertrouwen in de nieuwe Franse president, die hem al drie dagen na zijn aantreden, tijdens Schmidts bezoek aan Parijs op 24 mei 1981, verzekerd had dat hij ‘niet van plan was uit het Europees Monetair Systeem’ te treden. Dat EMS was door Schmidt en Mitterrands voorganger Giscard in 1979 gecreëerd, samen met de Britse Commissievoorzitter Roy Jenkins, om na tien jaar onwezenlijke monetaire instabiliteit wat rust te herstellen. Schmidt waardeerde ook dat Mitterrand het standpunt van de bondskanselier over de omstreden plaatsing van nieuwe Amerikaanse kernraketten deelde, die de West-Duitse sociaal-democraat had gevraagd als tegenmaatregel tegen gelijkaardige Sovjet-Russische tuigen.

 

 De devaluatie van oktober vond plaats vier dagen nadat Fabius op de ministerraad van woensdagmorgen 30 september 1981 een Begroting had gepresenteerd met een verhoging van de uitgaven van 27 % en een deficit van 95 miljard francs of 2,6 % van het bbp.  Mitterrand had Fabius aangeduid om het budget naar de media toe uit te dragen, en dus compleet Delors gepasseerd.  


 Die had gezwegen op de ministerraad, maar kon in de late woensdagnamiddag al bijna triomfantelijk naar het Elysée bellen om te zeggen dat de franc onder zware druk stond en een devaluatie ‘voor dit weekeinde onvermijdelijk wordt.’ Mitterrand aanvaardde, omdat de devaluatie nog in de schoenen van voorganger Giscard geschoven kon worden. Hij stond Delors meteen toe een nieuwe begroting op te maken. Tegenover zijn collega’s in Brussel beloofde die 25 miljard franc besparingen. Fabius counterde op de ministerraad op 7 oktober met ‘maar 15 miljard.’ Mitterrand trancheerde: 15 miljard.


  De genomen maatregelen bleken onvoldoende en op zaterdag 12 juni 1982 volgde een tweede devaluatie, met 5,75 %, terwijl de D-mark met 4,25 % revalueerde. Ditmaal kon de blaam niet meer op de voorgangers geschoven worden. ‘Iedereen voelt de vernedering’, noteerde Attali, die ook de felle discussies op zondag 13 juni in het Elysée beschreef tussen de voorstanders van la rigueur, de besparings- en controlemaatregelen (Mauroy en Delors), en diegenen die nog een uitweg zochten via het opgeven van het lidmaatschap van het Europees Monetair Systeem (Rocard, Fabius, Chevènement). 


 Tien dagen later besliste de ministerraad een bevriezing van prijzen en lonen – op het bestaansminimum (SMIC) na – waarbij de facto het dertig jaar oude systeem van automatische indexering van de lonen werd opgegeven. De inflatiebestrijding kreeg nu toch voorrang. Mitterrand zelf, economisch overigens een dilettant, probeerde in de weken nadien nog Mauroy te corrigeren, door hem een programma van publieke investeringen en lage intresten op te leggen, via de genationaliseerde bedrijven en banken.


 Uiteindelijk lukte het wel de inflatie fors te doen dalen en op zijn minst het begrotingstekort te stabiliseren, maar het handelsdeficit bleef aangroeien. Frankrijk leefde boven zijn stand, en nog voor de gemeenteraadsverkiezingen van 6 en 13 maart 1983 – die links een nederlaag bezorgden – bereidde het kabinet een nieuwe devaluatie voor.

 

 Die kwam er, op maandagochtend 21 maart waarbij de franc 2,5 % lager werd afgeklokt, en de D-mark 5,5 % hoger. Delors kreeg, met de volle steun van Mauroy, vier dagen later op de ministerraad zijn zin: er kwam een saneringsplan van 20 miljard francs, waarvan een derde besparingen in de sociale zekerheid, een verhoging van de sociale bijdrage voor de pensioenen met 1,5 %, een voorafname op de personenbelasting van 1984, en zelfs een tijdelijk beperking van de muntruil voor de Fransen die op reis ging.

 

Premier

 

 Daaraan waren dramatische weken voorafgegaan. Mitterrand had het dilemma zelf op 19 februari 1983 al geschetst: ‘Ik ben verscheurd door twee ambities: die van de Europese constructie en die van de sociale rechtvaardigheid. Het Europees Monetair Stelsel is nodig om de eerste te doen slagen, maar beperkt mijn vrijheid inzake de tweede.’ En dus wisselde zijn keuze constant. Dat vermengde zich, na de eerste ronde van de gemeenteraadsverkiezingen, met de wil om Mauroy te vervangen. Il est usé, zei de president over de premier in die dagen. Feitelijk hanteerde Mitterrand opnieuw wat De Gaulle vanaf 1958 met de Vijfde Republiek had verwezenlijkt: de premier dient als zekering, en als toch de kortsluiting dreigt of toeslaat, steekt de president een nieuwe.

 

  Het Elysée probeerde eerst Mauroy, dan Delors te overtuigen om het EMS op te geven. Wie dat wilde uitvoeren mocht premier blijven/worden. Maar beiden weigerden – Mauroy met het argument ‘dat hij niet kon sturen op een ijzelbaan.’ De twee wisten finaal het beslissend argument boven te halen dat Mitterrand ertoe bracht eerst de devaluatie nog eens te proberen: de Franse deviezenreserves waren geslonken pas loin de zero. Er was gewoon geen geld meer om een vlottende franc, los van het EMS, eventueel te steunen.

 

 Zo ontstond de tactiek om de Duitsers, via de dreiging uit het EMS te stappen, ertoe aan te zetten een hoger percentage revaluatie van de D-Mark te aanvaarden dan Franse devaluatie, en zo het gezichtsverlies in Parijs te beperken.  In Bonn was echter sinds oktober een nieuwe centrum-rechtse West-Duitse regering  aan de macht gekomen onder Helmut Kohl, die op 6 maart 1983 de machtswissel bevestigd in vervroegde Bondsdagverkiezingen. Op 7 maart polste Mitterrand hem discreet over het scenario van muntherschikking. Bonn vond het Franse voorstel echter overdreven, zou dat ook op zaterdag 19 maart in Brussel nog doen.

 

 Jacques Delors kondigde op zondagmorgen 20 maart aan zijn collega’s in Brussel aan dat hij terug naar Parijs moest. Volgens Delors was dat om het dreigement met het verlaten van het EMS op die manier fysiek te maken. Attali brengt een ander verhaal: Delors wou in Parijs zijn op het ogenblik dat Mitterrand naar een nieuwe premier zocht. Die laatste, stomverbaasd, stuurde hem meteen terug. Diep in de nacht van zondag op maandag belde de West-Duitse minister van Financiën Gerhard Stoltenberg met Kohl. Die was ondertussen gecharmeerd geraakt door zijn eerste contacten met Mitterrand, en legde nu, tegen alle adviezen in, op dat men de Fransen moest helpen.

 

 Zo gebeurde ook. Later op die maandag in Brussel, waar om 17u ook een Europese Raad begon, had Mitterrand om 15 uur een gesprek van anderhalf uur met Delors, die hij gevraagd had in de Belgische hoofdstad op hem te wachten. Hij bood hem het premierschap aan, op voorwaarde dat hij zich zou verstaan met Fabius op Financiën en met Pierre Bérégovoy, de linksere secretaris-generaal van het Elysée, die minister van Sociale Zaken zou worden.

 

 Jacques mocht dus dirigent onder de president worden, van een weliswaar roder klinkend orkest. Het eeuwige spel van verdeel en heers. Delors, die het doorhad, vroeg de eindcontrole op Financiën te mogen combineren met het premierschap. De president weigerde, en Delors haakte af. ‘Ik wil mijn lot niet in de hand van één man leggen,’ vertrouwde Mitterrand een dag later toe aan Attali. Tegenover Delors erkende de president, een verwoed consument van geschiedenisboeken, ruim een jaar later ‘dat hij niet de rol van vadsige koning wou opnemen tegenover u als hofmeier.’

 

Brussel

 

   Zonder Delors, die dus op Financiën bleef maar wel van Fabius verlost geraakte voor Begroting,  bleef enkel Mauroy. Die had het nieuwe, harde beleid voorgesteld, ook al maakte die forse koerswijziging hem natuurlijk niet geloofwaardiger. De conclusie volgde een jaar later, op 17 juli 1984: Mauroy ging, na de forse overwinning van rechts bij de Europese verkiezingen.

 

 Laurent Fabius, tot dan minister van Industrie, werd de nieuwe Franse premier, de jongste ooit. Delors, die nog even hoopte, kreeg bevestigd dat hij naar Brussel mocht gaan, voor het voorzitterschap van de Europese Commissie. In het nieuwe kabinet van Fabius ontbraken de communisten. Die hadden de gelegenheid aangegrepen om, vanwege de rigueur, op te stappen. Attali somde in zijn dagboek triomfantelijk op hoe weinig ze bereikt hadden.

 

 De benoeming van Delors was door Mitterrand en Kohl geregeld in een reeks van gesprekken in het voorjaar. Beiden hadden de brave Luxemburgse Commissievoorzitter Gaston Thorn afgeschreven. Die had zichzelf finaal tot de rol van een eenzaam prekende Savonarola tegen de Europse stilstand gedegradeerd en dus zijn eigen machteloosheid gepromoot. Diens soliedere Belgische vice-voorzitter Etienne Davignon kon niet voor Mitterrand, omdat ‘men hem verwijt te dicht bij de Amerikanen te staan en teveel tot de EU-aristocratie te behoren’, zoals hij tegenover de Belgische premier Martens zei.

 

 Hij en Kohl werden het er over eens dat het ditmaal een Duitser of een Fransman moest zijn, om de EG weer wat dynamisme in te blazen. Kohl had de eerste keuze, kende zelfs een kandidaat, Kurt Biedenkopf, de CDU-topman van Noordrijn-Westfalen. Dat was een gewezen kompaan, die hij echter inmiddels wantrouwde en waarschijnlijk liever niet in de leidende rol in Brussel zag terwijl hij nog zijn eerste Europese stappen zette.

 

 Ook Mitterrand kende een kandidaat, zijn te vaak eigenzinnige en blunderende minister van Buitenlandse Zaken Claude Cheysson, die al commissaris in Brussel geweest was tussen 1977 en 1981, en die besefte dat zijn rol in Parijs was uitgespeeld. Maar de president suggereerde Delors aan Kohl, met de belofte dat nadien een Duitser aan de beurt kon komen. Wilde hij hem kwijt, als potentiële rivaal bij de verkiezingen van 1988?

 

 Delors verwees later in zijn memoires nogal bitter naar één van de laatste interviews van Mitterrand (die begin 1996 overleed) waarin die stelde dat de minister van Financiën vanwege zijn christendemocratisch verleden en parfum nooit genoeg gedragen zou worden door heel links en dus geen kans maakte. Vandaar dat Delors eind 1994  wel geflirt heeft met een kandidatuur voor het presidentschap, maar niet heeft doorgezet.

 

 Dacht Delors daar ook zo al over in 1984? Precies omdat Mitterrand toen niet zeker was zijn woelige minister te kunnen overtuigen zichzelf naar Brussel te verbannen, liet hij dat aan Kohl over, die het met veel verve deed en ook slaagde. Voor Kohl was Delors voldoende rechts – of noem het ‘pragmatisch’ - om aanvaardbaar te zijn. Zelfs Margaret Thatcher verdedigde nadien de keuze voor haar partijgenoten met het argument dat Delors had turned Mitterandism into Thatcherism.

 

Credo

 

 Van veel diepere impact dan die benoeming was dat iedereen de ommezwaai van het Franse beleid van 21 maart 1983 zou gaan beschouwen als het einde van vele sociaaldemocratische stokpaardjes, zoals die in de crisis van de jaren dertig waren ontwikkeld als haalbaar alternatief voor het officieel beleden marxisme, onder meer door de Antwerpse sociaaldemocraat Hendrik De Man. Die principes waren voor het eerst volop toegepast door de Labour-regering van Clement Attlee in Londen na 1945. Ze hadden het regeerprogramma van Mitterrand en Mauroy bemeubeld in 1981.

 

Op 24 maart 1983 omschreef Attali het besparingsplan-Delors in één zinnetje: On reprend ce qu’on a donné en 1981 (‘We pakken terug af wat we in 1981 uitgedeeld hebben’).Het werkte overigens. De speculatie tegen de franc nam af en het EMS groeide uit tot de basis van de euro. Mitterrand borg de socialistische dromen op en werd een sociaaldemocraat.

 

 Voor Felipe Gonzalez, met zijn socialistische partij pas aan de macht gekomen in Madrid in oktober 1982, was dit alles een hefboom om, zijn eigen instinct volgend, ook een koers van minste weerstand tegen het neoliberale tij aan te nemen. ‘Ik ben Mitterrand veel verschuldigd,’ zei hij aan de nieuwe Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken George Shultz half december 1982 toen die langskwam. ‘Hij kwam aan de macht met een grote meerderheid en een socialistisch ticket, net als ik nu. Hij voerde het socialistisch programma uit, en het resultaat was een catastrofe voor Frankrijk. Dat is mijn les: voer dat socialistisch programma niet uit. Blijf bij de markt. Moedig investeerders aan. Dat ga ik doen.’ Gonzalez bleef tot 1996 premier.

 

 Op 9 juni 1983 won Margaret Thatcher, gesterkt door haar overwinning in de Falkland-Oorlog tegen Argentinië, de grootste Conservatieve meerderheid in het Lagerhuis ooit, tegen een gedecimeerd Labour dat na zijn machtsverlies in 1979 zich teruggeplooid had op een radikaal-linkse koers. De Italiaanse socialist Bettino Craxi, die op 4 augustus 1983 in Rome premier werd en dat vier volle jaren zou blijven, deed hetzelfde, onder meer met de afschaffing van de scala mobile, de automatische loonindexering, om op die manier de inflatie te bestrijden. De sociaaldemocratische partijen zouden in de jaren tachtig en negentig meer en meer de macht veroveren in diverse landen van Europa, nadat ze zich grotendeels bij het credo van de liberale markteconomie hadden neergelegd.

 


Napoleon, de leegte

 

 22 december 2023


 Napoleon zag, kwam en verdween. Zo zou je Napoleon-experience uit Hollywood van dit najaar kunnen samenvatten. Een twee uur durend spektakel, dat je historisch geheugen wat opfrist, dat je uiteraard niet met een geschiedenisboek mag verwarren, en waarvan finaal ook niets blijft hangen.

 

 Ridley Scott, de Britse regisseur die net vijf jaar ouder is dan Joe Biden, kent zijn vak natuurlijk. Twintig jaar geleden produceerde hij Gladiator, een film die alles afgevinkt had wat op elke to do-lijst in Hollywood staat: grandioze decors en horizonten, majestueuze beelden, special effects, een originele score, een sterk verhaal met een onbaatzuchtige held en een waarlijk snode slechterik, spanning, een charismatische hoofdrolspeler (Russel Crowe), wat porties geweld tot op het niveau van net-nog-kunnen, en enkele bescheiden vleugjes seks die noch het Amerikaans publiek in de Midwest, noch de Arabische markt kunnen shockeren.

 

 Scott’s Napoleon dit jaar had de meeste van die ingrediënten. Noem het gerust een spektakelstuk, waarbij danig gebruik wordt gemaakt van surround-sound van kanonnen, van grandioze Franse decors en zelfs de piramiden van Egypte, waarbij je van de ene markante gebeurtenis in de andere tuimelt, aan een hels tempo. Er zitten zelfs een paar heel geslaagde pogingen in om in een flits even te laten proeven van een breed perspectief uit de geschiedenis, zoals bij de korte scène waarin Robespierre zijn filosofie uitlegt in de Assemblee.

 

Josephine

 

 Over de fouten tegen de historische werkelijkheid – en Scott’s arrogante reactie tegen de kritiek daarop (‘Get a life’) – is al veel geschreven. Ik ben geen Bonaparte-expert zoals de Vlaamse collega’s Bart Van Loo en Johan Op de Beeck, maar laat mij het samenvatten: het krioelt gewoon van de historische onjuistheden, in elke scene minstens een paar. Op zich is dat bij historische films niet eens ongewoon, al kan het ook anders, zoals bijvoorbeeld Oppenheimer de voorbije zomer bewees.

 

 Maar het valt op dat door de fouten ook details zijn blijven liggen die het spektakel nog meer hadden kunnen kruiden. Dat de jonge Bonaparte (op een Britse karikatuur uit 1813 hiernaast) Josephine afsnoepte van zijn mentor Paul Barras bijvoorbeeld – of dat die haar gewoon doorspeelde om de ambitieuze jonge generaal beter in het oog te houden, men weet het niet exact – had Scott niet mogen laten liggen. Er is dus duidelijk slordig gewerkt aan het script, anders dan inzake de uitermate verzorgde visuele details. Een niet ongewone budgettaire keuze overigens in de business.

 

 Wat Scott heeft kunnen vermijden is de oude Brits-Franse val. Tot niet eens twintig jaar geleden kon je geen Brits geschiedenisboek vinden dat positief was over Bonaparte, geen Frans dat hem afbrak. Twee eeuwen na de passies van toen! Die mentale patriottische muur is inmiddels gelukkig wat gesloopt, en Scott heeft dat meegenomen: hij portretteert Napoleon niet echt als een volslagen tiran, ook niet als een groot genie, maar eerder als een banale ambitieux.

 

 Het blijft wel allemaal vaag, ongetwijfeld omdat een 49-jarige, Joaquin Phoenix (de slechte keizer Commodus in Gladiator!) geen weg wist met zijn rol en dit project zakelijk en routineus afwerkt. Hij komt inderdaad ook te oud over: een blaag met een baby-face voor de jonge, nerveuze, ambitieuze Corsicaanse opdonder anno 1795 ware geloofwaardiger en qua impact ook sterker geweest.

 

 En dan is er natuurlijk het verhaal. Er is te veel om allemaal te vertellen, dat is bekend. Scott is in dat probleem verdronken, zoals Adam Zamoyski de Pools-Britse historicus die vijf jaar geleden een uitstekende Napoleon-biografie publiceerde, recent in een interview opmerkte: ‘Ik denk dat Scott ergens halfweg verloren gelopen is over de vraag wat voor film hij eigenlijk wou maken. Hij was begonnen aan een portret over Napoleon, maar is dan van richting veranderd en heeft dan een grotendeels fictief liefdesverhaal over Napoleon en Josephine gemaakt.’ Waaraan je alleen kan toevoegen dat hij ook uit het verhaal van die complexe relatie nauwelijks gehaald heeft wat erin zat.

 

Propaganda

 

 Er bestaat eigenlijk nog altijd geen goeie verfilming over de figuur Bonaparte. Net twintig jaar geleden (4 januari 2004) schreef ik in De Tijd een artikel over ‘De mythe Napoleon’, naar aanleiding van een Franse fictiereeks over Bonaparte, die toen net op Canvas begon. Ik sprak met Christian Castellan, die in Parijs een tweemaandelijks historisch tijdschrift uitgaf dat louter en alleen over Napoleon en zijn tijdperk ging.

 

 Hij had de serie uiteraard al gezien en dit was zijn conclusie: ‘De reeks is ongetwijfeld een mooie inspanning. En het gaat er me niet om dat een aantal details fout zijn, wat onvermijdelijk is in de simplificatie van het medium televisie. Maar ik miste een stuk subtiliteit en diepgang in de personages. En Christian Clavier heeft me ook niet overtuigd als hoofdrolspeler.’ (De reeks is nog te vinden, in Engelse versie, op youtube; Isabella Rossellini was Joséphine toen)

 

 Is het inderdaad onmogelijk om heel dat woelige en spectaculaire leven in twee of zelfs drie uur samen te persen, dan moet men misschien naar detailaspecten gaan, die toch representatief kunnen zijn voor het geheel. Der Untergang uit 2005, over de laatste tien dagen van Hitler, was daar een perfect voorbeeld van.

 

  Filmisch het meest waardeloos is vermoedelijk de periode waarin Bonaparte op zijn best was: als eerste consul tussen 1800 en 1804. Want het schrijven van wetboeken, en het maken van compromissen tussen kerk en staat, en tussen revolutie en de algemene heimwee naar de periode voordien, zijn niet echt spannende televisie, wel Napoleons enige erfenis die gebleven is. Het was toen dat zijn ongelooflijke werkkracht en zijn een-dimensionele manier van leven, louter gericht op politiek (en met tussendoor enkel wat vluggertjes zoals Scott nogal ordinair in beeld brengt), het meest rendeerde, vooraleer zijn fysieke aftakeling begon.

 

 Dus moet men waarschijnlijk op een paar spectaculaire fases blijven inzoomen. Een poging tot verklaring van zijn fenomenale opgang, bijvoorbeeld, inbegrepen wat hem tien jaar tot onoverwinnelijke generaal maakte. Of als familieman, die zijn brede Corsicaanse clan door en door corrumpeerde zonder zelf nochtans al te veel te graaien. Of inderdaad de relatie met Josephine uitdiepen, als twee gekwetste en jong cynisch geworden outsiders die in een immens woelige tijd elkaar een tijd vonden om samen de top te halen.

 

  Of finaal zijn Untergang in beeld te brengen, met als hoogtepunt de fysieke pijnen aan de vooravond van de slag van Borodino diep in Rusland in 1812, die hem deden vermoeden dat het geluk hem had verlaten. De eenzame jaren in Sint-Helena zijn ook een schitterend verhaal, waarbij hij in alle frustraties daar diep in de Atlantische Oceaan toch de meester van de propaganda bleef die van daaruit zijn legende voedde als nooit tevoren. Ideaal voor flash-backs trouwens.

 

Ordinair

 

 Wat onthouden we vandaag van Napoleon? In de eerste plaats natuurlijk dat hij een exponent was van zijn tijd: de periode waarin het duizend jaar oude Ancien Regime als maatschappij-ordening instortte, waarin christendom als religie werd ingeruild voor nationalisme, waarin de militaire techniek het plots weer mogelijk maakte hele landen en zelfs rijken te veroveren, in plaats van louter steden en vestingen zoals in de driehonderd jaar voordien.

 

 Wat was Bonapartes persoonlijke extra-inbreng daarin? Dat hij tijdens zijn militaire opleiding alle militaire klassiekers had verslonden, en dus maximaal gebruik wist te maken van de mogelijkheden van het revolutionair leger, onder meer in de inzet van artillerie en, zoals bij Caesar, van maximale snelheid van uitvoering. 


 Dat hij, ongetwijfeld vanuit zijn nederige afkomst, veel beter dan al de revolutionaire leiders – veelal afgestudeerde advocaten – van tussen 1789 en 1799 besefte dat er wel degelijk vernieuwing nodig was, maar ook dat de mensen na tien jaar chaos weer snakten naar stabiliteit en orde (wat Stalin, ook zo’n on-intellectuele ambitieux, in 1924 ook een paar jaar had begrepen). 


 Dat hij harteloos kon zijn, zoals bij het bloedbad onder de royalisten in Parijs in 1795 dat hem, zoals verhoopt, het vertrouwen van het revolutionair bewind bezorgde. En dat hij risico’s durfde nemen natuurlijk, berekend meestal, maar soms ook puur va banque.

 

 Wat bleef er van over, na 1815? Enkel de erfenis van de eerste consul zoals gezegd. Voor de rest moest ook Bonaparte surfen op events, just events, in een bijzondere stroomversnelling van de geschiedenis dan nog. Zijn Achillespees was precies datgene wat hem aan de top had gebracht. In 1799 had Frankrijk de hele linker-Rijnoever – tot Koblenz, Keulen en Nijmegen – onder controle, en, dankzij Napoleon, ook Italië. Dat kon de rest van Europa niet aanvaarden. Hij kon, met zijn zwakke legitimiteit, die veroveringen uiteraard niet teruggeven.

 

 En dus was er altijd oorlog, het eeuwige bijproduct van onstabiele tijden. Hij kon die enkel winnen door zelf telkens brutaal in het offensief te gaan, zoals hij al in Toulon en Italië had gedaan vooraleer hij de macht greep. Finaal liep het slecht af, niet eens zozeer vanwege de Engelsen – die hem nochtans in Egypte, nabij Trafalgar en in heel Spanje een hak konden zetten – dan wel vanwege Rusland, waar de tsaar en de zijnen zijn offensief ontweken in een eindeloze terugtocht, tot zijn leger leeggebloed was.

 

 Daarbij is ook het laatste beeld van Ridley Scott’s film fout, waarin hij een miljoen doden als ultieme aanklacht aan Napoleons adres suggereert. Adam Zamoyski onder andere rekende al uit dat in de twaalf jaar van Napoleons veroveringen er niet meer doden vielen in het Franse leger dan in de tien revolutiejaren tussen 1789 en 1799. En dat naar verhouding minstens evenveel soldaten sneuvelden in de legers van al de naties die hem bestreden. Ook op dat vlak was Napoleon misschien toch meer ordinair dan zijn spectaculaire biografie doet vermoeden.

 

  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De Lage Landen, anno 1506

 6 december 2013


 Na wat gegrasduind te hebben aan de rand van de actualiteit keren we met onze geschiedenisblog terug naar een ver verleden: ruim vijfhonderd jaar geleden, het jaar 1506. Toevallig botste ik recent bij opzoekingen op een merkwaardige beschrijving van de Bourgondische Nederlanden. De auteur is de ambassadeur van Venetië aan het hof van de net gestorven hertog Filips, de vader van de latere keizer Karel. De diplomaat blijkt bijzonder geïntrigeerd door de handelsgeest van de bevolking in de Nederlanden, de schoonheid en zelfstandigheid van de vrouwen, de kwaliteit van de muziek, de algemene culinaire koorts en wat hij toch omschrijft als ‘de frigiditeit van de mannen en vrouwen.’

 

 In juli 1506 keerde Vincenzo Querini, de 28-jarige ambassadeur van de stadstaat Venetië, huiswaarts. Hij deed dat na de dood van hertog Filips van Bourgondië, even oud als hij, bij wie hij ambassadeur was sinds maart 1505. Hij reisde mee met de hertog toen die in januari 1506 in Vlissingen naar Castilië inscheepte, om daar, samen met zijn vrouw Johanna, de troon van haar moeder op te eisen, Isabella van Castilië, die eind 1504 gestorven was.

 

 Querini maakte dus de hele reis mee, inbegrepen de landing en het verblijf in Engeland, na een storm kort na het vertrek. Hij was bij de kroning van Filips tot  koning van Castilië op 12 juli 1506 in Valladolid, maar vertrok kort nadien huiswaarts. Hij vernam vermoedelijk in Venetië de plots dood van de hertog-koning op 25 september in Burgos. Daarmee was zijn opdracht meteen ten einde.

 

 Sinds 1296 bepaalde een Venetiaanse wet dat vertrekkende ambassadeurs een rapport moesten schrijven voor de Doge, de gekozen leider van de republiek Venetië, en voor de Senaat daar. In dergelijke rapporten brachten ze een overzicht van de leiders, de instellingen en de bevolking van de gebieden waar ze vertoefd hadden, vaak ook met zoveel mogelijk cijfergegevens (financiële vooral), die van belang konden zijn voor de grootste maritieme en handelsstad van Italië, die het schatrijke Venetië toen nog was.

 

 Querini had gestudeerd in Padua, in het Italië van de renaissance, filosofie in de eerste plaats. Hij las en schreef Latijn, maar verstond ook Grieks en zelfs wat Hebreeuws. Hij schreef gedichten en later, in 1513, een uitgebreid traktaat over noodzakelijke hervormingen in de kerk, vier jaar voordat Luther zijn actie begon.


Momentopname

 

 Querini is onder historici vooral bekend vanwege zijn brieven vanuit Mechelen naar Venetië, die een onschatbare bron vormen om uit te maken of hertogin Johanna (later de Waanzinnige genaamd) inderdaad niet bij haar verstand was, dan wel dat haar toestand als excuus is gebruikt  door haar vader en haar man om haar als eerste troonopvolgster van Castilië uit te schakelen. Querini zelf dacht oorspronkelijk het tweede, vlak voor zijn vertrek was hij eerder overtuigd geraakt van het eerste.


 Zijn rapport over de Bourgondische landen - hij noemt het geheel Borgogno - getuigt van een goed analytisch vermogen, een mooie schrijfstijl en de mercantiele nuchterheid die men van een Venetiaanse ambassadeur mocht verwachten. We geven hier een fragment weer, zijn beschrijving van de Bourgondische landen en hun bevolking. Die strekten zich toen uit van Atrecht tot Utrecht en Amsterdam, en van Boulogne tot Luxemburg en Roermond, maar zonder het prinsbisdom Luik.

 

 Het is een unieke en gedetailleerde momentopname van wat op dat moment nog even veruit het rijkste, meest bevolkte, meest verstedelijkte en economisch sterkste gebied ten noorden van de Alpen was. Querini merkt op dat Antwerpen daarin het handelscentrum is geworden, al is Brugge volgens hem de tweede grootste stad van de Lage Landen. Wel heerst er op het ogenblik van het verslag van de ambassadeur grote onzekerheid: hertog Filips is net gestorven, zijn vrouw (Johanna de Waanzinnige) zit sinds een paar maand opgesloten in Tordesillas en hun oudste zoon Karel (de latere keizer) is amper zes.

 

 Hier gaat zijn verhaal (De foto hiernaast is een beeld van het Hof van Busleyden in Mechelen, de voormalige residentie van de edelman Francois de Busleyden (en later van zijn broer). Die was de meest invloedrijke raadgever van hertog Filips, tot aan zijn dood op 57-jarige leeftijd in Toledo, tijdens de eerste reis van de hertog naar Spanje in 1502. Busleyden was geboren in Aarlen, en heer van wat vandaag Bouleide/Baschleiden is, een Luxemburg grensdorp in de buurt van Bastenaken):


 

‘De landen van de hertog van Bourgondië zijn allemaal verenigd, en zeer groot. Ze hebben als grens aan de ene kant Frankrijk, aan de andere dat deel van Duitsland dat reikt tot Straatsburg, Trier en Keulen, aan een derde zijde Friesland, aan de vierde de zee. Binnen deze grenzen zijn er tien provincies: Vlaanderen, Brabant, Artesië, Henegouwen, Zeeland, Holland, Namen, Luxemburg, Gelderland en een deel van Picardië. Sommige van die provincies liggen in de vlakte, andere in de bergen, sommige aan zee. Ze zijn alle dichtbevolkt, rijk en met een groot aantal steden, kastelen en dorpen.


Graan

 

 Daaronder zijn er in totaal 143 ommuurde locaties, sommige zo klein dat men ze eerder als grote kastelen kan beschouwen. Andere zijn zo groot dat ze enkel nog een bisschop missen om ze steden te kunnen noemen.  De middengroep telt zo’n drie- tot vijfduizend woningen, de grote zes- tot vijfentwintigduizend. Brugge heeft er vijfentwintig duizend, Antwerpen twintig- tot vijfentwintigduizend, maar is rijker aan handel dan welke andere ook. Gent heeft er twintigduizend, Brussel twaalfduizend, Leuven tienduizend, ’s Hertogenbosch en Mechelen achtduizend, Atrecht en Amsterdam zes à zevenduizend.



'Er zijn in dit land drie dingen van allerhoogste kwaliteit. Heel fijne en mooie lakens vind je in overvloed in Holland. Voor tapijten met prachtige figuren moet je in Brabant zijn. En het derde is de muziek, waarvan je enkel kan zeggen dat ze perfect is'


 

 Ze zijn allemaal mooi en goed gelegen, de meeste in een laagvlakte waar ze gemakkelijk toegang hebben tot het nabije water. Ze pronken alle met kloosters en kerken. Ze zijn rijk omdat alle burgers handelaars zijn, en het volk ambachtsmensen, waarvan het grootste deel bezig is met laken en tapijten weven, en de rest met de dingen die nodig zijn in een stad.

 

 Je vindt in dit land daarnaast ook zo’n vijftienhonderd dorpen, waarvan sommige een klein beetje ommuurd zijn. De meerderheid van deze dorpen telt zo’n honderd vijftig woningen, sommige tweehonderd en enkele driehonderd. Daar weven zowel mannen als vrouwen lakens. Weinigen bewerken het land, want er zijn maar weinig landerijen in verhouding tot het aantal mensen dat werkt. Toch is er altijd voldoende graan, maar niet genoeg wijn, want in dit land groeien niet genoeg druiven om voldoende wijn te maken.

 

 Er zijn in dit land en op het platteland ook veel kerkelijke goederen, die aan tienden per jaar tot zeventigduizend dukaten opbrengen (een ruwe schatting leert dat het jaarloon van een wever in de Nederlanden in die dagen ongeveer vijftien dukaten bedroeg). Er zijn ook monniken en nonnen, waaronder die van Sint Benedictus, Sint Bernardus en Sint Augustinus, en de Kartuizers. Je vindt kloosters die 162.000 dukaten inkomsten per jaar verwerven. De groten hebben tienduizend dukaten, de middengroep zeven- tot achtduizend, de kleintjes vijftienhonderd tot tweeduizend. Er zijn ook monniken in dit land die niet zo voorbeeldig leven als zou moeten.


Muziek

 

 Er zijn in dit land drie dingen van allerhoogste kwaliteit. Heel fijne en mooie lakens vind je in overvloed in Holland. Voor tapijten met prachtige figuren moet je in Brabant zijn. En het derde is de muziek, waarvan je enkel kan zeggen dat ze perfect is (la quale certamente si può dire che sia perfetta).

 

 De inwoners van dit land consumeren voortdurend vier dingen om te kunnen leven: bier, gezouten boter, haringen en turf. Dat laatste is een soort aarde vol met wortels, dat, als je het in stukken snijdt, brandt zoals steenkool. Die vier dingen worden in die mate geconsumeerd en gebruikt, dat een familie niet tevreden zal zijn als ze al deze dingen niet elk jaar geleverd krijgt. Daarom noemen ze die ‘de vier elementen van Vlaanderen’, en eigenlijk van al de andere, eerdergenoemde provincies.

 

 Het totaal aantal inwoners van die landen kan je op ongeveer tweehonderdduizend woningen schatten. In dat aantal zitten ook de vele heren van kastelen en dorpen, die ongeveer met vijftig moeten zijn. De meest aanzienlijke onder hen is de graaf van Nassau, die vijftienduizend dukaten inkomsten per jaar boekt. De middengroep daar int zes- tot zevenduizend, de kleinste twee- tot drieduizend.

 

 Allen zijn onderworpen aan de hertog, maar ze zijn niet verplicht een stuk van hun inkomen aan hem af te staan. Integendeel, de hertog bezorgt allen een dotatie uit de inkomsten van het hertogdom. Wel is het zo dat als hun heer hen oproept tot de oorlog, dat ze dan gaan, en dat iedereen in verhouding tot zijn inkomsten gewapende mensen meebrengt.



 'Er is geen ongeloof inzake godsdienst, en ook geen jaloezie, zelfs al zijn de vrouwen hier doorgaans buitengewoon mooi en huiselijk'

 

 Die heren plegen niet al te luxueus te zijn, zowel in hun kleding als inzake begeleiders wanneer ze reizen. Maar bij hen thuis willen ze schitteren, en spenderen ze meer dan wat ze aan opbrengsten binnenkrijgen. Het is hun gewoonte om grote kosten te maken bij het eten en drinken. Ze tafelen graag met de heren van de hertog. Die laatsten hebben geen andere zorgen dan uit eten te gaan, of beter gezegd: aan tafel te gaan met de voornoemde heren. Zouden ze anders doen, het zou hen grote schande opleveren.


Opstand

 

 De mensen van al deze gebieden zijn van nature goedaardig, houden van hun heer, blijken goede christenen. Ze zijn niet zo vlot in de conversatie en maken zich ook niet teveel zorgen over hun kleding. Alle mensen zijn verslaafd aan koopwaar, bezoeken af en toe de tavernes, en vinden in geen ander vleselijk genoot zo’n genoegen als in eten en drinken.

 

 Ze komen nogal snel in opstand als hun heer er niet is, en heel vaak tegen hun regeerders. Daarom zou het kunnen dat het nieuws van de dood van hun koning en hertog (hertog Filips was net koning van Castilië geworden) ze weer in opstand doet komen tegen hun regering, tenminste toch zolang ze niet door de Fransen worden aangevallen. Want in dat geval zijn allen het weer eens om zich te verdedigen.

 

  Ze zullen dan gunsten en regeringen van om het even wie aanvaarden. In de eerste plaats die van de rooms-koning (Maximiliaan, de vader van hertog Filips, die sinds 1486 ook Duitse koning – ‘rooms-koning’ – was en nog steeds wachtte totdat de paus hem de keizerskroon zou opzetten). Die zal om het land van zijn kleinkinderen te verdedigen tegen de Fransen redelijk snel naar Vlaanderen komen. Maar nadat hij hen verdedigd zal hebben, en de zaken tot rust zijn gekomen, zal het best zijn dat hij naar Duitsland terugkeert. Want datzelfde volk wil ook niet door Duitsers worden geregeerd.


Plezier

 

 Met dit alles kunnen die mensen inderdaad als goed worden omschreven, want er is bij hen geen hang naar luxe, geen diefstal, geen schuld, haat of afgunst te vinden, zoals wel op vele andere plaatsen. Er is ook geen ongeloof inzake godsdienst, en ook geen jaloezie, zelfs al zijn de vrouwen hier doorgaans buitengewoon mooi en huiselijk.

 

 De kledij van die vrouwen bestaat uit een zwarte mantel die ook het hoofd bedekt, zoals bij ons de ongehuwde jonge vrouwen. Ze veranderen die kledij ook nooit. Ze hebben wel vrolijke gewoontes. De tijd die hen nog blijft na de arbeid spenderen ze aan dansen, zingen, musiceren. Ze doen dan niets anders dan zich aan het plezier over te geven. Daarnaast beheren ze het huis en de huiselijke taken, zonder enige inmenging vanwege hun mannen.

 

 Bovendien is hier het gebruik dat, als vrouwen getrouwd zijn, ze hun bruidsschat en de bezittingen van de man samenvoegen. Wanneer de man sterft gaat de helft naar de vrouw, de andere naar de kinderen, of terug naar de ouders als er geen kinderen zijn. En als de vrouw als eerste sterft, gaat de bruidsschat naar de kinderen, of naar de man als er geen kinderen zijn, en als hij sterft terug naar haar ouders.

 

 Het is de gewoonte bij vrouwen van al de genoemde landen om hun dochters, wanneer die de huwbare leeftijd hebben bereikt, onder te brengen in enkele kloosters die zich Begijnen noemen. Daar zijn vele kleine huisjes en vrouwen die niet willen huwen, naast velen die op het punt staan te trouwen. Ieder staat voor zichzelf in. Velen vervaardigen doeken en textiel. Velen verwerven ook enige rijkdom.

 

 Ze leven eervol, omdat ze zichzelf bewaken. En ook omdat de vrouwen en mannen van dit land frigied zijn (perchè le donne e uomini di questa pase sono frigidi), en heel ver van elke luxe blijven, meer dan ik in welk ander land ook heb gezien.’

 

 

 

 

 

 



Walsen op een aardschok

 25 november 2023 


 Niets is zo boeiend in het beschrijven van geschiedenis als de onverwachte gebeurtenis die de bestaande orde overhoophaalt. Tot kort voor de exitpoll van de Nederlandse verkiezingen voor de Tweede Kamer om 21u woensdagavond dacht ik, op basis van alle peilingen, dat Den Haag andermaal een nieuwe trend zou zetten: de restauratie van een partijlandschap gedomineerd door de drie voormalig grote traditionele partijen. Dat waren dan de liberalen, de met groen versterkte sociaaldemocraten, en een nieuwkomer met een toch niet helemaal te verbergen christendemocratisch parfum. En toen won de PVV van Wilders, met een straat voorsprong.

 

 Puur mathematisch is de score die de PVV van Wilders woensdag liet optekenen maar een beetje een uitschieter. Met 37 zetels bezet die partij voortaan net niet een kwart van de Tweede Kamer. Bij zijn vier verkiezingsoverwinningen tussen 2010 en 2021 behaalde Mark Rutte maar één keer meer zetels: 41 in 2012. De PvdA won in dat jaar ook 38 zetels. In 2002, 2003 en 2007 bleef het CDA winnaar, telkens nog boven 40 zetels.

 

 Voor het jaar 2000 was het normaal dat de grootse fractie meer dan 30 % van de zetels binnenrijfde, met 1994 en eventueel 1971 – toen de drie christelijke fracties nog samen het CDA moesten worden - als uitzondering. Toch lijkt de trend van de voorbije decennia naar versnippering van het partijlandschap toe op zijn minst afgeremd, zoniet omgebogen. Het zetelaantal van de drie grootste fracties in de Tweede Kamer samen was altijd meer dan 100 voor 2006. Sedertdien daalde dat tot een dieptepunt van 72 in 2017, met al een sterk herstel in 2021 (82) en nu toch alweer veertien zetels meer dan zes jaar geleden: 86.

 

Stichting


 De aardschok van de Nederlandse Tweede Kamerverkiezing van woensdag zit niet zozeer in de cijfers, wel in de winnaar, de PVV (de afkorting staat voor Partij voor de Vrijheid, en niet voor ‘Partij voor Vrijheid en Vooruitgang’, zoals bij de de voorloper van de VLD in Vlaanderen voor 1992). Vooral is er de verrassende voorsprong: 12 zetels op de tweede, het kartel van Groen Links en PvdA van Frans Timmermans. Wilders’ partij was in de laatste peilingen inderdaad aan een opvallende comeback bezig. Maar alle prognoses gaven de partij in het beste geval een nipte toppositie, met maximum een zetel voorsprong.

 

 De voor de hand liggende conclusie is dat de peilers weer onbetrouwbaar zijn gebleken. Maar ze waren toch vrij unisono. En ze slaan zelden de bal mis bij Nederlandse verkiezingen. Het kan dat het NOS-verkiezingsdebat aan de vooravond van verkiezingsdag zwaar de doorslag heeft gegeven. Zelf vond ik dat Wilders daar inderdaad sterk voor de dag kwam, net als Pieter Omzigt en tot op zekere hoogte Frans Timmermans (minder dan vroeger, omdat aan hem slijtage kleeft). Dilan Yesilgöz zwalpte in die uitzending, in tegenstelling tot haar optredens de dagen voordien, toen ze verraste als onverwacht sterk.

 

 Het historische van de uitslag is vooral dat de PVV een ongewone partij is, zelfs als men de omstreden term 'populisme' wil vermijden.. Voor de eerste maal sinds de Tweede Kamer vanaf 1848 rechtstreeks wordt verkozen is de grootste fractie niet liberaal, socialistisch of confessioneel-christendemocratisch. In België kennen ze die frappante nieuwigheid sinds 2010, in Italië sinds 1994, in Zwitserland sedert 1999.  In Duitsland hadden ze dat - dat is bekend - ooit eens in 1932 gehad, in Frankrijk bijna tien jaar lang na de Tweede Wereldoorlog, met de communisten. In Italië zetelen de 'populisten' ten laatste sinds 2017 in het kabinet (maar wat was Berlusconi dan?), in Oostenrijk zo'n zeven jaar sinds 2000, in de Scandinavische landen af en toe, in Zwitserland al een kwarteeuw ononderbroken.


 Bovendien is de PVV geen uitgebouwde partij:  ze heeft geen leden, houdt dus geen congressen. De enige centrale structuur op nationaal niveau is de fractie van de verkozenen. Fracties zijn blijkbaar ook de partijstructuur op lokaal niveau. Op zich hoeft dat geen handicap te zijn. Partijen werden in een grijs verleden opgericht om de verkozenen en de ministers beter te controleren op hun beloftes aan de kiezer, omdat die individueel in hun wetgevend werk allemaal beïnvloedbaar en omkoopbaar waren, door de koning, de overheid, de lobby’s en bedrijven. De facto zijn die partijen – zeker in België – vandaag geëvolueerd tot on-transparante structuren, met weinig betalende vaak heel oude leden (soms heel vreemd gerekruteerd), en volstrekte onduidelijkheid over hoe lijsten worden samengesteld en hoe de gelden voor verkiezingscampagnes worden ingezameld en verdeeld.

 

 Vraag is dus hoe dat allemaal bij Wilders verloopt. Op de website van de PVV bestaat bijvoorbeeld een oproep om te doneren aan de Stichting Vrienden van de PVV. Die blijkt gereglementeerd door de verkiezingswetgeving in Nederland – die ik niet in detail ken – maar de PVV is niet meteen de meest transparante om die toe te passen. De genoemde Stichting heeft enkel een voorzitter: Geert Wilders uiteraard. Het bevestigt de indruk die je in Nederland vaak hoort dat het Wilders zelf is die alles bepaalt in de partij. Uiteraard doet hij dat ongetwijfeld met een ploeg trouwe medewerkers die voor hun trouw ook hun beloning zullen opeisen. Hij zal daar nu wat mankracht moeten bijzetten.

 

 Nagaan hoe dat allemaal voortaan zal functioneren wordt nog leuk werk voor journalisten en echte politologen (niet diegenen die op het niveau van slechte journalisten de waan van de dag nog uitvergroten):  hoe gaat de besluitvorming verlopen, waar gaat de input vandaan komen voor een regeerakkoord, is er een studiedienst, of heeft men een netwerk van lobby’s? En vooral: hoe gaat die uitermate licht gestructureerde partij dat plotse succes beheersen? Als grootste fractie is zij voortaan de eerste om te mogen kiezen bij de verdeling van vele mandaten en portefeuilles. Onvermijdelijk zal de appetijt groot zijn, zeker bij trouwe oudgedienden die jaren de spitsroeden van de goegemeente hebben getrotseerd.

 

Vrouwen

 

 Tegelijk moet de partij op zoek gaan naar nieuwkomers, expertise op alle mogelijke terreinen verwerven, managers en bekwame teamleiders van zo grote equipes aantrekken.  Succes lokt, en dus zullen de kandidaten wel toestromen. Maar daar het kaf van het koren scheiden, is altijd moeilijk. Je moet op zoek naar het fragiele evenwicht tussen oude rotten en nieuwe gladjanussen. En bij die laatste er op letten dat het een goede mengeling wordt van toch wat degelijke figuren met een establishment-parfum  – al dan niet uit de Randstad, maar liefst niet teveel - en echte buitenstaanders die echter meer  in hun mars moeten hebben dan het louter luidruchtig verkondigen van hun frustraties. 

 

 Dat wordt geen sinecure en zal tijd vergen. Vergelijk het met wat Bart De Wever in Belgiê overkwam. In amper een jaar tijd steeg hij met zijn NVA – na de breuk met kartelpartner CD&V in 2008 – eerst naar 13 % bij de Vlaamse verkiezingen van 2009, en dan even plots op 28 % bij de federale verkiezingen een jaar later. Finaal, bij de aanslepende federale regeringsonderhandelingen, koos De Wever in de zomer van 2011 er toch voorzichtigheidshalve voor uit de Belgische regering te blijven. Hij liet die over aan Elio di Rupo, die met een oneindig geduld zijn beurt had afgewacht. De NVA kreeg tijd om zichzelf in de oppositie een structuur en een partij-apparaat te geven, wat ze tegen 2014 ook grotendeels verwezenlijkte.

 

 Wilders heeft echter veel meer nog dan De Wever het profiel van outsider, provocateur, anti-establishment figuur, tribuun van de onvrede van de provincies over ‘die van Den Haag’. Hij heeft om minister-president te worden iets meer zetels nodig dan het aantal dat zijn PVV verwierf. De helft van zijn regeringsteam en van zijn meerderheid gaat dus onvermijdelijk bestaan uit figuren die hij niet alleen met zijn uitspraken de bomen ingejaagd heeft – en nog jaagt, als je Sigrid Kaag zag – maar die precies tot de kringen behoren waarop hij zo nadrukkelijk heeft gespuwd. Die gaan in het beste geval de jeuk in hun vingers moeten doven om rekeningen te vereffenen. Daartoe zal wel een zachte dwang groeien. Want de modale Nederlandse kiezer verwacht van Den Haag dat constructief regeren veel belangrijker wordt geacht dan partijpolitiek scoren, veel meer alleszins dan in de op dat vlak uitermate anarchistische en vaak onvolwassen Belgische politiek.

 

 De contra-indicatie voor de onregeerbaarheid van Wilders is dat hijzelf ooit een VVD-mandataris was. Hij was Tweede Kamerlid voor die partij tussen 1998 en 2004. Hij werkte daar toen zelfs een poosje samen met de gediplomeerde historicus Mark Rutte, toen een twijfelachtig aankomend talent. Wilders was natuurlijk ook tussen 2010 en 2012 rechtstreeks betrokken bij het regeringsbeleid van het eerste kabinet Rutte, dat door zijn tot 24 zetels uitgegroeide PVV-fractie gedoogd werd. En na twee jaar opgeblazen.

 

 Er zal deze dagen druk gezocht worden naar getuigen van die periode: hoe ging dat toen met Wilders, kan je met hem afspraken maken, dingen zeggen die hij niet meteen tegen je gebruikt, discreet openingen aftasten over moeilijke knopen? Of is hij ook in het echt het ongeleid projectiel dat hij naar de media toe projecteert? Men zal wat moeten zoeken. Bekijk de lijst van dat kabinet toen en je ziet dat quasi alle excellenties inmiddels uit de politiek zijn, de laatste, Rutte zelf, inbegrepen. Pieter Omzigt was toen, op zijn 36ste, nipt Kamerlid geworden, maar verzette zich binnen het CDA tegen de samenwerking met de PVV, en dus tegen het kabinet.

 

 Het zijn al die kleine elementen van nieuwigheid die ervoor zullen zorgen dat de formatie heel traag op gang komt. Het voorbeeld van Giorgia Meloni in Italië helpt niet: zij had haar meerderheid in het parlement al verworven op verkiezingsdag. In Nederland zal er nu eerst veel verkennings- en aftastwerk nodig zijn. Vertrouwen opbouwen tussen partners die minstens in het publiek elkaars bloed dronken is niet gemakkelijk. Bovendien moet ook Wilders wennen aan het centrum van de macht, de dagelijkse focus op het Torentje van het Binnenhof. Als straks de PVV-armada de Tweede Kamer binnenzeilt, zal er bijvoorbeeld meteen gekeken worden of het aandeel van vrouwen in de fractie – één op acht in de vorige Kamer – toch tot een proportie gegroeid is die je van een partij van de zelfverklaarde minister-president van alle Nederlanders mag verwachten. (De voorlopige uitslag doet één op zes vermoeden).

 

Gibbon

 

 Dat is dan nog beheersbaar als rel. De kans is echter ook groot dat er tussen de 37 fractieleden wel ergens een clevere veertiger (M/V) zit die snel het vak in de vingers krijgt en op grote hoop gaat leven: laat de ouwe maar zijn nek uitsteken, en als die in dat proces gevorderd is en wat versleten geraakt, hang ik hem met steun van onze achterban op aan zijn eigen uitspraken van vroeger. Wilders zal dat ook wel beseffen en moet dus voorzichtig vooruitgaan, zijn schepen schip voor schip en met lange tussenpozen verbranden. Hij heeft, zeker voor een verkiezingsoverwinnaar op de avond van de verkiezingen, al van een geweldige deemoedigheid blijk gegeven in het willen overtuigen van zijn reïncarnatie als in de grond zacht-geaarde leider van alle ‘Nederlanders’ (een nog nader te definiëren begrip in dit geval).

 

 Edward Gibbon, de Engelse historicus die twee en halve eeuw geleden de nog altijd lezenswaardige Decline and Fall of the Roman Empire neerschreef, gaf ooit dit als wijze raad mee: als je twijfelt tussen een verheven en een banaal motief om iemands daden te verklaren, kies dan het banale, want dat is het meest waarschijnlijke. Het hemd is nu eenmaal nader dan de rok. Politici zijn ook mensen die willen vooruitgaan in het leven, erkend willen worden, hun loon willen zien stijgen (al was het maar om thuis te overtuigen dat al die afwezigheden niet voor niets waren).

 

 In princiep is daar niets fout mee, want de democratie, als ze goed werkt, beloont diegenen die het best verwoorden en uitvoeren wat de kiezer vraagt. Dat je daardoor je eigen overtuigingen voortdurend moet aanpassen is niet eens fout, zolang het niet zo opvallend gebeurt dat je je eigen geloofwaardigheid schaadt. Politiek is  een métier dat toch een zeker vakmanschap vergt dat slechts langzaam wordt verworven. Politici mogen daarvoor ook beloond en goed betaald worden. Op voorwaarde uiteraard dat er sterk onafhankelijk toezicht blijft dat de sterke verleiding van zelfbediening – want politici zitten aan grote knoppen – tegengaat.

 

 In die zin moet je altijd mogelijke echte motieven achter de officiële blijven zoeken, een beetje zoals  het tv-programma De Ideale Wereld telkens weer illustreert met de sketch van ‘de woordvoerder’.  Als Dilan Yesilzög vrijdag aankondigde dat haar VVD geen deel wilde uitmaken van een volgende coalitie, begonnen velen meteen te moraliseren of dat nu een goed, slecht en/of democratisch billijk standpunt was. De interessante vraag is die naar het motief van dit besluit. Officieel de verkiezingsnederlaag natuurlijk. Maar misschien is de positie van Yesilzög gewoon te wankel om zich aan regeringsonderhandelingen te verbranden. En vraagt de VVD gewoon tijd om intern eerst orde op zaken te stellen. Vroeger zou zo’n fractieleider dat discreet en wat omfloerst aan toekomstige coalitiepartners laten weten hebben. Maar kan je dat zo vertrouwelijk ook aan Wilders en de PVV doorgeven?

 

 Het toont hoe moeilijk het zal zijn om de ambitie van Wilders waar te maken om minister-president van alle Nederlanders te worden. Niemand zal, uit angst voor de kiezer, het wagen hem meteen het bos in te sturen: hij heeft een te sterk mandaat meegekregen. Maar er is tijd nodig: tijd om vertrouwen op te bouwen met mogelijke en toekomstige coalitiepartners; tijd om de eigen wilde uitlatingen en voluntaristische kreten – laat staan het ‘minder Marokkanen’ - wat te doen vergeten; tijd om die te verzachten en om te turnen tot sterke voorstellen die regeringsbeleid kunnen worden en zelfs beleid van Europa (zeker als het om migratie gaat); tijd om daarna stapje voor stapje die bijgeknede voorstellen in de vorm te gieten van een gedetailleerd besluit van een ministerraad dat alle toetsen van administratie, Raad van State, overleginstellingen van het poldermodel en – niet te vergeten – het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kan doorstaan.

 

Sterveling

  

 Het lijkt een echte Sisyphus-klus. De geschiedenis leert echter ook dat het parfum van de macht dermate bedwelmend kan zijn dat het zelfs ogenschijnlijk gigantische hinderpalen op een zwaar parcours zachter en lichtvoetig te passeren maakt. Je hoeft niet verder te kijken dan de Belgische revolutie van 1830 om een voorbeeld te vinden van hoe radicale en veelal klungelige jonge heethoofden die een halfslachtige revolutie ontketenden toch – minstens voor een deel van hen – uitgroeiden tot bekwame regeerders die lang aan de macht bleven. Dansen op een aardschok, en eindigen met een fraaie wals, het is nog gebeurd.

 

 Het kan dat Wilders heel snel tot de conclusie komt dat het vormen van een regering hopeloos is. Maar dat biedt hem, als persoon, als individu, weinig perspectief: de uitlaatklep van een heftige klaagzang, misschien zelfs nieuwe verkiezingen, waarin hij echter nooit 50 % zal halen. Eerder is het risico dan groot dat de kiezer, die hem nu een op frustratie gebouwd wankel vertrouwen heeft geschonken, concludeert dat hij het niet kan. En hem dumpt.

 

  Neen, tracht de winnaar van de Nederlandse verkiezingen ook heel even te duiden als gewone sterveling, zoals u en ik. Dat is, in het historisch onderzoek tegenwoordig trouwens een trend, zeker voor koningen en vorsten uit het verleden die vroeger al te vaak en te gemakkelijk op het voetstuk van de adoratie werden geplaatst. Ook Julius Caesar is al lang niet meer die geniale veldheer, schrijver en staatsman van weleer, maar vooral een verschroeiend ambitieus politicus die Gallië enkel kwam veroveren om voldoende inkomsten te stelen om in Rome militair dictator te kunnen worden. 


 Mij lijkt het dat zich voor Geert Wilders, in zijn zestigste levensjaar, nu vooral totaal onverwacht het perspectief opent om, na vijftien jaar spitsroeden, catacomben en marginaliteit in het establishment, zijn carrière een schitterend slotakkoord te geven. Iets waar hij misschien wel nog van droomde toen hij op zijn dertigste als VVD’er in het Randstad-gebied Utrecht begon.  Dat hij daarin slaagt is nog altijd vrij onwaarschijnlijk. Er is de tijd die nodig zal zijn en die in contrast staat met de hijgerige media-aandacht en de permanente waan van de dag. Er zijn de grote en sombere slagschaduwen van zijn eigen verleden. Er zijn de boobytraps en wolfijzers en schietgeweren die liggen te wachten. Er zijn de foutjes en fouten die zich onderweg onvermijdelijk gaan voordoen.

 

  Maar never say never, zo leert ons de geschiedenis. Wilders als minister-president klinkt vandaag immers even onwaarschijnlijk als de inschatting op 24 februari 2022 dat Oekraïne het langer dan een paar weken kon volhouden tegen de Russische overmacht. Derk-Jan Eppink, sinds woensdag gewezen lid van de Tweede Kamer, schreef, als gewezen journalist van de Standaard destijds, dat er in de Brusselse Wetstraat op een dag gemiddeld meer te beleven viel dan op een maand aan het Binnenhof in Den Haag. Ook dat mantra is aan herziening toe. 



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Waterland Vlaanderen

 18 november 2023


 Toch een beetje geschrokken gisterenmorgen bij het lezen van een interview van Patrick Willems, hoogleraar hydrologie aan de KU Leuven, in De Standaard. ‘We moeten dijken afbreken in plaats van ze te verhogen’, luidde de titel op de frontpagina. Nu is zo’n titel altijd te gebald, en ik hoop dat de rest van het interview de gedachtegang correct weergeeft. Ook dan vraag ik me nog af of de professor de watergeschiedenis van de Lage Landen kent en ingecalculeerd heeft.

 

 Ik heb de voorbije dagen wel vaker gedacht aan de jaren negentig. Ook toen hadden de Ijzervlakte en de Westhoek te kampen met overstromingen, net als zeker de Maasvallei (in 1993 en 1995) en als ik me goed herinner toen ook de mensen langs Dender en Demer. Ook toen was dat vaak na overvloedige regenval. De Vlaamse overheid is nadien begonnen met een bouwverbod in uiterwaarden en het aanleggen van overstromingsbuffers. En dat heeft, voor zover ik dat kan inschatten, vaak gewerkt.

 

 Een ramp als die van de Vesdervallei van 15 juli 2021 – met veertig doden – is wat nu gebeurt uiteraard niet. Dat was wat Duitsers een Jahrhundertflut noemen, en, gezien de gemeten neerslag waarschijnlijk zelfs een millenniumvloed. Van een dergelijke vloed daar vele eeuwen eerder is geen getuigenis bewaard gebleven, misschien ook wel omdat de Vesdervallei tot het jaar 1750 grotendeels agrarisch en dun bewoond was.

 

 (Ik blijf tussen haakjes twijfelen aan de onmiddellijke toewijzing aan de klimaatverandering als ‘schuldige’ van die ramp. Het klassieke argument dat warmere temperaturen meer regen in de lucht houden totdat die dan neervalt, ging in dit geval niet op omdat in het betrokken gebied – ook in het Rijnland – al ruim drie weken relatief koude temperaturen werden genoteerd (zie de klimaatstatistieken van het KMI: https://www.meteo.be/nl/klimaat/klimaat-van-belgie/klimatologisch-overzicht/2021/juli#&gid=1&pid=1 ). Over de andere mogelijke oorzaak – de langdurigheid van regenval doordat de weertypes steeds langduriger geclicheerd geraken – kan men discussiëren. Er was inderdaad wel al sinds 20 juni vrij veel maar niet ongewoon veel neerslag aan het vallen, waar dan op 14 juli de zondvloed in het gebied tussen Maas en Rijn bovenop is gekomen.

 

 Ik ben niet de enige die wat nu gebeurt vergelijkt met de jaren negentig, ook het KNMI doet dat: https://www.knmi.nl/over-het-knmi/nieuws/2023-maakt-een-einde-aan-reeks-droge-jaren . Rustig en bedaard, zoals Nederlanders dat doen als ze het over wateroverlast hebben. Dit is voorlopig een normale afwijking van ons weerpatroon, zoals we die om de paar decennia meemaken, en dus beheersbaar, weliswaar tegen de achtergrond van een over heel het jaar heel geleidelijk toenemende regenval, haast zeker door de klimaatverandering.

 

 Dijken


 Dan ga je toch even schrikken bij het lezen van een interview dat aangekondigd wordt met de hierboven vermelde titel, en, in de inleiding als pleidooi voor ‘een radicaal andere aanpak’ tegen ‘grote overstromingen.’ Hydroloog Patrick Willems van de KU Leuven ontkent in zijn besluit niet ‘dat de kosten niet min zijn’ maar verantwoordt dat meteen met verwijzing naar de ramp in de Vesdervallei: ‘Daar moesten achteraf kapitalen aan schadevergoedingen worden uitgekeerd en dat geld ben je finaal kwijt.’

 

 De tekst van het interview zelf is, zoals vaak, een stuk minder hot en alarmistisch, en gelukkig maar. Als ik het goed begrijp pleit Willems vooral voor een uitbreiding van de al toegepaste methodiek om meer natuurlijke buffers  in te schakelen om de watertoevoer naar de benedenlopen van de rivier af te remmen. We hebben die inderdaad in de loop der eeuwen versneld door in te dijken, recht te trekken. Hij noemt ook stuwdammetjes, maar daar komt wel wat beton bij te kijken uiteraard.

 

 ‘Gebieden teruggeven aan het water’, noemt Willems dat, en waarom ook niet. Hij preciseert ook dat ‘vlakbij woonbuurten we er wel degelijk kunnen voor kiezen om de dijken nog wat te verhogen.’ Het laten onderlopen van land is dan eerder voor ‘gebieden tussen twee woonkernen in, of laaggelegen gronden die nu worden gebruikt voor de landbouw.’ Daarvoor ‘moeten die landbouwgronden dan natuurlijk geherlokaliseerd worden.’ De boeren, net even niet woest over stikstof, zullen het graag horen.

 

 Iets meer moeite had ik met de stelling dat als je baggert, water weg pompt en de dijken verder verhoogt ‘het water nog sneller zal wegspoelen naar de valleien’, en dat ‘het nog massaler over de dijken slaat.’ Die snellere afvoer zal wel kloppen, maar dat het nog meer over verhoogde dijken gaat slaan, begrijp ik niet echt. En dan: ‘Dan zullen we over een jaar of tien alleen maar tot de conclusie komen dat we eigenlijk van vooraf aan moeten herbeginnen. En gaan we dan de dijken opnieuw verhogen? Zo ontstaat een vicieuze cirkel, omdat we telkens dezelfde fouten herhalen.’

 

 Zo zijn we net niet – of net wel? – bij de affirmatie aanbeland, dat hoe meer we de dijken verhogen, hoe meer water er over zal slaan. Ik probeer desondanks te begrijpen. Ik vermoed dat de professor bedoelt: als we nu nog nieuwe dijken zouden maken, die de watergeul nog krapper en rechtlijniger maken dan nu, dat die, ongeacht de hoeveelheid pompen die we daarop zetten, alleen maar de kans op overstromingen gaan verhogen. Ik probeer dat allemaal als heel redelijk en logisch te interpreteren.

 

 Polders


 Het toeval wil immers dat ik als historicus de laatste jaren ook wel gefascineerd ben geraakt door de geschiedenis van de polders. (zie onder meer deze blogposts: https://www.rolffalter.com/blog#h.4y9pcnwz2qd7 , https://www.rolffalter.com/blog#h.vxe4kw4hn0j0 ) Niet alleen in Nederland, maar ook en vooral in het hedendaagse Vlaanderen en Noord-Frankrijk. Niet langer dan een maand geleden heb ik daar nog een verhaal over gebracht, over de nieuwe kwetsbaarheid van Saint-Omer en omgeving, aan het eind van een lezing in Haarlem: (https://zonderland.blogspot.com/2023/11/canon-verhaal-en-vaderlandse.html )

 

 De kern van het poldergegeven in de Lage Landen is dat ook in het hedendaagse Vlaanderen pakweg een vijfde van het grondgebied uit polders bestaat: van de Ijzervlakte tot tegen Ieper aan, tot de hele kuststreek, het Zwingebied tot Brugge, het Meetjesland, het Waasland, en het rivierengebied rond Antwerpen tot net bezuiden Mechelen. (Zie de kaart als foto, met deze link voor wie in detail wil gaan: https://nl-be.topographic-map.com/map-lqq9m/Vlaanderen/?center=51.16434%2C3.52658 )

 

De kustlijn en de oevers van de Westerschelde liggen vandaag gemiddeld pakweg 25 km verder dan rond het jaar duizend. Die poldergronden zijn voor het grootste deel ingedijkt geworden tussen de jaren 1100 en 1400. Dat proces is het vroegst begonnen in het oude graafschap Vlaanderen, waarschijnlijk het eerst in en om Saint-Omer en heel snel daarna in de zeegeul tot Ieper (de Ijzervlakte) en de Zwingeul rond Brugge.

 

 Dat verklaart de interesse van de historici, want precies op die ingepolderde gebieden ontstonden ook telkens handel, welvaart en steden. Een echt antwoord over de band tussen die twee hebben de historici nog niet gevonden, al had het de oude Pirenne het al over 'vrijere Vlaamse boeren' in die gebieden, die, omdat ze vrijer waren dan in de oude feodale dorpen, ook meer gingen produceren. Gent is een geconcentreerd voorbeeld van wat in het graafschap Vlaanderen gebeurde: de tweede grootste stad van West-Europa in de middeleeuwen is gebouwd in de meanders en moerassen van de samenvloeiing van een kronkelige Leie met een even kronkelige Schelde. Gent is meer nog dan Brugge een levende overwinning op het water.

 

 Dat fenomeen van inpoldering heeft zich nadien herhaald in het hertogdom Brabant (van Mechelen via Antwerpen tot Breda en Bergen-op-Zoom, en vooral langs de hele benedenloop van Maas en Rijn), en in Zeeland en het graafschap Holland. In dat laatste werd het een echte beleggingsstrategie om nieuwe landbouwgrond te creëren via polders, waaruit onder meer het Haarlemmermeer, en vier vijfde van de huidige provincie Noord-Holland zijn voortgekomen. De meest recente winningen zijn de Wieringerpolder rond Den Oever net voor 1940, de nieuw provincie Flevoland in de voormalige Zuiderzee, waarvan de expansie eind de jaren zestig is stopgezet, en de nieuwe Maasvlakte voor Rotterdam, die de kustlijn met 3,5 km verlegde, en in 2012 in een eerste fase voltooid geraakte.

 

 Nederland, dat weet iedereen daar, zou voor 60 % van zijn territorium regelmatig onder water gezet worden, als het geen dijken, gemalen (pompen) en grachten had. In vele kleine musea over het land kan je leren hoe die technologie zich ontwikkelde: van gewoon kanaliseren van water om het via sluizen in zee te laten lopen bij eb (zoals dacht ik nog steeds voor een stuk gebeurt aan de Ijzer), naar – vanaf de 16de eeuw – Archimedesschroeven en windmolens en steeds sterkere pompen, die later met stoom en vandaag met elektriciteit worden aangedreven. Om die laatste te genereren, gebruikt men in de 21ste eeuw ook massaal weer … windmolens, maar dan van de nieuwste generatie.

 

 Heel die waterhuishouding wordt bestuurd vanuit de waterschappen, die men om de vier jaar verkiest, samen met de andere lokale besturen (de volgende verkiezingen zijn voor 2026). In die waterschappen vinden discussies plaats over hoe hoog of laag het polderwater mag komen, bijvoorbeeld voor de landbouw in een droge zomer. Boven al die waterschappen troont aan de rand van Den Haag het ministerie van Rijkswaterstaat, het grootste van Nederland, omdat het ook instaat voor al de openbare werken.

 

 Plannen op dertig jaar is daar niet alleen een filosofie, maar gezien de kwetsbaarheid van het land ook levensnoodzakelijk. De hedendaagse discussies lopen vooral rond twee uitdagingen: hoe de stijging van de zeespiegel en eventuele sterkere stormen opvangen die door de opwarming van de temperaturen ontstaan, en hoe tegelijkertijd beheren dat het land weliswaar heel langzaam toch altijd een beetje verder inzinkt door het voortdurende polderen. Nederland zoekt daarvoor systematisch de meest ecologische oplossingen – op die manier werd recent ook de Afsluitdijk verhoogd – maar er is quasi niemand die twijfelt dat dijken, ‘malen’ (ons pompen) en afwateren meer dan ooit het motto zullen blijven.

 

 Diversiteit


 Wie het allemaal fijntjes wil nalezen kan ik alleen maar het boek Leefbaar Laagland van G.P. Van de Ven e.a. aanbevelen, een twee kilo dikke turf die Rijkswaterstaat destijds om de tien jaar realiseerde in opdracht van de Verenigde Naties om landen met een gelijkaardige waterhuishouding (denk aan Bangladesh, Vietnam of de delta rond Shanghai) te leren hoe Nederland dat heeft aangepakt sinds een heel ver verleden. De jongste editie dateert, vrees ik, van 2004, kost zo’n 50 euro online, is taai om te lezen, maar levert voor wie de moeite doet, ook één van de meest fascinerende verhalen uit de wereldgeschiedenis op.

 

 Wat daar in staat geldt dus ook voor twintig procent van het grondgebied van Vlaanderen, en een klein stukje Noord-Frankrijk. Onze dichte bevolking, onze steden, onze welvaart, zijn in de mist der tijden gebouwd op polders, dus op steeds betere en sterkere dijken, pompen en afwateringen. In Haarlem heb ik een maand geleden verteld wat er in Saint-Omer aan de hand zou kunnen zijn, nadat men daar misschien even dat hele verhaal uit het oog was verloren. Dat was voor de overstromingen daar.

 

 Kortom, ‘dijken afbreken’ is vermoedelijk maar een remedie voor beperkte stukjes land buiten het bewoond gebied dat in de dichtbevolkte Lage Landen de regel is. De Ijzervlakte, op zich de bedding van een heel korte stroom die grotendeels door polderland trekt, heeft aan een dergelijke stelling niets. Het heuvelland van Brabant en Haspengouw, of van de Vlaamse Ardennen waarschijnlijk wel. De droge Kempen met hun magere landbouwgrond – en daartussen nog wat veen – is dan weer een ander verhaal.

 

 Je moet vooral redeneringen vermijden die er finaal op neerkomen dat je elk huis dat kwetsbaar is voor overstromingen beter afbreekt om te vermijden dat het ooit een beetje onder water zou kunnen staan. Tot op zeker hoogte is dat logisch, maar in de Lage Landen inderdaad nooit totaal. Je kan de Vlaamse overheid, en de haar adviserende professoren, alleen maar blijven aanmoedigen om ook in hun besluiten en remedies de diversiteit te blijven cultiveren, zelfs als het om waterhuishouding gaat. En vooral om eerst telkens ter plekke te blijven kijken en er ook het verleden na te gaan. 


Gaza en geschiedenis

 9 november 2023


 Telkens er ergens een oorlog uitbreekt, wordt er vrijwel onmiddellijk diep in het verleden gegraven. Met de oorlog in en om Gaza, die op 7 oktober begon, is dat niet anders. Dat teruggrijpen naar het verleden is een tweesnijdend zwaard. Met geschiedenis rijt je oude wonden open. Maar ze levert ook het dieptezicht dat de felle emoties kan kaderen, en hopelijk helpt oplossingen aan te reiken. Vandaar, hier, wat uiteraard hoogstpersoonlijke overwegingen over heden en verleden in en om Gaza.

 

 Het meest vreemde aan de slachtpartij van Hamas op 7 oktober blijft hoe verrast het overvallen Israël was, veel meer dan de islamistische Palestijnse terreurorganisatie naar eigen zeggen zelf had verhoopt. Net die week was er immers wereldwijd massaal aan herinnerd hoe Israël vijftig jaar eerder verrast was door de Egyptische en Syrische invasie op 6 oktober 1973 (zie mijn blog van 5 oktober: https://www.rolffalter.com/blog#h.retffh16mc9p)

 

 De analyse van wat fout liep zal nog diepgaand gemaakt moeten worden. Maar nu al weten we dat aan Israëlische zijde de bewaking faalde, de technologie ook, en dat een reactie verbazend lang uitbleef. Hamas slaagde in het uitsturen van dwaalsporen, en, zoals Osama Bin Laden op 9 september 2001, in een strikte geheimhouding, en een maximaal verrassingseffect. Mensen zijn routinebeesten. Het onverwachte voorspellen vergt zeldzame creativiteit, en kan hoe dan ook niet voorbereid worden, omdat mogelijke scenario’s dan oneindig talrijk worden. Wel moet men scherp blijven op onverklaarbare, maar wel onrustwekkende signalen, die er ook ditmaal waren. Die scherpte was er niet, net als vijftig jaar geleden.

 

Wraak

 

 De Hamas-militanten, goed betaald naar blijkt, en ongetwijfeld ook met wat coke of ander spul in de aderen, hebben niet alleen in enkele uren 1500 mensen in koelen bloede vermoord. Ze deden dat vaak ook met een uitermate sadistisch genoegen, filmden het met Go Pro-camera’s, om de beelden te verspreiden op sociale media. We kennen dat al, van de praktijken van IS nu alweer zes tot negen jaar geleden. Uiteraard is dit bedoeld als propaganda: kijk eens welke vernedering wij die almachtige Israëli’s kunnen toedienen.

 

 Waarschijnlijk had het ook tot doel de tegenstander tot maximale razernij te brengen. ‘Wij hopen op een permanente oorlog’, zei één van de Hamasleiders tegenover de New York Times.  Wie zijn militaire geschiedenis kent weet dat mensen die permanent op oorlog aansturen, dat doorgaans doen uit eigen belang: de eigen promotiekansen via meer macht, of geldgewin, al dan niet via de huurlingen en wapenbusiness, zoals bij Poetins vermoorde maatje Yevgeni Prighozhyn. Misschien speelt ook het absurde ideologisch motief mee, dat extreem-linkse terreurgroepen zoals de Rote Armee Fraktion in West-Duitsland en de Rode Brigades in Italië in de jaren zeventig bezigden: de vijand tot dermate brutale repressie brengen,  dat het volk finaal in opstand komt tegen het onrechtvaardige ‘systeem’.

 

 Het leverde alleszins Joe Bidens mooiste moment van zijn ambtstermijn op. Tijdens zijn wat mislukte blitzverplaatsing naar het Nabije Oosten op 18 oktober, liet hij een voor een Amerikaanse president ongewone nederigheid blijken: ‘Gerechtigheid moet geschieden. Maar ik waarschuw: hoe logisch ook dat je woedend bent, laat je er niet door leiden. Na 9/11 waren wij, de Verenigde Staten, woedend. Terwijl we gerechtigheid zochten, en ook verkregen, hebben we fouten gemaakt.’

 

 Israël leek in eerste instantie inderdaad op wraak uit te zijn. De heftigheid van de bombardementen op Gaza, de algemene mobilisatie en het heel gespierde taalgebruik getuigen daarvan. Het Israëlisch leger doet ongetwijfeld inspanningen om het aantal doden onder zijn soldaten te beperken en om de schade voor de twee miljoen Palestijnen in dat gebied te minimaliseren. Het verschil met vroeger is dat het nu honderd procent gaat voor doeleinden die Hamas verzwakken – lanceerplatforms, wapenopslagplaatsen, een waanzinnig uitgebouwd netwerk van ondergrondse tunnels – zonder nog echt te kijken hoeveel burgerslachtoffers daarbij vallen. Hamas, dat geen sikkepit bezorgd is om het volk dat het zegt te verdedigen, kiest immers precies dat soort plekken, en moskees, om een maximale verontwaardiging te creëren bij een Israëlische aanval.

 

Media

 

 Jeruzalem begint dat, naarmate de initiële woede wegebt, te begrijpen. Het beseft dat de vernietiging van Hamas – of op zijn minst zijn krijgers en infrastructuur in de Gaza-strook - in de tijd gespreid moet worden. Een minder snelle opeenvolging van schokkende nieuwsbeelden versnelt de drang van media-redacties om de dure correspondent terug te roepen, omdat er niet regelmatig genoeg iets strafs meer te serveren valt. Bovendien reageren de westerse kijkers – en tot op zekere hoogte ook een deel van de Arabische – steeds meer gelaten op de zoveelste flitsen van chaotische evacuaties van bloedende gewonden, liefst met een kindje in close-up, die we nu al veertig jaar lang telkens zien terugkeren en die nooit veranderen.


  De Serviërs van Slobodan Milosevic beheersten dat effect van kijkcijfers-slijtage al tijdens de Joegoslavische burgeroorlog in de jaren negentig, totdat ze hun hand overspeelden in Srebrnica. De Verenigde Staten hebben, met een kleine schare bondgenoten onder wie België en Frankrijk na de aanslagen van 2014-16 in Brussel en Parijs, die tactiek succesrijk toegepast in het verslaan van de Islamitische Staat van Syrië en Irak (ISIS), tot en met de finale aanval op Mosul in 2018. Die oorlog, die drie jaar duurde, en ongetwijfeld ook burgerslachtoffers heeft gemaakt bij de vele westerse luchtaanvallen, heeft quasi nooit de headlines van de wereldmedia gehaald, laat staan die van Vlaanderen. Media zijn een onderdeel van de oorlog, en het is elke generaal geraden hun werking altijd best in te calculeren.


 Ik wil dit als cynische realiteit formuleren, al bedoel ik het zeker niet cynisch. De verwijten die daarbij naar de journalisten worden uitgestuurd die hierover allemaal berichten zijn onterecht, ook al hebben onvermijdelijk sommigen slordig werk geleverd. Het is de taak en zelfs de plicht van journalisten te blijven berichten over de gruwelijkheid van elke oorlog, ongeacht de strategische motieven van diegenen die hogerhand aan de knoppen zitten.

 

Bombardementen

 

 Oorlog zoals in Gaza blijft natuurlijk ongelooflijk brutaal, en helaas geraak je met het oorlogsrecht niet ver. Hoe reageer je op een aanvaller die in zijn initiële acties elke regel van dat oorlogsrecht heeft geschonden (en zich daarbij beroept op eerdere schendingen door de overvallen tegenstander)? Wat doe je als niemand – maar dan ook werkelijk niemand - bereid is de vluchtelingen van de oorlog uit hun belegerde stad te helpen?

 

 Vooral: welk alternatief heeft Israël als repliek voor wat het is overkomen? Gaat iemand hen genoegdoening, excuses, correctie, schadevergoeding vanwege Hamas kunnen bezorgen? Of gaan we aan Jeruzalem vragen de 1600 vermoorde burgers gewoon door te slikken, tot de orde van de dag over te gaan of die wandaden zelfs te begroeten met concessies naar vrede toe? In princiep eindigt elke oorlog op onderhandelingen, en dus kan je evengoed vroeger beginnen praten dan te wachten tot er een doorbraak is aan deze of gene kant. In de meeste van de oorlogen uit het verleden, waarvan we alleen de meest spectaculaire onthouden, kwam die doorbraak er trouwens niet eens.

 

 Maar gaat dat princiep ook op als je met Al Qaeda, Hamas, of IS te maken hebt? Ze doen, als ‘islamo-fascisten’ zoals de Franse premier Manuel Valls ze ooit noemde, toch snel aan de nazi’s denken. Churchill heeft ook de Duitse steden tussen 1943 en 1945 laten platbombarderen, met een bijna perverse perfectionering naar zoveel mogelijk burgerdoden toe, en met vele honderdduizenden doden en immense verwoestingen tot gevolg. De geallieerden zouden daarvoor ongetwijfeld ook de atoombom gebruikt hebben moest ze vroeger klaar zijn geweest.

 

 De militaire efficiëntie van die stadsbombardementen is altijd dubieus geweest. Maar de geallieerden hadden andere motieven: onderhandelen met Hitler leek hen onmogelijk, dus konden ze Berlijn enkel doen capituleren, iets waartoe ze ook in staat waren (die laatste voorwaarde is essentieel uiteraard). En het was zaak ditmaal de Duitse bevolking zelf te laten voelen dat de oorlog zich ook tegen haar kon keren. Dat leek zo te moeten, nadat ze – mede omdat Duitsland in 1918 niet veroverd was – na het Verdrag van Versailles geweigerd had de in wezen nochtans al desastreuze nederlaag te aanvaarden. Uit rancune bracht ze tien jaar later de extreme revanchist Adolf Hitler via verkiezingen aan de macht. Tussen de ruïnes van hun steden en bij massale hongersnood tussen 1945 en 1948 hebben de Duitsers dat ook begrepen, mede natuurlijk omdat minstens hun westerse overwinnaars heel ongewoon veel geld en eten gingen aanreiken aan de verslagen bevolking.

 

Macho-vrijheidsstrijder

 

 Sommigen beweren nog steeds dat Hamas het extreme, maar onvermijdelijke product is van decennia Palestijnse onderdrukking. Ja en neen. Ja, omdat het zionistisch project dat nu bijna een eeuw geleden Israël creëerde, het altijd te vanzelfsprekend heeft gevonden dat joden massaal gingen wonen in een gebied dat al bewoond was (wat ook de vermeende historische aanspraken van beide partijen zijn). Neen, omdat alle Palestijnse leiders, gesteund door grote delen van hun bevolking, altijd gekozen hebben voor geweld als voornaamste verzetsmiddel, ook toen de tegenstander sterker bleek.

 

 Een eerste maal gebeurde dat in 1948 toen men na de deling die was opgelegd door de Verenigde Naties een Arabische ‘bevrijdingsoorlog’ startte die faliekant afliep (foto: Arabische vluchtelingen toen, op weg naar Libanon). In de jaren zestig greep Yasser Arafat , de leider van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) naar het wapen van de terreur (denk aan de Olympische Spelen van 1972), toen nog vrij bescheiden naar hedendaagse normen. In de jaren zeventig probeerde zijn PLO zowel in Jordanië als in Libanon een staat in de staat te creëren, met gewapende afpersingspraktijken als dagelijkse routine, totdat ze daar met geweld werd verdreven. Twintig jaar geleden opteerde Arafat, weliswaar gekneld tussen de Israëli’s en Hamas, mee voor een onwezenlijke reeks van bloedige zelfmoordaanslagen in de Israëlische samenleving. Eén keer maar, in 1994, omarmde hij een vredesplan.

 

  Er bestaat, bij de Palestijnen, maar ook de in de bredere Arabische wereld – zonder te willen veralgemenen – een stevige aanhang voor het modelbeeld van de macho-vrijheidsstrijder, de Che Guevara die alles opoffert in de strijd tegen Israël, en tegen de voormalige westerse kolonisator van het Midden Oosten. Een Gandhi of een Mandela moet er nog altijd opstaan. Iran profiteert daarvan: het vindt overal in de Arabische wereld genoeg kandidaat-zelfmoordenterroristen, iets waarvoor de blijkbaar meer gesofisticeerde Perzen zelf liever de neus ophalen.

 

 Het heeft ertoe geleid dat in Israël het grootste deel van de publieke opinie twintig jaar geleden, na de reeks zelfmoordaanslagen met veel dode jongeren en de mislukking van de vredesovereenkomst van Oslo met Arafat in 1994, de hoop op een akkoord met Palestijnen en de overblijvende Arabische buren heeft opgegeven. Enkel Egypte kent vrede met Jeruzalem, sinds 1977. Dat alle Arabische landen ook zachtere of harde dictaturen zijn, nog meer na de mislukte Arabische revoluties van tien jaar geleden, verstevigt het vermoeden dat al die regimes geen baat hebben bij het verdwijnen van het tot gigantische proporties opgeblazen vijandbeeld dat het bestaan van noodtoestanden kan legitimeren.

 

 Benjamin Netanyahu van zijn kant is de emanatie van dat Israëlisch afhaken. Zijn rechts-nationalistische strategie om het probleem enkel te omcirkelen en vooral niets te doen en niet te praten, is nu op een overduidelijke mislukking uitgelopen. Ze is de afgelopen twintig jaar echter ook duidelijk gedragen geweest door democratische meerderheden. Die gelatenheid en onverschilligheid groeit, na de Arabische terreuraanslagen van de afgelopen tien jaar in alle westerse landen, ook overduidelijk in de hele westerse wereld.

 

Dictaturen

 

 Maar wat komt er in de plaats? Mogen we hopen dat het bloedbad ook allerlei blokkeringen kan opruimen? Noteer alleszins dat de rechtstreekse gesprekspartners schaars of wankel zijn. Met Hamas valt niet te praten. De Palestijnse Autoriteit (erfgenaam van Arafat) van Mahmoud Abbas is versleten, maar wel gematigd. Netanyahu zal wel van het toneel verdwijnen, maar de meerderheid achter hem niet noodzakelijk. Noteer ook dat wankele regeringen weinig autoriteit hebben om één lijn op te leggen. Zelfs doorheen het Israëlisch militair offensief in Gaza detecteer je verschillende doelstellingen: wil men alle bruggen opblazen, of laat men toch nog deurtjes open?. Voorlopig domineert – nog even? – de Netanyahu-lijn: terugslaan, de tegenstander weer in zijn kot krijgen, geen perspectief voor echt praten, misschien zelfs dat onmogelijk maken door – net als Hamas – veel bloed te laten vergieten.

 

 Het zal vooral van buitenaf moeten komen. De Verenigde Staten uiteraard, maar die zijn nu al – ondanks hun nog formidabele economische en militaire macht – overstretched, met ook Oekraïne en Taiwan op de agenda. Met een heel oude, kwetsbare president, en een bijna even oude favoriet in de presidentsverkiezingen van volgend jaar, die veel meer nog dan vier jaar geleden wartaal begint uit te kramen zonder dat het hem schaadt bij de kiezers. China en India zouden, als powers to be en steeds gulziger importeurs van Arabische en Iraanse olie, mee in het bad moeten kunnen. Maar Washington gaat dat niet willen, want noch Delhi, noch Beijing heeft een band met Jeruzalem. Israël is een kind van het westen, en kan alleen overleven onder westerse hoede.

 

 De enige bewegende factor is de Arabische wereld zelf. Ondanks alle kritiek die je nog kan uitoefenen op strategie en gedrag in die landen (en bij de betogende Arabieren bij ons), toch bewoog het enkel daar in het afgelopen decennium, met Koeweit, de Emiraten, Bahrein en Qatar. Die kozen voor business en welvaart in plaats van oorlog en strijd. Heel vaak doen ze dat zelfs in een fanatiek kopiëren – van het Louvre tot de Premier League - van wat in het westen als prestigieus geldt. Zo kwamen ze vanzelf tot voorzichtige verstandhouding met Israël.  Saoedi-Arabië ging voor 7 oktober dezelfde weg op, zocht hulp bij het maken van een kernbom tegenover die van Iran, in ruil voor toenadering tot de Israëli’s.

 

 Maar het is allemaal fragiel natuurlijk. De impuls tot toenadering kwam ook uit angst voor de machtsontplooiing van Iran, dat Libanon en Syrië controleert, en grote invloed uitoefent in Irak. In Teheran regeert een wankel en versleten regime van ouwe, bekrompen, uiteraard louter mannelijke pastoors, dat zich afschermt met een tot de tanden bewapende en uitermate gewelddadige pretoriaanse wacht. De Palestijnse kwestie – van doorgaans soennitische en een beperkte aantal christelijke Arabieren dus, niet van in meerderheid sjiitische Perzen – dient daar als bewijs van zuivere trouw aan de islam, waarmee het regime van de oude mollahs zich legitimeert.

 

  Iran heeft waarschijnlijk ditmaal minder een hand gehad in de Hamas-aanval dan men zou vermoeden: massale wapenleveringen en veel geld vooraf uiteraard, maar haast zeker geen groen licht. Verwacht daar echter geen gematigdheid. Verwacht ook geen doorbraak naar democratie en mensenrechten bij de Arabische overburen aan de Perzische Golf de dag dat het priesterregime in Teheran in elkaar stort. Hoop enkel een beetje dat Iran als externe vijand Israël als legitimering van Arabische dictaturen kan vervangen.

 

Vluchtelingen

 

 Scenario’s voor vrede daarentegen hoeven niet meer uitgevonden te worden. Ze zijn bekend, uit het verleden. Men heeft vroeger het idee van de gebiedsruil tussen Israël en een echte Palestijnse staat al verregaand verkend. Israël wil af van het risico dat binnen zijn huidige grenzen een Arabische meerderheid groeit. Dan zal het wel ook zijn kolonisatiepolitiek op de Westelijke Jordaanoever moeten afbouwen, iets waartoe er wel wat lijkt te bewegen sinds 7 oktober.

 

 Een vredesverdrag moet dan een mix worden van kleine stukjes Israël die men afstaat aan de Westbank, omdat de bevolking er overwegend Arabisch is, en kleine stukjes Westbank die men aan Israël hecht omdat er veel kolonisten zijn. Daar bovenop komen dan sterke financiële impulsen voor andere groepen om naar de staat te verhuizen waar hun volksgenoten wonen, vooral dan de veel te talrijke joodse kolonisten op de Westbank. Iets gelijkaardigs zal moeten gebeuren in Gaza, in zijn geheel of – wat waarschijnlijker is – in stukjes.


 Het gaat om een operatie die alleszins gespreid zal moeten worden over tien, misschien twintig jaar. En die veel internationaal geld zal opeisen om zeker voor de Palestijnen welvaart te creëren, en voor nog lang een veiligheidsmacht te financieren van Israëli’s en Palestijnen die het risico op verdere aanslagen tot een minimum kan beperken. Amerika, Israël, de Palestijnse Autoriteit en Saoedi-Arabië zijn in dat spel de hoofdrolspelers. Iran blijft de risicofactor, al dan niet met steun van Vladimir Poetin en minstens sympathie van Xi Jinping.

 

 Het nodige geld zou niet echt een probleem moeten zijn. Het in 1948 opgerichte VN-Agentschap UNRWA onderhoudt nog steeds vijf miljoen Palestijnse vluchtelingen van toen, of beter gezegd: diegenen die in princiep hun erfgenamen zijn. Driekwart van de financiering komt van Europa en de Verenigde Staten, niet van de Arabische landen, waarvan er inmiddels toch ook een half dozijn echt rijk zijn. Ruim de helft van die vijf miljoen gesubsidieerde Palestijnen miljoen leven in Jordanië (vooral), Syrië en Libanon. De helft van de bevolking van Gaza leeft van steun van UNRWA.

 

 Er rijzen daar terecht veel vragen bij. Zijn er naast die bestendiging van het vluchtelingenstatuut ook pogingen ondernomen om het aantal geleidelijk te verminderen (zovelen zijn geëmigreerd naar andere Arabische landen en nog meer als asielzoekers in Europa)? Heeft UNRWA niet een bescheiden welvaartsbeleid geleverd waardoor Hamas – nog steeds de vijftien jaar geleden verkozen regering van Gaza – zich kon concentreren op wapens, raketten en tunnels? Moeten de Europese Unie en de VS die financiering dan niet geleidelijk afbouwen of op zijn minst heroriënteren?

 

 Tenslotte is er de kwestie van de gijzelaars van 7 oktober, ruim tweehonderd nog altijd. Naarmate de Israëlische regering duidelijk maakt dat ze geen gevangenen wil maken onder de Hamas-krijgers lijkt ze er zich ook bij neer te leggen dat er weinig kans is dat ze die gijzelaars levend zal terugzien. Hamas heeft er een handvol laten gaan, als geste van goede wil. Misschien zal het op andere momenten nog de nood voelen om te ruilen. Maar de kans is klein.

 

Rondjes

 

 Anthony Blinken is vandaag de centrale figuur. Zijn voorganger Henry Kissinger – dit jaar 100 geworden - detecteerde in 1973, net als de toenmalige Israëlische premier Golda Meir, vrij snel dat de Egyptische president Sadat niet op dwaze verovering uit was, maar op een simpele demonstratie dat Arabische legers het Israël ook moeilijk konden maken. Ze lazen dat in de Egyptische operaties op het terrein. Het bleek te kloppen en de toenadering tot Sadat, tot dan in het kamp van Moskou, volgde heel snel. Hamas heeft op afschuwelijke wijze gedemonstreerd dat Israël bij de status quo niet veilig is, maar wil dat haast zeker niet als hefboom gebruiken voor vrede, net zomin als zijn sponsor in Teheran.

 

 En dus draait Blinken de obligate rondjes, met wat afvijlen van de scherpste kantjes links en rechts. Hij hoopt, ongetwijfeld zoals velen, dat ook deze storm weer overwaait, in afwachting van een echte kans op een doorbraak zoals Kissinger die destijds op zijn bord zag vallen. Er is tot nu toe duidelijk aarzeling bij Teheran om echt te escaleren. De al dan niet aangemoedigde betogingswoede in Arabische en moslim-landen blijft binnen te perken, tenzij in de Europese hoofdsteden. Als Israël zijn aanval in de tijd kan spreiden om het bloedbad onder de waterlijn te houden, kan dat zo blijven. Tot op het kritieke moment natuurlijk dat Hamas helemaal vernietigd lijkt te zullen worden, en het uitkijken wordt of Teheran dat wel slikken kan.

 

 Een echte vrede nadien maakt hopelijk kans, maar blijft tot nader order hopen op een klein diplomatiek mirakel. Veel waarschijnlijker is het scenario dat in het Nabije Oosten al driekwart eeuw opgeld maakt. Nadat iedereen weer voldoende doden heeft getankt om te begraven, likken alle partijen een paar jaar hun wonden, in schijnbare rust. Om dan na verloop van tijd alle frustraties opnieuw te laten uitbarsten in een  zoveelste zorgvuldig voorbereide orgie van geweld.


De koning benoemt ...

 24 oktober 2023


 De benoeming van de magistraat Paul Van Tigchelt tot nieuwe minister van Justitie heeft aanleiding gegeven tot kritiek dat opnieuw iemand zonder parlementair mandaat in de regering werd gehaald. Die kritiek etaleert ten dele een gebrek aan kennis van de grondwet en de aard van een parlementair regime, maar duidelijk ook een verlangen naar meer en een beter functionerende democratie.

 

 Grondwettelijk is er niets fout aan de benoeming van een niet-parlementair in de regering. ‘De federale uitvoerende macht berust bij de koning’, zo bepaalt artikel 37 van de Belgische grondwet. ‘De koning benoemt en ontslaat zijn ministers’ staat in artikel 96 (let op zijn ministers).

 

Scheiding der machten

 

 Wie zijn institutionele geschiedenis wat kent, weet waar dat vandaan komt. Het princiep van scheiding der machten werd al aan het einde van de 17de eeuw – niet toevallig in Holland en in het zog van de Brits-Hollandse koning-stadhouder Willem III – geformuleerd door de Engelse filosoof John Locke, die het vanaf 1689 meteen in de praktijk zag gebracht in Westminster. De rechterlijke macht moest onafhankelijk zijn van de politieke (en transparant!). En die politieke macht was opgedeeld in strikt gescheiden wetgevende en uitvoerende macht.

 

 Allen moesten het ‘algemeen belang’ dienen. Maar de uitvoerende macht kon daarvoor ook machten uitoefenen die niet door wetgeving geregeld waren, op voorwaarde dat het doel het algemeen belang  bleef, aldus Locke. De wetgever waakte op wetgeving en begroting, en, net als de rechterlijke macht, op de inperking van de willekeur van koning en overheid, de uitvoerende macht dus.  De drie leden van de macht hadden dus verschillende taken, ook inzake controle van elkaar, maar hetzelfde doel.

 

 Montesquieu, de Franse filosoof, diepte die staatstheorie een halve eeuw later verder uit. Daarbij was het voor hem en Locke duidelijk dat de uitvoerende macht het prerogatief van de koning bleef, met die beperking dat als de koning en/of zijn ministers al te zeer het algemeen belang verwaarloosden of schonden het volk het recht had ze af te zetten. Uit dat laatste is dan geleidelijk het beginsel van de ‘ministeriële verantwoordelijkheid’ gegroeid.

 

 Dat idee stond centraal in de opstand van de Belgen in 1830 tegen koning Willem I – en vooral tegen zijn onaantastbare minister van Justitie van Maanen, die van 1815 tot 1842 de rechterhand van de Nederlandse vorst was. De ministers in België werden voortaan ‘verantwoordelijk’ voor de daden van de koning, van de uitvoerende macht dus. Het staat zo nog steeds in artikel 88 van de grondwet, met een ouderwetse genitief: ‘de persoon des konings is onschendbaar; zijn ministers zijn verantwoordelijk’.


 Extra-parlementaire ministers kwamen er in ons land vooral na de Eerste Wereldoorlog, toen koning en establishment toch moeite hadden een wetgevende macht te vertrouwen die gekozen was op basis van het algemeen stemrecht en dus veel socialisten telde en wat radicale christendemocraten en flaminganten

 

 

 Ministeriële verantwoordelijkheid betekent dat elke regering maar kan functioneren als ze het vertrouwen heeft van een meerderheid in het parlement. Ze betekent ook dat elke individuele minister door het parlement ter verantwoording kan worden geroepen – en dus ook bij meerderheidsbesluit doorgestuurd - voor zijn of haar beleid (want de regering is in ons systeem in princiep niet zozeer een collectief dan wel een groep van individueel verantwoordelijken).


 Die druk, die zich vertaalde in de procedure van parlementaire interpellaties met een eindstemming over het antwoord van de minister, moest er op zijn beurt voor zorgen dat ‘de koning’ (en met hem de hele overheid) geen beslissingen nam die niet – via zijn handtekening - gedekt waren door een minister. De regering kan wel formele besluiten nemen – via Koninklijke Besluiten – die geen parlementaire goedkeuring behoeven, maar binnen strikt door de grondwet afgelijnde perken.

 

 Ter vergelijking: de Amerikaanse grondwet van 1789 creëerde een electorale scheiding: de koning was er afgeschaft, dus moest men een president verkiezen, die, eens verkozen, zijn regering volledig autonoom kon samenstellen, en enkel zijn wetten – inbegrepen de begroting – aan het verkozen parlement moest voorleggen. Nadien werd die scheiding wel wat afgezwakt door de zogeheten Impeachment-procedure (voor het eerst toegepast in 1974) en de hearings in de Senaat bij de benoeming van een minister. Het Europees Parlement vandaag kent voor de aanduiding van de leden van de Commissie wel hearings, en heeft ook een Impeachment-procedure voor de gehele Commissie, maar kent geen ‘ministeriële verantwoordelijkheid’ voor individuele Commissarissen, en dus ook geen interpellatie-procedure.

 

Koning

 

 Die scheiding der machten betekent dus ook dat de uitvoerende macht niet democratisch hoeft te zijn, wel het vertrouwen moet krijgen van het parlement. Zij kan enkel wetten kan laten goedkeuren die door een meerderheid van het parlement worden gestemd. En zij kan enkel ministers handhaven waarvan het beleid niet formeel door het parlement wordt weggestemd. Vandaar dat de koning die ministers best benoemt uit de meerderheid die na verkiezingen ontstaat. Ze kiezen uit het parlement is daarentegen geen verplichting. Maar het helpt aan de stabiliteit, gezien de benoeming tot minister voor de meeste volksvertegenwoordigers een promotie betekent. Ze afwijzen ontstemt hen doorgaans.

 

 De Belgische koningen hebben lang gevochten om zoveel mogelijk vrijheid te behouden bij de benoeming van ‘hun’ ministers. Ze pikten in de negentiende eeuw zelf de formateur van een regering uit de kleine kring van leidende notabelen van de winnende fractie, konden hun eigen kandidaten voor sommige ministerposten doorduwen en kandidaten van die formateur weigeren. Daarbij hoefden ze zelden buiten het parlement te gaan. Het cijnskiesrecht maakte dat de meeste Kamerleden notabelen waren, terwijl de Senaat volgestouwd bleef met edellieden, geestelijken, grootgrondbezitters en industriëlen. Voor de periode voor 1914 is Sylvain van de Weyer (op de foto: zijn standbeeld in leuven, dat er inmiddels van de aardbodem is verdwenen, al is er wel een brasserie met zijn naam aan het station) in 1845 vermoedelijk de enige niet-verkozen regeringsleider geweest (een ‘premier’ was er formeel niet voor 1918).

 

 Het is – dat is men inmiddels ook vergeten - tegen die koninklijke invloed, en al wat daarmee gepaard ging van zelfbediening door het establishment rond het hof, dat politieke partijen zijn uitgebouwd als structuren om de druk van de kiezer op de verkozen vertegenwoordigers te vergroten. Leopold I moest al in 1847 een eerste keer aanvaarden dat hij de formateur moest kiezen uit een hem niet zo sympathieke meerderheid (Charles Rogier en de liberalen). Naarmate de wetgevende macht steeds beter - en ten laatste sinds de late invoering van het vrouwenstemrecht in 1948 – democratisch gelegitimeerd geraakte, heeft die zijn greep op de uitvoerende macht altijd vergroot, ten koste van de koning en al wat daarrond hing.

 

 Toch zijn constitutionalisten in hun beschrijving van het parlementair stelsel ook altijd huiverig geweest om wetgevende en uitvoerende macht bijna helemaal te laten samenvallen. Er was de – formeel wat in onbruik geraakte notie – dat een verkozene des volks ‘de natie’ vertegenwoordigde, en niet alleen zijn kiezers, zijn partij, zijn lobbies. Dat staat trouwens zo bijna letterlijk nog in artikel 42 van de grondwet. 


 Er zijn ook taken van een bestuur van een land die best (minstens tijdelijk) aan de transparantie van een parlement onttrokken blijven: van handelscontracten met dictaturen over militaire geheimen en (al dan niet breed te interpreteren) privacy-elementen in het personeelsbeleid van de overheid tot gewoon moeilijke onderhandelingen die enkel achter gesloten deuren naar een compromis kunnen leiden. Daarvoor kan de scheiding der machten in princiep nuttig blijven.

 

Extra-parlementairen