TERUGBLIK

Een blog over ons verleden en het heden

Zonsopkomst in het zuiden (3)

12 juli 2024


 Vijftig jaar geleden, op 15 juli 1974, pleegden Griekse nationalisten op het eiland Cyprus een staatsgreep. Het was het begin van een wekenlange intense crisis in het oosten van de Middellandse Zee.  Daarbij ging ook het militair regime in Griekenland ten onder, en werd dat land eindelijk een democratie. Turkse troepen vielen toen het noordelijk deel van Cyprus binnen, en zitten daar vandaag nog steeds. Britten en Amerikanen – die laatsten volop in crisis door het aftreden van president Nixon – wisten toen net een nieuwe Grieks-Turkse oorlog te vermijden. Er vielen een paar duizenden doden.

 

 Griekenland werd sinds 1967 geregeerd door een brutaal militair regime van ambitieuze kolonels (zie de eerste aflevering van Zonsopkomst in het zuiden op 19 april: https://www.rolffalter.com/blog#h.tnhp357vxfne). Alle folterpraktijken ten spijt was dat ‘kolonelsregime’ in Athene, in de exuberante vernieuwingssfeer van het eind van de jaren zestig, na zes jaar zo goed als onhoudbaar geworden.

 

 Dat begreep zelfs sterke man Georgios Papadopoulos. Die voerde in 1973 via een strak gedirigeerde brede assemblee en vervalste verkiezingen de republiek door. Hij creëerde een burgerbewind waarvan hij, na zijn uniform te hebben afgelegd, president werd. Hij hief ook de zes jaar oude staat van beleg op.

 

 Half november brak echter aan de Polytechnische Universiteit van Athene een studentenopstand uit. Er waren protestbetogingen. Demonstranten namen universiteitsgebouwen over. Dra kwam ook een deel van de bevolking van Athene op straat om te protesteren tegen het regime. De studenten begonnen in de namiddag van 16 november regeringsgebouwen aan te vallen. Leden van de militaire politie reageerden met scherp op de demonstranten. Er vielen naar schatting 24 doden.

 

 In de vroege uren van 17 november walsten tanks de omheiningen rond de bezette campus plat (zie foto). Soldaten arresteerden de studenten die niet konden vluchten. Er vielen opnieuw doden.


 Acht dagen later kwam, na een staatsgreep zonder bloedvergieten, een nieuwe militaire junta aan de macht. Die stond onder de leiding van de 50-jarige generaal Dimitrios Ioannidis. Dat was de chef van de militaire politie en een absolute hardliner. Hij was het type dat liever zelf in de schaduw bleef, en de officiële regeringsambten aan anderen liet.

 

  De Amerikaanse ambassadeur in Athene, Henry Tasca, zag de dag na de staatsgreep de bui al hangen: ‘Ik geloof niet dat de VS hier belang bij hebben … Dit land heeft niet meer repressie en meer controle nodig … De problemen waar Griekenland voor staat, zoals inflatie, Cyprus, studenten, de modernisering van de bureaucratie enzovoort zullen brede steun in de bevolking nodig hebben om ze aan te pakken…’

 

 Over Ioannidis berichtte hij: ‘Hij is sober en puriteins, heeft geen charisma en geen haalbare nationale visie op de Griekse samenleving en haar dynamiek.’ De nieuwe sterke man moest inderdaad al na een half jaar naar de klassieke vlucht vooruit van alle dictaturen grijpen: het buitenlands avontuur dat een kunstmatige aanhang in het binnenland moet creëren. Voor Ioannidis was dat Cyprus.

 

 Obsceniteit

 

 Dat eiland, de mythische geboorteplek van Venus, op zo’n honderd kilometer van de Syrische en Turkse kust, telde toen 600.000 inwoners. Het was in 1960 onafhankelijk geworden van Groot-Brittannië, dat het eiland zelf in 1878 had overgenomen van het Ottomaanse Rijk. 



‘Hij ontplofte letterlijk, sprong op, gebaarde hevig, klopte op de tafel, brak een leeg glas en uitte een grove obsceniteit.’ 



 Londen had het moeten lossen na een gewapende opstand onder de etnische Grieken, die er 80% van de bevolking uitmaakten. De Britten gaven de Turkse minderheid in het noorden van het land wel nog een genereus beschermingsstatuut mee.

 

 De door Grieken gedomineerde regering van de Grieks-orthodoxe aartsbisschop Makarios III draaide dat, na bloedige rellen rond de jaarwisseling van 1963-64 met honderden doden, terug tot een steeds flagrantere discriminatie. Ankara wou toen troepen sturen om de Turken te steunen. Maar een stevig veto vanuit Washington hield de Turkse regering tegen. Er kwamen wel troepen van de Verenigde Naties, als buffer tussen de vijandige gemeenschappen.

 

 Op 15 juli 1974 bestormden Griekse troepen van de nationale wacht het presidentieel paleis in Nicosia. Makarios wist ternauwernood te ontsnappen via een ondergrondse tunnel. Hij liet zich later die ochtend, op eigen verzoek, oppikken door een Britse helikopter. Die bracht hem naar de Britse luchtmachtbasis nabij Limasol in het zuiden van het eiland. (Die basis bestaat nog steeds: Londen gebruikte die nog in februari van dit jaar om raketinstallaties van de Houthi’s in Yemen aan te vallen).

 

 De opstandige militairen installeerden Nikos Sampson aan het hoofd van een dictatoriaal bewind. Die was een notoir voorstander van enosis, de ‘terugkeer’ van Cyprus bij Griekenland. Hij en zijn medestanders begonnen de Makarios-aanhangers en alles wat links was onder de Grieken op te jagen. Bij die schermutselingen zouden minstens honderd doden zijn gevallen.

 

 Vanuit zijn ballingsoord in Parijs veroordeelde de gewezen Griekse premier Konstantinos Karamanlis al op 17 juli de staatsgreep op Cyprus. Hij noemde die ‘een ramp, met mogelijk pijnlijke gevolgen voor de Griekse natie’. Hij riep ook op tot een terugkeer naar de democratie in Athene.

 

 Een dag eerder had Ioannides tegenover ambassadeur Tasca tot tweemaal toe woedend gereageerd op de duidelijke indicaties die Washington had, dat hij de staatsgreep mee gepland had: ‘Hij ontplofte letterlijk, sprong op, gebaarde hevig, klopte op de tafel, brak een leeg glas en uitte een grove obsceniteit.’ Op Tasca’s vraag of hij contact had genomen met Ankara, antwoordde de generaal ‘dat die wel begrepen dat het uitsluitend om een binnenlandse Grieks-Cypriotische kwestie ging.’

 

 Giscard

 

 Drie dagen later, bij het ochtendgloren van zaterdag 20 juli, landden een paar duizend Turkse troepen op de Noordkust van Cyprus. Daarmee kon de staatsgreep uitdraaien op een internationaal conflict, tussen twee lidstaten van de Navo dan nog.


  In vijf dagen van bijwijlen hevige gevechten met de Griekse troepen, veroverden de Turken de 25 km lange weg tussen Kyrenia en Nicosia. Elders, zoals in Famagusta, werden hun troepen echter teruggedreven. Bij de offensieven en tegenoffensieven zouden, naar aloud Grieks-Turks gebruik, ook etnische zuiveringen zijn doorgevoerd. Er vielen een paar duizenden doden.



De Grieken kwamen in groten getale op straat om het einde van het militair bewind te vieren. Nog voor het einde van het jaar zou Karamanlis alle politieke gevangenen vrijlaten, en de politieke vrijheden herstellen, ook – wat radicaal nieuw was - voor de communisten.

 


 In Athene zette de invasie de collega’s van Ioannidis in de junta ertoe aan hem af te zetten. Na enige interne discussies belde de formele president naar Karamanlis in Parijs, met de boodschap dat de militairen de handdoek in de ring gooiden. Karamanlis landde in de nacht van 23 op 24 juli in Athene met een klein Frans regeringsvliegtuig.


 Dat was hem ter beschikking was gesteld door een oude Parijse kennis. Die heette Valéry Giscard d’Estaing, en was sinds 2 maand de nieuwe president van Frankrijk. Karamanlis legde de eed af als nieuwe premier, zoals die hem voorgezegd werd door de aartsbisschop van Athene. Beiden waren omringd door militairen. De Grieken kwamen in groten getale op straat om het einde van het militair bewind te vieren.

 

 Nog voor het einde van het jaar zou Karamanlis alle politieke gevangenen vrijlaten, en de politieke vrijheden herstellen, ook – wat radicaal nieuw was - voor de communisten. Hij schreef nieuwe verkiezingen uit voor 17 november. Die bezorgden hem en zijn nieuwe partij, Nieuwe Democratie, een absolute meerderheid.

 

 Op 8 december volgde een referendum waarin bijna 70 % van de kiezers definitief een einde maakten aan de monarchie. In januari 1975 stonden de leiders van het militair bewind voor de rechter. Papadopoulos en Ioannidis werden beiden tot levenslang veroordeeld. Ze stierven vele jaren later in de cel, de eerste in 1999, de tweede in 2010.

 

Watergate

 

 Boven dit alles bleef al die maanden het risico hangen dat Cyprus uit de hand zou lopen. Karamanlis besliste meteen na zijn terugkeer om elke militaire interventie vanuit het Griekse vasteland uit te sluiten. Op Cyprus stonden de Grieken sowieso tegenover een sterkere Turkse macht, die ook de zee errond controleerde. Enkel aan de grens in het noorden van Griekenland, in Thracië, waren de Turken kwetsbaar. Maar dat zou dan een regelrechte oorlog tussen beide landen hebben betekend.

 

 In Washington was men dan in de laatste dagen van van het presidentschap van Richard Nixon. Die was zodanig verwikkeld in het afluisterschandaal van Watergate (het hoofdkwartier van de Democraten in 1972) dat zijn aftreden bijna zeker leek. Zowat iedereen in het Witte Huis stond onder druk van het Congres, dat dreigde met een algemene vervolging van al de medewerkers van de president.

 

 In die penibele omstandigheden probeerde minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger de schade te beperken. Hij keek er vooral op toe dat Moskou niet zou profiteren. Hij vreesde dat Makarios kon terugkeren en dan de Sovjets ter hulp zou roepen. Formeel liet hij het diplomatiek initiatief wel aan de Britten, de oude koloniale macht.



'De Britten dreigen nu zelfs met militaire actie tegen de Turken. Dat is zowat het domste wat ik ooit gehoord heb. Daar op Cyprus hebben ze enkel 1000 man en wat Phantoms (straaljagers). Ze kunnen dat daar niet doen keren. Ze willen eigenlijk een crisis starten, waarbij wij het moeten oplossen en zij met de pluimen gaan strijken.’

 


 Die had op dat moment de handen vol met de moeizame evacuatie van een paar tienduizenden expats uit Cyprus.De Britse Labour-premier Harold Wilson en zijn minister van Buitenlandse Zaken Jim Callaghan dwongen van de nieuwe machthebbers in de hoofdstad Nicosia een herstel van het oude bewind onder Makarios af. Londen probeerde vanaf 20 juli vooral Grieken en Turken tot een wapenstilstand aan te zetten, met de hulp van de VS.

 

 De Amerikaanse dreiging om alle nucleaire verdediging uit Turkije terug te trekken hielp bij de regering van Bulent Ecevit in Ankara. In Athene volstond de val van Ionannidis.  Op 22 juli zwegen de wapens. Callaghan maneuvreerde dan om beide partijen aan de onderhandelingstafel te krijgen in Genève. Dat lukte hem ook.


Rekening

 

 Maar de onvermijdelijke traagheid waarmee de gesprekken op gang kwamen, deed Ankara op 14 augustus zijn troepen in Cyprus opnieuw in het offensief gaan. Het was duidelijk de bedoeling om nog gauw een maximaal stuk terrein mee te graaien. 


 Binnen drie dagen had het  Turkse leger 37 % van het grondgebied van Cyprus onder controle, aan de noordkant van het eiland, met alle Turkse enclaves. Ca 150.000 etnische Grieken werden op de vlucht gejaagd. De scheidslijn die toen getrokken werd, inbegrepen de onteigeningen van de Grieken, bestaan vandaag, 50 jaar later, nog steeds.

 

 De Britten waren al op 9 augustus op de hoogte van de Turkse militaire plannen. Callaghan dreigde in de dagen voor 14 augustus tevergeefs Ankara af met militair verzet van de overwegend Britse VN-troepen in Cyprus tegen de Turken, versterkt met luchtsteun vanuit Londen. Hij deed dit voorzichtig, in het besef dat dit zonder Amerikaanse steun op een debacle kon uitdraaien.

 

 Kissinger belde de nieuwe president Gerald Ford – Nixon was een dag eerder afgetreden - op 10 augustus, met het nieuws van de Turkse plannen: ‘De Britten dreigen nu zelfs met militaire actie tegen de Turken. Dat is zowat het domste wat ik ooit gehoord heb. Daar op Cyprus hebben ze enkel 1000 man en wat Phantoms (straaljagers). Ze kunnen dat daar niet doen keren. Ze willen eigenlijk een crisis starten, waarbij wij het moeten oplossen en zij met de pluimen gaan strijken.’

 

 Vier dagen later zei hij tegen Ford: ‘Er is geen goede Amerikaanse reden die de Turken het recht op een derde van Cyprus zou ontzeggen.’ Athene moest maar de rekening betalen van de brand die het zelf had aangestoken, ook al was daar inmiddels een nieuw, democratisch bewind aan de macht.

 

 Dat overleefde, volgens de beschrijving die Callaghan heeft gegeven, ternauwernood. Op 14 augustus om 5 uur ’s morgens vergaderde de regering in Athene, onder leiding van zijn nieuwe premier, Karamanlis. Hij was de enige die weigerde de oorlog te verklaren aan Ankara, na het nieuws over de heropgestarte invasie.

 

 Karamanlis wist nipt door te zetten. De zandzak die hij moest lossen was dat Athene de militaire structuur van de Navo zou verlaten. Het officieel motief daartoe was het gebrek aan steun dat vanuit Evere was voortgekomen tegen de andere lidstaat Turkije. De tweede Turkse invasie verlegde wel de internationale sympathie rond Cyprus weer naar de Grieken.

 

 Maar dat bleek een magere troost tegenover de blijvende Turkse bezetting, tot op de dag van vandaag. Karamanlis, die tot 1980 premier bleef en daarna president werd, stabiliseerde verder het democratisch bewind, met een nieuwe grondwet op 11 juni 1975. 


 Het was toen dat hij zijn oude stokpaardje naar bovenhaalde: de aanvraag tot toetreding van Griekenland tot de Europese Economische Gemeenschap. Die kwam er in 1981, vooral dankzij de steun van Giscard. Die van Cyprus volgde in 2004, in de feiten (en nog altijd) enkel voor het zuidelijk deel.

 

 

 


Goya, de Belliardstraat en

 don Juan Van Halen

4 juni 2024


 We gaan een tijdje stoppen met deze geschiedenisblog, vanwege te veel andere projecten. Maar niet zonder eerst nog een prachtig verhaal te vertellen, ver van alle verkiezingsgewoel. Hoe achter twee van de meest bekende schilderijen van Francisco Goya een stuk levensverhaal schuilgaat van twee cruciale figuren in de Belgische revolutie van 1830: de Franse generaal Auguste Belliard en de Spaanse don Juan van Halen.

 

 Francisco Goya was al 68 toen hij na de bevrijding van Spanje van de Franse troepen in 1814 van het Spaanse hof een nieuwe opdracht kreeg. Hij moest glorieuze strijd van de natie tegen het bewind van Bonaparte in de jaren voordien vereeuwigen. Dat leverde twee van zijn meest beroemde schilderijen op. Ze hangen vandaag beide in het Prado in Madrid, zeg maar op de plek van de gebeurtenissen zelf.

 

 De meesterwerken handelen over de volksopstand, die op 2 mei 1808 in Madrid uitbrak. Spanje was sinds 1796 min of meer ononderbroken de bondgenoot en in militair opzicht ook de satellietstaat van de Franse revolutionairen. Daarom onder meer dat het zijn vloot inzette samen met de Fransen tegen de Engelsen van Nelson in de zeeslag van Trafalgar (nabij Cadiz) in oktober 1805. (zie mijn blog van 27 januari van dit jaar: de Zee van Amerika, https://www.rolffalter.com/blog#h.rqf7484ymjgi )

 

 Maar in 1808 broeide de onrust tegen het Franse bewind. Die groeide nog meer toen de eerste geruchten rondgingen dat Bonaparte de onderling verdeelde koninklijke familie wou opzijzetten om een broer van hem tot nieuwe koning van Spanje aan te duiden. Om 10 uur in de morgen van 2 mei gingen enkele honderden betogers voor het koninklijk paleis in Madrid trachten te beletten dat de kroonprins door de Fransen werd meegenomen.

 

 Het kwam tot schermutselingen, de Fransen openden het vuur en er vielen een tiental doden. Dat nieuws bracht de hele stad in rep en roer. De Fransen, onder leiding van generaal Joseph Murat, de schoonbroer van Napoleon, stuurden versterkingen. Er werd de hele dag gevochten in de straten van de hoofdstad.

 

 Eén van de gevechtstaferelen is vereeuwigd door Goya in zijn El dos de Mayo. Het gaat om de charge van Franse eenheden te paard van Turkse afkomst nabij de Puerta del Sol. Die scene is mede legendarisch omdat de Madrilenen er in geslaagd waren de aanvoerder van de zogenaamde Mamelukken te doden, waarna die met hun kromzwaarden stevig hoofdjes gingen afhakken onder het gepeupel.

 

 Er sneuvelden die dag ongeveer tweehonderd Franse militairen en vierhonderd Madrilenen. Nog eens vierhonderd werden de volgende dag voor het vuurpeloton gezet en geëxecuteerd, de meesten in de buurt van het Prado. Dat leverde het nog veel meer beroemde schilderij El tres de Mayo op, zeg maar de eerste echte geschilderde aanklacht van de brutaliteit van de oorlog sinds Bruegel drie eeuwen eerder.(zie foto)

 

 Die repressie ontketende spoedig een algemene opstand in Spanje tegen de Fransen. Die zou vijf jaar duren en hield al die tijd heel wat troepen van Napoleon bezig. Zijn Engelse tegenstanders roken hun kans, gingen vanaf 1810 vanuit Portugal militaire steun verlenen aan de opstandelingen. De leiding van die operaties was in handen van de veertigjarige generaal Arthur Wellesley. Die werd later bekend onder zijn titel van hertog van Wellington, als overwinnaar van Waterloo in 1815 en eerste minister van Groot-Brittannië van 1828 tot 1830.

 

 Brussel


 Over de gebeurtenissen van 2 en 3 mei 1808 hebben we een verslag van de stafchef van de Franse generaal Murat. Die heette Auguste Belliard, op dat moment 39 jaar oud en al acht jaar generaal. Hij was, als zoon van een magistraat van de Vendée, op zijn 22ste naar Parijs getrokken, om zich te engageren in de Revolutie. Zo werd hij militair. Hij nam deel aan alle grote campagnes van de rijzende ster, generaal Bonaparte: Italië, Egypte, later ook in Austerlitz, Pruisen en Rusland. Alleen Waterloo heeft hij gemist. Hij was even gouverneur van Berlijn, en werd dat ook, na de gebeurtenissen van 2 mei, in Madrid.

 

 Belliards militaire carrière ging na de val van Napoleon op een lager pitje. Maar dan schopte een oude wapenbroeder en vriend van hem, Louis-Philippe d’Orleans, telg van een zijtak van de koninklijke familie, het eind juli 1830, na een korte, maar hevige revolutie in Parijs, plots tot nieuwe koning van Frankrijk. Die stuurde hem in maart 1831 naar Brussel, waar sinds augustus ook een revolutie was uitgebroken.

 

 Belliard kende de stad en het hele gebied. Hij had, als kapitein, deelgenomen aan de eerste verovering van de Oostenrijkse Nederlanden door generaal Dumoriez in november 1792 (die na  vijf maanden weer ongedaan werd gemaakt door de Oostenrijkers). Tussen 1800 en 1804 stuurde Parijs hem ook uit als militaire commandant en gouverneur van het département de la Dyle, de latere provincie Brabant dus, met Brussel als hoofdzetel.

 

 Belliard kende het wereldje van de Belgen, toen hij op 4 maart 1831 opnieuw in Brussel toekwam. Hij kwam er net op het hoogtepunt van de chaos. De revolutie had inmiddels voor zware materiële problemen gezorgd, aan het eind van de winter dan nog.

 

 Sinds 24 februari was er een regent aangesteld, baron Louis Surlet de Chokier uit Gingelom. Dat was nadat het sinds 27 september 1830 geïnstalleerde Voorlopig Bewind de kroon van het nieuwe revolutionaire land had aangeboden aan de Franse kroonprins. Koning Louis-Philippe had dat geweigerd, uit vrees voor de oorlog die dat teweeg zou brengen.

 

 Eind februari had Surlet een nieuwe regering samengesteld. De regent en dat nieuwe kabinet bleven in eerste instantie botsen met de beslissingen van de Conferentie van diplomaten van de vijf grootmachten in Londen, die het Belgisch probleem probeerden te regelen. Zo kondigden de Belgen openlijk een militair offensief aan om Luxemburg te recupereren, waarop koning Willem in februari opnieuw beslag had gelegd.

 

 Vooral Alexandre Gendebien, de sterke man van het nieuwe kabinet, stuurde nu aan op het ontketenen van een regelrechte Europese oorlog. Zijn hoop was dat dit in Parijs een radicalere regering zou aan de macht brengen, die ook België zou annexeren. Daarop ging de Engelse gezant, lord John Ponsonby, de schoonbroer van de Engelse eerste minister en sinds december in Brussel, Surlet overtuigen om de oorlog alsnog af te wenden. Het middel daartoe was te trachten alsnog de prins van Oranje (de latere Willem II) tot koning der Belgen te maken.

 

 Surlet maneuvreerde Gendebien naar een ontslag, en begon vanaf 23 maart een nieuw kabinet samen te stellen. Terwijl hij daarmee bezig was, waren orangisten over het hele land bezig een staatsgreep voor te bereiden. Gendebien kreeg er lucht van. 


 Hij kon met een groep geestesgenoten en veel geld voor betaalde knokploegen tussen 27 en 31 maart een ware terreur in Brussel ontketenen tegen al wat orangist was of leek. Huizen werden ingeslagen, in brand gestoken en geplunderd, doorgaans ‘s nacht. De scenes van de eerste revolutiedagen eind augustus 1830 keerden weer. daarmee was ook de dreigende staatsgreep van de baan.

 

 Leopold


 De pas toegekomen generaal Belliard was wantrouwig. Hij zag, niet geheel ten onrechte, de hand van Ponsonby achter de regeringswijziging en de poging tot staatsgreep voor de prins van Oranje. De nieuwe regering is ‘bijna geheel pro-Engeland’, berichtte hij aan Parijs. Ponsonby was even wantrouwig: hij had zelf de komst van Belliard gezien als het uitsturen van de echte chef van een groot maneuver in Brussel waarbij Gendebien inderdaad de Europese oorlog moest doen losbranden.

 

 Belliard had het snelst door dat de belangen van Engeland en Frankrijk in wezen parallel liepen. Zeker na de gewelddadigheden tegen de orangisten, begreep hij dat Brussel op weg was naar chaos. Hij benadrukte het omgekeerde van wat Ponsonby van hem dacht: tegenover Gendebien en zijn vrienden stelde hij dat Parijs absoluut geen oorlog wilde, en dat hij van die kant dus op geen militaire steun hoefde te rekenen.

 

 Ponsonby vond in het nieuwe Belgische kabinet een bondgenoot die slimmer was dan Surlet: de Luikse advocaat Joseph Lebeau, die zich spoedig tot de sterke man van de regering zou ontpoppen. Lebeau was sceptisch over de Franse invloed, zag de zakelijke belangen van Luik vooral richting de Pruisische buur evolueren. Ponsonby had voortaan een goed contact met hem, en overtuigde hem in eerste instantie van een nieuwe kandidaat voor de troon: de 39-jarige prins Leopold van Saksen-Coburg, al veertien jaar de weduwnaar van de in het kraambed gestorven prinses Charlotte van Wales.

 

 Lebeau en Ponsonby kregen Leopold ruim drie maand later, op 21 juli op een zononvergoten Koningsplein in Brussel, ook op de troon, na veel vallen en opstaan. Belliard steunde dat project ook, van in het begin en bij de meer Frankrijkgezinde tenoren van het grillige politieke spel in Brussel. 


 Beide gezanten waren vaak disgenoten van de regent. Die mocht op 22 juli als een tevreden man, en met een goed pensioen, terugkeren naar zijn Spaanse kweekschapen (merinos, die heel goede wol produceerden) rond zijn kasteel in Gingelom. De Franse generaal had daarom bij Surlet een streepje voor op Ponsonby: ook hij had zijn geld thuis belegd in de kweek van merinos.

 

 Lord Ponsonby vertrok onmiddellijk na de eedaflegging van Leopold weer naar Londen, waar hij zijn diplomatieke carrière zou verderzetten, tot aan zijn dood in 1855. Belliard bleef nog zes maanden in Brussel, dus ook tijdens de inval van het Nederlands leger van koning Willem tussen 1 en 10 augustus 1831. Dat werd finaal vlakbij Leuven tot staan gebracht door een Franse interventie, die Belliard mee had georganiseerd.

 

 Hij bleef bemiddelen om ook de plooien van die korte oorlog glad te strijken. Koning Louis-Philippe benoemde zijn vriend als beloning begin 1832 tot ambassadeur in Spanje. Terug naar Madrid dus. Maar nog voor Belliard uit Brussel kon vertrekken, werd hij op 28 januari 1832 getroffen door een hartaanval, tijdens een wandeling in het Warandepark. Hij was 62. 


 De generaal kreeg later een (nog altijd heel goed zichtbaar) standbeeld tegenover het park, aan de Koningstraat. En ook de Belliardstraat, vandaag de grote uitvalsweg naar het oosten van Brussel, en naar de snelwegen naar Leuven en Namen, is naar hem genoemd.

 

Rogier


 Belliard heeft in Brussel nooit de gewezen tegenstander van het oproer van Madrid in 1808 ontmoet, die ook een hoofdrol speelde in de eerste weken van de Belgische revolutie: don Juan van Halen. Dat was in 1808 een 20-jarige matroos van de Spaanse vloot uit Cadiz, die vijf jaar eerder in de Spaanse Caraïben en Mexico had gediend en in 1805 de slag bij Trafalgar had overleefd.

 

 Van Halen was om één of andere reden in Madrid op 2 mei 1808. Hij ging meevechten tegen de Fransen, geraakte gewond aan de schouder, maar ontsnapte aan vervolging. Het was het begin van een avontuurlijk leven in de woelige Spaanse geschiedenis van de volgende decennia, met wisselende en rivaliserende dynastieën, politieke strijd, buitenlandse interventies. Voor Van Halen was het een periode waarin heldendaden afwisselden met periodes in de cel, geslaagde ontsnappingen, maar ook verbanningen.

 

 Zo kwam hij na vele omzwervingen in 1827 ook in Luik terecht, in het Koninkrijk der Nederlanden. Hij had zich herinnerd dat zijn vader, die kapitein van de Spaanse marine was, ook een vader of grootvader uit Flandes had gehad. Flandes was de benaming die de Spanjaarden tot dan voor de Zuidelijke Nederlanden gebruikten. Van Halen kon blijkbaar nog vage erfenisclaims laten gelden op oude bezittingen in Beveren, Perwez (ten zuiden van Hoei) en uiteraard Halen.

 

 In Luik geraakte hij bevriend met een beginnende advocaat van 27, met dichterlijke ambities, maar die voorlopig een beetje de kost verdiende als journalist. Aan hem vertelde hij, ongetwijfeld tijdens een reeks met wijn versterkte avondsessies, zijn spectaculair levensverhaal. De journalist tekende het op en gaf het uit, in twee delen, want er viel wat te vertellen.

 

 Dat was Charles Rogier. Die werd, samen met een paar Luikse collega’s, begin 1830 gedagvaard in één van de beruchte persprocessen van minister van Justitie van Maanen, omdat hij in zijn geschriften in zijn krant koning Willem had bekritiseerd. Cornelis Van Maanen was de hele regeerperiode lang de sterke man van koning Willem, nadat hij diens voorganger – Louis Bonaparte, ook een broer van Napoleon en de eerste koning van Nederland - van 1806 tot 1810 gediend had als chef van de politie. Voor Rogier stortte zijn wereldje in, want hem wachtte een lange celstraf en mogelijk verbanning.

 

 Vandaar dat de Luikse advocaat zich eind augustus 1830, toen het pas uitgebroken hongeroproer in Brussel zich razendsnel verspreidde over heel het zuiden van het Koninkrijk der Nederlanden, aan het hoofd stelde van enkele honderden heetgebakerde, armzalige, maar goed bewapende Luikenaars die vol revolutionair vuur naar Brussel wilden optrekken. De Luikse notabelen waren blij dat ze het onrustig schorriemorrie zo uit de stad konden doen wegtrekken. Tot de lui die de Luikenaar meenam behoorde ook zijn goede vriend Juan van Halen.

 

 Zo verwierf Rogier een hoofdrol in de Belgische revolutie. Na eerst, zoals de andere revolutieleiders, gevlucht te zijn bij het naderen van Brussel door het geregelde leger omstreeks 22 september, was hij één van de eersten die terugkeerden.  Don Juan was echter niet gevlucht. Die had zich vanaf vanaf 23 september in de strijd gegooid, aan de zijde van het gepeupel van Brussel, in en om de Leuvense straat achter het parlement.

 

 De 24ste in de namiddag was hij één van de eersten die de teruggekeerde Rogier contacteerde. Hij stelde hem voor de militaire leiding van de rebellen op zich te nemen. Van Halen aanvaardde, met als enige voorwaarde dat Rogier en zijn collega-revolutieleiders moesten beloven dat ze voor zijn vrouw en kinderen zouden zorgen als hij kwam te sneuvelen.

 

 Zo werd Juan van Halen uit Cadiz, op dat moment 42, de allereerste opperbevelhebber van het embryonale Belgisch leger. Hij bleef dat uiteraard nadat het geregeld leger van prins Frederik van Oranje uit Brussel was afgedropen op maandagochtend 27 september. Van Halen organiseerde zijn nieuwe troepen zo goed en zo kwaad als het kon. En hij ging die, met Spaanse guerllia-tactieken, buiten Brussel laten jagen op het zich terugtrekkend en al gedemoraliseerd geregeld leger.

 

 Van Halen kwam echter meteen in botsing met een andere teruggekeerde revolutie-leider, Louis de Potter, van lagere adel, journalist en op dat moment mateloos populair. Wat volgde was een reeks botsingen en intriges waarbij Van Halen al na tien dagen afgezet werd. Het bleek niet zo moeilijk zijn ondergeschikten op te zetten tegen de vreemde luis.

 

 Het Voorlopig Bewind, met Gendebien die De Potter steunde, stuurde Van Halen wandelen, weliswaar met een royale vergoeding waarop haast zeker Rogier zal hebben aangedrongen. Een maand later werd de Spanjaard ook nog eens verdacht van medewerking aan een vermeend orangistisch complot in Mons, gearresteerd, maar finaal na een maand in de cel vrijgesproken. Dat was in november. Hij verliet kort nadien het land.

 

 Don Juan Van Halen dook later nog op in gevechten in Portugal en in Catalonië. Hij reisde zonder wapens naar Engeland en zelfs heel even weer naar België omstreeks 1835. Toen hij 66 was keerde hij naar Madrid weer, waar inmiddels ook wat rust heerste. Hij werd er beladen met medailles en eretitels. Zijn vrouw, een dochter van een markies en diegene waarvoor hij zorg wilde dragen in de straten van Brussel, stierf in 1859. Hij hertrouwde nog op zijn 73ste, met een Ierse. Uiteindelijk stierf don Juan in rust en vrede, 76 jaar oud, op 8 november 1864 vlakbij zijn geboorteplaats Cadiz, vermoedelijk aan een banale longontsteking.


 Hij heeft een straat in Madrid die naar hem genoemd is, maar bij mijn weten geen in Brussel. In het park van El Retiro staat ook een borstbeeld. Zijn spectaculaire levensverhaal wacht nog altijd op verfilming.

  

 

 

 

 

 


Bericht voor de keizer in Wenen: 

hoe België barst

 8 mei 2024

 

 In september 1912 stuurde de ambassadeur van het keizerrijk Oostenrijk-Hongarije in Brussel, graaf Clary, een rapport aan zijn minister van Buitenlandse Zaken in Wenen over de ‘vanuit een Europees standpunt veruit meest interessante kwestie in België’: het communautair vraagstuk. Ik vond de brief veertig jaar geleden en schreef hem toen integraal over, omdat ik hem zo relevant vond. Die tekst vond ik onlangs terug. En het loont nog steeds de moeite hem weer te geven.

 

 Siegfried Graf Clary von Aldringen (foto links, rond 1900), zo luidde de volle naam van de 64-jarige edelman uit Teplice in Sudetenland in Bohemen (vandaag Tsjechië, op amper 80 km van Dresden) die al sinds 1903 königliche und kaiserliche Gesandten in Brussel was. De ambassadeur dus van het keizer- en koninkrijk Oostenrijk-Hongarije.

 

 Dat was de veelvolkerenstaat van 50 miljoen inwoners met steden als Zagreb (vandaag de hoofdstad van Kroatië) Lviv (Oekraïne), Timisoara (Roemenië) Krakau (Polen) of Riva del Garda (Italië). Clary moet vermoed hebben dat de regering van  de oude keizer Franz-Josef in Wenen zeker geïnteresseerd zou zijn in de communautaire problemen in België. Die wist immers op dat moment zelf helemaal niet meer hoe ze het interne vraagstuk van de vele nationaliteiten onder controle kon krijgen.


Jules Destrée

 

 België zelf was net opgeschrikt door de Lettre au Roi sur la séparation de la Wallonie et de la Flandre . Jules Destrée, de 49-jarige socialistische volksvertegenwoordiger en advocaat uit Charleroi, had die op 24 augustus 1912 over de hele (broadsheet)-voorpagina van de Journal de Charleroi laten publiceren. Het was één grote en schitterend geschreven aanklacht tegen de machtsovername van België door de katholieke Vlamingen (il nous ont pris la Flandre), met vooral de ene beoemde zin: Sire, il n’y a pas de Belges. Destrées conclusie: we moeten naar een séparation administrative van Vlaanderen en Wallonië. Hij gaf wel ruiterlijk tie geen flauw idee te hebben hoe men dat moest verwezenlijken.

 

 We weten vandaag dat Destrée die brief schreef als uitlaatklep voor ontgoocheling. Die was bij de Waalse socialisten en liberalen geëxplodeerd na de nederlaag van het liberaal-socialistisch kartel bij de parlementsverkiezingen van 2 juni 1912. Iedereen had verwacht dat die een einde zouden maken aan achtentwintig jaar katholieke regering, maar het tegendeel bleek waar: ze kwam er versterkt uit. Dat leidde in Henegouwen en Luik tot een week van stakingen. In Luik, op de place Verte, schoten de gendarmes  op 3 juni ’s avonds op de zoals altijd kokende demonstranten. Er vielen meteen drie doden. Een jongen van veertien werd ook getroffen door een kogel en overleed een maand later.

 

 In Charleroi wist Destrée de uitbarsting te kanaliseren. Hij riep het volk op om vooral de twee extra zetels te vieren die het kartel in die stad had gewonnen. En hij richtte de overblijvende druk naar de roep om een algemene staking voor algemeen stemrecht en vooral naar de eis van Waalse autonomie, los van het klerikale Vlaanderen.


 Destrée, die voor de verkiezingen tot de ministeriabelen behoorde, gebruikte dit ook als hefboom in Brussel. Op het hoofkwartier van de Werkliedenpartij in Brussel zwaaiden de Brusselse advocaat Emile Vandervelde en vooral de  Gentse gewezen notarisklerk Edward Anseele de plak. Gent en Brussel hadden de partij gesticht in 1885, zonder op de chaoten in Luik en Henegouwen te wachten. En Anseele beheerde een formidabele economische macht in de partij.


 Geen van beiden wensten een algemene staking. Destrée ging op 4 juni met de trein naar de hoofdstad met in zijn federatie gestemde resolutie voor een congres van louter Waalse socialisten op zak. En dus besloot de partij dan toch principieel tot een algemene staking, zij het pas na rijp beraad over zes maand.


 Dat was genoeg voor Destrée: hij had zich als spilfiguur geaffirmeerd, ook al was het project dat hij meer dan wie ook verdedigd had - het kartel met de liberalen - mislukt. Hij had zich ook als potentieel staatsman gedragen, door de onvrede in zijn eigen stad te kanaliseren en door het compromis in de partij te verdedigen. Hij ging nog even door, tot en met zijn Lettre ouverte van eind augustus. Maar dat was meteen ook het voorlopig slotakkoord van de opstoot van Waals separatisme. De gemoederen in Charleroi en Luik waren tegen dan duidelijk bekoeld. 


Koning Albert

 

 We weten ook hoe koning Albert reageerde. Die vernam het nieuws op alpinisme-vakantie in de Italiaanse Dolomieten (in het deel dat toen nog in Oostenrijk-Hongarije lag). Albert antwoordde aan zijn secretaris, Jules Ingenbleek in Brussel, die hem het artikel had opgestuurd: Tout ce qu’il dit est absolument vrai, mais il n’est non moins vrai que la séparation administrative serait un mal entraînant beaucoup plus d’inconvenients et de dangers de tout genre que la situation actuelle. (‘Alles wat hij - Destrée - zegt is absoluut waar. Maar het is niet minder waar dat administratieve scheiding een kwaad zou zijn dat veel grotere nadelen en gevaren zou opleveren dan de huidige situatie.’)

 

 Graaf Clary had het dus goed aangevoeld dat hierover bericht moest worden aan het thuisfront. Hij rapporteerde aan zijn baas, de 49-jarige graaf Berchtold, de minister van Buitenlandse Zaken (voluit: Leopold graf Berchtold von und zu Ungarnschitz, Fratting und Pullitz, uit een Moravisch geslacht). Al wie ooit al iets gelezen heeft over de diplomatieke crisis van juli 1914 – in Sleepwalkers bijvoorbeeld - kent die naam natuurlijk.

 

 Clary’s  brief is een goede analyse van de toestand van het communautaire dossier in België op dat moment – twee jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. De diplomaat las zijn Franstalige kranten, zeer zeker, zoals elke diplomaat, maar had duidelijk ook andere informatiebronnen. Zijn terminologie is wat wankel, zeker inzake het onderscheid tussen Fransen en Walen of Nederlanders en Vlamingen, en hij beschrijft Conscience als een dichter, eerder dan als schrijver. De rest is vrij correct, en geeft een goed beeld van hoe de communautaire verhoudingen in België in 1912 waren.

 

 Veel uitleg hoeft er niet bij. Het congres waar Clary het over heeft is het zogenaamd Nederlands Taal- en Letterkundig Congres waarvan er tussen 1849 en 1912 32 plaatsvonden. Dat van 1912 vond plaats in Antwerpen van 25 tot 29 augustus. Pol de Mont was voorzitter en Frans Van Cauwelaert hield de openingsspeech. 


 Tussen haakjes en onderlijnd heb ik de Duitse terminologie weergegeven van Clary, omdat ze zo wankel is. De andere citaten tussen haakjes zijn van hemzelf. Hier gaat-ie:

 

 

 

Brussel, 5 september 1912

 

 Vanuit een Europees standpunt bekeken is de veruit meest interessante kwestie in België ongetwijfeld het nationaal vraagstuk. Voor vijftig jaar bestond dat hier nauwelijks. Maar vandaag beroert het de gemoederen meer dan het antagonisme, dat in alle landen bestaat, tussen conservatieve, liberale en socialistische tendensen.

 

 Vroeger leefden de twee volkeren die het Belgisch koninkrijk bewonen vreedzaam naast elkaar. Dat waren de Franse Walen (französischen Wallonen) en de Vlamingen (Vlämen), die een Germaans dialect spreken dat identiek is aan het Plattdeutsch. 


 Dat ging hierop terug. De Vlamingen hadden in de 16de en 17de eeuw nog een uitgesproken nationaal bewustzijn. Maar ze hebben dat bijna volledig verloren door het contact met de vooral in de achttiende eeuw dominante Franse cultuur. Ze hebben zich vrijwillig laten verfransen, of, zoals de huidige Vlamingen dat zeggen, laten ‘verwaalsen’.

 

 Na het jaar 1848 ontwaakte het Vlaamse volk echter uit zijn lethargie. Het begon zich zijn roemrijk verleden te herinneren. Daartoe hebben verscheidene Vlaamse literatoren – onder andere de dichter Conscience, waarvan het standbeeld recent in Antwerpen is onthuld – door hun nationaal-patriottische geschriften en gedichten niet weinig bijgedragen.

 

 Deze Vlaamse Beweging (‘le mouvement flamand’) is door de katholieke regering van België gesteund geworden. Dat is omdat die in de grotendeels katholieke en conservatieve bevolking van de Vlaamse provincies haar grootste steun vindt. Daar waar de liberale partij van oudsher een dominante invloed in de Franse provincies van België had.

 

 De genoemde beweging heeft namelijk de jongste twintig jaar grote vooruitgang geboekt. Er is aan de Vlamingen de ene toegeving na de andere gedaan. Men kan eigenlijk zeggen dat ze vandaag, inzake het taalgebruik in de scholen, de rechtbanken, de correspondentie van de besturen, etcetera, zo goed als gelijkberechtigd zijn met de Franse Walen.

 

 Wat de Vlamingen nog missen, is een eigen universiteit. Er bestaan in België zoals bekend twee staatsuniversiteiten, in Gent en in Luik. Er zijn ook twee vrije universiteiten die niet onder staatstoezicht staan, in Brussel en in Leuven. Die zijn allemaal helemaal Frans.

 

 De Vlamingen verlangen nu dat de staatsuniversiteit in de Vlaamse stad Gent van een Franse naar een Vlaamse universiteit wordt omgevormd. Sedert twee à drie jaar wordt door de twee nationale partijen een bittere strijd om deze kwestie gevoerd.

 

 De Walen willen voor geen enkele prijs dit bolwerk van de Franse cultuur in Vlaanderen opgeven. Zij verzetten zich dan ook in alle heftigheid tegen dit project. De regering bevindt zich in dit verband in een moeilijke positie. Enerzijds vreest ze de steun van de Vlamingen te verliezen. Anderzijds wil ze de Walen niet van zich vervreemden.

 

 Mogelijk zal ze een middenweg inslaan, en de Franse universiteit van Gent uiteindelijk tot een tweetalige maken. Dat zou betekenen dat in die universiteit lessen in beide talen zullen plaatsvinden. Of een dergelijke toegeving de Vlamingen zal voldoen, is des te meer te betwijfelen, omdat in het nationaal vraagstuk de Vlamingen van alle partijen het vrij eens zijn.

 

 De Walen hebben aanvankelijk de Vlamingen (‘flamingants’) veracht en zich op alle mogelijke manieren vrolijk over hen gemaakt. Nu echter beginnen ze zich over deze problemen fel op te winden. Ze zoeken tegenmaatregelen om de voortgang van de ‘flamingants’ te bestrijden. Zo is onder meer met dat doel een organisatie gecreëerd (‘Société pour favoriser l’expansion de la langue française’), die een geweldige propaganda maakt voor de verspreiding van de Franse taal in België.

 

 Zeer verbitterd zijn de Walen over het overspoelen van de Franse provincies met Vlaamse ambtenaren. De beambten moeten immers in alle delen van het land, minstens toch vanaf een bepaalde graad, beide talen kunnen beheersen. Maar vermits alle min of meer opgeleide Vlamingen de Franse taal machtig zijn – terwijl nauwelijks wat Walen de moeite doen om de Vlaamse taal onder de knie te krijgen – is het gevolg dat de meest geschikte kandidaten voor de ambtenarencarrière eerder bij de Vlamingen dan bij de Walen te vinden zijn.

 

 Tot nog toe hoorde je vooral de Vlamingen over de ‘verfransing’ klagen. Nu beginnen de Walen de ‘vervlaamsing’ te vrezen. Een angst die nochtans niet gegrond schijnt. De Walen zullen nooit ‘vervlaamst’ (vlämisiert) worden. Wel staan ze op het punt hun tot nog toe uitgeoefende hegemonie in het land te verliezen.

 

 Enkele Walen verlangen nu, uit angst voor het oprukken van de Vlamingen, een ‘administratieve scheiding’ van het land. In hun projecten moeten de Waalse provincies helemaal in het Frans bestuurd worden, en de Vlaamse helemaal in het Vlaams.

 

 Een recent door de Waalse socialistische volksvertegenwoordiger Destrée aan koning Albert gerichte open brief heeft dat idee uitgewerkt. Het zal door de regering echter nooit aangenomen worden, want dat zou het begin van het einde van België inluiden. In dat geval zullen de Waalse landsdelen altijd maar dichter naar Frankrijk toeschuiven, en de Vlaamse provincies naar Holland of naar Duitsland.

 

 Ook de meeste Walen zullen de door de heer Destrée geuite meningen niet echt graag horen. De reden daarvoor is dat door administratieve scheiding (‘séparation administrative’) vele honderdduizenden Franse Vlamingen (französische Vlämen) die in de Vlaamse provincies wonen opgeofferd zouden worden. Zij zouden voor de Franse nationaliteit weer verloren gaan.

 

 Tegenwoordig is in Antwerpen een congres van Nederlandse en Vlaamse schrijvers en geleerden bijeen (‘Congres de langues et littérature néerlandaise’). Dat wil voor de belangen van zowel de Hollandse als de Vlaamse taal opkomen, en die laatste tegen de Franse taal in België verdedigen.

 

 Het hoofdthema van de discussie in de genoemde bijeenkomst was tot op heden het postulaat van de omvorming van de Franse hogeschool in Gent naar een Vlaamse universiteit. Er werd daar eenstemmig besloten deze ‘voor Vlaanderen rechtvaardige en absoluut noodzakelijke eis’ op elke mogelijke manier te steunen.

 

 Er werd ook over de ‘séparation administrative’ gedebatteerd. Het heeft vele kringen hier hoogst pijnlijk beroerd dat ook de Hollandse afgevaardigden zich ingelaten hebben met dit vraagstuk, dat een binnenlandse aangelegenheid van België betreft.

 

 Uit een statistiek die betrekking heeft op het Belgische taalvraagstuk leert men dat er na de in het jaar 1900 plaatsgevonden volkstelling 2.574.805 inwoners enkel de Franse taal machtig waren en 2.822.005 inwoners enkel de Vlaamse taal. Daarentegen waren er 801.587 personen die zowel Frans als Vlaams konden spreken.

 

 Gelieve, Uwe Excellentie, de uitdrukking van mijn diepste eerbied te aanvaarden.

 

(De drie genoemde brieven uit de zomer van 1912, van Clary, Destrée en koning Albert, zullen ook aan bod komen in mijn nieuwste boek, De Breuk, dat in het najaar bij Lannoo zal verschijnen. Het wordt een poging om de communautaire geschiedenis van België met enige afstand te beschrijven. Maar later meer hierover

 

De referentie die ik veertig jaar geleden van de microfilm noteerde is: Archief KU Leuven, Haus-, Hof und Staatsarchiv Wien, Politisches Archiv,, XXII, Belgien), Berichte 1912, Karton 62 - microfilm rol 284)

Zonsopkomst in het zuiden (2)

 

 24 april 2024


 Morgen vijftig jaar geleden ontwaakten de Portugezen met het nieuws van een militaire staatsgreep. Het werd een vreemd verhaal. Militairen die een eind maakten aan de dictatuur en aan een achterhaald en verkrampt kolonialisme. Het parfum van een vrolijke linkse ‘Anjerrevolutie’. De Amerikanen die nerveus werden. Finaal: de militairen, die graag wat langer hadden gebleven, die moesten wijken voor een normaal West-Europees democratisch bestel.

 

 Op donderdag 25 april 1975 ontwaakten de inwoners van het land met anonieme communiqués van de Portugese strijdkrachten op de radio. Die vroegen iedereen binnen te blijven, en van elk verzet af te zien. Tanks en troepen hadden in de loop van de nacht de voornaamste strategische punten – kruispunten, de omroep, de luchthaven, de regeringswijk – van Lissabon ingenomen.

 

 Ook in de steden van het noorden van het land gebeurde dat. Bevelen vanuit de regering in de loop van de nacht aan vermeend loyale eenheden om in het tegenoffensief te gaan bleven dode letter. Heel even, aan het einde van die donderdagnamiddag werd er geschoten door leden van de veiligheidspolitie, die eerst weigerden zich over te geven. Daar vielen de enige vier doden.

 

 Vanaf de eerste uren negeerden de inwoners van Lissabon met duizenden het bevel om binnen te blijven. Er groeide een uitgelaten sfeer. Vanaf de namiddag kwamen nieuwe politieke partijen tot leven, op vrijdagmorgen ook al de vijftig jaar verboden communistische en socialistische partij. Alle politieke gevangenen kwamen vrij, de censuur was opgeheven en er mochten weer vakbonden zijn.

 

Kermis

 

 Pas dan werd duidelijk dat generaal Antonio de Spinola het boegbeeld was van de staatsgreep. Dat was de adjunct-stafchef van het leger, en de voormalige gouverneur van de Portugese kolonie Guinee-Buissau. Die was in februari door premier Caetano, de opvolger van dictator Antonio Salazar, ontslagen. Spinola had een boek gepubliceerd waarin hij opriep een einde te maken aan de koloniale oorlogen.Dat was een mening die de meeste militairen deelden.

 

 Zij waren het zinloze en uitzichtloze bloedvergieten tegen rebellen in de kolonies, vooral Mozambique en Angola, beu. Vandaar de staatsgreep. Caetano zelf gaf zich op donderdagavond 25 april over. Hij mocht in ballingschap naar Brazilië vertrekken. Hij overleed er zes jaar later aan een hartaanval, in zijn woning in Copacabana.

 

 Inmiddels was het beeld rondgegaan van vrolijk vierende burgers die verbroederden met soldaten. Ze staken rode anjers in de loop van de geweren.  Dat is de bloem die je normaal aan de vooravond van 13 juni – de feestdag van Santo Antonio, de patroonheilige van Lissabon – aan je geliefde moet schenken.

 

 Een mei, voor het eerst in bijna een halve eeuw weer gevierd, bracht een miljoen mensen in de straten van de hoofdstad. Dra geraakten de verwachtingen, na zoveel decennia politieke diepvries, buiten controle. Portugal beleefde zijn zomer van een zalig zachte, geweldloze revolutie.

 

 Arbeiders in de fabrieken stuurden hun bazen de deur uit en namen het bedrijf over. Boeren confisqueerden de grond van hun landheren. Wijkcomités verdeelden leegstaande woonsten. Politie en gerecht waren ten prooi aan eindeloze discussies en stakingen. Nieuwe media zochten heel snel de grenzen van de vrije meningsuiting op, dus vooral naakt en sex in een door en door katholiek land. 


 Vanuit heel Europa stroomden sympathiserende studenten en jongeren toe, naar de zon van het zuiden uiteraard, maar ook met Fidel en Cuba in hun hoofd en al de linkse idealen die in die jaren na mei 68 de universiteiten van West-Europa domineerden.

 

 Achter die vrolijke kermis brandde echter meteen de machtsstrijd los. Spinola, een in wezen traditioneel-conservatieve 64-jarige officier met een grote monocle, werd op 15 mei formeel het nieuwe staatshoofd. Maar hij mocht op 30 september alweer opstappen. Het ging allemaal veel te snel voor de generaal, onder meer inzake de kolonies.

 

  Binnen het jaar schonken de opeenvolgende regeringen in Lissabon die allemaal hun onafhankelijkheid, om ervan af te zijn. In Angola en Mozambique ontbrandde een bloedige burgeroorlog, Guinee-Buissau zou van staatsgreep naar staatsgreep sukkelen. Oost-Timor werd eind 1975 veroverd en geannexeerd door buurland Indonesië, totdat het in 1999 dan toch zijn onafhankelijkheid herwon.

 

 Op 9 juli 1974 was de eerste regering van het nieuwe bewind – samengesteld uit de diverse politieke partijen, technocraten van het oude regime en militairen – uit elkaar gevallen. De politieke tegenstellingen lagen nu helemaal op straat. Weken van tegenstrijdige betogingen, stakingen en barricaden in de straten van Lissabon volgden elkaar op, totdat Spinola er de brui aan gaf. Hij zou op 11 maart 1975 nog een mislukte poging tot rechtse staatsgreep wagen. Hij vluchtte toen op zijn beurt naar Brazilië.

 

 Onder zijn opvolgers – nog steeds militairen – evolueerde het bewind verder naar links. Dat was onder druk van de revolutionaire stemming in de bevolking en de effecten van de economische crisis die heel West-Europa in 1974 teisterde. Een hele groep officieren steunde een linkse koers, onder hen de charismatische 38-jarige majoor Otelo Saraiva de Carvalho, die wat vage maoïstische sympathieën koesterde. Die had de staatsgreep van 25 april op het terrein georganiseerd. Inmiddels was hij aan het hoofd komen te staan van de legereenheden die de deficiënte politie moesten vervangen.

 

Kissinger

 

 Op 25 april 1975 vonden de eerste vrije verkiezingen in Portugal plaats, voor een grondwetgevend parlement. De sociaaldemocraten van Mario Soares wonnen met 38 % voor de centrumrechtse PPD met 26 %, terwijl de communisten van de Moskou-getrouwe Alvaro Cunhal op 13 % strandden. Desondanks ging die laatste steeds meer invloed op de vakbonden en op het regime uitoefenen, in regeringen waarin de militairen meer en meer de overhand kregen.

 

 De sluiting van de sociaaldemocratische krant Republica in juli 1975, onder druk van een staking van zijn werknemers en hun communistische vakbond, deed overal alarmbellen rinkelen. Niet in het minst in de westerse hoofdsteden. Spinola had de Amerikaanse president Nixon al in juli 1974 op de Azoren gealarmeerd inzake het risico op een evolutie naar communisme.

 

 Minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger liet zich tegenover Nixons opvolger, Gerald Ford, en diens Europese bezoekers, in het najaar herhaaldelijk sceptisch uit over de kansen om dat tegen te houden. Hij zag naast Portugal ook het prille democratische regime in Griekenland kwetsbaar voor een ommezwaai naar communisme.

 

 Hij zou daar vanaf 1975 Italië aan toevoegen, omdat de communistische PCI in dat land, in de regionale verkiezingen van juni bijna even groot werd als de christendemocratische DC (35 % tegenover 38 % van de stemmen). De communisten herhaalden dat bij de parlementsverkiezingen van juni 1976. Partijleider Enrico Berlinguer had zich inmiddels openlijk en herhaaldelijk gedistantieerd van Moskou en zich uitgesproken voor een normale deelname aan het parlementair democratisch proces.

 

 In juli 1976 kwam er in Rome een minderheidsregering van de DC tot stand onder leiding van allesfixer Giulio Andreotti. Die werd getolereerd door de PCI, op voorwaarde dat er naast besparingsmaatregelen ook sociale hervormingen zouden komen.  De architect van dat ‘historisch compromis’, DC-voorzitter Aldo Moro, werd echter op 16 maart 1978 ontvoerd door de extreem-linkse terreurgroep van de Rode Brigades. Nadat zijn lijk op 9 mei doorzeefd werd teruggevonden in de koffer van een Renault 4 in het centrum van Rome, en de PCI bij de parlementsverkiezingen van een jaar later een afstraffing kreeg van 4 %, kozen beide partijen, permanent onder druk van Washington en Moskou, weer aparte wegen.

 

 Kissinger zag dat allemaal niet graag, vanaf 1974 al. Hij twijfelde in Portugal vooral aan de sociaaldemocratische voorzitter Mario Soares: ‘Die is typisch voor het soort types dat Europa in rampspoed stort, goedbedoelend, vriendelijk, inefficiënt', zei hij. 'Hij heeft de ballen niet voor een gevecht … Hij zal altijd een dag te laat zijn of een speech houden op de verkeerde plaats.’

 

Breznjev

 

 Soares was een 50-jarige advocaat uit een vooraanstaande burgerlijke familie in Lissabon, die geschiedenis, rechten en filosofie gestudeerd had. Als student had hij onder meer les gekregen van leraar Alvaro Cunhal. Hij had gemiliteerd als communist, daarvoor vele malen in de cel gezeten. Hij was gefolterd geworden, verbannen geweest naar Sao Tomé, en finaal in Parijs terechtgekomen in de late jaren zestig.

 

 Anno 1970 was hij met enkele vrienden in de Franse hoofdstad de Portugese sociaaldemocratische beweging in ballingschap beginnen uitbouwen. Die werd in april 1973 met de hulp van de Duitse SPD in Bad Münstereifel tot partij omgevormd. Soares keerde als partijvoorzitter op zondag 28 april 1974 in het feestende Lissabon weer.

 

 Zijn sociaaldemocraten wonnen de verkiezingen voor een grondwetgevend parlement een jaar later. Maar ze werden uit de regering gehouden door de linkse militairen, met de steun van Cunhals communisten. Een sleutelfiguur in dat proces was de 53-jarige kolonel Vasco Gonçalves, die sinds juli 1974 de regering leidde. Hij was in de zomer van 1975 bezig banken, verzekeringen, de staalindustrie en het openbaar vervoer te nationaliseren.

 

 Op 29 mei van dat jaar had Vasco Gonçalves ook Gerald Ford in Brussel ontmoet. Hij legde hem, op aandringen van de Amerikaanse president, uit hoe hij het samenleven van democratie en militair bewind zag: ‘Het originele element aan ons systeem,’ zei hij, ‘is dat er een wetgevende vergadering zal zijn die verkozen is door het volk, in toevoeging van de assemblee van de Beweging van de Strijdkrachten.’

 

 ‘Maar wie controleert dan de regering?’, vroeg Ford. ‘De Raad van de Revolutie’, antwoordde Gonçalves, verwijzend naar het 15-koppig uitvoerend orgaan van de leger-assemblee, waarin uitsluitend officieren mochten zetelen. ‘Dat zal zo blijven gedurende de overgangsperiode die drie tot vijf jaar zal duren. Waarna we een nieuwe grondwet nodig zullen hebben, maar dat zal tijd vergen.’

 

 Tegenover de Duitse sociaaldemocratische bondskanselier Helmut Schmidt vroeg Ford diezelfde dag nog ‘hoe de Europeanen zouden reageren als de Azoren hun onafhankelijkheid ten opzichte van Portugal zouden uitroepen?’ Het was een scenario dat in Washington werd overwogen, voor de eilandengroep in het midden van de Atlantische Oceaan die sinds 1941 zo cruciaal was voor de militaire luchtverbindingen met Europa. De bondskanselier maande aan tot voorzichtigheid.

 

 Hij en zijn West-Europese collega’s – vooral dan SPD-voorzitter Willy Brandt, en de Britten van Labour, premier Harold Wilson en diens latere opvolger Jim Callaghan – hadden ook wel Gonçalves gesproken. 

En voor alle zekerheid ook met Leonid Breznjev, president en partijleider van de Sovjetunie.


 Britten en Duitsers hadden die met fluwelen handschoenen gewaarschuwd geen avontuur in Lissabon te beginnen. Ze leerden dat Breznjev de veiligheidsdiensten van zijn satellietstaten Roemenië en de DDR had uitgestuurd in steun aan de communisten in Lissabon. Maar op termijn liet Breznjev verstaan niet belast te willen worden met de economische steun voor een communistisch geworden en door het westen totaal geïsoleerde Portugal? Eén Cuba dat zwaar te onderhouden was, was hem al genoeg.

 

 Schmidt, Callaghan en ook toenmalig SPD-voorzitter Willy Brandt hielden nauw contact met hun wat aarzelende Portugese collega Soares. Ze bezorgden diens partij en de ermee gelieerde vakbond ruimschoots geld, harde Duitse marken, om de strijd aan te gaan. ‘Ik ben daar, ondanks de kritiek die er geweest is, nog altijd fier op,’ schreef Brandt later in zijn memoires, ‘zeker in een eeuw die niet bepaald zwanger was van een overaanbod aan Europese solidariteit.’

 

 Ook van Amerikaanse zijde kwam er in het najaar van 1975 financiële hulp, voor de rechtsere partijen PPD en CDS. Ambassadeur Frank Carlucci legde op 15 september aan Kissinger uit dat Soares wel degelijk de moeite was om in te investeren, maar zich liever niet aan Amerikaanse hulp wilde verbranden en voldoende had aan de Europese. Waarop de Harvard-professor toegaf dat Soares ‘het inderdaad wel wat beter doet de jongste maanden.’

 

Soares

 

 De finale machtsstrijd in Lissabon kwam er in het najaar van 1975. Het land verviel aan het eind van de zomer in anarchie. Er heerste een diepe economische crisis die nog versterkt was door de politieke chaos. Het bbp van Portugal kromp in 1975 met 15 %. De regering stond permanent onder druk van stakingen.

 

 Er was ook een machtsstrijd in het leger bezig om de sleutelposities bij een eventuele staatsgreep in te nemen. Dan, op 25 november, in een al dagen nerveuze sfeer, deden een aantal militaire eenheden, vooral paratroepen onder leiding van Otelo de Carvalho, een poging om de macht te grijpen in Lissabon en het zuiden van het land.

 

 Ze botsten echter op een beter voorbereide tegencoup onder leiding van luitenant-kolonel Antonio Ramalho Eanes. Die was tot dan een eerder anoniem lid van de Beweging van Strijdkrachten. Eanes kon rekenen op quasi alle legereenheden in het noorden van het land en ook verscheidene in en om Lissabon.

 

 Het noorden was een gebied van kleine landeigenaars, waar men niet gediend was met de nationalisering en herverdeling van de landbouwgrond, die vooral gericht was tegen het grootgrondbezit in het zuiden. Men was er dus veel minder enthousiast over de revolutie. 


 De confrontatie duurde een dag, en eindigde met drie doden en de arrestatie van de linkse putschisten, onder wie de Carvalho. Cunhal vaardigde al in de vooravond een persmededeling uit waarin hij alle partijleden opriep van ‘wanhoopsdaden’ af te zien.

 

 Tot op vandaag wordt er overigens, niet geheel ten onrechte, in Portugal gediscussieerd of de stuntelige linkse machtsgreep niet bewust uitgelokt is door provocaties van het rechtse kamp, om de staatsgreep die al lang voorbereid was door te kunnen voeren met een perfect motief. 


 Manuel Prado y Colon de Carvajal, de financieel beheerder van de Spaanse troonopvolger Juan Carlos, was op 3 november 1975 – terwijl in Madrid dictator Franco op sterven lag – bij Henry Kissinger om namens de prins een direct contact te leggen met Washington voor de spannende dagen die zich in november ook in Spanje aandienden.

 

 Terloops zei hij dat ‘we rechtstreekse informatie hebben dat er in de volgende twee weken een beslissend moment zal komen in Portugal’. Van rechts of van links, vroeg Kissinger, die blijkbaar niet op de hoogte was. ‘Van rechts,’, antwoordde Prado. Die had eerder ook de Franse president Valéry Giscard d’Estaing gezien. Hij signaleerde nu dat ‘Giscard aanvoelt dat Portugal op de weg zou kunnen zijn om zijn problemen op te lossen.’

 

 Vanaf dan kreeg de democratische beweging heel geleidelijk de overhand. Mario Soares en zijn sociaaldemocraten wonnen de eerste gewone parlementsverkiezingen op 25 april 1976 – zij het met 3 % minder dan een jaar eerder. De presidentsverkiezingen van 27 juni gaven Eanes 60 % van de stemmen, tegenover 16,5 % voor de tweede, de Carvalho.

 

 Het duurde nog vele jaren eer er enige regeringsstabiliteit intrad. En er bleef tot 1982 een militaire raad met een vetorecht op regeringsbeslissingen bestaan, naast de grondwettelijke verplichting om het socialisme na te streven. Maar de democratische verankering van Portugal stond na 1976 vast. 


 Soares zou in 1986, na de tweede termijn van Eanes, de eerste burgerlijke president van Portugal worden, ook voor twee termijnen. Op 28 maart 1977 had hij als eerste minister Portugals aanvraag tot lidmaatschap van de Europese Economische Gemeenschap in Brussel ingediend.

 




Zonsopkomst in het zuiden (1)

 19 april 2024


 Vijftig jaar geleden was democratie in Europa een zeldzaam regime. Vanuit Brussel bekeken lag de buitengrens van de democratie 400 km oostwaarts, dwars door Duitsland, en duizend kilometer zuidwaarts, aan de voet van de Pyreneeën. Maar plots begon de bevrijding van Zuid-Europa van zijn oude grauwe dictaturen. Eind april 1974 in Portugal, vier maand later in Griekenland, eind 1975 in Spanje. Die evenementen kleurden de politieke invulling van mijn studentenjaren. Vandaag en donderdag dus een terugblik op die dagen, toen de zon in het zuiden opkwam.

 

 Vijftig jaar geleden waren staten waar er een vreedzame afwisseling van de macht kon plaatsvinden via vrije verkiezingen een absolute zeldzaamheid. In de wereld vond je die in de Verenigde Staten, Canada, Israël en een groot stuk van West-Europa.

 

 Daarbuiten hadden India en Japan relatief vrije verkiezingen, al had in beide landen de dominante partij sinds 1945 nog geen enkele keer de macht moeten afstaan. Overal elders waren er dictaturen, in een wereld overigens die, buiten het Westen, homogeen straatarm was. China had net weer één van zijn communistische massaslachtingen achter de rug, met miljoenen doden.

  

 Op 25 april 1974 maakte paradoxaal genoeg een staatsgreep van linkse militairen een einde aan de dictatuur. Vier maanden later zakte de militaire junta in Griekenland in elkaar. In november 1975 overleed Francisco Franco, de dictator die ruim 36 jaar voordien na een uitermate bloedige burgeroorlog in Spanje de macht had gegrepen. De grens van de democratie zou zich in de jaren nadien moeizaam verleggen naar het midden van de Midellandse Zee.

 

Griekenland

 

  De burgeroorlog in Griekenland was in het voorjaar van 1947 de aanleiding geweest voor de Amerikaanse president Harry Truman en zijn minister van Buitenlandse Zaken, generaal George Marshall, om de nieuwe mogendheid Amerika na vele aarzelingen volop te engageren in Europa. Het nam er de rol van het uitgebluste Britse Empire over.

 

 Griekenland had sinds de start van de eerste Balkanoorlog in 1912 – waarin het Kreta, Epirus en Macedonië verwierf - alle mogelijke plagen van de twintigste eeuw in Europa over zich gehad. De plastische beschrijving door Truman voor het Congres van een diep verdeelde, vernietigde, getraumatiseerde en hongerende natie van 7 miljoen inwoners was niet eens overdreven.

 

 Er was toen net, eind 1946, een nieuwe burgeroorlog op gang gekomen. Enkele tienduizenden communistische oud-weerstanders poogden het noorden van het land in handen te krijgen. Hun wapens kregen ze bij mondjesmaat van Stalin, de leider van de Sovjetunie. Die liet hen echter ook verstaan dat hij Griekenland als het jachtterrein van Britten en Amerikanen beschouwde.

 

 Ze kregen vooral hulp van de Joegoslavische communistische leider Josip Broz , bijnaam ‘Tito’. Die poogde zich op te werken tot de sterke man van de Balkan. Toen hij, precies daarom, in februari 1948 in botsing kwam met Stalin, kozen de Griekse communisten toch voor Moskou. 

 

 De regering in Athene, rechtgehouden door de Amerikanen, en het Griekse leger konden met de betere wapens vanuit Londen en Washington de rebellie tegen begin 1949 onschadelijk maken. De westerse schenking van de Dodekanesos-eilandengroep rond Kos en Rhodos, die Italië in 1912 op het Ottomaanse Rijk had veroverd maar nu moest afstaan, verhoogden het nationaal prestige van de winnaars in Athene.

 

 Tegen dan waren er minstens 150.000 mensen gesneuveld. Er volgde, tot begin van de jaren zestig, een stevige repressie onder de verliezers, met vele tienduizenden arrestaties en duizenden executies. Permanente folterpraktijken en heel breed geïnterpreteerde inbeslagnames van eigendommen van veroordeelden bleven nog lang aan de orde van de dag.

 

 De Griekse samenleving bleef op de oude leest geschoeid. Er was een kleine geprivilegieerde elite, die voor de zekerheid altijd voldoende deviezen in het buitenland behield. Er was nog veel grootgrondbezit, vooal in handen van een onaantastbare Grieks-orthodoxe staatskerk. Er was een reactionaire monarchie en een sterk en volledig autonoom leger. Dat laatste motiveerde zijn grote beslag op het overheidsbudget met de aloude Turkse vijand. Iedereen deelde, van hoog tot laag, in de corruptie, de plantrekkerij, het permanente doen-alsof.

 

 Gaandeweg groeide toch een zekere burgerlijke invloed, onder de regering van Konstantinos Karamanlis. Dat was een conservatieve, uit Macedonië afkomstige advocaat, die in 1955, op zijn 48ste, een eerste maal premier kon worden. Hij versnelde de door de Amerikanen al zachtjes op gang gebrachte modernisering van het land.

 

 Griekenland was in 1952 lid geworden van de Navo. Het zou, na een eerste aanvraag in 1958 en stevige diplomatie van Karamanlis, in 1962 als geassocieerd lid aanvaard worden in de Europese Economische Gemeenschap. Het perspectief heette volwaardig lidmaatschap in … 1984. De voorloper van de Europese Unie zou de volgende tien jaar ook financiële hulp aan Athene leveren.

 

 In juli 1963 kwam de premier, van wie het aanzien al tanende was, in botsing met de zieke en autoritaire koning Paul. Twistpunten waren minder privilegies voor de monarchie, en meer controle op het leger.  Karamanlis vertrok in ballingschap naar Parijs. Bij verkiezingen in november won PASOK, de nieuwe linkse partij van Georgios Papandreou. Dat was een 75-jarige veteraan van de Griekse politiek, die kortstondig de eerste premier na de Bevrijding van de nazi’s in oktober 1944 was geweest.

 

 Papandreou wilde een gematigd progressieve koers varen. Maar dat was andermaal teveel voor de nieuwe koning, Konstantinos II, en vooral ultrarechtse kringen van officieren. In juli 1965 stuurde de vorst hem de laan uit. Er volgden twee jaren van onstabiele regeringen, en uiteindelijk nieuwe verkiezingen, die op 26 mei 1967 moesten plaatsvinden.

 

Kolonels

 

 Net vijf weken voordien, in de nacht van zaterdag 20 op zondag 21 april 1967, greep een groep militairen de macht. Ze werden aangevoerd door brigadier-generaal Stylianos Pattakos, die de tank-opleidingsschool aan de rand van Athene leidde, en twee kolonels. Eén van die laatsten, de 48-jarige Georgios Papadopoulos, zou spoedig de leiding van het regime nemen.

 

 Pattakos zorgde ervoor dat zijn tanks die nacht de belangrijkste kruispunten in Athene konden bezetten. Andere legereenheden gingen over tot arrestaties van politieke en andere prominenten, ook van leger-opperbevelhebber Grigorios Spandikakis. De drie coup-leiders wisten die laatste te overtuigen een bestaand plan operationeel te maken, dat voorzag in de overname van het land door de militairen. Tegen de ochtend hadden ze Griekenland zo goed als in handen. De Griekse omroep speelde enkel nog militaire muziek, afgewisseld met aankondigingen van het nieuw bewind.

 

 Tienduizenden verdwenen in de gevangenissen. De meesten kwamen snel weer op vrije voeten. Maar ongeveer 6000 bleven als (echte en vermeende) communisten gebrandmerkt. Het ‘kolonelsregime’, zoals het dra werd genoemd, vermeed ditmaal de executies. Maar onmenselijke gevangenisomstandigheden, onteigeningen, en vooral gesofisticeerde foltertechnieken werden opnieuw legio.

 

 Toen de actrice en zangeres Melina Mercouri in de zomer van 1967 in de Verenigde Staten een campagne tegen het regime opstartte, ontnam Pattakos, inmiddels minister van Binnenlandse Zaken, haar het staatsburgerschap. Hij liet al haar bezittingen in Athene in beslag nemen. Mercouri reageerde: ‘Ik ben Grieks geboren en zal altijd Grieks blijven, Pattakos is fascist geboren en zal altijd fascist blijven.’

 

 De componist Mikis Theodorakis, communist en in 1964 beroemd geworden door de muziek van de film Zorba de Griek, beleefde drie jaar lang de gevangenissen en het huisarrest van de kolonels. In 1970 lieten die hem onder internationale druk in ballingschap vertrekken.

 

 Koning Konstantinos bezorgde het regime op 21 april 1967 na enig aarzelen zijn goedkeuring. Zijn biechtvader gaf Papadopoulos namens de kerk de zegen, waarvoor die hem beloonde met een benoeming tot aartsbisschop. Het regime zou de vorst nadien vooral negeren. De koning organiseerde daarom een tegen-staatsgreep in Thessaloniki op 13 december 1967, die echter deerlijk mislukte. Konstantinos en zijn familie vlogen daags nadien naar Rome. Hij zou nooit meer terugkeren.

 

 Washington had initieel aarzelend gereageerd op de coup. Maar toen zes weken later Griekenland als luchtsteunpunt onontbeerlijk werd voor de eventuele hulp aan Israël in de Zesdaagse Oorlog (van 5 tot 10 juni 1967), gingen de VS het regime steunen. Pogingen van Europese leden om Griekenland uit de Navo te gooien, botsten op een Brits en Amerikaans veto. Onder druk van Nederland en de Scandinavische landen trad Athene eind 1967 wel uit de Raad van Europa. De Europese Commissie schortte voor 1968 haar financiële hulp op.

 

  Investeerders en toeristen keerden na de initiële verbazing dra weer. Economisch ging het de kolonels voor de wind, zolang ook elders in Europa de hoogconjunctuur aanhield. Mentaal draaide het regime de klok helemaal terug. Het zuiverde universiteiten en scholen van te vernieuwende professoren en leraren. De minirok en het Beatles-kapsel (haargroei bij mannen die ook het bovenste stuk van de oren bedekt) waren voortaan verboden.

 

Portugal

 

 Die verstikkende sfeer van dorpscultuur van anno 1900 kenden de Portugezen al veel langer. In 1926 had een militaire staatsgreep een einde gemaakt aan de chaotische jaren van de eerste republiek na de val van de monarchie in 1910. Maar ook de militairen kregen geen stabiliteit in het zes miljoen inwoners tellende straatarme land.

 

 In 1928 dreigde het bankroet. De nieuwe president, een generaal, bood daarop de 39-jarige Antonio de Oliveira Salazar de portefeuille van Financiën aan. Dat was een professor in de economie aan de universiteit van Coimbra. Hij was de zoon van een kleine landeigenaar uit de streek die dankzij een studiebeurs rechten had kunnen studeren. Salazar had schitterende resultaten behaald die hem de benoeming aan de universiteit opleverden. De professor was diep katholiek, conservatief en ascetisch.

 

 Hij vroeg volmachten voor hij zijn benoeming aanvaardde. Daarna saneerde hij de financiën, werd hij populair. Hij promoveerde in 1932 tot premier.  Salazar zou die functie 36 jaar blijven uitoefenen, altijd in cumul met Financiën, vaak ook met andere portefeuilles. Hij dwong Portugal, zich beroepend op pauselijke encyclieken, een eenpartijstaat op, de Estado Novo, een autoritaire versie van reactionair katholicisme.

 

 De ultieme verzekering daarachter was een versterkte politie, die genadeloos optrad tegen politieke tegenstanders. In alles was dit de dictatuur van één man, die allen die hem gekend hebben als een briljante conservatief omschrijven. Salazar was er op uit de in zijn ogen vele kwalen van de moderne wereld uit Portugal te houden. Daartoe rekende hij het ongebreideld kapitalisme, het communisme, maar ook het in zijn ogen te volkse fascisme. Geleerd uit de politiek chaotische jaren van zijn jeugd wou hij vooral depolitiseren.

 

 Met het wijzigen van de achterhaalde maatschappelijke structuren van een arm en achterlijk land was hij niet gehaast, ook al loodste hij het in de Navo, de OESO, en de Europese Vrijhandelsorganisatie EFTA. Hij heeft zich zo lang kunnen handhaven, omdat hij stabiliteit bracht en niemand hem ooit van enige corruptie of verrijking heeft kunnen beschuldigen. Het maakt dat hij ook vandaag nog een vrij goede reputatie geniet in zijn land.

 

 Eén van de dingen die Salazar onveranderd wou houden was Portugals nog aanzienlijk koloniaal imperium, ook toen de dekolonisatie ca 1960 wereldwijd in een stroomversnelling trad. Het onafhankelijke India veroverde eind 1961 in twee dagen de 451 jaar oude Portugese kolonie Goa, ten koste van vijftig doden. De eerste minister zette van dan af volop in op de militarisering van de andere kolonies – Angola, Mozambique, Guinée-Bissau. De prijs bestond uit steeds hogere defensie-uitgaven en langere dienstplicht voor de slecht betaalde rekruten en soldaten.

 

 Toen Salazar in augustus 1968 getroffen werd door een beroerte – hij was toen 79 en zou twee jaar later sterven – volgde Marcelo Caetano hem op. Dat was de 62-jarige rector van de universiteit van Lissabon. Die had in de jaren veertig en vijftig een tijdlang als tweede man van het regime gegolden. Hij deed zijn best wat kleine openingen te creëren, maar het was allemaal te laat. De wereld kwam eind de jaren zestig nog veel meer in beweging dan voorheen. De herinnering aan de politieke chaos van veertig jaar eerder was als motief voor een verstikkende stabiliteit en een politiestaat al lang vervlogen.

 

Spanje

 

 Spanje, dat zo’n 25 miljoen inwoners telde in 1936, was een ander verhaal, veel bloediger ook. Als grootmacht was het in verval sinds de dynastie van de Austrias (met onze Karel V en Filips II) tussen 1520 en 1630 de economische opbloei van Castilië en zijn nieuwe kolonies opgesoupeerd had in eindeloze oorlogen elders op het continent.  Wat overbleef van zijn koloniaal rijk verloor het in een kort conflict met de Verenigde Staten om Cuba en de Filippijnen in april 1898. Daarin schoten de Yankees zowat de hele Spaanse vloot naar de haaien.

 

 Zoals Portugal en Griekenland was Spanje nauwelijks beroerd door de Industriële Revolutie. De nog steeds machtige kasten van het Ancien Régime en het uitgebuite volk stonden er tegenover elkaar, met daartussen een uitermate bescheiden middenklasse.  Bij het volk domineerden de boeren en landarbeiders. De kleine concentraties aan arbeiders in onder meer Barcelona, Baskenland en vooral de mijnen van Asturië zochten soelaas in de armen van de meest radicale socialisten.

 

 Het culmineerde, zoals in Portugal, in politieke chaos in de jaren twintig en dertig, vaak gepaard gaande met explosies van geweld. Er kwam, tussen 1923 en 1930, een eerste rechtse dictatuur tot stand, onder generaal Miguel Primo de Rivera. Na de val van de monarchie in 1931 en vijf nieuwe chaotische jaren begon op 17 juli 1936 een staatsgreep van een groot deel van het leger. Daar zette zich na enkele maanden de amper 44-jarige generaal Francisco Franco (foto) als leider door.

 

 Franco was de tweede zoon uit een familie van marine-officieren in El Ferrol, in het uiterste noordwesten van Galicië. De klap van 1898 dwong hem een voorgeprogrammeerde carrière bij de marine in te ruilen voor het landleger. Hij zou dra opvallen, als organisator en strijder, in de oorlog die Spanje vanaf 1909 aanging om de controle van het tot dan onverkende Rifgebergte in Noord-Marokko. In 1916 liet hij bijna het leven, toen een schot hem in de lever trof, maar hij herstelde. In 1926, 34 jaar oud, promoveerde hij tot de jongste generaal ooit van het Spaanse leger.

 

 Franco had op verre na niet het intellect van Salazar. Zijn kleine gestalte (1m64), zijn falsetto-stem, zijn kepietje van de koloniale strijdkrachten, zijn snorretje, zijn te hoge laarzen en dra ook een zekere corpulentie maakten hem tot geliefkoosd doelwit van karikaturisten. Maar hij had een ijzeren zelfdiscipline en buiten de oorlog een voorzichtige en wantrouwige natuur,

 

 Beide waren gekneed door een vereerde, gedecideerde en strenge moeder, die de vele slippertjes van haar man stoïcijns negeerde.  De kleine jonge Franco was vooral verschroeiend ambitieus, en goed in zelfpromotie. Zijn echtgenote vanaf 1923, de dochter van een vooraanstaande advocaat in Oviedo, zou hem in beide trekken nog aanmoedigen.

 

 Als generaal werd hij in oktober 1934 de verantwoordelijke voor het bloedig neerslaan van een opstand van de woelige mijnwerkers in Asturië. Hij liet daar ongeveer 1500 doden achter. Hij was meteen bekend, net als zijn conservatieve voorkeuren voor kerk, leger en monarchie. Zo geraakte Franco, toen begin 1936 het geweld in het land overal uit de hand liep, betrokken bij de samenzweerders die het hele leger wilden inzetten om een einde te maken aan de chaotische democratie van de vijf jaar oude Tweede Republiek.

 

 Van in de eerste dagen van de staatsgreep van juli 1936 was het militair overwicht van het leger duidelijk. Dat werd later nog versterkt door de forse steun – onder meer met vliegtuigen - vanwege Mussolini’s Italië en Hitlers Duitsland. Daartegenover kregen de sowieso al verdeelde Republikeinen enkel wat hulp van 15.000 buitenlandse vrijwilligers en wat wapens van Stalin, die de Republiek zijn totalitaire praktijken oplegde. Toch duurde het nog bijna drie jaar eer de burgeroorlog, na de val van Madrid en Barcelona begin van dat jaar, bezegeld werd met het zegecommuniqué van generallissimo Franco op 1 april 1939.

 

 Er waren toen een half miljoen mensen gesneuveld, waarvan slechts de helft op het slagveld. Nog eens zoveel Spanjaarden vluchtten het land uit. Bovenal werd de Spaanse Burgeroorlog bekend om zijn systematische gruwelpraktijken. Daarvan was het door Picasso vereeuwigde brutale Duitse bombardement op het Baskische Guernica (26 april 1937, een duizendtal doden) nog een kleintje. Gedurende drie jaar maakte geen van de strijdende partijen krijgsgevangenen. Aan de terechtstelling van grote groepen tegenstanders gingen vaak de meest perfide en sadistische voorbereidingen vooraf, versterkt door het overmatig gebruik van drank.

 

Opus Dei

 

 Na Franco’s triomf in de Paasweek van 1939 liet het regime nog minstens 50.000 al dan niet vermeende tegenstanders genadeloos executeren. Graaf Ciano, Mussolini’s minister van Buitenlandse Zaken, schatte tijdens een bezoek in juli 1939 het aantal terechtstellingen per dag op 250 in Madrid en 150 in Barcelona.

 

 Officieel gebeurde dat allemaal na veroordeling door het gerecht, maar gezien de aantallen laat zich raden hoe. Zelfs SS-baas Heinrich Himmler, op bezoek in Madrid in 1940, signaleerde Franco zijn verbazing over zoveel brutaliteit. Hij suggereerde dat de gevangenen nuttiger konden zijn als uitgebuite arbeidskrachten bij de wederopbouw.

 

  Spanje begon aan een ijstijd van twintig jaar, met een totalitair en repressief regime rond Franco, dat internationaal geïsoleerd stond. Intern herstelde het zowat het Ancien Regime en bestuurde het een hongerend en straatarm land. Emigratie – vooral naar Latijns-Amerika – vormde er het beste perspectief.


 Om en bij de 200.000 Spanjaarden zouden in de jaren veertig aan honger zijn gestorven. Willy Vandersteen vertelde in zijn Suske en Wiske-verhaal over De Stierentemmer in 1950 nog hoe de primitieve wegen in de Spaanse bergen geteisterd werden door roversbenden.

 

 Pas aan het einde van de jaren vijftig doorbrak Washington dat isolement, in ruil voor drie luchtmachtbasissen en één voor de Navy. Franco zelf, dan al de 65 voorbij, begon het dagelijks regeren steeds meer over te laten aan conservatieve technocraten, die geschoold waren in Opus Dei.

 

 Dat was een elitair katholiek diep-conservatief genootschap, ontstaan in Spanje in 1928 en erkend door het Vaticaan in 1950. Vanwege zijn regels van geheimhouding noemden de rivaliserende jezuïeten – op wiens vroegere aanpak het Opus geïnspireerd was – de organisatie smalend ‘een vorm van christelijke vrijmetselarij.’

 

 Onder hun impuls werd Spanje rijp gemaakt voor binnen- en buitenlandse investeringen, in een industrie met goedkope arbeidskrachten en met het toerisme als speerpuntsector. Tegen het eind van de jaren zestig werd het zelfs mogelijk bikini's te gedogen op de stranden. Spanje schakelde zich ook geleidelijk in de internationale handel in, met zelfs een eerste, afgewezen verzoek tot lidmaatschap van de EEG in 1962.

 

 Vooral in de noordelijke kustgebieden en Catalonië drong zo dan toch de twintigste eeuw binnen, via een stroom van buitenlandse bezoekers. Zelfs vele van de conservatieve technocraten van het regime begonnen aan het eind van de jaren zestig te vermoeden dat de aanpak van de bejaarde generallissimo stilaan zijn tijd gehad had.

 

 (Deel II, over de Anjerrevolutie in Portugal, volgt op 25 april. In de zomer zullen we ook aandacht besteden aan de val van de Griekse kolonels)

 


Wijsheden van Woeste

`1 april 2024


 Eind 1921, enkele maanden voor zijn dood, schreef de 85-jarige katholieke conservatieve Belgische politicus Charles Woeste de laatste hoofstukken van zijn omvangrijke memoires. Daar staan ook passages in over het verval van de politiek. Die klinken 103 jaar later nog altijd alsof ze vandaag geschreven werden. En ook elders in die vergeten tekst kan men wijze lessen over politiek en samenleving vinden.

 

 Charles Woeste (foto: de cover van Le Patriotte Illustré bij zijn dood in april 1922) kennen we – voor zover we hem nog kennen – als de oerconservatieve politicus en tegenstander van Pieter en priester Daens, in beide meesterwerken: het boek van Louis Paul Boon en de verfilming daarvan door Stijn Coninx (waar Studio 100 dan nog een succesrijke musical van heeft gemaakt). Coninx deed hem overigens grotendeels recht door Woeste ook als een geslepen en sluwe intrigant op te voeren met een heel groot netwerk dat hij handig voor zijn eigen belangen kon inzetten, tot de paus in Rome toe.

 

 Woeste was echter niet voor niets de politicus die de Belgische politieke scene van 1884 tot 1914 domineerde. In elk parlement is het grootste plezier voor een verslaggever de (schaarse) toespraken te beluisteren van sprekers die met goede dossierkennis, ijzeren logica en retorisch talent een onzeker debat een andere richting kunnen uitsturen. Als je zijn interventies in de Kamer vandaag erop naleest – en vooral het vervolg van de debatten nadien – is het duidelijk dat Woeste ook zo iemand was.

 

 Zijn memoires, drie delen dik, getuigen daar eveneens van. Woeste was een begenadigd schrijver en polemist, hield zich heel zijn leven lang bezig met het uitgeven en vullen van de vele tijdschriften met lange artikels waarvoor de mensen toen nog de tijd vonden om die te lezen. Zijn memoires leveren het getuigenis van een ijdel man, maar ook van een scherpzinnig analyst en van een politiek strateeg, die heel goed wist wanneer hij in de contramine moest gaan en wanneer hij zich moest inhouden. Zijn portretten van mede- en tegenstanders zijn even genadeloos als realistisch.


Graaf

 

 Woeste was de zoon van een Duitse immigrant die als protestant Brussel boven het Rijnland had verkozen. Zijn moeder was Belgisch en katholiek. Gezette burgers, zeg maar, die hun zoon naar het atheneum van Brussel stuurden, en naar de universiteit van Brussel, om er advocaat te worden. Edmond Picard was een medestudent. Woeste bekeerde zich op zijn 15de tot het katholicisme en zette zich van dan af in als verdediger van kerk en hiërarchie, zonder daarom ultramontaan te worden, dus in de beste traditie van het vrij liberaal Belgisch katholicisme.

 

 Hij werd een succesvol zakenadvocaat en pleiter bij Cassatie. Sinds 1874 wasvolksvertegenwoordiger voor Aalst, wat hij 48 jaar zou blijven. Zijn ministerschap was kort, vier maanden in 1884, omdat Leopold II de katholieke regering als te radicaal ontsloeg na wat liberale rellen in Brussel. De koning had de liberale oppositie nodig om zijn benoeming tot koning van Congo-Vrijstaat goed te keuren.

 

 Woeste, 47 op dat moment, revancheerde zich door organisatie in de katholieke rangen te brengen, zodat de fractie wat beter de koninlijke invloed kon inperken als die inging tegen de belangen van de achterban. Maar vanaf het midden van de jaren negentig werd hij de vertrouwensman van de even conservatieve Leopold II, die hij ook in diens Congolese avonturen en schandalen afdekte tegen August Beernaert.

 

 Beernaert, een veel meer wereldse en modern denkende heer als Woeste en een even succesvol advocaat, was de regeringsleider geweest van 1884 tot 1894. Hij had toen de koning aan zijn Congo geholpen, maar begreep na 1900 dat die toestand onhoudbaar werd, toen de internationale kritiek losbarstte. Beernaert zou ook de meer progressieve christendemocraten onder de katholieken steunen, omdat die de partij een toekomst konden verzekeren onder het algemeen stemrecht.

 

 De eeuwige rivaliteit tussen de partijgenoten Woeste en Beernaert is één van de meest legendarische uit de Belgische politieke geschiedenis. Woeste werd door Leopold II beloond met de titel van graaf, een eer die de vorst Beernaert duidelijk niet gunde. Die won wel de Nobelprijs voor de Vrede voor zijn werk inzake bemiddelingstechnieken tijdens de Vredesconferenties van Den Haag anno 1900. Beernaert overleed in 1912.


Kalevoet

 

 Charles Woeste huwde op zijn 29ste met Marie-Louise Greindl, de dochter van een Brusselse generaal en vrijmetselaar, die na een kortstondig ministerschap op Oorlog in de laatste unionistische regering van Pierre de Decker (1855-57) door koning Leopold I tot baron was gemaakt. Het echtpaar kreeg zeven kinderen. 


 Ze woonden in de winter in de Napelsstraat 19 in Elsene, in een burgerhuis met koetsportiek dat er nog staat, wat vervallen en met een versleten gedenkplaat die aan Woeste herinnert. Dat huis ligt vlak achter de (kleine) ring, op twintig minuten wandelen van zowel het Justitiepaleis als het Parlement. In de zomer verbleven de familie Woeste  in een klein kasteeltje met een groot domein in het zuiden van Ukkel, wat nu het Brussels natuurdomein Kinsendael is, niet zo ver van het station van Kalevoet.


 De eerste twee delen van zijn memoires, die vijf en tien jaar na zijn dood verschenen, zijn dikke volumes die over de hele periode tussen 1870 en 1914 handelen. Ze zijn onmisbare lectuur voor wie de politieke geschiedenis van die tijd wil begrijpen. In 1937 verscheen een laatste en veel korter deel, over de jaren 1914-1921. De hoofdstukken daarvan zijn apart geschreven, telkens weer als aanvulling, en met vermoedelijk telkens in het achterhoofd dat dit zijn laatste tekst kon zijn. Hij kon het schrijven duidelijk niet laten. De laatste bladzijden gaan over december 1921. Woeste stierf op 5 april 1922, beloken Pasen, 85 jaar oud.

 

 Hij gold natuurlijk in de revolutionaire tijden van het einde van de Eerste Wereldoorlog helemaal als dépassé. De nieuwe koning Albert, die komaf wou maken met de al dertig jaar oude politieke dominantie van Woestes katholieken voor 1914, raadpleegde hem niet eens toen hij op het kasteel van Loppem bij Brugge tussen 13 en 15 november een driepartijenregering samenstelde. Daarin duidde de vorst zelf nieuwe leiders voor de katholieken aan en legde hij het algemeen enkelvoudig stemrecht op zonder de noodzakelijke grrondwetsherziening.

 

 Woeste zou nog een paar keer in de Kamer wat scherpe salvo’s afvuren op de zo ontstane regering. Maar ook uit zijn memoires blijkt dat hij doorgaans op compromissen aanstuurde met wat hij overduidelijk als de nieuwe realiteit beschouwde. Hij was nooit het type geweest dat een oorlog startte die hij niet kon winnen. Inmiddels de tachtig voorbij, kon of wou hij duidelijk ook niet meer de arena in, waarin hij zolang een echte vedette was geweest.


Staatsfinanciën

 

 Toch willen we uit zijn laatste memoires drie passages aanhalen, die veel minder op politieke feiten uit die laatste jaren slaan, dan wel met zijn gebruikelijke scherpte zijn geschreven en nog vandaag actueel klinken. In het eerste fragment, uit het jaar 1920, beschreef Woeste de in zijn ogen chaotische aanpak die gegroeid was in het beheer van de staatszaken, door het ontstaan van coalitieregeringen:

 

 Terwijl de politieke agenda beheerst werd door de grondwetsherziening, diende de regering een overvloedig aantal wetsontwerpen in. Het Parlement kreeg amper de tijd ze te lezen. Vele ervan werden in zekere zin met de ogen dicht goedgekeurd. Daarbij wil ik speciaal de nieuwe wetten op de huur vermelden… Daarin stonden de eigenaars en de huurders tegenover elkaar. De socialisten wilden de huurders bevoordelen. Maar ze waren tegelijkertijd op hun hoede voor de kleine eigenaars. Om aan alle belangen iets te geven werden we verplicht allerlei incoherente bepalingen goed te keuren.

 

 Een ruime plaats in de parlementaire debatten kregen ook de wetten op de lastenverhogingen. Eerste minister Leon Delacroix had eigenlijk onmiddellijk bij zijn aantreden het land moeten waarschuwen dat besparingen noodzakelijk waren, omdat er in de Financiën van de Staat geen enkele ruimte meer was voor vrijgevigheid. Niets daarvan echter.

 

 Ongetwijfeld heeft hij op een vage manier zijn collega’s verwittigd dat men maat moest houden in de uitgaven. Maar van alle kanten eiste men schrikwekkende verhogingen van de lonen. Er vond in dat verband een constante wedijver plaats waarbij de verwachtingen in buitengewone proporties werden overtroffen. En eens men de eerste toegevingen had gedaan, dacht men niet de nieuwe te kunnen ontwijken, die zich elke dag aandienden.

 

 De leden van de Kamers gaven het slechte voorbeeld. Ze keurden voor zichzelf een jaarlijkse vergoeding van 12.000 frank goed, waartegen ik heb geprotesteerd en gestemd. De ministers hadden het voorbeeld gegeven door zichzelf 30.000 frank toe te kennen, met bovenop 9000 frank representatiekosten en een dure automobiel, allemaal bovenop de parlementaire vergoeding overigens.

 

 Uiteindelijk kwam premier Delacroix toch met een ‘budget in evenwicht’ op de proppen. Het bleek een fictie. Want enkele weken later al verklaarde de nieuwe minister van Oorlog, Janson, dat de regering tegen 31 december 4 miljard frank moest vinden om de uitgaven te dekken, en dat ze die niet had.

 

 Delacroix greep dan maar naar nieuwe belastingwetten. Maar hij ondervond de grootste moeilijkheden om de nieuwe wetgeving op de inkomsten uit te werken. Die wet was, zogezegd omdat ze urgent was, heel snel gestemd geweest aan het einde van de parlementaire zittijd van 1919. Maar de regering begreep snel dat, zoals ze was opgesteld en goedgekeurd, ze nauwelijks in de praktijk te brengen was. Ze diende dan maar een aanvullende wet in en liet die stemmen, niet zonder dat er weerstanden ontstonden. En toen de uitvoeringsbesluiten moesten worden opgesteld, rezen nieuwe moeilijkheden …

 

Massawraak


 Een herkenbaar verhaal, toch? Ook al is het ruim een eeuw oud. Heel interessant is ook de passage waarbij Woeste de sfeer beschreef onmiddellijk na het einde van de oorlog, in de winter van 1918-19 en hoe ook de magistratuur en de volksvertegenwoordigers onder druk stonden van wraakgevoelens bij de bevolking. Hij gaf, aan het einde, ook toe dat hij en zijn collega’s daarin niet erg dapper waren

 

 Er vonden vele debatten plaats over de vervolgingen die men al dan niet moest instellen of energiek moest steunen tegen diegenen die, terecht of ten onrechte, ervan beschuldigd werden zwak te zijn geweest tegenover de vijand. Daarbij verwaarloosde men compleet de moeilijke positie waarin een massa Belgen had gestaan in de vier jaar dat zij op het grondgebied van het (bezette) vaderland waren gebleven.

 

 De plotse bevrijding, de schittering van de overwinning, het terugtrekken van de vijand, veel sneller vanaf oktober dan men had durven verhopen, bracht vele hoofden op hol. Enkele radicalen lieten zich opvallen als de meest opgenaaide en gewelddadige lui. Ze eisten straffen. En zo gebeurde het dat, waar men tijdens de oorlog het patriottisme van alle Belgen had uitgedragen, men nu enkel nog sprak over het zo breed als mogelijk openen van de gevangenispoorten, en over een regen aan straffen.

 

 Men beschuldigde de parketten en de rechters. Men verweet hen te zacht te zijn. En het is door die beschuldigingen dat het aantal processen met verraad als aanklacht snel toenam. Natuurlijk moesten er voorbeelden gesteld worden. Maar als men alle omstandigheden in rekening zou hebben gebracht, zou men vermoedelijk wat voorzichtiger zijn geweest. Represailles maken slachtoffers. En als je ze niet op tijd stopt, creëer je reacties.

 

 Het is inderdaad onder de invloed van die epidemie van beschuldigingen, dat men aan de Kamer de toestemming vroeg om één van haar leden te vervolgen, aan wie men verweet cement aan de Duitsers te hebben geleverd. Ik onderzocht zijn dossier, en mijn vrienden en ik kwamen tot het besluit dat men geen schuld bij hem kon vinden. Desondanks, en na behoorlijk wat aarzelingen, besloten we toch vervolging toe te laten, ook al lieten we in ons rapport duidelijk blijken dat we ze afkeurden.

 

Magistratuur


  Woeste werd overigens zelf in die verhitte sfeer beschuldigd van collusie met de bezetter. Hij was ook in het bezette land gebleven en had een paar keer als bemiddelaar opgetreden tussen Belgische en Duitse autoriteiten. Zo vond hij onder meer dat de staking van Justitie die in februari 1918 begon nadat de bezetter drie hoge magistraten had laten deporteren niet hoefde te blijven duren.

 

 Hij probeerde te bemiddelen, en wilde, gezien de machtsverhoudingen, de protesterende magistratuur van Cassatie ertoe aan te zetten wat minder scherpe taal te gebruiken in een besluit dat ze had genomen, zonder daarom haar principieel protest te laten vallen. Waarna deze geraffineerde beschrijving volgde vanwege een geroutineerd advocaat over het functioneren van de magistratuur:

 

 Ik ging hierover overleggen met mijnheer Van Iseghem, Kamervoorzitter in het Hof van Cassatie, aan wie het auteurschap van het besluit van dit Hof werd toegeschreven. Hij had in die tekst duidelijk alle kwaliteiten van de jurist gelegd, eerder dan die van de staatsman. Maar ik kon hem niet overtuigen. Hij was er zeker van dat hij een onwrikbare tekst had opgesteld.

 

 Hij voegde daaraan toe dat iedereen hem gelijk gaf. Ik probeerde hem te corrigeren. Maar dat lukte niet. Finaal zei ik hem dat hij ‘toch een slechte pers had’, en dat dat gevoel enkel zou groeien. Wat ik zeker wist was dat nogal wat magistraten in hun gesprekken betreurden dat men niet beter gemaneuvreerd had naar een zekere verstandhouding toe.

 

 Ach, het is altijd moeilijk om mensen terug te halen die zich inbeelden dat ze een meesterwerk hebben afgeleverd. En misschien is het ook wel zo dat diegenen die eigenlijk hun onvrede lieten blijken over de onverzoenlijkheid bij sommige leden van het Hof van Cassatie, dat tegenover henzelf ook niet openlijk durfden of wilden zeggen. Burgermoed is nu eenmaal zo’n zeldzaam iets. 


 Niemand vroeg overigens aan de magistratuur om niet langer haar onafhankelijkheid te benadrukken en op te komen voor die rechtvaardige zaak. We hadden alleen gewenst dat ze het bereiken van een akkoord dat op dat moment wenselijk was voor wezenlijke Belgische belangen, niet extra had bemoeilijkt.


Het oude keizerlijke paleis (Schloss) in hartje Berlijn, helemaal afgebroken in 1950 en in 2020 helemaal in zijn oude glorie hersteld.

De verkiezingsaffiche van de katholieke Zentrumpartei van Heinrich Brüning in 1932. Blijkbaar geloofden de partijstrategen dat dit kon aanslaan.

Terug naar Berlijn (3, slot)

  

23 maart 2024

 

 Berlijn etaleert vandaag meer dan ooit zijn geschiedenis. Ik ken geen stad waar je zoveel verwijzingen en uitlegborden over het verleden tegenkomt als de Duitse en voormalige Pruisische hoofdstad. Daarbij gaan de autoriteiten van het land de nazi-periode niet uit de weg, ze etaleren ze voluit, in wat bijwijlen zelfs een oefening in zelfkastijding lijkt te worden. Of is er ook een zekere fascinatie?

 

 Ze hebben het dan toch gedaan: het hele Berliner Schloss heropbouwen, aan het oostelijk uiteinde van Unter den Linden. Dat was het oude keizerlijk paleis, met zijn beroemd balkon. Van op die plek riep keizer Wilhelm II op 1 augustus 1914 uit Ich kenne keine Parteien mehr, nur noch Deutsche. Vier jaar later riep Karl Liebknecht, de leider van de linkervleugel van de sociaaldemocraten, vanop hetzelfde balkon de socialistische republiek Duitsland uit.

 

 Het oude paleis was geleidelijk gegroeid, sinds de eerste hertogen – tegelijk keurvorsten – van Brandenburg in het midden van de vijftiende eeuw daar een residentie bouwden, in het nog piepkleine stadje Berlijn. Het lege paleis werd zwaar gebombardeerd in de Tweede Wereldoorlog. De Oost-Duitse partijleider Ulbricht liet de restanten in 1950, als getuigen van een reactionair verleden, opblazen.

 

 Enkel het middenstuk met het balkon liet hij behouden, omdat dat door Liebknechts afkondiging communistische heilige grond was. Dat balkon staat er nog steeds, ingewerkt in de voorste wand van het gebouw uit de jaren 1950 van de Staatsrat, de zetel van de regering van de voormalige DDR. Dat staat vlak achter het hernieuwde Schloss, dat uiteraard een gelijkaardig middenstuk met balkon heeft. Een kopie van het origineel in de Staatsrat dus. (zie foto hierboven, met het Schloss en rechts erachter de Staatsrat) Berlijn is soms wel heel speciaal.

 

 Waar geen spoor meer van te bekennen is, tenzij op een kleine pancarte in een hoekje, is van het Palast der Republik, dat DDR-leider Erich Honecker in de jaren zeventig liet bouwen op de plek van het Schloss. Dat was een fraai modernistisch gebouw met heel veel ramen. En omdat er altijd licht brandde, noemde de bevolking dat ‘Eriks lampenwinkel’.

 

 Het Palast is in 2009 afgebroken, en vrij snel nadien is begonnen met de complete heropbouw van het Schloss. Het geld kwam er via fundraising onder de bevolking, de Duitse bedrijven en de vele Duitse overheden, een formule die eerder ook al de Frauenkirche in Dresden en het oude stadscentrum van Frankfurt had doen herrijzen. Als je wil leren hoe je oude vernielde stadscentra in ere herstelt, moet je ten oosten van de Elbe zijn, in Warschau zeker, tot in Kiev zelfs.

 

 Ik was wat sceptisch over die plannen voor het niet zo fraaie Schloss, maar het mag gezien worden. Het is af sedert 2020. Het hoort wel bij de andere historische gebouwen in de omgeving. Een wand – de oostkant – en de hele binnenbouw zijn op moderne leest geschoeid. Het zogenaamde Humboldt-forum huist er, met wetenschappelijke centra, ruimte voor kunstenaars, en dergelijke.

 

 Zo heeft ook deze hoek van Berlijn zijn overvloed aan historische gebouwen. Tegenover het balkon van het Schloss staat de Berliner Dom, de voormalige keizerlijke hofkerk met het graf van de allereerste Pruisische koning (dat was de hertog van Brandenburg, die anno 1700 door de Weense Habsburger-keizer bevorderd werd omdat hij met koning-stadhouder Willem III van Engeland en de Nederlandse Republiek Lodewijk de Veertiende had bestreden op de slagvelden van onder meer het latere België). Wat verder staan de musea van het eiland in de Spree dat Museuminsel heet.

 

Bastion

 

 Direct achter het Schloss staat het gebouw van de DDR-Staatsrat, met zijn balkon, en daarnaast dan weer de grote nieuwbouw van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Dat reikt zelf tot diep in een ouder gebouw daarachter. Dat is de oude Reichsbank van Hjalmar Schacht, de legendarische centrale bankier die in 1923 de Grote Inflatie temde en tien jaar later Hitlers oorlogsplannen hielp financieren.

 

  In DDR-tijden was dat het gebouw van het Centraal Comité van de communistische partij. Het is daar dat de kortstondige opvolger van Honecker, Egon Krenz, in de late namiddag van donderdag 9 november 1989 een papiertje doorgaf aan zijn media-verantwoordelijke, Gunther Schabowski. Die diepte het iets voor zeven aan het einde van een slaapverwekkende persconferentie op en gaf een heel verwarrende uitleg over de opening van de grens tussen beide Duitslanden ab sofort.

 

 De DDR krijgt flink wat aandacht in de wandelingen in de stad. Er is nu zelfs een heus DDR-museum (vlakbij het Schloss) dat je wil embedden in de sfeer van veertig jaar communisme, met veel audiovisueel materiaal en allerlei bewaarde trivalia. Daarnaast zijn er her en der bewaarde stukjes Muur, de al vermelde glasramen van Honecker, het Stasi-museum en uitleg aan de meeste van de voormalige grensovergangen.

 

 Niet aan de Glienicker Brücke, de uitwisselplaats voor spionnen in het hoge noorden van de stad, ondanks Spielbergs film Bridge of Spies van tien jaar geleden. Wel heel fraai aan de Bornholmer Strasse, een kilometer of wat ten noordwesten van de Hauptbahnhof. Daar vond in de nacht van 9 op 10 november 1989 tussen tien en elf de eerste grensopening plaats, onder druk van de massa aan deze grensovergang voor louter Duitsers.

 

 Voor mij was het ditmaal de eerste keer dat ik deze plek bezocht, gezien ik in 1989 via Checkpoint Charlie – de internationale grensovergang – naar West-Berlijn moest en terug (en later via het station Friedrichstrasse). Wat men er vandaag vooral toont is hoe de DDR-autoriteiten hemel en aarde bewogen om met alle mogelijke infrastructuurwerken elke ontsnapping via de grens onmogelijk te maken.

 

 Dat gebeurde op een plek die via een brug over treinsporen naar West-Berlijn leidde en uitermate ongeschikt was om af te sluiten. Helemaal ontwapenend is een zwart-wit foto uit de jaren vijftig die de brug toont richting West, met ‘DDR’ op het asfalt geschilderd, gesloten slagbomen en bovenaan vooral de slogan: DDR-die Bastion des Friedens in Deutschland. (zie de foto op de front van mijn website) Leuk om weten voor al diegenen die ten allen prijze dat helse bastion wilden verlaten en de kogel risceerden.

 

Kever

 

 Waar je niet aan ontkomt is dat Berlijn de hoofdstad van de nazi’s was. Hitler, Himmler, Göring mogen dan al van Beieren gekomen zijn, en Goebbels uit Mönchengladbach, Berlijn wil niemand eraan laten twijfelen dat alle kwaad van het Evil Empire destijds vanuit zijn stadsmuren is gesticht.

 

 Vijfentwintig jaar geleden, bij de verhuis vanuit Bonn, is nog lang gediscussieerd of het ministerie van Financiën wel zijn intrek zou nemen aan de Wilhelmstrasse, in het enige icoon van nazi-architectuur dat intact is gebleven: het Luftwaffeministerium dat Göring liet bouwen. Vandaag zitten de ambtenaren van Financiën er bijna allemaal in. (zie foto op de front van mijn website: je ziet er de tentoonstelling Topographie des Terrors vooraan, daarachter de Muur, en daarachter het ministerie. Links boven zie je ook nog het oude gebouw van het Pruisisch (machteloos) parlement van tussen 1848 en 1933, waar tegenwoordig het parlement van de deelstaat Berlijn huist)

 

 Het is vanuit dat ministerie van Financiën dat onder leiding van de eind vorig jaar overleden Wolfgang Schäuble de Grieken bijna doodgewurgd zijn tijdens de eurocrisis tussen 2010 en 2015.  Vandaag staat er vlak naast de ingang een uitlegpaal voor toeristen, fotootje van de dikke Reichsmarschall, Luftwaffeminister und Preusische Ministerpresident Hermann Göring (de nazi’s wisten ook wat cumul was en wat dat opbracht) inbegrepen.

 

 Idem dito aan het eind van het straatje In den Ministergärten, op een paar tientallen meter van het Holocaust-monument. Vijftien jaar geleden moesten insiders je daar vertellen dat het kleine ophopinkje op de parking achter de appartementen uit de DDR-tijd – waar Krenz en andere bonzen nog verbleven – het enige overblijfsel was van de Führerbunker, die uit de film Der Untergang.

 

 Nu staat er een grote pancarte, met uitleg, en uitgeschreven fragmenten van die film (zie foto hiernaast). Een zwart-wit foto van een vergadering Duitse ministers onder Hitlers voorganger Heinrich Brüning in 1931 in een tuin, herinnert er aan dat de bunker in de tuin lag van de Kanselarij aan de Wilhelmstrasse, waar ooit  Bismarck huisde. En er passeert wel wat volk langs die simpele pancarte met haar  hedendaagse nietszeggende achtergrond van gewezen DDR-luxe-appartementen met parking.

 

 Zo wordt nu alles onder ogen gebracht. Op de voettocht vanaf de Hauptbahnhof naar Brandenburger Tor passeer je langs het nieuwe monument ter herdenking van de nazi-moord op een enkele honderdduizenden Sinti en Roma. Het veel spectaculairder Holocaust-monument dat Helmut Kohl liet bouwen op de plek waar de Muur werd afgebroken, is een paar honderd meter verder.

 

 Finaal eindig je aan de zuidkant van het Financiën-Luftwaffeministerium in de Niederkirchner Strasse: daar hebben ze een strook muur bewaard, en direct daarachter bevindt zich, in het inmiddels opgeruimde puin van het oude Gestapo-gebouw de openluchttentoonstelling over de nazi-misdaden: Topographie des Terrors. Die laatste is gegroeid uit een spontaan initiatief van historici en kunstenaars in de jaren tachtig.

 

 Er is nu een groot wit museum achterin gebouwd, dat verder ingaat op hetzelfde thema.Het drukt je met je neus op alles wat de nazi’s aan moord en vernieling hebben achtergelaten, in heel Europa, inbegrepen in Duitsland zelf. Tegelijk wordt uitgelegd hoe de nazi’s konden groeien en aan de macht komen, met veel visueel materiaal. Wie iets over de nazi’s wil zien, moet hier zijn.

 

 Ik heb er nu voor het eerst een verkiezingsaffiche gezien waarmee de katholieke Zentrumpartei van kanselier Heinrich Brüning in 1932 de Duitsers wou overtuigen niet voor de nazi’s te stemmen. Je moet geen communicatie-expert te zijn om te beseffen wat een miskleun dit was, het ziektesymptoom van een democratie die op dat moment eigenlijk al helemaal uitgeteerd was. (zie foto boven dit artikel)

  

Fascinatie


 Daarnaast is er een andere affiche, met de eerste Volkwagen Kever, en een prentkaart-gezin dat er naar opkijkt en gelokt wordt om zegeltjes te sparen, zodat die wagen haar bezit wordt. Of ook de spectaculaire beelden van tot in de puntjes georchestreerde nazi-bijeenkomsten, naast die van de Olympische Spelen van 1936 of van grote bedrijven die de modernste vliegtuigen produceerden.

 

 Ik begin, na al die jaren te begrijpen, waarom er van de nazi’s ook fascinatie kan uitgaan (zoals ook van Stalin in Rusland), wat men zeker in Hollywood goed beseft. Het is een tijd van immense emoties. Een radicale dictatuur kan met wat geluk in haar eerste jaren wonderlijk grensverleggend lijken.De nazi’s hadden dat geluk, zowel met de economie die zich herstelde, als met Hitlers oorlogsbluff waarop Londen en Parijs initieel geen antwoord hadden.

 

 Bovendien waren Hitler en de zijnen een generatie jonger dan die van Brüning, speelden ze met de nieuwe communicatiemethodes (radio, film, microfoons en luidsprekers, waarbij geld geen probleem was, want de industriëlen betaalden). Die 37,2 % van de stemmen in juli 1932 (tegenover 21,7 % voor de tweede grootste, de SPD) kwam niet uit de lucht vallen.  Hitlers eerste jaren oogden als een succesverhaal, en medio 1942 was hij nog voor vele Duitsers en zelfs daarbuiten de meest succesvolle Duitse leider ooit.

 

 De jodenvervolging, die pas in 1938 echt op gang kwam na een eerste mislukte poging in april 1933, liet de meesten koud en woog niet op bij de ‘verwezenlijkingen’ die men zag. De nazi-jaren ogen tenslotte ook als een ongewoon gecondenseerde periode van spectaculaire gebeurtenissen. 


 Natuurlijk zit daar allemaal een risico in, dat de Duitse historici – zeker die van Topgraphie des Terrors – ook allemaal beseffen en waar ze voor waarschuwen. Dat de fascinatie gaat omslaan in momenten van bewondering

 

 Je kan echter, in het besef van alle massamoord en totale vernieling die erop volgde, ook een andere les trekken. Het was niet zo abnormaal dat de Duitsers in 1932 de nazi’s democratisch aan de macht brachten. Zeer zeker had dat met vertwijfeling te maken in het donkerste uur van de economische crisis van de jaren dertig.

 

 Maar waarschijnlijk oogde het nazi-bod op de kiezer sowieso goed: eenvoudige en snelle oplossingen voor al lang aanslepende toestanden, een jong en dynamisch alternatief voor een wat versleten democratie. De mogelijke risico’s kende men, maar oogden verwaarloosbaar. 


 Dat betekent ook dat een dergelijke keuze vanuit een democratie niet noodzakelijk enkel in uitermate extreme omstandigheden kan gebeuren, eerder dat de kiezer erin tuint voor hij goed beseft wat er aan de hand is. Dergelijke dwaasheid kan ons dus weer sneller overkomen dan we pakweg een paar decennia geleden nog dachten, en van ons afwentelden.

 

 Die bijwijlen bijna fascinerende etalering van de nazi-tijd neem ik als voornaamste les mee uit mijn jongste Berlijn-bezoek, naast het verlies van het knusse en hyperdemocratische Bonn-gevoel rond de machthebbers in Duitsland. Het Berlijn van de Muur, de Bordurïe-sfeer van de DDR, de bruinkoolgeur, en de existentiële twijfels West, zijn nog slechts vervagende herinnering van een ouder wordende mens. Berlijn anno 2024 is een totaal andere stad, veel aangenamer gewoon, maar toch nog voor een groot stuk op zoek naar wat ze nu eigenlijk is en wil zijn.  


Terug naar Berlijn (2)


19 maart 2024

 

  Dit voorjaar is het net vijfentwintig jaar geleden dat de bondskanselier – toen de sociaal-democraat Gerhard Schröder – van Bonn naar Berlijn verhuisde. Het heette toen ronkend dat een nieuw tijdvak begon, dat van de Berliner Republik. Een kwarteeuw later breekt iedereen zijn hoofd over de vraag: maar wat heeft die verhuis nu exact aan Berlijn veranderd, en aan de Duitse regering zelf?

 

 Ik ben met de S-Bahn naar Berlin Hauptbahnhof getrokken. De S-Bahn, een net van vooral bovengronds rijdende stadstreinen die van in het begin op elektriciteit reden, was in de Koude Oorlog bezit gebleven van de Oost-Berlijnse autoriteiten. Daarom werd ze geboycot door die van West-Berlijn. Tot die in de jaren tachtig, in het kader van een beperkte détente, een akkoord sloten met de DDR over een fusie van het gedeelte van de oude S-Bahn in West-Berlijn met de plaatselijke metrobeheerder.

 

 Het eindstation in West-Berlijn was toen de Lehrter Bahnhof. Daarnaast stond ooit het kopstation van de Duitse spoorwegen met dezelfde naam, van waar de treinen naar Maagdenburg en Hannover vertrokken. Maar dat was aan het einde van de oorlog kapotgebombardeerd. De laatste resten waren in de jaren tachtig al opgeruimd.

 

 Het S-Bahn station was, achteraf bekeken, bijna het cliché van een plek uit de Koude Oorlog. Roest overal, met gebroken ramen, altijd tochtig in de winter. Het gammele treintje van de S-Bahn reed daar over ook al roestige sporen het station binnen naar perrons van verbrokkelend beton. De trein reed ook verder oostwaarts, maar het volgende station Friedrichstrasse, lag in Oost-Berlijn. Dus spoorden er sowieso al weinig West-Berlijners naar Lehrter Bahnhoff, en stapten ze bijna allen daar uit.

 

 De conducteurs wisselden daar: een Oostduitser nam over, en omgekeerd als het in de andere richting ging. Ginder, aan de overkant, wachtte de stringente grenscontrole van de DDR. Het is die lijn die ik het meest zou gebruiken in mijn tochten van Oost naar West en omgekeerd in de uren en dagen na de opening van de grens op 9 november 1989. Vanaf die vrijdagmorgen moest je telkens ruim een uur aanschuiven, zoveel volk was er.

 

Triomflaan

 

 Die Lehrter Bahnhof is nu definitief verdwenen. In de plaats is Berlin Hauptbahnhof gebouwd. Denk aan het Centraal Station van Antwerpen. Treinen rijden hier ook op minstens drie niveaus over elkaar. Het verschil met Antwerpen is dat het station tevens een kruispunt is: de grote lijn van West naar Oost – van Parijs naar Warschau zeg maar, en vroeger verder door naar Moskou  - kruist die van Noord naar Zuid, van Hamburg naar Rome.

 

 Het hele stationscomplex, dat vooral van glas is, is helder, levendig, vol winkeltjes (vooral eetgelegenheden) en drukte. En zodra je het grote voorplein betreedt, zie je Berlijn voor jou: rechts, achter de boog van de rivier de Spree het Bundeskanzleramt, (het beeld zoals op de foto) links de nieuwe Bondsdag en de oude Reichstag die vandaag ook Bondsdag heet. Het is een ronduit spectaculaire vista, goed gepland door de moderne urbanisten.

 

 Voor mij nog meer, omdat ik de plek nog heb gekend als halve ruïne en kaalgeslagen vlakte, grotendeels verlaten ook. De Muur liep daar, langs de Spree, maar wel aan de westerse oever. Daar stonden toen wat kruisen die herinnerden aan de gesneuvelde Oost-Duitsers die een poging hadden gedaan om te vluchten. De Reichstag was nog altijd met zwartgeblakerde plekken van de brand van 1933. Daarrond was de leegte, tot aan de Brandenburger Tor. Die was potdicht, maar je kon er doorkijken, en zien hoe tot 150 meter diep geen enkele burger op de Pariser Platz was toegelaten, enkel politiewagens.

 

 Zeg het overigens niet te luid: het was in die bocht van de Spree – vandaag tussen Hauptbahnhoff, Reichstag en Bundeskanzleramt  - dat Albert Speer, de architect van Hitler, in 1939 zijn megalomane Volkshalle plande, een super-versie van het Pantheon. Rond het voorplein daarvan moest het centrum van de macht komen: het paleis van de Führer, de diensten van de Reichskanzlei, en, naast de al bestaande Reichstag, een nieuwe groot-Duitse Rijksdag. En uiteraard het Oberkommando der Wehrmacht.

 

 Vandaar moest een hemelsbrede laan zuidwaarts trekken, die zou eindigen in een heel hoge triomfboog anderhalve kilometer verderop. Aan beide uiteinden van de laan moesten een Noordstation (achter de Volkshalle, dus niet zover van waar nu de Haupstbahnhof staat)  en een Zuidstation verrijzen, beide eindstations.De nieuwe triomflaan zou de oude kruisen, die van Bismarck en keizer Wilhelm I. Die loopt nog steeds in het verlengde van Unter den Linden vanuit oost dwars door de reuzengrote Tiergarten (vroeger een echte zoo) naar de Siegessäule voor de Pruisische overwinning op Frankrijk in 1870. Dat is het ruime groene hart van Berlijn.

 

 Het centrum van de macht is in princiep nu inderdaad gevestigd op waar Speer zijn voorplein plande. Wat mij ditmaal meer dan de vorige keren opviel is, zodra je het station uitkomt, dat monumentale gebouw van het Bundeskanzleramt, de zetel van de bondskanselier dus. De hele Belgisch-politieke Wetstraat (van nr 2, Binnenlandse Zaken tot 16, de premier) kan er in, en het is tweemaal zo hoog, met dan nog een spectaculaire uitbouw over de Spree naar een speciaal (omringde) tuin waar de bondskanselier met zijn (zestien jaar lang: haar) gasten kan gaan wandelen.

 

Gekreun

 

 Ik moet dan altijd weer aan Bonn denken, de kleine Duitse stad aan de Rijn. De geboorteplaats van Beethoven ook, de kleinzoon van een zanger uit Mechelen met dezelfde naam. Daar heeft de West-Duitse regering vijftig jaar vertoefd, van 1949 tot 1999. Er zijn overigens nog altijd zes federale ministeries die daar hun zetel hebben, op basis van de wet die in 1991 gestemd werd nadat de Bondsdag nipt voor terugkeer naar Berlijn had gekozen. Maar die ministeries worden qua personeel wel even geleidelijk als systematisch afgebouwd. Er zouden nog ongeveer 10.000 federale ambtenaren in Bonn vertoeven.

 

 Bonn was piepklein, en de regeringswijk lag ten zuiden van de stad aan de buitenkant van een Rijnbocht. De Rijn was afgeschermd door een hoge dijk, maar als je die overstak kwam je langs een prachtige promenade langs de oever van de rivier terecht, met uitzicht op de hoge heuvels aan de overkant. Alles in Bonn lag binnen loopafstand van een vierkante kilometer. Dat heel bescheiden voorkomen paste natuurlijk perfect voor de naoorlogse West-Duitse regering, na de megalomane agressor die Hitler heette.

 

 Daar in Bonn vlakbij de Rijn staat trouwens ook nog het torengebouw dat in de jaren zestig voor de kantoren van de parlementsleden werd gebouwd, in de typische snelbouw van na de oorlog, die je ook op het Kiel in Antwerpen had. Men noemde het der Lange Eugen, naar de voornaam van de Bondsdagvoorzitter onder wie het gebouwd werd. 


 Helmut Kohl, die graag smakelijke anecdotes vertelde, getuigde daarover off the record tegen zijn biograaf (die dat later zonder zijn toestemming publiceerde) dat vele parlementsleden daar ’s nachts in hun bureau bleven slapen om kosten te besparen. 'Maar je hoorde door de dunne muren alle geluiden', vertelde Kohl, ‘heel veel scheten, en, er waren toch al wat vrouwen, soms ook gekreun.’ Vandaag is het een gebouw van de Verenigde Naties, inmiddels gerestaureerd en dus vermoedelijk iets meer geluiddicht gemaakt.

 

 Het meest spectaculaire in Bonn was het Bundeskanzleramt. Konrad Adenauer, de eerste West-Duitse bondskanselier, die 20 km van daar zijn eigen huis had, gebruikte nog het Palais Schaumburg, een oud adellijke residentie, die tot 1949 het hoofdkwartier huisde van de … Belgische legereenheden die in het zog van de Britse troepen mee een stuk van het verslagen Duitsland bezet hielden.

 

 Adenauer, die men der Alte noemde, werd in 1963 opgevolgd door de minister die al die jaren zijn tweede in rang en dus zijn grootste rivaal was geweest, Ludwig Erhard, uit Beieren, bijgenaamd der Dicke. Erhard was, zoals Adenauer altijd gewaarschuwd had, geen al te beste bondskanselier. Maar hij was een liefhebber van moderne architectuur en kunst, zoals zijn evenknie Georges Pompidou in die tijd in Frankrijk. En met een uitstekende smaak.

 

 En dus liet hij in de tuin van Palais Schaumburg een heel modern Bundeskanzleramt bouwen, een gebouw dat spoedig de naam Kanzlerbungalow kreeg. Want dat uiterlijk had het, een buitenverblijfje in een open ruimte tussen bomen, met een plat dak, en slechts een gelijkvloerse verdieping, maar heel veel ramen die van bodem tot dak liepen. Binnenin was er heel veel hout, minder kinderkaka dan bij Honecker, en was het heel warm en gezellig. Het was (en is) een pareltje en droeg nog meer bij tot het image van bescheidenheid dat men in Bonn zo wenste. Erhards latere opvolger Helmut Schmidt liet de tuin ook nog eens verfraaien met sculpturen van Henry Moore. Ook dat was geslaagd.

 

Byzantium

 

 Daar zit ik allemaal te denken wanneer ik voorbijwandel langs de huidige residentie van de brave Olaf Scholz in Berlijn. Architectonisch is het ook weer heel geslaagd. Maar het is monumentaal, dichter bij Speer dan bij Erhard en Schmidt. Beide kwalificaties gelden ook voor de nieuwe Bondsdag in witte steen vlak naast de oude, inmiddels proper gemaakte gerestaureerde Bondsdag, met de iconische koepel van Norman Foster.

 

 Elders, verspreid over de stad, kom je nog monumentale ministeries tegen: Financiën en Buitenlandse Zaken (naast Honeckers Staatsrat waar we het in vorige aflevering over hadden) onder meer. Heel leuk is dat de meeste vertegenwoordigingen van de zestien Duitse deelstaten in Berlijn hun zetel hebben gevonden bij elkaar, in de straat die in den Ministergärten heet. De facto is dat tussen het Holocaust-monument en de ruines van de Führerbunker.

 

 Daar vindt wel elke avond een wat mondainer event plaats, waar de politieke klasse van Berlijn elkaar terugvindt. De meeste Bondsdagleden hebben een appartement of een huisje in de stad, waar ze gemiddeld 22 weken per jaar vertoeven. Ze wonen verspreid over heel Berlijn: sommigen willen in het hart van de hoofdstad blijven, andere verkiezen wat rust en afzondering verderop, wat met het uitstekend openbaar vervoer geen probleem vormt. Overigens heeft Berlijn al minstens één effect ondergaan van de rol als nieuwe hoofdstad: een forse opwaardering van zijn restaurant-cultuur.

 

 Wat voor hoofdstad is Berlijn geworden? Het centrum van de Duitse federale macht ligt nu op de plek waar Speer zijn gigantisch hal plande, en waar de DDR haar Muur bouwde. Het stadbestuur van Berlijn is de opvallende afwezige in Berlin-Mitte en heeft zijn gebouwen nog altijd hoofdzakelijk in het westelijk stadsgedeelte staan. Er groeit ook een soort van cultureel centrum één kilometer oostwaarts rond het Museum-Insel, de Humboldt-universiteit en het Schloss.

 

 Visueel vervagen de verschillen. Van de Hauptbahnhof naar Checkpoint Charlie wandelen doet je vele malen het oude tracé van de Muur volgen. Ik heb die beelden nog in mijn hoofd – je vergeet die getuigenissen van extreme menselijke absurditeit gewoon niet.  Maar wie er vandaag rondwandelt zonder die voorkennis merkt er niets meer van. Tenzij waar er, zoals aan het ministerie van Financiën, nog een strookje Muur is bewaard.

 

 Ook oostwaarts vergaan die contouren, zelfs van de ooit spectaculaire oude monumentale naoorlogse communistische hoogbouw aan de voormalige Stalinallee – de huidige KarlMarxallee. Aan de Kurfürstendamm, ooit het centrum van West-Berlijn, ben ik ditmaal zelfs niet geraakt. Unter den Linden is the place to be vandaag, zoals ten tijde van de laatste Duitse keizer.

 

 Het enige waar je nog echt ziet dat de oude kloof bestaat, is de kaart van de verkiezingsuitslagen in Berlijn. De sociaaldemocratische SPD, de grootste partij, haalt overal stemmen, behalve in het centrum. In dat laatste, de duurste plekken van de stad, domineren de Groenen, de tweede grootste partij. De christendemocratische CDU, de derde partij, is vooral een Westberlijns gegeven, terwijl Die Linke – de vierde grootste partij, die voor een stuk nog altijd bestaat uit de erfgenamen van het gewezen communistisch regime van de DDR – vooral in het oosten scoort. De nieuwkomer, de extreem-rechtse Afd, staat, als knipperlicht van frustratie, duidelijk ook sterker in het oosten van de stad.

 

 De megalomanie van de overheidsgebouwen in Berlijn zou ongerustheid kunnen opwekken. Maar ik laat me vertellen dat de veel te grote gebouwen vooral gevuld zijn geraakt met bureaucratie, nog meer dan bij de Vlaamse of Europese overheid bij ons (onze federale is daar te armlastig voor). Niets om van te schrikken, en de brave Scholtz is na de saaie Merkel ook niet iemand die vrees aanjaagt. Desondanks zegt mijn buikgevoel dat Duitsland nu een iets meer oosterse hoofdstad heeft, dichter bij het oude Oost-Romeinse Byzantium zeg maar, dus met een overheid die van meer autoriteit droomt, en ze gelukkig ook zelf ondermijnt door haar eigen regeldrift.

 

 In die zin heb ik, als West-Europeaan zeg maar, toch een beetje heimwee naar Bonn, waar de Duitse regering heel herkenbaar was, zich heel bescheiden moest gedragen en dus democratie moest inademen. Waar de bondskanselier regelmatig voor een avond afsprak met de Franse president in excellente restaurantjes in de Elzas een beetje stroomopwaarts de Rijn. Waar hij met de auto – toen nog met minder files en wegenwerken – op een goede twee uur en zonder escorte op de Europese top toekwam, in de Brusselse Wetstraat.


Terug naar Berlijn (1)

 

17 maart 2024


Begin deze maand was ik nog eens een keer in Berlijn. Het was zo’n vijftien jaar geleden. De stad is nu min of meer ‘af’. Ik heb Berlijn sinds 1984 nooit anders geweten dan gespleten door de Muur en vanaf 1991 als gigantische werf. Nu lijkt de tijd van radicale metamorfoses voorbij. Misschien zal Berlijn er op het einde van de eeuw wel uitzien zoals het vandaag al oogt.

 

 In december 1984 bezocht ik Berlijn voor het eerst. Oost-Berlijn dan nog. Ik was vier maand journalist bij De Standaard en reisde mee, samen met nog enkele collega’s van andere media, met de Belgische minister van Buitenlandse Zaken, Leo Tindemans. Het was mijn eerste buitenlandse opdracht.

 

 Het vliegtuig moest toen nog de omweg over Denemarken gebruiken, want de drie in 1945 overeengekomen luchtcorridors tussen Britten, Amerikanen en Russen naar Berlijn (diep in de Russische bezettingszone) waren enkel voor de geallieerden zelf in gebruik. En de landing gebeurde in de verlaten en doodse Oost-Duitse luchthaven van Berlin-Schönefeld, ten zuiden van de stad, die nu tot de centrale luchthaven Berlin-Brandenburg is uitgebouwd.

 

 Tindemans kwam aan vredesdiplomatie doen. De West-Duitse Bondsrepubliek van Helmut Kohl, en de Britse regering van Margaret Thatcher hadden eind 1983 de plaatsing van Amerikaanse kernraketten op de zogenaamde middellange afstand op hun grondgebied laten plaatsen. België was in maart 1985 aan de beurt. DDR-president en partijleider Erich Honecker trachtte de Belgen te bewerken om het nucleaire opbod te doen stoppen.

 

 Tindemans was bereid te praten, in uitdrukkelijke opdracht van zijn eigen christendemocratische achterban trouwens, maar niet buiten Navo-verband. De marge was voor beide partijen bijzonder klein, want dit was het geprivilegieerd jachtterrein van Washington en Moskou zelf natuurlijk. 


 In Oost-Berlijn, in de Belgische ambassade, waarschuwden de Belgische diplomaten iedereen van de delegatie voortdurend dat al wat we zeiden door de Stasi opgenomen werd, de alomtegenwoordige regime-politie. Het was met de relaties tussen Oost en West zoals met het weer in Berlijn buiten: mistig, grijs en tegen het vriespunt. Wisten we veel dat amper drie maand later in Moskou een nieuwe partijleider zou aantreden, Mikhail Gorbatsjov?

 

 Er was, voor communistische landen nog vrij nieuw, een foto-opportunity. Ik ben dus even mee in het bureau van Erich Honecker geweest. Met zijn meubelen van de vroege jaren zestig in dat typische kinderkaka-bruin – radio- en tv-meubel inbegrepen - dat ook het bureau van Stasi-baas Erich Mielke kenmerkte. Dat laatste kan je vandaag nog in het Stasi-museum diep in het voormalige Oost-Berlijn bezichtigen.

 

 De trap naar Honeckers bureau op de eerste verdieping in de Staatsrat – een gebouw wat achterin aan Unter den Linden – is nu nog altijd te bekijken, met zijn moderne glasramen waarop in felle kleuren zalig-gelukkige boeren en arbeiders met vrouw en kind staan afgebeeld. Ik ben dit keer nog eens langsgegaan, en heb toen de foto hiernaast van de glasramen gemaakt.

 

 Hoe het verder, na 1984, verliep met mijn ervaringen in Berlijn heb ik in 2009 verteld, in een lange bijlage op vraag van de redactie van De Standaard naar aanleiding van de twintigste verjaardag van de val van de Muur. Ik geef die tekst nog eens weer hieronder. In de twee volgende afleveringen de komende dagen op deze blog, ga ik verder in op wat ik vorige week in Berlijn nog heb gezien en ervaren. Hier alvast l

mijn verhaal van 2009:

 

 

Vijfentwintig jaar geleden reisde toenmalig Standaard-redacteur Rolf Falter voor het eerst naar Berlijn. Hij zag de stad sindsdien verscheidene metamorfosen ondergaan, niet het minst bij de val van de Muur in 1989. En hij zag ze vooral uit de actualiteit verdwijnen.


  Van Oost-Berlijn onthou ik vooral de geur. Hij trof me meteen, in december 1984: de alomtegenwoordige doffe zwavelgeur van bruinkool. Berlin, Hauptstadt der DDR, verwarmde zich met de vette variant van steenkool, de enige energiebron waarover de arbeiders- en boerenstaat zelf beschikte. Royaal trouwens: bij elke winterovernachting in Oost-Berlijn moest steevast het raam open, om de verwarming te overleven.

  Voor het overige was het Bordurië, de politiestaat uit de Kuifje-albums. Schaarse auto's, te veel kepi's, zielige etalages, geen cafés die naam waardig en mensen die schuw wegliepen omdat ze niet met je mochten praten. Elke avond opende het tv-journaal om halfacht met de woorden ‘Der Erste Vorsitzende des Staatsrates und Generalsekretär der SED', de officiële aanspreektitel van de hoogbejaarde partijleider en president Erich Honecker.

  In de zomer van 1986 kon ik met een Beierse politiehelikopter over de Duits-Duitse grens vliegen: een omheining met prikkeldraad, een greppel van anderhalve meter diep, een weg, nog een omheining, wachttorens, zoeklichten, een Sperrgebiet van 5 kilometer in het binnenland waar je zonder pas niet binnenkwam. Mijn gids wees me op de Wildschlupflöcher in het metalen draadwerk. ‘Recent aangebracht. Kleppen die de konijnen doorlaten, zodat er geen signaal afgaat naar de automatische machinegeweren als ze de omheining naderen. Dat gebeurt enkel nog bij groot wild of mensen', zei hij. En met een grijns: ‘Wass der Deutsche macht, macht er gut.'

  In Berlijn was de omheining een Muur, drie à vier meter hoog, dwars door de stad en helemaal rondom West-Berlijn: der antifascistischer Schutzwall, goed voor een kleine tweehonderd afgeknalde vluchtelingen, meestal jonge mannen, tussen 1961 en 1989.

Een roestige vuist

  Net als de andere landen achter het IJzeren Gordijn gedroeg de DDR, de Deutsche Demokratische Republik, zich als een modale Europese staat uit de jaren dertig: nationale veiligheid was een obsessie, en de gesloten economie leverde vooral schaarste op. De ruïnes van de oorlog waren nog alomtegenwoordig en de autosnelwegen lagen erbij als op de dag dat Hitler zelfmoord pleegde. Het had, achteraf bekeken, ook wel iets zindelijks: nergens in het straatbeeld was een merknaam of reclame te bespeuren, op een sporadische houterige kreet van de partij na (‘Die Vollendung des siebten Funfjahrenplanes ist unserem Streben.')

  De ijzeren vuist werd wel verteerd door roest. De erfenis van Lenin was medio jaren tachtig toevertrouwd aan de bevende handen van opa's. Hun burgers verbieden om via simpele dakantennes naar de West-Duitse televisie te kijken konden ze niet meer, ze konden hooguit nog slechte carrièrepunten geven aan diegenen wier kinderen op school iets te gretig spraken over programma's van de ‘BRD-tv' (de omroep van de Bundesrepublik Deutschland).

De persattaché van de Oost-Duitse ambassade in Brussel, even jong als ik, kon vreselijk fulmineren op de oude knarren — tenminste als hij zeker wist dat er geen microfoons in de buurt waren. In zijn ogen verknoeiden ze de kansen op een veel betere communistische maatschappij. Eentje met meer overvloed en minder krampachtigheid. Zoiets als wat de Chinezen net uitprobeerden: communistische dictatuur, kapitalistische economie.

  Dat leek toen het beste wat hij, en ook wij, konden verhopen. Na 1989 hadden velen de vreedzame val van de Muur zien aankomen. Maar voor 1989 gold de wetenschap dat revoluties in Europa nooit vreedzaam zijn. En dat je met tienduizend kernkoppen en een paar miljoen parate soldaten aan weerszijden van het IJzeren Gordijn maar beter niet kon gaan experimenteren.

Miele in de keuken

  Erst kommt dass Fressen, dann die Moral. Was dat niet de sleutel van het West-Duitse succes geweest? De Keulenaar Konrad Adenauer, die tot zijn 87ste bondskanselier was, had na 1945 zijn deel van de Duitsers bekeerd en getemd: veeg de oorlog onder de mat (ook de nare dingen die we gedaan hebben), laat de politiek over aan de Amerikanen en de allesverzorgende christendemocratie, word enkel nog rijk en vet. West-Duitsland, geregeerd vanuit een onooglijk kleine wijk aan de Rijn in Bonn, was anno 1989 de op twee na sterkste economie van de wereld, gezegend met de stabielste munt en een onuitputtelijke overheidskas.

  Via de BRD-tv rolde dat de Oost-Duitse huiskamers binnen: barbecue in de tuin, Miele in de keuken, Mercedes op de oprit, vakantie aan de Costa, en heel de zomer hossen van massa-evenement naar massa-evenement. Bij een ervan, een concert van Michael Jackson aan de westkant van de Brandenburger Tor in 1988, kwamen Oost-Duitse jongeren massaal meeluisteren. Tot de Volkspolizei hen uiteensloeg.

  Er waren andere symptomen van tektonische verschuivingen. Aan de Nollendorfplatz in het armere deel van West-Berlijn huisde sinds de vroege jaren zeventig een vlooienmarkt in de lege winkelhallen onder het in 1945 vernielde metrostation. In de jaren tachtig namen de Turkse immigranten de handel over. En in januari 1989 zag je hoe ze als heren hun waren aanprezen aan tientallen verarmde Polen, de eersten die uit hun land mochten wegreizen.

  Die maand bezocht een Belgische handelsdelegatie de Grüne Woche in West-Berlijn, de gigantische landbouwbeurs die in de volksmond Fress-Messe heette omdat iedereen er zich a volonté kon volproppen. In de marge volgde ik prins Albert naar het platform aan de Muur waar de Amerikaanse president Ronald Reagan twee jaar eerder had geroepen: ‘Tear down that wall, Mr. Gorbachev.'

  Voor ons lag een kale, brede vlakte tussen twee Muren met de obligate wachttorens. Achterin, wat schimmig onder de bleke januarihemel, waren de overheidsgebouwen van de DDR te zien. Een van de Duitse gastheren wees op een grote grijze klomp: ‘Heeft Göring nog laten bouwen, het Luftwaffeministerium'. Het was er muisstil en koud, alsof de tijd bevroren was.

Ananas en seksblaadjes

Elf maanden later, in de nacht van donderdag 9 op vrijdag 10 november, dwaalde ik daar rond, zoals de meeste journalisten op zoek naar uitsluitsel. Op de kroon van de Muur dansten honderden mensen, verlicht door de zoeklichten van de Volkspolizei en de schijnwerpers van CNN.

  Ik had de persconferentie van partijbons Günter Schabowski bijgewoond, maar was, zoals alle collega's, perplex over zijn verwarde aankondiging aan het eind van een saaie uiteenzetting: ja, het staat hier, we gaan de grens openen, ab sofort. Ik had om halfnegen een tekst naar de krant doorgestuurd dat de grens openging, maar met behoorlijk wat slagen om de arm. En ik zag de Volkspolizei om vier uur 's ochtends aan de Brandenburger Tor naar het waterkanon grijpen, maar kon net zo min als iemand anders duiden of dit een voorbode was van een escalatie.

  De DDR communiceerde niet meer, maar tolereerde die vrijdag wel de explosie van vreugde, en vooral van grensverkeer. ‘Is het waar wat u daar schrijft?' had de receptioniste die mijn fax over de geopende grenzen doorstuurde wanhopig gevraagd. In haar hotel was de voorbije weken al een derde van het personeel vertrokken. ‘Dan gaan ze allemaal weg en wordt het hier zo miserabel als in Polen'.

  Maar nadat de BRD-tv om half elf die donderdagavond 9 november bevestigd had dat ‘de Muur van de schande na 28 jaar weg is', was de massa in beweging gekomen. Feest, euforie, tranen, omhelzingen, gebalde vuisten, champagne en rondjes bier, nooit geziene files in de straten en in de metro.

 ‘Dat we dit nog mogen meemaken', was een veel gehoorde kreet bij hartstochtelijk huilende oudere mensen. God werd alom gedankt en de kerken zaten nooit zo vol als dat weekeinde. Inmiddels kochten de vrijgelaten DDR-burgers ananas en seksblaadjes, dingen die ze bij hen niet hadden. En ze vergaapten zich aan de toonzalen van BMW en Mercedes op de Kurfürstendamm, de etalage bij uitstek van the free world.

Massale euforie

  Van de val van de Muur onthou ik vooral een uitzonderlijk gevoel van massale euforie. Iedereen was op straat. Het hele lange zonnige novemberweekeinde was chaotisch. Politie en hulpdiensten konden dit onmogelijk aan. Desondanks verliepen de drie dagen zonder één incident, omdat iedereen zich fantastisch goed scheen te voelen. Wisten we toen veel dat de in paniek geraakte DDR-minister van Defensie alsnog overwoog zijn troepen te laten schieten, totdat zijn collega's hem haastig met pensioen stuurden.

  Pas op zondag communiceerde de DDR, met een duidelijk signaal. Onder het oog van de burgemeesters van Oost- en West-Berlijn braken bulldozers om acht uur 's morgens bij nul graden de Muur af op de plek waar prins Albert in januari had gestaan. Roestige tramsporen werden zichtbaar onder de weggegraven graszoden: de Potsdamer Platz, in de jaren dertig het grootste verkeersknooppunt van Europa. ‘Toen we nog jong waren, stonden hier overal bioscopen', vertelden twee toekijkende dames.

  Nadien ging het snel. Heel even nog golden geitenwollen dissidenten met roots in de lutherse kerk als potentiële vaandeldragers van een nieuwe Oost-Duitse staat. Maar dra werden zij overspoeld door de massa, die maar naar één ding hunkerde: vet en rijk worden, zoals die van het Westen. De West-Duitse bondskanselier Helmut Kohl, een telg van Adenauer, beloofde dat, met het beeld van blühende Landschaften en de consequentie dat de DDR weer zou opgaan in één Duitsland. De instemming van de Fransen kocht hij af met de euro, die van de Russen met bakken Duitse marken. Acht maanden na de val van de Muur verdween de Oost-Duitse munt naar het stort van de geschiedenis, drie maanden later volgde de hele DDR.

Wereldvreemd

  Berlijn na de Muur wist niet goed blijf met zichzelf. In 1991 besliste de Bondsdag in Bonn met een nipte meerderheid om de kleine stad aan de Rijn in te ruilen voor de oude Pruisische hoofdstad. De zwartgeblakerde monumentale Reichstag aan de Muur, die leeggestaan had sedert de brand van 1933, werd helemaal herkneed door een Britse architect, Norman Foster. Hij heet vandaag ‘Bondsdag'.

Toen de beslissing viel, was West-Duitsland nog in de roes van het Wirtschafstwunder. Het mocht wat kosten. Tegen 1998 was Berlijn de grootste bouwwerf aller tijden. De lange, kaalgeslagen vlakte langsheen de afgebroken Muur was een horizon met vele honderden bouwkranen. De Potsdamer Platz herrees vol kantoorgebouwen, appartementen en ook weer bioscopen. Het orgelpunt, in 2007, was Berlin Hauptbahnhof, het gigantische station waarbinnen de treinen van Noord- naar Zuid-Europa en van West- naar Oost elkaar kruisen op verschillende verdiepingen.

  Aan de regeringsgebouwen zie je ook nu nog dat het Duitse establishment in 1991 hoopte leider van Europa te worden. De Bundeskanzlei, de kantoren van de parlementsleden, zelfs het Pressezentrum zijn van een omvang die het Elysee, Whitehall of de hoofdkwartieren van de EU degraderen tot koterij.

Maar het is niet zo uitgekomen. De kost van de eenmaking bezorgde het Wirtschafstwunder een indigestie. Politiek Berlijn, in zijn protserige kantoren, is een afgesloten en wereldvreemde biotoop in een stad die daar zo weinig mogelijk mee te maken wil hebben.

  Die stad raakt, ondanks 3,5 miljoen inwoners, niet van de grond: de beurs en de banken zitten in Frankfurt, de media in Hamburg en Keulen, de vernieuwers in theater en muziek zowat overal behalve in de hoofdstad. De grootste creatieve vonk, de Love Parade op de monumentale laan rond de Pruisische zegezuil van 1870, doofde enkele jaren geleden uit.

  Berlijn wordt zoals Wenen tijdens de Koude Oorlog: een veel te grote stad zonder geld, die het vooral moet hebben van musea en een fascinatie voor het verleden. Net iets te ver van het beschaafde Westen van het continent om hoogstaand te zijn, maar best gezellig en niet langer neurotisch van brandende ambities naar Duits leiderschap.

  Tijdens een reportage in 1998 was de eerste Berlijner die ik tegenkwam een 93-jarige man die nog monter zijn ochtendwandeling deed op Unter den Linden. ‘Ik heb met mijn klas nog voor de keizer gezongen, in 1916 in de oorlog', vertelde hij. ‘Elke zondag reed hij met zijn open koets, zonder lijfwachten, van zijn Schloss naar de dierentuin, de Zoologischer Garten, over Unter den Linden.' In de jaren twintig had de man nog in de Ufa-studio's in het nabije Potsdam gewerkt, en Marlene Dietrich en Fritz Lang gezien.

  Berlijn na de Koude Oorlog ontpopte zich tot een etalage van de recente Europese geschiedenis, in al haar gruwel en extremiteiten. Geert Mak in open lucht, een soort Troje, waarin elke laag van het verleden een andere verbergt.

  Langs Unter der Linden lag het Palast der Republik, een modernistische icoon van de DDR-staat. Asbest werd het perfecte excuus voor de afbraak van het gebouw. Op hetzelfde plein wil men binnenkort het nog veel lelijker keizerlijk paleis van voor 1918, het Berliner Schloss van Willem II, doen herrijzen. Dat werd na dertig jaar leegstand en zware beschadigingen in de bombardementen en gevechten van 1945, in 1951 als symbool van een reactionair verleden opgeblazen door de DDR-leiders.

  De eerste straat vlak achter de Muur in Oost-Berlijn heette de Otto Grotewohlstrasse, naar een communistische coryfee. Daar huisde de nomenklatoera, omdat men vermoedde dat die geen poging zou wagen de Muur over te steken. Na 1989 kreeg die straat weer haar oude naam: de Wilhelmstrasse, waar alle kanseliers van Bismarck tot en met Hitler kantoor hielden.

  De Führer had er ook zijn bunker, die van Der Untergang. Het is nog slechts een puinhoop. Enkel een bultje op een parkeerplaats verraadt, voor wie het weet, de plek van de oude ingang. Wegwijzers zijn er niet, om geen extreem-rechtse pelgrims te lokken. Wel wonen de laatste DDR-bonzen nog steeds in hun appartement aan de Wilhelmstrasse. De regering van Helmut Kohl liet hen na 1989 na enig aarzelen hun verblijf behouden.

Vet en rijk

  Het was een vreemde ervaring in 2004 om een paar honderd meter daarvandaan, in de bioscopen van de Potsdamer Platz, Der Untergang te zien. ‘Der Feind steht schon am Potsdamer Platz', kwam een ijverige soldaat de zieke en bevende Hitler vertellen, terwijl de Surround-luidsprekers de inslagen van Russische artillerie in je zetel deden dreunen.

In Görings Luftwaffeministerium, ook vlakbij, huist vandaag het ministerie van Financiën. Ernaast is nog een stukje Muur bewaard, en daarnaast de ruïnes van het Gestapogebouw met middenin het puin van het gebombardeerde Berlijn van 1945. In de ruïne is ook een beklemmende permanente tentoonstelling over de gruwelen van de nazi's te zien.

  Buitenlandse Zaken huist in het oude gebouw van het Centraal Comité van de Oost-Duitse communistische partij, tot 1945 de Reichsbank. In het vernieuwde Olympisch Stadion, dat oorspronkelijk voor de Spelen van 1916 werd gebouwd, liep Usein Bolt voor drie maanden zijn wereldrecord op dezelfde banen als Jesse Owens in 1936. Elk stukje Berlijn is even rijk aan geschiedenis als de Arabische woestijn aan olie.

  De bruinkoolgeur van Oost-Berlijn is kort na de eeuwwisseling verdwenen. De Muur in de hoofden van de Ossies en Wessies doet er langer over, maar vervaagt. De voornaamste inwoner van de Bundeskanzlei is vandaag vrouw en Oost-Duitse.

  Het verenigde Duitsland is in zijn geheel vet en rijk geworden. Het wordt de meest vergrijsde staat van Europa, met een gezapige hoofdstad waar files zeldzamer zijn dan in de rest van het land. Polen, Fransen, Russen of Britten, die het voor 1989 wel konden smaken dat er twee Duitslanden waren, vinden dat best zo. Berlijn blijft een magneet door zijn tumultueus verleden. Maar het schrijft gelukkig zelf geen geschiedenis meer.


Dries Van Agt in Tokio


10 februari 2024


 

 De voormalige Nederlandse minister-president Dries Van Agt, 93, is vorige maandag ‘hand in hand’ met zijn één jaar oudere vrouw Eugenie Krekelberg gestorven, nadat beiden voor euthanasie hadden gekozen. Het echtpaar had drie kinderen. De familie maakte het overlijden pas bekend na de begrafenis in kleine kring. Ik heb Van Agt één keer ontmoet, voor een uitgebreid interview, begin 1989, in het verre Tokio dan nog.

 

  Je moest de voorbije dagen wel wat zoeken naar In memoriams die de complexe figuur van Van Agt recht deden, maar er waren er wel. Zelfs de VRT corrigeerde haar aanvankelijke titel over ‘conservatieve droogstoppel’, waaraan Walter Pauli van Knack zich terecht ergerde.

 

 Van Agt laveerde tussen conservatisme en progressiviteit, zoals zovele katholieken na het Concilie en de jaren zestig. We kunnen ons die tijd en de discussies van toen nauwelijks nog voorstellen. Als goede Nederlandse burger stond hij er wel op dat hijzelf zijn mening zou vormen, en niet klakkeloos zou napraten wat priester of bisschop voorschreven. In die zin steunde hij ook het protest aan de katholieke universiteit van Nijmegen tegen mede-docent en theoloog Edward Schillebeeckx nadat die vanuit het Vaticaan spreekverbod was opgelegd. Schillebeeckx was in die dagen een naam in heel Europa.

 

 Van Agt was toen al voorstander van euthanasie, en je kan hem zelfs als één van de wegbereiders van de coffeeshops (en al de drugsellende die dat vandaag voortbrengt) beschouwen. Als je de walm van de marihuana in de straten van Amsterdam te veel wordt, denk dan mee aan Dries. Maar hij bleef ook gelovig en, samen met Eugenie – een juriste uit Maastricht die ooit won in de enige zaak waarin ze als jonge advocaten tegenover elkaar stonden -, naar de kerk gaan.

 

Tindemans

 

 Zijn conservatieve reputatie dankt Van Agt aan zijn optreden tegen de abortuskliniek van Bloemenhove als minister van Justitie in het kabinet Den Uyl. De administratie had twijfels over de wettelijke onderbouw van wat daar allemaal gebeurde, en Van Agt pleitte altijd voor uiterste voorzichtigheid inzake zwangerschapsonderbreking. Daarnaast was hij natuurlijk de saboteur van het kabinet-Den Uyl.

 

 Dat regeerde Nederland tussen 1973 en 1977. Vandaag is het de bon ton in Nederland om wat meewarig te doen over die regering, maar toen gold zij, zeker in de van oudsher eerder progressieve media, als het heilskabinet dat het land in een roes van bevrijding definitief de moderne tijdens zou doen binnenzeilen, die zich in de jaren zestig zo nadrukkelijk hadden aangekondigd. De nieuwe regering ademde ook torenhoge ambities uit.

 

 Maar van in het begin zat de klad erin, omdat eind 1973 de oliecrisis was uitgebroken die de al aanzwellende recessie verscherpte, en de eerste echte economische crisis in een kwarteeuw opstartte. Het bevlogen kabinet kwam in besparingstoestanden terecht. Van Agt snoof eerder dan wie ook de natuurlijke  reflex van mensen bij ontij: zich terugplooien op zichzelf en op oude waarden. Hij begon zichzelf dra als verpersoonlijking daarvan uit te dragen: met zijn harde aanpak tegen het terrorisme van de Zuid-Molukkers, met zijn oproepen tot een ‘ethisch reveil’ tegenover een maatschappij die in haar blijheid-vrijheid aan het ontsporen leek.

 

 Persoonlijk klikte het ook niet met Den Uyl. Die laatste was van streng-gereformeerden huize, progressief socialist, economist en journalist geweest, en op en top Hollander, die ook de ernst en last van het minister-presidentschap leek te willen belichamen. Van Agt was in 1977 nog maar de tweede Noord-Brabander ooit die in het Torentje geraakte. Afkomstig uit Eindhoven (toen nog Philips met een stad errond), prof in het katholieke Nijmegen, waar hij en zijn vrouw verleden week ook gestorven zijn.

 

 Hij had wat eerder Belgisch aandoende politieke eigenschappen: zichzelf niet altijd ernstig nemen, geen zin in detailkennis, graag onder de kiezers komen, durven denken in termen van politiek scoren en verliezen. Wilfried Martens nam later van hem – na zijn eigen hartaanval – het profiel over van premier-wielertoerist.

 

 Leo Tindemans, Martens’ voorganger, scherpte in de crisisjaren ook zijn ‘ethisch’ profiel ‘dicht bij het volk’ aan, wat hij met een formidabele retoriek ongelooflijk goed verkocht kreeg in Vlaanderen. Totdat hij in botsing kwam met PS-voorzitter André Cools, bijwijlen een charmante mens, maar ook een brutale machtswellusteling. 


 Toen in de zomer van 1978 tijdens oplopende ruzies over de staatshervorming Cools ziedend en tierend eiste dat Tindemans een advies van de Raad van State straal zou negeren, reageerde de Antwerpenaar ‘ethisch’. Hij riep, als bevlogen redenaar, vanop de Kamertribune uit dat ‘de grondwet geen vodje papier is’ en blies zijn eigen regering op. Tindemans werd daarop bijna een messias in Vlaanderen, maar was voortaan – en naar aloude Antwerpse traditie - persona non grata in het Belgisch establishment.

 

Hirohito

 

 Die Dries van Agt, die Tindemans zo inspireerde, heb ik ooit lang mogen interviewen, voor De Standaard in 1989. In Tokio. Hij had tijd. Zijn politieke carrière lag al acht jaar achter de rug, nadat hij in 1981 opnieuw in een kabinet met Joop Den Uyl terecht dreigde te komen, en liever de plaats had geruimd voor Ruud Lubbers. Die bleef dertien jaar minister-president, een record dat inmiddels is verbeterd door Mark Rutte.

 

 Van Agt was 58 toen ik hem interviewde. Ik was in Tokio voor de begrafenis van keizer Hirohito, op 24 februari. Roger Schoemans, de hoofdredacteur van Het Nieuwsblad (die ik nog altijd op handen draag voor alles wat hij mij leerde) stuurde heel graag snel mensen uit naar groot nieuws. Zijn vaste journalist daarvoor was Mon Vanderostyne, inmiddels ook al overleden, en een geweldige reporter, bewogen en grondig tegelijk.

 

 Maar het kon al eens iemand anders zijn. Ik herinner me dat er op een late namiddag in de zomer van 1987 in het noorden van Italië een grote aardverschuiving had plaatsgevonden met tientallen doden. Nog voor de krant die avond sloot was collega Sylvain Christiaens, die van Beringen was en met wie ik toen vaak samen naar het werk in Groot-Bijgaarden reed, al onderweg.

 

 Hij praatte immers Italiaans – hij was getrouwd met een Italiaanse – en stuurde de volgende dag een volledig verslag door van ter plekke. Hij had dus de hele nacht doorgereden met wat toen nog een echte bedrijfswagen was, namelijk een witte Peugeot op de parking van het bedrijf die altijd klaarstond voor reportages. Dat soort toestanden – en de ermee gepaard gaande adrenaline – sterkte ons wel dat we in het mooiste beroep van de wereld waren beland.

 

 Ook Hirohito werd snel besloten, geboekt en gestart. Ik had al een paar last-minute opdrachten voor Schoemans gedaan en hij wist dat ik twee jaar eerder voor De Standaard en op uitnodiging van de Japanse ambassade veertien dagen in het land had rondgetoerd (samen met Philippe Paquet van La Libre). Reizen naar Japan was in 1989 peperduur en een hotel boeken in Tokio waanzinnig duur, want de vastgoedzeepbel daar was op haar hoogtepunt. Maar het bedrijf, toen nog de Vlaamse Uitgeversmaatschappij van André Leysen, had goed geboerd en het kon eraf.

 

  Koning Boudewijn zou er ook zijn, en die nam in zijn vliegtuig een paar tv-journalisten mee. Zo heb ik tussendoor ook een dag het spoor gevolgd van de grote Wim Robberechts, die in die jaren zijn eigen videonieuws-bedrijf was gestart en er was voor het nagelnieuwe VTM. Wim had in 1987 furore gemaakt door al in de avond van 6 maart helikopterbeelden te leveren van de gekapseisde Herald of Free Entreprise die in het nine-o-clock news van de BBC te zien waren, op een moment dat de Vlaamse media, BRT, Standaard en Nieuwsblad incluis, die vrijdagavond nog niet doorhadden dat er zich een grote catastrofe aan het afspelen was.

 

 Wim poogde die hele dag in Tokio Nguza Karl I-Bond vast te krijgen. Die was ooit minister van Buitenlandse Zaken geweest van Mobutu, sinds 1965 dictator van Zaïre (het huidige Congo). Nguza was dan in ongenade gevallen, en in de cel beland, later weer in de genade gekomen en terug op zijn oude post.

 

 Wim was de enige westerse journalist die hem destijds in zijn cel had opgezocht, en hoopte nu op een gesprek om in primeur bevestigd te krijgen waar alle Belgische journalisten naar hengelden: zou Mobutu koning Boudewijn zien, zodat de andermaal gespannen relaties tussen Brussel en Kinshasha weer konden worden platgestreken? Aan het einde van een lange dag jagen en achtervolgen, stond Nguza Wim uiteindelijk een paar minuten toe, om te zeggen dat de kans gering was. Wim uiteraard ontgoocheld, maar ik had weer veel geleerd van een dag op de hielen van een absolute nieuwsjager.

 

Lufthansa

 

 Van de begrafenis zelf kon ik een origineel verslag brengen. Ik was de dag voordien door de straten van Tokio gaan kijken naar de voorbereidingen, en volgde ook de begrafenis tussen de mensen, rondwandelend van plek naar plek waar de stoet voorbijkwam. Wat mij opviel: die Japanners bekeken dat allemaal heel nuchter. De avond tevoren had ik in de laatste metro tussen de opeengepakte dronken Japanners gestaan, want het was een onverwachte extra-feestdag morgen en dus gingen ze nog langer op stap dan gebruikelijk.

 

 Waar de uitermate sobere begrafenisstoet met zwarte limousines voorbijtrok de volgende dag, onder de motregen in nog kille straten, stond wel volk, maar heerste een normale ambiance van wat curiositeit, spelende kinderen die met moeite onder controle gehouden werden, ingetogenheid als de stoet voorbijkwam en een minuut later alweer de joligheid van een gewone kermis. Groot was dan ook mijn verbazing toen ik ‘s avonds in mijn hotel toekwam – het was nog ochtend in Brussel - en het verslag van CNN zag.

 

 Die hadden er alle Japanners in ouderwetse kleurige kimono uitgepikt en vooral de grijsaards die pathetisch en hartstochtelijk weenden. De clichés dus die benadrukken hoe een ver land heel erg vreemd voor ons moet zijn. Ik had die dramatische figuren ook wel gezien, maar die waren gewoon marginaal in de massa mensen die eigenlijk grotendeels reageerden zoals u en ik zouden hebben gedaan. Dat indachtig legde ik in mijn verslag de nadruk op precies het gewone en herkenbare van de hele begrafenisstoet, alle mythes en ook ter plekke opgeklopte sacraliteit rond de Japanse keizerlijke familie ten spijt.

 

 In de slordigheid van het snelle vertrek hadden we in Brussel ook vermoed dat er wat opvolgingsceremonies zouden zijn na de begrafenis, maar die bleken pas voor veel later gepland. Ik had dus nog een vijftal dagen over. Ik heb die aan allerlei reportages besteed over hoe rijk en ambitieus Japan toen wel was. Ik was onder meer gaan uitzoeken hoe de nieuwe grootmacht aan ontwikkelingshulp wilde doen in Zaïre, en hoe ze Europalia in Brussel zou aanpakken, waarvan ze het volgende gastland was.

 

 En hoe Tokio tegen de EU aankeek, want die was, onder Jacques Delors, in volle opbloei. Wat me op het idee bracht de EU-ambassadeur in de Japanse hoofdstad te gaan opzoeken, en dat was op dat moment Dries Van Agt. De afspraak was zo gefikst, hij was blij eens een journalist van de Lage Landen te zien, kende uiteraard De Standaard, en nam uitgebreid zijn tijd. Het was allemaal heel formeel, heel vriendelijk, en vooral heel solied wat hij zei. Een aangename man, zonder spatje pretentie.

 

 Het interview reproduceren we in zijn geheel hiernaast en hierboven, met een schitterende foto van een andere formidabele collega, Eric Peustjens. Bijzonder intrigerend, als je het nu leest, is hoe Van Agt beschreef dat de Japanners, als nieuwe would-be grootmacht, hard bezig waren de Europese Unie te bestuderen, want blijkbaar was die een hoge vlucht aan het nemen. En dat het omgekeerde veel minder waar was: men deed in Europa niet half zoveel moeite om de nieuwe grootmacht Japan te bestuderen.

 

 Van Agt had gelijk natuurlijk. Japan was toen een economische magneet en hype zoals China dat de de eerste twintig jaar van deze eeuw in het westen is geweest. In 1990 kwam er echter plots een einde: de vastgoedzeepbel explodeerde, de recessie zette zich in en de economie ging, bij een dalende bevolking, dertig jaar van stagnatie in. Het patroon dat ook Europa in 1973 kende na een lange uitbundige hoogconjunctuur, en dat China nu sinds 2020 schijnt te kennen.

 

 Ik keerde eind februari huiswaarts, met één van de allereerste rechtstreekse lijnvluchten van Tokio naar Europa, van Lufthansa, dat in het Moskou van Gorbatsjov toelating had verworven om over de Sovjetunie te vliegen. Daardoor verminderde de reistijd (tot Frankfurt) tot 12 uur, daar waar mijn heenvlucht met tussenlanding in Alaska ruim 20 uur in beslag had genomen. 


 Het interview verscheen pas op 22 maart in De Standaard. Op dat moment zat ik alweer in Wenen, te bekijken hoe Oostenrijk plots lid van de EU wilde worden, en hoe er daar aan de grens met communistisch Hongarije van alles aan het schuiven was.

 

 Japan verdween helemaal achter de horizon. Net als Dries Van Agt.


De zee van Amerika


27 januari 2024


 

 Wie de jongste weken de berichten volgde over de raketaanvallen van de Houthi’s beseft meer dan ooit: de mogelijkheid om vooral via zeevaart internationaal handel te drijven hangt af van de vloot van de Verenigde Staten. Dat is al ruim tweehonderd jaar zo, al waren het voor 1941 de Britten die die rol vervulden. En de vraag blijft natuurlijk: hoelang kan Washington dat nog volhouden?

 

 Op de foto boven dit artikel kan je de tekst lezen die ik op 21 oktober 2005 in De Tijd publiceerde. De aanleiding was de tweehonderdste verjaardag van de Slag bij Trafalgar, aan de Zuid-Spaanse kust, toen de Britse admiraal Horatio Nelson de verzamelde Frans-Spaanse vloot van Napoleon Bonaparte versloeg. Het was de grootste uitdaging ooit voor de Britse suprematie op zee die daar werd afgeslagen.

 

 Nelsons admiraalsschip, HMS Victory, kan je overigens nog altijd bezichtigen in de haven van Portsmouth. Ze tonen je er de plek op het tussendek tussen de kanonnen waar hij die dag zijn laatste adem uitblies, net laat genoeg om te beseffen dat zijn vloot gewonnen had (zie foto hiernaast).

 

 In het artikel in De Tijd beschreef ik kort de geschiedenis van 1805 en liet voor de rest vooral Willy Herteleer aan het woord liet, vandaag 83, toen vice-admiraal van de Belgische marine en net gewezen stafchef van het Belgisch leger. Zijn analyse staat nog altijd recht.

 

 Op dit moment hebben de Amerikanen, vanwege het conflict in Gaza, 57.000 soldaten aanwezig op en rondom het Arabisch schiereiland, waaronder de bemanningen van minstens twee vliegdekschepen. Dat is ongeveer een derde van de mankracht die ze in 2003 gebruikten bij de inval in Irak.

 

 Met hun vliegdekschepen kunnen ze vanop zee stellingen aanvallen van de Houthi’s in Jemen. De Britten, die al een paar keer meededen, moeten hun vliegtuigen daarvoor laten vertrekken en landen vanop de twee basissen in Cyprus (één ten westen van Limassol, één ten noordoosten van Larnaca), die ze als soeverein gebied hebben kunnen behouden toen ze Cyprus in 1960 de onafhankelijkheid toestonden.

 

 De Houthi’s zijn een door Iran gesteunde sjiitische militie die het noordwesten van het verdeelde Jemen controleert, na een lange burgeroorlog die sinds begin vorig jaar even een wapenstilstand kent. Ze krijgen hun raketten van Iran, dat volgens westerse bronnen ook zou helpen bij de geleiding ervan. Het is duidelijk dat naarmate Israël het punt nadert waarop de militaire macht van Hamas in Gaza, vooral dan de tunnels en raketinstallaties, zal breken, Teheran gezichtsverlies lijdt en ‘iets’ moet doen om dat beeld te corrigeren. Een kat in het nauw is het gevaarlijkst, zei generaal Eisenhower destijds over Hitler.

 

 Zoals Willy Herteleer al opmerkte twintig jaar geleden kan zelfs zo’n schermutseling in de Rode Zee nog niet fataal zijn voor de wereldhandel. De Financial Times merkte vanmorgen op dat gezien het dreigend overaanbod aan transportcapaciteit op zee, vanwege de algemene vertraging van de economische groei wereldwijd, het omleggen van de routes via Kaap de Goede Hoop nauwelijks een prijsstijging kan veroorzaken, een initieel kortstondig piekje misschien te na gesproken.

 

 Toch zijn er twee risico’s. Het eerste is de toenemende sofisticering van de (doorgaans dure) raketten en vooral van de (eerder goedkope) drones. Om die in te zetten heb je bij wijze van spreken enkel een laptop en een harde vloer nodig (en software met een goed geleidprogramma natuurlijk, naast gedetailleerde inlichtingen over wat je wil treffen). En uiteraard kan wie aangevallen wordt nog altijd riposteren op waar het tuig vandaan komt, wat je zou moeten doen aarzelen om die tuigen in te zetten (niet zo bij Hamas of Houthi's die geen zak geven om de bevolking die ze beweren te verdedigen).

 

 Het andere risico is Amerika zelf natuurlijk. Voorlopig blijft de machtsbalans heel zwaar naar de Verenigde Staten door hellen. Die hebben nog altijd elf nucleair aangedreven vliegdekschepen achter de hand, en ook plannen om die verder te blijven moderniseren. China zit aan drie, plant er met zekerheid vier. De rest speelt eigenlijk minstens voorlopig niet mee, ook Rusland niet dat één verouderd vliegdekschip bezit en geen plannen schijnt te maken om dat te vervangen.

 

 De twijfel over de houdbaarheid van die Amerikaanse machtspositie is vooral ingegeven door de economische machtsverhoudingen. In een wereld waarin het economisch aandeel van het Westen steeds maar geringer wordt (omdat de anderen qua welvaart ons inhalen, wat op zichzelf goed is) gaat de inspanning om de vloot te onderhouden voor de burgers van de VS altijd maar zwaarder worden, zeker als bijvoorbeeld China zich als een echte uitdager zou manifesteren.

 

 In princiep mogen we op dat vlak waarschijnlijk nog wel een paar decennia vrij gerust zijn. Maar The Economist analyseerde twee weken geleden al dat alleszins in de Rode Zee de Amerikaanse scheepvaartbelangen eerder klein zijn. De VS zijn olie-onafhankelijk sinds een jaar of tien (dankzij de exploratie van shale gas) en de meeste Aziatische import verloopt bij hen via de Stille Oceaan. 


 Hun voornaamste strategisch belang in de Rode Zee is de verslaving van de zo al wankele bondgenoot Egypte aan de inkomsten uit de transit via het Suez-kanaal. Voor de rest zijn de VS daar eigenlijk vooral de Europese handelsroutes aan het beschermen. Als dat Donald Trump maar niet op ideeën brengt …

 

 Veel leesplezier dus


Creatief met noodkabinet

 

19 januari 2024

 

Met een spectaculair voorstel op een reusachtige Nieuwjaarsreceptie in de Nekkershal in Mechelen heeft NVA-voorzitter Bart De Wever vorig weekeinde het verkiezingsjaar 2024 op gang getrapt. Hij slaagde er meteen in onder meer CD&V en VLD weer in de tactische fout te lokken die ze sinds 2010 blijven begaan: het ging bij hen over hem, niet over wat ze zelf te bieden hebben. Anderzijds was De Wevers gebruik van de term ‘zakenkabinet’, zeker voor een historicus, er één van het soort slordigheid dat hem in 2019 al het premierschap kostte.

 

 Even terug naar 14 augustus 2020, toen de koninklijke onderhandelaars Bart De Wever en Paul Magnette hun opdracht inzake regeringsvorming na drie weken teruggaven aan koning Filip. De Wever heeft het toen te laat zien komen: dat Alexander De Croo, anders dan Gwendolyn Rutten en ongetwijfeld ook via het oude netwerk van zijn vader, het partij-apparaat van de VLD op zak had en dus ook Egbert Lachaert.

 

 En dus behandelde de NVA-voorzitter VLD en zelfs MR te lang als quantité négligeable. Mijn vermoeden is dat De Croo toen al aan Magnette het door hem geprefereerde Vivaldi had aangeboden, op voorwaard dat Magnette hem het premierschap liet. Het drama over de keuze tussen beiden inzake de 16 dat ze alletwee nog opvoerden naar de media toe op 1 oktober was dan niets anders dan een nummertje om te bevestigen en te veruitwendigen wat al zes weken eerder stilzwijgend was overeengekomen.

 

 Sedertdien spuwt De Wever vuur telkens de naam De Croo valt. Het was herkenbaar wie Sammy Mahdi zondag bedoelde toen hij het zinnetje liet vallen ‘Met azijn bestuur je geen land’. Soms wint echter de leepste, net als in de koers, en dat was in 2020 De Croo. Het doet me – om in de Vlaamse Ardennen te blijven – denken aan de legendarische wereldtitel van Benoni Beheyt in 1963, die in de laatste meters in Ronse zijn kopman Rik van Looy voorbijstak. In de weken nadien brak bijna een burgeroorlog uit onder wielerliefhebbers in Vlaanderen over het 'verraad' van de nieuwe wereldkampioen. Vandaag zegt Van Looy, op zijn negentigste verjaardag, dat Beheyt (zelf 83) niks verkeerds gedaan heeft, dat hijzelf te vroeg op kop kwam en stilviel.

 

 De Wever is gewoon net iets te slordig geweest in die zomer van 2020. Hij wou toen al premier worden. Ditmaal bevestigt hij dat expliciet, zij het met de mimiek alsof hij azijn moet drinken. Dat hoort zo, als captatio naar dat deel van de achterban dat België nog altijd het liefst ziet barsten. De aankondiging leverde het voorspelbare media-gehuil op dat hij in 2019 ook aangekondigd had minister-president te zullen worden (en de schitterende karikatuur van Zaza in De Standaard waarbij Ben Weyts aan Jan Jambon zegt: 'Jan, maak u klaar, ge verhuist naar de Zestien').

 

 Maar tactisch is het goed gezien. De Wever wil de verkiezing om die premierkeuze doen draaien. Dat is ten opzichte van De Croo die enkel als premier van Vivaldi boven het gewicht van de verschrompelde VLD kan blijven boksen. Hij daagt zo ook Van Grieken uit klare wijn te schenken r of hij als leider van de vermoedelijk grootste partij premier wil worden of niet. Zegt de laatste ‘niet’ op die vraag, dan kiest hij feitelijk voor Belgische onbestuurbaarheid. Al kan De Wever, vanwege die achterban, ook niet voluit claimen dat hij België gaat redden van de chaos. België en Vlaanderen zijn nu eenmaal ingewikkeld, en … soms vermoeiend.

 

Volmachten

 

 De Wever liet zaterdag ook de term ‘zakenkabinet’ vallen. Het loont de moeite hem letterlijk te citeren (uit zijn interview op de VRT met Michael Van Droogenbroeck): ‘Wij zouden zelfs onmiddellijk een federaal kabinet willen maken, een klein kabinet, een zakenkabinet, dat zich focust op het budget, want dat is rampzalig, en een aantal socio-economische hervormingen, en die dan in de diepte kan werken aan de grote hervormingen, institutioneel en sociaal-economisch.’

 

 De NVA-voorzitter bezit dus al duidelijk één kwaliteit van een aantal voorgaande Vlaamse premiers (Dehaene zowel als Verhofstadt), namelijk dat hij wat slordig is in zijn voornaamwoorden. Maar in wezen is zijn uitspraak vooral vaag en eerder verwarrend. Hopelijk voor hem is dat bewust gebeurd, om zich niet meteen te laten vastpinnen.

 

 Walter Pauli heeft in Knack al uitgelegd wat er in het verleden aan gedachten zijn geventileerd over mogelijke zakenkabinetten – vooral vanuit het hof en zijn entourage, in de niet zo lang verleden tijd dat Belgische koningen nog wilden meespelen. Het basisidee daarachter was altijd, en meestal op momenten van diepe economische en/of monetaire crisis, dat een groep technocraten het heft in handen zou nemen en de noodzakelijke maatregelen zou uitwerken.

 

 Men zocht die vooral in de sociaal-economische wereld, in de eerste plaats bij banken en bedrijven, maar minstens voor de schijn ook bij de vakbonden. In al die scenario’s bleef altijd één of andere vorm van parlementaire goedkeuring voorzien. De regeringen in ballingschap tijdens de wereldoorlogen vormen daar de enige uitzondering op.

 

 Tot een zakenkabinet in die strikte zin is het nooit gekomen in België, en bij mijn weten ook niet in onze democratische buurlanden Groot-Brittannië, Frankrijk en Nederland net zomin als in de Scandinavische naties, of in Duitsland, Oostenrijk of Italië na 1945. In Zwitserland uiteraard niet. Wel hebben enkele van die landen momenten gekend waarbij men zogenaamde noodprocedures van parlementaire democratie toepaste om sneller dringende maatregelen goed te keuren.

 

 Daar bestaan varianten op. In crisistijden ziet men vaak technocraten opduiken, of zogenaamde extra-parlementairen, die dan voorgesteld worden als nieuwe bezems die het normale slenteren van elke democratie zullen doorbreken. Niet zelden gebeurt dat in combinatie met regeringen die als ‘noodkabinet’ worden voorgesteld, en die van korte duur zouden zijn. Dat laatste is meestal omdat partijen die eigenlijk liever geen coalitie met elkaar willen vormen, vanwege de nood toch even samen gaan werken, met de neus dicht geknepen en onder een neutrale buitenstaander.

 

 Soms komt daar dan een procedure van volmachten bij te pas. Het princiep van die techniek is dat het parlement eerst de materies toewijst waarop de volmachten betrekking kunnen hebben, dat de regering dan gedurende de periode van de volmachten maatregelen per Koninklijk Besluit kan nemen die normaal wetgeving vereisen, en dat alle KBs samen aan het eind van de termijn als te nemen of te laten pakket worden voorgelegd aan het parlement. In de hele periode blijft de rest van het normale controlerecht van het parlement, onder meer via vragen en interpellaties, wel gehandhaafd.

 

De Gaulle

 

 Het meest markante voorbeeld in die zin is de regering van Lamberto Dini in Italië, die het land regeerde tussen januari 1995 en mei 1996. Dini was de gouverneur van de Nationale Bank en werd, na de val van het eerste kabinet Berlusconi (een zakenman!), uitgestuurd. Men was in het laatste jaar voor de parlementsverkiezingen, dus met het risico dat geen knopen meer werden doorgehakt. En de hervormingen die Italië nodig had om toe te treden tot de euro konden niet langer wachten.

 

 Dini vormde een kabinet van wat men technocraten noemde, maar vooral toch uit ambtenaren en magistraten bestond, alle met een voor de ingewijden gekende politieke signatuur (op een militair op Defensie en een arts op Volksgezondheid na). Op die manier kon hij doseren naar een parlementaire meerderheid toe, zowel inzake partijpolitieke affiliaties als naar evenwicht onder de regio’s. Dini kreeg vooral een pensioenhervorming rond, en met wisselende meerderheden wat kleinere veranderingen. Hij had geen volmachten nodig.

 

 Mario Draghi, ex-gouverneur van de Italiaanse Nationale Bank en van de Europese Centrale Bank, mocht van februari 2021 tot juli 2022 (en in lopende zaken tot oktober) ook opdraven als technocraat-premier van zijn land. Opnieuw was het motief, naast de nog aanslepende coronacrisis, dat er parlementsverkiezingen voor de deur stonden, er geen meerderheid in zicht was en er een nood heerste: het indienen en uitwerken van een plan dat Italië aan de ruim honderd miljard euro zou helpen die het was toegekend via het Europees Recovery and Resilience Fund. Draghis kabinet bestond wel uit geroutineerde politici. Met zijn gezag bouwde hij een regering van Nationale Eenheid uit, die een brede meerderheid had, maar finaal  niet zoveel meer deed dan proper op de winkel passen.

 

 Frankrijk heeft maar één keer iets dergelijks gekend, maar dat is dan ook het model bij uitstek. In 1958 haalde de politieke klasse generaal De Gaulle terug, die al met pensioen was, en die tussen 1944 en 1946 premier was geweest. Dat gebeurde onder de extreme druk van een staatsgreep van Franse militairen in Algerije, die in verzet kwamen tegen plannen om die kolonie onafhankelijk te maken, en die dreigden over te komen naar het vasteland.

 

 De Gaulle vroeg twee jaar volmachten, kreeg zes maand en stelde een kabinet samen met politici uit alle partijen (op de foto als kandidaat- premier tijdens het vertrouwensdebat in de Assemblee op 1 juni 1958, één van de heel zeldzame keren dat hij zich daar ooit heeft vertoond). In die tweede helft van 1958 realiseerde hij als premier de grootste reeks hervormingen van Frankrijk – institutioneel en sociaal-economisch – sedert het consulaat van Bonaparte tussen 1800 en 1804. Dat was dankzij het algemeen besef van een extreme nood en zijn enorm persoonlijk gezag als de nationale held van de Tweede Wereldoorlog. Hij kon nadien nog tien jaar aan de macht blijven, bij het weer normaal functioneren van de democratie.

 

Noodkabinet

 

 In België kennen we vooral het voorbeeld van de regering Jaspar, die in mei 1926 aan de macht kwam in een periode waarin de Belgische frank snel aan waarde verloor op de internationale markten. Jaspar, een conservatieve Brusselse katholiek, vormde een kabinet van Nationale Eenheid (katholieken, socialisten, liberalen). Dat presenteerde hij als kortstondig noodkabinet, met de monetaire sanering als enig doel. Enkel daarom verwierf het een meerderheid want de socialisten waren heel onwennig. De regering bleef finaal toch nog tot oktober 1927 aan de macht.

 

 De sterke figuur, als minister zonder portefeuille, was onomstreden Emile Francqui, 63 op dat moment. Hij was dan al ex-militair in de Congo-Vrijstaat van Leopold II, ex-consul in China, ex-directeur van de Société Générale (de dominante holding van België toen), ex-sleutelfiguur in de bevoorrading van het hongerende België tijdens de Eerste Wereldoorlog, en ex-onderhandelaar over de Duitse herstelbetalingen na 1919.

 

 Hij was vooral vertrouwensman van koning Albert. Francqui saneerde inderdaad de begroting, onder meer door van de staatspoorwegen de NMBS te maken en nog terug te betalen schuldtitels van banken en particulieren verplicht om te zetten in aandelen van die nieuwe spoormaatschappij. In november 1926 kon hij alweer ontslag nemen nadat de koers van de frank zich had gestabiliseerd.

 

 Zes jaar later werd Francqui opnieuw als minister zonder portefeuille en wonderdokter opgenomen in het kabinet van Georges Theunis, op het dieptepunt van de economische crisis va de jaren dertig, met de Belgische frank opnieuw in vrije val. Ditmaal slaagde hij echter niet en het kabinet viel na vijf maand. In de jaren dertig van vorige eeuw grepen overigens vijf regeringen (waaronder die van Theunis) tussen 1932 en 1936 en opnieuw in 1939 naar volmachten, driemaal een half jaar en tweemaal een jaar.

 

 Na de Tweede Wereldoorlog hanteerden ook de regering Vanden Boeynants (1966-68), Martens V(1981-1985) en VI (1985-87) en Dehaene II (1995-99) dat procédé, telkens om budgettaire saneringen door te voeren. Een heel specifiek geval was de regering Wilmès in het voorjaar 2020. Die was  vanuit lopende zaken weer opgelapt vanwege de corona-crisis, en kreeg bijzondere machten toegekend, specifiek op het terrein van de bestrijding van de pandemie. Ook de meeste regionale regeringen namen dat instrument toen aan, op Vlaanderen na.

 

 De rooms-rode regering Dehaene I in het voorjaar van 1992 begon ook als noodkabinet. De formatie na de verkiezingen sleepte lang aan, voor die tijd alleszins nog. CVP-voorzitter Herman Van Rompuy besloot de boel te forceren. Hij haalde Jean-Luc Dehaene terug, die na een zware verkiezingsnederlaag uit de politiek wilde stappen. Tegen de sterke man van het vorige kabinet bestond echter felle weerstand bij de achterban, die hem de nederlaag van de partij in de schoenen schoof. Van Rompuy koos bovendien voor een coalitie met de socialisten, iets wat ook moeilijk lag.

 

 En dus presenteerde hij zijn beslissing als ‘noodkabinet’. Dehaene slaagde er in zijn regering te vormen, maar zette zich meteen ook een deadline: hij zou zich na zes maand laten evalueren door een CVP-congres, ook over de staatshervorming die de CVP-achterban wenste, maar waarvoor de nieuwe premier op dat moment geen twee derde meerderheid had. Zes maand later had hij die wel, en een akkoord over staatshervorming, net in de nacht voor het congres. De term noodkabinet verdween, en hij en zijn coalitie bleven zeven jaar aan de macht.

 

 Er bestaan dus wel een aantal technieken om sneller dan gebruikelijk beslissingen te nemen, vooral in echte of vermeende noodsituaties. Maar het idee van het zakenkabinet is nog nooit uitgeprobeerd in ons land, ook al heeft het herhaaldelijk op de agenda gestaan. De reden is waarschijnlijk doodeenvoudig: zoals de ervaring met bedrijfsleiders die in de politiek gaan leert, is politiek ook een stiel, waarvan de voornaamste techniek van vakmanschap er ongetwijfeld in bestaat het kiezerskorps aan te spreken en een meerderheid te kunnen vormen en te beheersen.

 

Begroting

 

 Blijft de vraag: wat wil en moet men oplossen vanaf 9 juni? De Wever verwees naar de budgettaire situatie. Die is inderdaad verontrustend, omdat België in het koppeloton van de EU zit inzake zowel begrotingstekort (4%) als schuldgraad (110 %). Het deelt daar het gezelschap van Griekenland, Italië, Spanje en Frankrijk.

 

 We zitten op het niveau van Parijs, en voorlopig is vooral Italië het meest kwetsbare land als de financiële markten hun roofdierinstinct weer de vrije loop zouden laten. Al kan je, wat die laatste betreft, even goed verhopen dat die de EU-lidstaten het voordeel van de twijfel geven, bij veel hogere schuldgraden van onder meer China, de VS en Japan.

 

 In die zin geldt ook wat de EU en de Afdeling Financieringsbehoeften van onze eigen Hoge Raad van Financiën al enkele jaren stellen: op korte termijn is het Belgische begrotingsbeleid niet al te kwetsbaar, op de middellange echter heel sterk. Bekijk je het zo dan kan een even genereus begrotingsbeleid als dat van Vivaldi – waarbij de corona-pandemie en de Oekraïne-crisis als verzachtende omstandigheden kunnen gelden - nog even schijnbaar zonder problemen worden voortgezet.

 

 Of anders gezegd: er zal ook weerstand zijn in elke meerderheid die men kan bedenken voor elke variatie inzake een regering-De Wever – laat staan binnen Vivaldi II - tegen het idee dat ingrijpen urgent is. Dit land heeft trouwens een traditie waarbij ingrijpen in de begroting pas echt kan als het didactisch voor iedereen duidelijk is dat het water aan de lippen staat. In dit geval kan dat een razzia van de financiële markten zijn die de intresten van de overheidsobligaties de hoogte injaagt (het meest waarschijnlijk) of een echte tik vanwege de Europese instanties (weinig waarschijnlijk).

 

 Bekijkt men de begrotingskwestie met wat zin voor staatsmanschap dan heeft De Wever natuurlijk wel gelijk dat het tijd wordt voor ingrijpen. Sinds twintig jaar stijgen pensioen en ziekte-uitgaven, zelf samen goed voor een vijfde van alle overheidsuitgaven in dit land, sneller dan de economische groei. Dat is ten dele door de vergrijzing van de babyboomgeneratie natuurlijk, maar ook door de oplopende uitkeringen en kosten. Het gaat om een permanente herverdeling van jongeren naar de oudste generaties, om investeren in het bijna-verleden in plaats van in de toekomst dus.

 

 Daarin snijden is echter geen sinecure. Zelfs de extreem-rechtse regering van Italië schrikt daarvoor terug. Vanuit de NVA heb ik nog geen concrete voorstellen gehoord, laat staan vanuit de rest. Waarschijnlijk zijn enkel lang in de tijd gespreide en dus nauwelijks zichtbare correcties politiek haalbaar, zoals Jean-Luc Dehaene die nog als laatste heeft goedgekeurd gekregen inzake pensioenen in 1996. Overigens bestaat er, zoals PS-tenoren maar al te graag opmerken, inzake pensioenen eerder een transfer van Franstalig België naar Vlaanderen.

 

 Het andere fundamenteel begrotingsprobleem is dat er in België tussen de diverse bestuursniveaus al bijna een decennium geen fatsoenlijk overleg meer bestaat over begroting en de sociaal-economische aanbevelingen vanuit de Europese Commissie, ondanks de Europese wetgeving en het Belgisch samenwerkingsakkoord (beide uit 2013 en 2014) daarover. 


 Dat betekent dat iedereen nu zijn eigen schuldbeleid voert en zich nog weinig aantrekt van het globale plaatje, waarover België nochtans internationaal rekenschap moet afleggen. De lokale autoriteiten blijken het meest betrouwbare begrotingsbeleid er op na te houden. Daarentegen zijn oplopende schulden bij gewesten en gemeenschappen, Vlaanderen inbegrepen, sinds vijftien jaar de normaalste zaak geworden.

 

Staatshervorming

 

 Dat laatste is natuurlijk ook koren op de molen van wie een nieuwe staatshervorming wil, al was het maar omdat door een gebrek aan begrotingsdialoog tussen de entiteiten de distorties toenemen. Vertel vooral niet aan het parket van Brussel dat de Vlaamse overheid minstens vijftien man in dienst heeft voor het voeren van campagnes tegen zwerfvuil, waarbij het opruimen zelf of vervolgen van overtreders maar een marginale activiteit vormt.

 

 En er is natuurlijk nog een veel grotere redenen waarom een vrij radicale overheveling van nog meer bevoegdheden naar de deelstaten vrij nuttig zou kunnen zijn. Als we de peilingen mogen geloven gaat straks nog hooguit een derde van de Vlaamse kiezers links stemmen (en dan tellen we daar de helft van VLD en CD&V bij) en nog geen kwart van de Franstalige eerder rechts. Die tendens versterkt, dankzij de forse groei van de extremen.

 

 Je moet dat federale niveau dus wel verder uitkleden, omdat de basis voor gemeenschappelijk beleid daar gewoon wegsmelt. Er mogen gerust wat sterkere overlegstructuren en een gematigde hiërarchie der normen gecreëerd worden, bijvoorbeeld in crisistijden en inzake buitenlands beleid,  om wat bestaande anomalieën te corrigeren. Maar de beweging is overduidelijk naar verder decentraliseren. Wie dat ontkent doet aan struisvogelpolitiek. Noem dat voor mijn part 'confederalisme', al is het gebruik van die terminologieën altijd meer verwarrend dan verhelderend geweest.

 

 En het risico verhoogt natuurlijk dat we en stoemelings, in de hitte van de onderhandelingen, toch bij de ontbinding van België terechtkomen, misschien nog het meest omdat zoiets het ideale excuus oplevert om de schuld van het eigen falen helemaal bij anderen te leggen. 


 De kans dat we nadien dan beter bestuur hebben na zo'n scenario is minimaal, om niet te zeggen onbestaande. De kans dat er wat chaos losbreekt en we dus met zijn allen zullen achteruitgaan is ook reëel.

Structuren hervormen levert even vaak, of misschien zelfs vaker, veel gebakken lucht op, eerder dan beter bestuur. Of waarom denkt u dat we vijftig jaar na de eerste bescheiden staatshervorming al lang niet meer durven toeteren dat ‘wat we zelf doen, beter doen.’

 

 Maar de communautaire knoop zit niet alleen daar. Paul Magnette heeft er al herhaaldelijk op gewezen: als de peilingen straks bewaarheid worden hebben Vlaams Blok en de maoïsten na 9 juni 40 tot 45 zetels in de Kamer. Wil je dus een grondwettelijke twee derde meerderheid zonder die extremen, dan heb je al de rest nodig, zijnde Vivaldi en NVA samen.


 De quasi-onmogelijkheid daarvan wordt meteen een goede reden om van een staatshervorming af te zien - leve Vivaldi II – voor zover trouwens Vivaldi I nog werk maakt van de noodzakelijke procedure voor het opstarten van een grondwetsherziening.

 

 Er is inmiddels wel al een uitgebreide trukendoos om die formaliteiten te omzeilen, die in 1830 werden ingevoerd om instellingen niet te kwetsbaar te maken voor de grillen van snel evoluerende gewone meerderheden. Elio di Rupo gebruikte in 2012 de hocus pocus met artikel 195. Koning Albert legde in 1919 de voorbarige toegepaste grondwetsherziening op. Gaston Eyskens creëerde in 1970 de brede bypass van de bijzondere wet.

 

 Jean-Luc Dehaene, tussen 1988 en 1993, schrok er niet voor terug wijzigingen door te voeren via een grondwetsartikel dat wel voor herziening vatbaar was verklaard en tegen een materie aanschurkte die  in een ander artikel thuishoorde, dat echter niet voor herziening vatbaar was verklaard. Dat gaf wat tegenstrijdigheden in de grondwet, die een eminent panel van constitutionalisten in 1994 discreet mocht stroomlijnen tot een nieuwe grondwettekst.

 

 Als de peilingen bewaarheid worden dan is een staatshervorming langs de klassieke procedure zo goed als uitgesloten. Legitimiteit zal dan op een originele manier moeten verworven worden. Dehaene in 1992, en voor hem vader Eyskens in 1970 begonnen zonder tweederde meerderheid aan een staatshervorming, maar verwierven die onderweg. Vanwege de hedendaagse partijpolitieke versnippering is de kans op een dergelijk succes vandaag echter kleiner.

 

 Een mogelijkheid zit eventueel in het precedent van de koningskwestie van 1950. Men organiseerde toen een referendum over het al dan niet aanblijven van Leopold III. Constitutionalisten toen zeiden dat zo’n instrument niet voorzien was in de grondwet. Dus werd het referendum enkel ‘raadgevend.’

Maar iedereen weet dat zo’n stemming politiek dan dwingend wordt. Die van de koningskwestie werd het dan toch niet, omdat men de mogelijke en zelfs te verwachten communautaire dimensie niet had onderkend, wat met een consensus-instelling als de monarchie natuurlijk fataal was.

 

 In een analoog verhaal zou men vandaag vanuit een gewone meerderheid een staatshervorming aan de kiezers kunnen voorleggen, op voorwaarde dat men vooraf een minimum-drempel van goedkeuring invoert voor elk van de twee grote gemeenschappen (40 of 45 % bijvoorbeeld; in Zwitserland moet elke nationaal referendum de steun hebben van niet alleen de helft van de kiezers, maar ook van de helft van alle kantons). En dan met een positieve uitslag testen of meer dan een derde van het parlement zich nog tegen die raadgevende wil van de kiezer wil verzetten. Iets dergelijks.

 

Lopende zaken

 

 Wat het ook wordt, er bestaat geen twijfel dat de volgende federale regeringsvorming nog complexer wordt dan de vijf vorige. Daarbij hebben we in de laatste vijftien jaar al tweemaal meer dan 500 dagen nodig gehad. We zijn daarin wereldrecordhouder hors catégorie.

 

 Waarbij de vorming van de deelstaatregeringen ook niet simpeler worden. PS en NVA kunnen daar overwegen om die vervelende nieuwe rivalen in de extreme hoek te verslijten aan de macht, maar dan enkel als zij als grootste in de stuurkabine blijven. Meer conventionele coalities zijn wel waarschijnlijker, al ligt de oude droom van symmetrie op alle niveaus al vijftien jaar aan scherven. Hou vooral Brussel in het oog: de NVA wordt daar aan Vlaamse kant haast zeker incontournable, terwijl aan Franstalige kant de peilingen de PTB voorlopig met de leiderspositie doen flirten. 

 

 Premier De Croo wacht vermoedelijk nog een lang mandaat in lopende zaken. En uiteraard doet iedereen er goed aan te wachten of de peilingen inderdaad bewaarheid worden, wat ze in het beste geval nooit voor meer dan 80 % doen. Misschien blijkt op 9 juni ’s avonds dat De Wevers kans op het premierschap in 2020 zijn enige is geweest. Al zou dat de formatie zeker niet minder gecompliceerd maken.

 


1983: Frankrijk of Europa?

6 januari 2024 


 Net na Kerstmis is in Parijs Jacques Delors zachtjes ingeslapen, 98 jaar oud. Gisteren is er een internationale rouwplechtigheid voor hem gehouden aan de Invalides in de Franse hoofdstad. Terecht prijst men Delors als de beste stuurman aan het hoofd van de EU-instellingen ooit, al kon hij dat natuurlijk ook maar zijn dankzij de volle steun van de Franse president François Mitterrand en de Duitse bondkanselier Helmut Kohl. 


 Maar nog boeiender is de geschiedenis van de vier jaar die Delors vertoefde in de Franse regering tussen 1981 en 1985, toen in Parijs voor Frankrijk en voor Europa cruciale sociaal-economische keuzes moesten gemaakt worden.  Aan het einde van deze Kerstvakantie dus een lang verhaal, dat veertig jaar later echter nog altijd heel actueel is omdat het de keuzes van onze tijd beter doet begrijpen.

 

 

 François Mitterrand (links op de foto, als president in 1983, met Delors, toen zijn superminister van Economie en Financiën) was 64 toen hij op 10 mei 1981 bij zijn derde poging dan toch president van Frankrijk mocht worden. Hij was geboren op 26 oktober 1916 als één van acht kinderen in een burgerlijke, katholieke familie van ambtenaren en agro-ondernemers, in Jarnac, een stadje iets stroomopwaarts van Cognac aan de Charente (het cognacbedrijf van Monnet huist tegenwoordig in Jarnac). Hij zou schitterend studeren, en advocaat worden.

 

 Maar in 1940 was hij dienstplichtige onderofficier  geweest, en krijgsgevangen, ontsnapt in 1942, dan ambtenaar voor het Vichy-regime geworden, uiteindelijk weerstander, en de politieke chef van een beweging van ex-krijgsgevangenen en gedeporteerden. Zo kwam hij in de politiek terecht, bij één van de vele kleine socialistische partijen in de marge op links van de heel grote communistische partij,  toen de grootste partij van het land. Mitterrand werd in 1947 verkozen in de Assemblee en meteen ook minister (van Oudstrijders).

 

 Hij klom op, tot Binnenlandse Zaken (onder Mendès-France in 1954) en Justitie (onder Mollet in 1956), twee posten die hem mee verantwoordelijk maakten voor executies en folteringen van Algerijnse onafhankelijkheidsstrijders. Het premierschap leek hem voorbestemd, tot De Gaulle in 1958 een einde maakte aan de Vierde Republiek. Als enige die de generaal durfde uit te dagen bij de presidentsverkiezingen in 1965 kwam hij met een onverwacht sterke score weer boven water.

 

 In 1969 ging hij ervan uit dat links na mei 1968 te gediscrediteerd was om kans te maken (wat een juiste inschatting bleek). In 1974 verloor hij met minder dan een procent van Valéry Giscard d’Estaing, de minister van Financiën van De Gaulle en Pompidou. Sinds de parlementsverkiezingen van een jaar eerder stond een partijpolitieke mijlpaal op zijn naam: voor het eerst sedert 1945 was de Parti Socialiste groter geworden dan de communisten.

 

 Mitterrand sterkte was zijn afstandelijkheid. Hij geloofde in de staatsraison, ging totaal on-emotioneel om met macht, ambieerde die als doel waarvoor de middelen heiligden. Hij liet zich door vermeende experts, noch door gebeurtenissen opjagen en beheerste perfect de kunst om een beslissing te nemen wanneer hij er de tijd rijp voor achtte. Toen Jacques Attali, de internationale adviseur van de president en diens kroniekschrijver, hem in 1985 vroeg wat de voornaamste kwaliteit van een politicus was, antwoordde hij: ‘Ik wou dat ik eerlijkheid kon zeggen, in feite is het de onverschilligheid.’

 

 Tegelijk was hij een gecultiveerd man, een boekenmens met een brede intellectuele kennis, die hij graag etaleerde. Altijd welopgevoed-formalistisch ook – slechts een handvol mensen sprak hem met tu aan -, en in zijn beste momenten uitermate charmant, onder meer in twee huwelijken en wat (bekende) buitenechtelijke avonturen. Zijn sterkte was ook zijn zwakte: Mitterrand werd heel zijn leven lang door zijn tegenstanders aangevallen op zijn ijskoud opportunisme. De Gaulle beschuldigde hem zelfs van collaboratie met het Petain-regime, niet ten onrechte, ook al was het maar heel even.

 

 Vier dagen na Mitterands verkiezing voor de stoel van De Gaulle in 1981 legde zijn staf een dik dossier op zijn tafel met alle politieke projecten die uitgevoerd moesten worden. Hij weigerde het open te doen. ‘Het zal aan de regering zijn om dat te bekijken,' verklaarde hij. Nu hij eindelijk zover was geraakt, zou hij zich positioneren zoals De Gaulle het presidentschap had geconcipieerd: grote lijnen en vooral buitenlandse zaken. Het is in die rol dat misschien wel zijn voornaamste – sommige zullen zeggen: enige – engagement ooit vorm kreeg: voor Europese samenwerking.

 

 De toen 31-jarige Mitterrand  had al in 1948 aan het legendarische Europese Congres van Den Haag deelgenomen, met prinses Juliana als gastvrouw en Winston Churchil als absolute vedette. Hij zou vanaf 1983 een ongewone band opbouwen met bondskanselier Helmut Kohl, karakterieel bijna een antipode. Er was natuurlijk al een traditie, van Adenauer en de Gaulle, van Schmidt en Giscard. Maar de band tussen Mitterrand en Kohl was evenwichtiger en daardoor waarschijnlijk de meest intense, op een niveau van verstandhouding dat sedertdien niet meer is herhaald.

 

Delors

 

 Daarvoor moesten Frankrijk en de Franse linkerzijde wel eerst door een proces van boetedoening. Al vanaf de eerste dag na Mitterrands overwinning liep het mis op de beurs van Parijs. De koers van de Franse franc daalde en de aandelen van de grote Franse bedrijven gingen in solden. Die laatsten zouden immers volgens het verkiezingsprogramma van de nieuwe president, het programme commun van socialisten en communisten, genationaliseerd worden. Na de vervroegde parlementsverkiezingen van 14 en 21 juni 1981, die de socialistische PS via het meerderheidsstelsel 285 van de 491 zetels in de Assemblee bezorgde, traden vier ministers van de tot 44 zetels gekrompen Parti Communiste de France toe tot de regering.

 

 Het kabinet kwam in handen van premier Pierre Mauroy, de 53-jarige burgemeester van Lille, die de sterkhouder was van het rode bastion in het uiterste noorden van het land. In de aanloop van de verkiezingen had hij een cruciaal bondgenootschap gesloten met Mitterrand tegen de andere clans van de PS. De belofte van een radicaal-linkse breuk met 23 jaar rechts bewind vertaalde zich in arbeidsduurverkorting (van 40 uur naar 39 zonder loonverlies), een vijfde week betaalde vakantie, belastingen op de grote fortuinen, pensioen op 60, en een verhoging van het aantal ambtenaren, naast loonsverhogingen onder syndicale druk natuurlijk.

 

 Daarnaast begon een feitelijke ‘uitzuivering’ van de macht, omdat rechts – de partij van De Gaulle vooral - al die tijd het staatsapparaat naar zijn hand had gezet, niet geheel onvergelijkbaar met de wijze waarop Viktor Orban dat dertig jaar later in Hongarije zou doen. Jacques Attali heeft in zijn volumineuze kroniek van Mitterrands presidentschap de sfeer beschreven waarin de nieuwe meesters in de eerste dagen door de staf van het Elysée bekeken werden als parvenus die de macht geusurpeerd hadden van zijn rechtmatige eigenaar.

 

 Het economisch concept achter de radicale koerswijziging was ‘de groei sociaal te stimuleren’, zoals Jacques Delors dat later beschreef. Delors, 55 was door Mitterrand tot minister van Economie en Financiën benoemd, en dus sleutelfiguur van het economisch beleid. Om hem wat te bewaken stelde de president de rijzende ster Laurent Fabius, amper 35, aan tot adjunct-minister voor het budget.

 

 De nieuwe super-minister kwam uit de katholieke arbeidersjeugd en het christelijk syndicalisme. Hij had even met de christendemocratische MRP van Schuman en Bidault geflirt, die na de oorlog een decennium lang sterk stond, maar evolueerde naar de socialistische strekkingen. Zijn vader was begonnen als loopjongen bij de Banque de France in Parijs, zijn moeder verdiende bij met naaien. Hun ambitie was het enig kind de beste studies te bezorgen. De oorlog verplichtte hen dat buiten Parijs, bij de familie in de Auvergne, te doen. Onmiddellijk na de bevrijding kon Jacques ook bij de Banque de France beginnen.

 

 Hij militeerde er in de vakbond, werkte zich op. In de jaren zestig verkaste hij naar het Commisariat du Plan (de creatie van Monnet). Dat maakte hem in 1969 tot adviseur op het kabinet van premier Jacques Chaban-Delmas (onder Pompidou), bij la droite dus, al was niemand in Parijs toen echt sectair. Na 1972 doceerde hij economie aan de universiteit van Parijs en de ENA, engageerde hij zich voor Mitterrand, was hij van 1979 tot 1981 Europarlementslid.

 

 Hij maakte opgeld als iemand die, zoals de West-Duitse bondskanselier Helmut Schmidt, klassieke economische visies kon verzoenen met even originele als pragmatische sociale hervormingen. Bovenal was hij ambitieus. Hij verzorgde uitstekend zijn eigen publiciteit, in een moderne omgang met de media. 


 Delors was een dossiervreter, een goed spreker, een nerveuze en gedreven man. Hij had een zachtmoedige kant, al beschreef Helmut Kohl hem in een gesprek met Mitterrand in 1986 in heftige bewoordingen: ‘Hij is opvliegend, je kan dat niet geloven. Als ik u was zou ik hem aanraden tien procent van zijn woede te gebruiken om zijn bureaucratie op te zwepen.’

 

 ‘Ons beleid was een reële ommekeer, waarvan de kost berekend moest worden,’ zo schreef Delors later met een absoluut understatement. ‘Ik ben op Financiën gestart in het volle besef van dat probleem, gezien de context in Europa en in de wereld.’ Die ‘context’ ging de andere richting uit: De eerste vrouwelijke Britse premier ooit, Margaret Thatcher, was sinds 1979 begonnen aan een radicaal beleid van afbouw van de staatsinterventie in haar land, door drastische besparingen en privatiseringen, door deregulering en belastingverlagingen en door een bikkelharde strijd om de wurggreep van de vakbonden op de Britse economie te breken.

 

 De nieuwe Amerikaanse president Ronald Reagan - hoogbejaard voor die tijd, want net nog 69 toen hij zijn eed aflegde - begon in Washington vanaf 20 januari 1981 aan een gelijkaardig beleid, al liet hij de militaire uitgaven drastisch stijgen.Hij liet vooral de Federal Reserve de interestvoeten fors verhogen om eindelijk een einde te maken aan de dubbelcijferige inflatie. Helmut Schmidt in de Bondsrepubliek probeerde al jaren iets gelijkaardigs maar moest rijden en omzien naar zijn eigen sociaaldemokratische achterban toe. De Benelux-landen gooiden in 1981 het roer om.

 

 De westerse wereld koos na 35 jaar keynesiaans beleid, met toenemende overheidsinterventie in de economie, stijgende inflatie en groeiende begrotingstekorten, voor een neoliberale koerswijziging. Die zou dertig jaar duren, de wereld als geheel een stuk welvarender maken, de Amerikaanse economie en de financiële wereld innoveren, en in het westen de herverdeling stoppen en de kloof tussen rijk en arm weer doen toenemen. Totdat vanaf 2007 de onthutsende bijwerkingen elkaar opvolgden: een ongeziene net niet fatale bankcrisis, ongecontroleerde migratie, de ontregeling van het klimaat en een heuse pandemie

 

Devaluaties

 

 Delors schetst in zijn memoires dat er in 1981 een kleine hoop was dat het aanzwengelen van de consumptie de Franse economie had kunnen stimuleren. Maar dat gebeurde niet, door het fundamenteel wantrouwen van de financieel welstellenden in links en door de inertie van het Franse bedrijfsleven. Dus gingen overheidstekort (- 3 % bbp) en handelsdeficit weer diep in het rood. Het probleem verscherpte nog door de snelle stijging van de dollarkoers onder Reagan, die Europa een derde oliecrisis (olie werd betaald in dollars) bezorgde.

 

 ‘Je moet nu eenmaal aanvaarden dat een democratie nood heeft aan afwisseling en dat die een prijs heeft,’ aldus Delors. Hij stelde dus net niet in zijn memoires dat er vanaf het begin rekening mee gehouden was dat het linkse project kon mislukken, maar dat men minstens naar de kiezer toe verplicht was een begin van uitvoering te geven. Was het daarom dat Mitterrand Delors, in de PS toch verdacht als ex-cabinetard onder Pompidou en vertrouweling van het internationale bankwezen,  benoemde op de sleutelpost van Economie en Financiën? ‘Het was inderdaad de laatste keer dat een regeerprogramma de traditionele dromen van links wenste uit te voeren,’ aldus Delors, ‘Dromen over de kwaliteit van het leven, van sociale rechtvaardigheid en van een betere verdeling van de vruchten van de nationale economie.’

 

 Het was dus een kwestie van tijd eer de opsplitsing van de weg bereikt zou worden: Frankrijk helemaal alleen een eigenzinnige linkse economische koers opsturen, met alle gevolgen – ook naar de Europese Gemeenschap toe. Of bijdraaien, mee-evolueren met de rest. Mr. President, I do not think your program will work,  sneerde Margaret Thatcher hem in volle vergadering toe, nadat Mitterrand als nieuwkomer was uitgenodigd om zijn economisch plannen te verduidelijken op de G-7 top in Ottawa op 20 juli 1981.

 

 Op zondag 4 oktober 1981 beslisten de ministers van Financiën van de Tien EU-lidstaten in Brussel tot de devaluatie van de franc, met 3 %, terwijl de D-mark met 5,5 % werd gerevalueerd. Bondskanselier Schmidt, die besefte dat links in Frankrijk eerst zijn dromen moest uittesten, gunde Mitterrand dat Bonn cijfermatig de zwaarste schok op zich nam. 


 Hij had vertrouwen in de nieuwe Franse president, die hem al drie dagen na zijn aantreden, tijdens Schmidts bezoek aan Parijs op 24 mei 1981, verzekerd had dat hij ‘niet van plan was uit het Europees Monetair Systeem’ te treden. Dat EMS was door Schmidt en Mitterrands voorganger Giscard in 1979 gecreëerd, samen met de Britse Commissievoorzitter Roy Jenkins, om na tien jaar onwezenlijke monetaire instabiliteit wat rust te herstellen. Schmidt waardeerde ook dat Mitterrand het standpunt van de bondskanselier over de omstreden plaatsing van nieuwe Amerikaanse kernraketten deelde, die de West-Duitse sociaal-democraat had gevraagd als tegenmaatregel tegen gelijkaardige Sovjet-Russische tuigen.

 

 De devaluatie van oktober vond plaats vier dagen nadat Fabius op de ministerraad van woensdagmorgen 30 september 1981 een Begroting had gepresenteerd met een verhoging van de uitgaven van 27 % en een deficit van 95 miljard francs of 2,6 % van het bbp.  Mitterrand had Fabius aangeduid om het budget naar de media toe uit te dragen, en dus compleet Delors gepasseerd.  


 Die had gezwegen op de ministerraad, maar kon in de late woensdagnamiddag al bijna triomfantelijk naar het Elysée bellen om te zeggen dat de franc onder zware druk stond en een devaluatie ‘voor dit weekeinde onvermijdelijk wordt.’ Mitterrand aanvaardde, omdat de devaluatie nog in de schoenen van voorganger Giscard geschoven kon worden. Hij stond Delors meteen toe een nieuwe begroting op te maken. Tegenover zijn collega’s in Brussel beloofde die 25 miljard franc besparingen. Fabius counterde op de ministerraad op 7 oktober met ‘maar 15 miljard.’ Mitterrand trancheerde: 15 miljard.


  De genomen maatregelen bleken onvoldoende en op zaterdag 12 juni 1982 volgde een tweede devaluatie, met 5,75 %, terwijl de D-mark met 4,25 % revalueerde. Ditmaal kon de blaam niet meer op de voorgangers geschoven worden. ‘Iedereen voelt de vernedering’, noteerde Attali, die ook de felle discussies op zondag 13 juni in het Elysée beschreef tussen de voorstanders van la rigueur, de besparings- en controlemaatregelen (Mauroy en Delors), en diegenen die nog een uitweg zochten via het opgeven van het lidmaatschap van het Europees Monetair Systeem (Rocard, Fabius, Chevènement). 


 Tien dagen later besliste de ministerraad een bevriezing van prijzen en lonen – op het bestaansminimum (SMIC) na – waarbij de facto het dertig jaar oude systeem van automatische indexering van de lonen werd opgegeven. De inflatiebestrijding kreeg nu toch voorrang. Mitterrand zelf, economisch overigens een dilettant, probeerde in de weken nadien nog Mauroy te corrigeren, door hem een programma van publieke investeringen en lage intresten op te leggen, via de genationaliseerde bedrijven en banken.


 Uiteindelijk lukte het wel de inflatie fors te doen dalen en op zijn minst het begrotingstekort te stabiliseren, maar het handelsdeficit bleef aangroeien. Frankrijk leefde boven zijn stand, en nog voor de gemeenteraadsverkiezingen van 6 en 13 maart 1983 – die links een nederlaag bezorgden – bereidde het kabinet een nieuwe devaluatie voor.

 

 Die kwam er, op maandagochtend 21 maart waarbij de franc 2,5 % lager werd afgeklokt, en de D-mark 5,5 % hoger. Delors kreeg, met de volle steun van Mauroy, vier dagen later op de ministerraad zijn zin: er kwam een saneringsplan van 20 miljard francs, waarvan een derde besparingen in de sociale zekerheid, een verhoging van de sociale bijdrage voor de pensioenen met 1,5 %, een voorafname op de personenbelasting van 1984, en zelfs een tijdelijk beperking van de muntruil voor de Fransen die op reis ging.

 

Premier

 

 Daaraan waren dramatische weken voorafgegaan. Mitterrand had het dilemma zelf op 19 februari 1983 al geschetst: ‘Ik ben verscheurd door twee ambities: die van de Europese constructie en die van de sociale rechtvaardigheid. Het Europees Monetair Stelsel is nodig om de eerste te doen slagen, maar beperkt mijn vrijheid inzake de tweede.’ En dus wisselde zijn keuze constant. Dat vermengde zich, na de eerste ronde van de gemeenteraadsverkiezingen, met de wil om Mauroy te vervangen. Il est usé, zei de president over de premier in die dagen. Feitelijk hanteerde Mitterrand opnieuw wat De Gaulle vanaf 1958 met de Vijfde Republiek had verwezenlijkt: de premier dient als zekering, en als toch de kortsluiting dreigt of toeslaat, steekt de president een nieuwe.

 

  Het Elysée probeerde eerst Mauroy, dan Delors te overtuigen om het EMS op te geven. Wie dat wilde uitvoeren mocht premier blijven/worden. Maar beiden weigerden – Mauroy met het argument ‘dat hij niet kon sturen op een ijzelbaan.’ De twee wisten finaal het beslissend argument boven te halen dat Mitterrand ertoe bracht eerst de devaluatie nog eens te proberen: de Franse deviezenreserves waren geslonken pas loin de zero. Er was gewoon geen geld meer om een vlottende franc, los van het EMS, eventueel te steunen.

 

 Zo ontstond de tactiek om de Duitsers, via de dreiging uit het EMS te stappen, ertoe aan te zetten een hoger percentage revaluatie van de D-Mark te aanvaarden dan Franse devaluatie, en zo het gezichtsverlies in Parijs te beperken.  In Bonn was echter sinds oktober een nieuwe centrum-rechtse West-Duitse regering  aan de macht gekomen onder Helmut Kohl, die op 6 maart 1983 de machtswissel bevestigd in vervroegde Bondsdagverkiezingen. Op 7 maart polste Mitterrand hem discreet over het scenario van muntherschikking. Bonn vond het Franse voorstel echter overdreven, zou dat ook op zaterdag 19 maart in Brussel nog doen.

 

 Jacques Delors kondigde op zondagmorgen 20 maart aan zijn collega’s in Brussel aan dat hij terug naar Parijs moest. Volgens Delors was dat om het dreigement met het verlaten van het EMS op die manier fysiek te maken. Attali brengt een ander verhaal: Delors wou in Parijs zijn op het ogenblik dat Mitterrand naar een nieuwe premier zocht. Die laatste, stomverbaasd, stuurde hem meteen terug. Diep in de nacht van zondag op maandag belde de West-Duitse minister van Financiën Gerhard Stoltenberg met Kohl. Die was ondertussen gecharmeerd geraakt door zijn eerste contacten met Mitterrand, en legde nu, tegen alle adviezen in, op dat men de Fransen moest helpen.

 

 Zo gebeurde ook. Later op die maandag in Brussel, waar om 17u ook een Europese Raad begon, had Mitterrand om 15 uur een gesprek van anderhalf uur met Delors, die hij gevraagd had in de Belgische hoofdstad op hem te wachten. Hij bood hem het premierschap aan, op voorwaarde dat hij zich zou verstaan met Fabius op Financiën en met Pierre Bérégovoy, de linksere secretaris-generaal van het Elysée, die minister van Sociale Zaken zou worden.

 

 Jacques mocht dus dirigent onder de president worden, van een weliswaar roder klinkend orkest. Het eeuwige spel van verdeel en heers. Delors, die het doorhad, vroeg de eindcontrole op Financiën te mogen combineren met het premierschap. De president weigerde, en Delors haakte af. ‘Ik wil mijn lot niet in de hand van één man leggen,’ vertrouwde Mitterrand een dag later toe aan Attali. Tegenover Delors erkende de president, een verwoed consument van geschiedenisboeken, ruim een jaar later ‘dat hij niet de rol van vadsige koning wou opnemen tegenover u als hofmeier.’

 

Brussel

 

   Zonder Delors, die dus op Financiën bleef maar wel van Fabius verlost geraakte voor Begroting,  bleef enkel Mauroy. Die had het nieuwe, harde beleid voorgesteld, ook al maakte die forse koerswijziging hem natuurlijk niet geloofwaardiger. De conclusie volgde een jaar later, op 17 juli 1984: Mauroy ging, na de forse overwinning van rechts bij de Europese verkiezingen.

 

 Laurent Fabius, tot dan minister van Industrie, werd de nieuwe Franse premier, de jongste ooit. Delors, die nog even hoopte, kreeg bevestigd dat hij naar Brussel mocht gaan, voor het voorzitterschap van de Europese Commissie. In het nieuwe kabinet van Fabius ontbraken de communisten. Die hadden de gelegenheid aangegrepen om, vanwege de rigueur, op te stappen. Attali somde in zijn dagboek triomfantelijk op hoe weinig ze bereikt hadden.

 

 De benoeming van Delors was door Mitterrand en Kohl geregeld in een reeks van gesprekken in het voorjaar. Beiden hadden de brave Luxemburgse Commissievoorzitter Gaston Thorn afgeschreven. Die had zichzelf finaal tot de rol van een eenzaam prekende Savonarola tegen de Europse stilstand gedegradeerd en dus zijn eigen machteloosheid gepromoot. Diens soliedere Belgische vice-voorzitter Etienne Davignon kon niet voor Mitterrand, omdat ‘men hem verwijt te dicht bij de Amerikanen te staan en teveel tot de EU-aristocratie te behoren’, zoals hij tegenover de Belgische premier Martens zei.

 

 Hij en Kohl werden het er over eens dat het ditmaal een Duitser of een Fransman moest zijn, om de EG weer wat dynamisme in te blazen. Kohl had de eerste keuze, kende zelfs een kandidaat, Kurt Biedenkopf, de CDU-topman van Noordrijn-Westfalen. Dat was een gewezen kompaan, die hij echter inmiddels wantrouwde en waarschijnlijk liever niet in de leidende rol in Brussel zag terwijl hij nog zijn eerste Europese stappen zette.

 

 Ook Mitterrand kende een kandidaat, zijn te vaak eigenzinnige en blunderende minister van Buitenlandse Zaken Claude Cheysson, die al commissaris in Brussel geweest was tussen 1977 en 1981, en die besefte dat zijn rol in Parijs was uitgespeeld. Maar de president suggereerde Delors aan Kohl, met de belofte dat nadien een Duitser aan de beurt kon komen. Wilde hij hem kwijt, als potentiële rivaal bij de verkiezingen van 1988?

 

 Delors verwees later in zijn memoires nogal bitter naar één van de laatste interviews van Mitterrand (die begin 1996 overleed) waarin die stelde dat de minister van Financiën vanwege zijn christendemocratisch verleden en parfum nooit genoeg gedragen zou worden door heel links en dus geen kans maakte. Vandaar dat Delors eind 1994  wel geflirt heeft met een kandidatuur voor het presidentschap, maar niet heeft doorgezet.

 

 Dacht Delors daar ook zo al over in 1984? Precies omdat Mitterrand toen niet zeker was zijn woelige minister te kunnen overtuigen zichzelf naar Brussel te verbannen, liet hij dat aan Kohl over, die het met veel verve deed en ook slaagde. Voor Kohl was Delors voldoende rechts – of noem het ‘pragmatisch’ - om aanvaardbaar te zijn. Zelfs Margaret Thatcher verdedigde nadien de keuze voor haar partijgenoten met het argument dat Delors had turned Mitterandism into Thatcherism.

 

Credo

 

 Van veel diepere impact dan die benoeming was dat iedereen de ommezwaai van het Franse beleid van 21 maart 1983 zou gaan beschouwen als het einde van vele sociaaldemocratische stokpaardjes, zoals die in de crisis van de jaren dertig waren ontwikkeld als haalbaar alternatief voor het officieel beleden marxisme, onder meer door de Antwerpse sociaaldemocraat Hendrik De Man. Die principes waren voor het eerst volop toegepast door de Labour-regering van Clement Attlee in Londen na 1945. Ze hadden het regeerprogramma van Mitterrand en Mauroy bemeubeld in 1981.

 

Op 24 maart 1983 omschreef Attali het besparingsplan-Delors in één zinnetje: On reprend ce qu’on a donné en 1981 (‘We pakken terug af wat we in 1981 uitgedeeld hebben’).Het werkte overigens. De speculatie tegen de franc nam af en het EMS groeide uit tot de basis van de euro. Mitterrand borg de socialistische dromen op en werd een sociaaldemocraat.

 

 Voor Felipe Gonzalez, met zijn socialistische partij pas aan de macht gekomen in Madrid in oktober 1982, was dit alles een hefboom om, zijn eigen instinct volgend, ook een koers van minste weerstand tegen het neoliberale tij aan te nemen. ‘Ik ben Mitterrand veel verschuldigd,’ zei hij aan de nieuwe Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken George Shultz half december 1982 toen die langskwam. ‘Hij kwam aan de macht met een grote meerderheid en een socialistisch ticket, net als ik nu. Hij voerde het socialistisch programma uit, en het resultaat was een catastrofe voor Frankrijk. Dat is mijn les: voer dat socialistisch programma niet uit. Blijf bij de markt. Moedig investeerders aan. Dat ga ik doen.’ Gonzalez bleef tot 1996 premier.

 

 Op 9 juni 1983 won Margaret Thatcher, gesterkt door haar overwinning in de Falkland-Oorlog tegen Argentinië, de grootste Conservatieve meerderheid in het Lagerhuis ooit, tegen een gedecimeerd Labour dat na zijn machtsverlies in 1979 zich teruggeplooid had op een radikaal-linkse koers. De Italiaanse socialist Bettino Craxi, die op 4 augustus 1983 in Rome premier werd en dat vier volle jaren zou blijven, deed hetzelfde, onder meer met de afschaffing van de scala mobile, de automatische loonindexering, om op die manier de inflatie te bestrijden. De sociaaldemocratische partijen zouden in de jaren tachtig en negentig meer en meer de macht veroveren in diverse landen van Europa, nadat ze zich grotendeels bij het credo van de liberale markteconomie hadden neergelegd.

 


Napoleon, de leegte

 

 22 december 2023


 Napoleon zag, kwam en verdween. Zo zou je Napoleon-experience uit Hollywood van dit najaar kunnen samenvatten. Een twee uur durend spektakel, dat je historisch geheugen wat opfrist, dat je uiteraard niet met een geschiedenisboek mag verwarren, en waarvan finaal ook niets blijft hangen.

 

 Ridley Scott, de Britse regisseur die net vijf jaar ouder is dan Joe Biden, kent zijn vak natuurlijk. Twintig jaar geleden produceerde hij Gladiator, een film die alles afgevinkt had wat op elke to do-lijst in Hollywood staat: grandioze decors en horizonten, majestueuze beelden, special effects, een originele score, een sterk verhaal met een onbaatzuchtige held en een waarlijk snode slechterik, spanning, een charismatische hoofdrolspeler (Russel Crowe), wat porties geweld tot op het niveau van net-nog-kunnen, en enkele bescheiden vleugjes seks die noch het Amerikaans publiek in de Midwest, noch de Arabische markt kunnen shockeren.

 

 Scott’s Napoleon dit jaar had de meeste van die ingrediënten. Noem het gerust een spektakelstuk, waarbij danig gebruik wordt gemaakt van surround-sound van kanonnen, van grandioze Franse decors en zelfs de piramiden van Egypte, waarbij je van de ene markante gebeurtenis in de andere tuimelt, aan een hels tempo. Er zitten zelfs een paar heel geslaagde pogingen in om in een flits even te laten proeven van een breed perspectief uit de geschiedenis, zoals bij de korte scène waarin Robespierre zijn filosofie uitlegt in de Assemblee.

 

Josephine

 

 Over de fouten tegen de historische werkelijkheid – en Scott’s arrogante reactie tegen de kritiek daarop (‘Get a life’) – is al veel geschreven. Ik ben geen Bonaparte-expert zoals de Vlaamse collega’s Bart Van Loo en Johan Op de Beeck, maar laat mij het samenvatten: het krioelt gewoon van de historische onjuistheden, in elke scene minstens een paar. Op zich is dat bij historische films niet eens ongewoon, al kan het ook anders, zoals bijvoorbeeld Oppenheimer de voorbije zomer bewees.

 

 Maar het valt op dat door de fouten ook details zijn blijven liggen die het spektakel nog meer hadden kunnen kruiden. Dat de jonge Bonaparte (op een Britse karikatuur uit 1813 hiernaast) Josephine afsnoepte van zijn mentor Paul Barras bijvoorbeeld – of dat die haar gewoon doorspeelde om de ambitieuze jonge generaal beter in het oog te houden, men weet het niet exact – had Scott niet mogen laten liggen. Er is dus duidelijk slordig gewerkt aan het script, anders dan inzake de uitermate verzorgde visuele details. Een niet ongewone budgettaire keuze overigens in de business.

 

 Wat Scott heeft kunnen vermijden is de oude Brits-Franse val. Tot niet eens twintig jaar geleden kon je geen Brits geschiedenisboek vinden dat positief was over Bonaparte, geen Frans dat hem afbrak. Twee eeuwen na de passies van toen! Die mentale patriottische muur is inmiddels gelukkig wat gesloopt, en Scott heeft dat meegenomen: hij portretteert Napoleon niet echt als een volslagen tiran, ook niet als een groot genie, maar eerder als een banale ambitieux.

 

 Het blijft wel allemaal vaag, ongetwijfeld omdat een 49-jarige, Joaquin Phoenix (de slechte keizer Commodus in Gladiator!) geen weg wist met zijn rol en dit project zakelijk en routineus afwerkt. Hij komt inderdaad ook te oud over: een blaag met een baby-face voor de jonge, nerveuze, ambitieuze Corsicaanse opdonder anno 1795 ware geloofwaardiger en qua impact ook sterker geweest.

 

 En dan is er natuurlijk het verhaal. Er is te veel om allemaal te vertellen, dat is bekend. Scott is in dat probleem verdronken, zoals Adam Zamoyski de Pools-Britse historicus die vijf jaar geleden een uitstekende Napoleon-biografie publiceerde, recent in een interview opmerkte: ‘Ik denk dat Scott ergens halfweg verloren gelopen is over de vraag wat voor film hij eigenlijk wou maken. Hij was begonnen aan een portret over Napoleon, maar is dan van richting veranderd en heeft dan een grotendeels fictief liefdesverhaal over Napoleon en Josephine gemaakt.’ Waaraan je alleen kan toevoegen dat hij ook uit het verhaal van die complexe relatie nauwelijks gehaald heeft wat erin zat.

 

Propaganda

 

 Er bestaat eigenlijk nog altijd geen goeie verfilming over de figuur Bonaparte. Net twintig jaar geleden (4 januari 2004) schreef ik in De Tijd een artikel over ‘De mythe Napoleon’, naar aanleiding van een Franse fictiereeks over Bonaparte, die toen net op Canvas begon. Ik sprak met Christian Castellan, die in Parijs een tweemaandelijks historisch tijdschrift uitgaf dat louter en alleen over Napoleon en zijn tijdperk ging.

 

 Hij had de serie uiteraard al gezien en dit was zijn conclusie: ‘De reeks is ongetwijfeld een mooie inspanning. En het gaat er me niet om dat een aantal details fout zijn, wat onvermijdelijk is in de simplificatie van het medium televisie. Maar ik miste een stuk subtiliteit en diepgang in de personages. En Christian Clavier heeft me ook niet overtuigd als hoofdrolspeler.’ (De reeks is nog te vinden, in Engelse versie, op youtube; Isabella Rossellini was Joséphine toen)

 

 Is het inderdaad onmogelijk om heel dat woelige en spectaculaire leven in twee of zelfs drie uur samen te persen, dan moet men misschien naar detailaspecten gaan, die toch representatief kunnen zijn voor het geheel. Der Untergang uit 2005, over de laatste tien dagen van Hitler, was daar een perfect voorbeeld van.

 

  Filmisch het meest waardeloos is vermoedelijk de periode waarin Bonaparte op zijn best was: als eerste consul tussen 1800 en 1804. Want het schrijven van wetboeken, en het maken van compromissen tussen kerk en staat, en tussen revolutie en de algemene heimwee naar de periode voordien, zijn niet echt spannende televisie, wel Napoleons enige erfenis die gebleven is. Het was toen dat zijn ongelooflijke werkkracht en zijn een-dimensionele manier van leven, louter gericht op politiek (en met tussendoor enkel wat vluggertjes zoals Scott nogal ordinair in beeld brengt), het meest rendeerde, vooraleer zijn fysieke aftakeling begon.

 

 Dus moet men waarschijnlijk op een paar spectaculaire fases blijven inzoomen. Een poging tot verklaring van zijn fenomenale opgang, bijvoorbeeld, inbegrepen wat hem tien jaar tot onoverwinnelijke generaal maakte. Of als familieman, die zijn brede Corsicaanse clan door en door corrumpeerde zonder zelf nochtans al te veel te graaien. Of inderdaad de relatie met Josephine uitdiepen, als twee gekwetste en jong cynisch geworden outsiders die in een immens woelige tijd elkaar een tijd vonden om samen de top te halen.

 

  Of finaal zijn Untergang in beeld te brengen, met als hoogtepunt de fysieke pijnen aan de vooravond van de slag van Borodino diep in Rusland in 1812, die hem deden vermoeden dat het geluk hem had verlaten. De eenzame jaren in Sint-Helena zijn ook een schitterend verhaal, waarbij hij in alle frustraties daar diep in de Atlantische Oceaan toch de meester van de propaganda bleef die van daaruit zijn legende voedde als nooit tevoren. Ideaal voor flash-backs trouwens.

 

Ordinair

 

 Wat onthouden we vandaag van Napoleon? In de eerste plaats natuurlijk dat hij een exponent was van zijn tijd: de periode waarin het duizend jaar oude Ancien Regime als maatschappij-ordening instortte, waarin christendom als religie werd ingeruild voor nationalisme, waarin de militaire techniek het plots weer mogelijk maakte hele landen en zelfs rijken te veroveren, in plaats van louter steden en vestingen zoals in de driehonderd jaar voordien.

 

 Wat was Bonapartes persoonlijke extra-inbreng daarin? Dat hij tijdens zijn militaire opleiding alle militaire klassiekers had verslonden, en dus maximaal gebruik wist te maken van de mogelijkheden van het revolutionair leger, onder meer in de inzet van artillerie en, zoals bij Caesar, van maximale snelheid van uitvoering. 


 Dat hij, ongetwijfeld vanuit zijn nederige afkomst, veel beter dan al de revolutionaire leiders – veelal afgestudeerde advocaten – van tussen 1789 en 1799 besefte dat er wel degelijk vernieuwing nodig was, maar ook dat de mensen na tien jaar chaos weer snakten naar stabiliteit en orde (wat Stalin, ook zo’n on-intellectuele ambitieux, in 1924 ook een paar jaar had begrepen). 


 Dat hij harteloos kon zijn, zoals bij het bloedbad onder de royalisten in Parijs in 1795 dat hem, zoals verhoopt, het vertrouwen van het revolutionair bewind bezorgde. En dat hij risico’s durfde nemen natuurlijk, berekend meestal, maar soms ook puur va banque.

 

 Wat bleef er van over, na 1815? Enkel de erfenis van de eerste consul zoals gezegd. Voor de rest moest ook Bonaparte surfen op events, just events, in een bijzondere stroomversnelling van de geschiedenis dan nog. Zijn Achillespees was precies datgene wat hem aan de top had gebracht. In 1799 had Frankrijk de hele linker-Rijnoever – tot Koblenz, Keulen en Nijmegen – onder controle, en, dankzij Napoleon, ook Italië. Dat kon de rest van Europa niet aanvaarden. Hij kon, met zijn zwakke legitimiteit, die veroveringen uiteraard niet teruggeven.

 

 En dus was er altijd oorlog, het eeuwige bijproduct van onstabiele tijden. Hij kon die enkel winnen door zelf telkens brutaal in het offensief te gaan, zoals hij al in Toulon en Italië had gedaan vooraleer hij de macht greep. Finaal liep het slecht af, niet eens zozeer vanwege de Engelsen – die hem nochtans in Egypte, nabij Trafalgar en in heel Spanje een hak konden zetten – dan wel vanwege Rusland, waar de tsaar en de zijnen zijn offensief ontweken in een eindeloze terugtocht, tot zijn leger leeggebloed was.

 

 Daarbij is ook het laatste beeld van Ridley Scott’s film fout, waarin hij een miljoen doden als ultieme aanklacht aan Napoleons adres suggereert. Adam Zamoyski onder andere rekende al uit dat in de twaalf jaar van Napoleons veroveringen er niet meer doden vielen in het Franse leger dan in de tien revolutiejaren tussen 1789 en 1799. En dat naar verhouding minstens evenveel soldaten sneuvelden in de legers van al de naties die hem bestreden. Ook op dat vlak was Napoleon misschien toch meer ordinair dan zijn spectaculaire biografie doet vermoeden.

 

  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De Lage Landen, anno 1506

 6 december 2013


 Na wat gegrasduind te hebben aan de rand van de actualiteit keren we met onze geschiedenisblog terug naar een ver verleden: ruim vijfhonderd jaar geleden, het jaar 1506. Toevallig botste ik recent bij opzoekingen op een merkwaardige beschrijving van de Bourgondische Nederlanden. De auteur is de ambassadeur van Venetië aan het hof van de net gestorven hertog Filips, de vader van de latere keizer Karel. De diplomaat blijkt bijzonder geïntrigeerd door de handelsgeest van de bevolking in de Nederlanden, de schoonheid en zelfstandigheid van de vrouwen, de kwaliteit van de muziek, de algemene culinaire koorts en wat hij toch omschrijft als ‘de frigiditeit van de mannen en vrouwen.’

 

 In juli 1506 keerde Vincenzo Querini, de 28-jarige ambassadeur van de stadstaat Venetië, huiswaarts. Hij deed dat na de dood van hertog Filips van Bourgondië, even oud als hij, bij wie hij ambassadeur was sinds maart 1505. Hij reisde mee met de hertog toen die in januari 1506 in Vlissingen naar Castilië inscheepte, om daar, samen met zijn vrouw Johanna, de troon van haar moeder op te eisen, Isabella van Castilië, die eind 1504 gestorven was.

 

 Querini maakte dus de hele reis mee, inbegrepen de landing en het verblijf in Engeland, na een storm kort na het vertrek. Hij was bij de kroning van Filips tot  koning van Castilië op 12 juli 1506 in Valladolid, maar vertrok kort nadien huiswaarts. Hij vernam vermoedelijk in Venetië de plots dood van de hertog-koning op 25 september in Burgos. Daarmee was zijn opdracht meteen ten einde.

 

 Sinds 1296 bepaalde een Venetiaanse wet dat vertrekkende ambassadeurs een rapport moesten schrijven voor de Doge, de gekozen leider van de republiek Venetië, en voor de Senaat daar. In dergelijke rapporten brachten ze een overzicht van de leiders, de instellingen en de bevolking van de gebieden waar ze vertoefd hadden, vaak ook met zoveel mogelijk cijfergegevens (financiële vooral), die van belang konden zijn voor de grootste maritieme en handelsstad van Italië, die het schatrijke Venetië toen nog was.

 

 Querini had gestudeerd in Padua, in het Italië van de renaissance, filosofie in de eerste plaats. Hij las en schreef Latijn, maar verstond ook Grieks en zelfs wat Hebreeuws. Hij schreef gedichten en later, in 1513, een uitgebreid traktaat over noodzakelijke hervormingen in de kerk, vier jaar voordat Luther zijn actie begon.


Momentopname

 

 Querini is onder historici vooral bekend vanwege zijn brieven vanuit Mechelen naar Venetië, die een onschatbare bron vormen om uit te maken of hertogin Johanna (later de Waanzinnige genaamd) inderdaad niet bij haar verstand was, dan wel dat haar toestand als excuus is gebruikt  door haar vader en haar man om haar als eerste troonopvolgster van Castilië uit te schakelen. Querini zelf dacht oorspronkelijk het tweede, vlak voor zijn vertrek was hij eerder overtuigd geraakt van het eerste.


 Zijn rapport over de Bourgondische landen - hij noemt het geheel Borgogno - getuigt van een goed analytisch vermogen, een mooie schrijfstijl en de mercantiele nuchterheid die men van een Venetiaanse ambassadeur mocht verwachten. We geven hier een fragment weer, zijn beschrijving van de Bourgondische landen en hun bevolking. Die strekten zich toen uit van Atrecht tot Utrecht en Amsterdam, en van Boulogne tot Luxemburg en Roermond, maar zonder het prinsbisdom Luik.

 

 Het is een unieke en gedetailleerde momentopname van wat op dat moment nog even veruit het rijkste, meest bevolkte, meest verstedelijkte en economisch sterkste gebied ten noorden van de Alpen was. Querini merkt op dat Antwerpen daarin het handelscentrum is geworden, al is Brugge volgens hem de tweede grootste stad van de Lage Landen. Wel heerst er op het ogenblik van het verslag van de ambassadeur grote onzekerheid: hertog Filips is net gestorven, zijn vrouw (Johanna de Waanzinnige) zit sinds een paar maand opgesloten in Tordesillas en hun oudste zoon Karel (de latere keizer) is amper zes.

 

 Hier gaat zijn verhaal (De foto hiernaast is een beeld van het Hof van Busleyden in Mechelen, de voormalige residentie van de edelman Francois de Busleyden (en later van zijn broer). Die was de meest invloedrijke raadgever van hertog Filips, tot aan zijn dood op 57-jarige leeftijd in Toledo, tijdens de eerste reis van de hertog naar Spanje in 1502. Busleyden was geboren in Aarlen, en heer van wat vandaag Bouleide/Baschleiden is, een Luxemburg grensdorp in de buurt van Bastenaken):


 

‘De landen van de hertog van Bourgondië zijn allemaal verenigd, en zeer groot. Ze hebben als grens aan de ene kant Frankrijk, aan de andere dat deel van Duitsland dat reikt tot Straatsburg, Trier en Keulen, aan een derde zijde Friesland, aan de vierde de zee. Binnen deze grenzen zijn er tien provincies: Vlaanderen, Brabant, Artesië, Henegouwen, Zeeland, Holland, Namen, Luxemburg, Gelderland en een deel van Picardië. Sommige van die provincies liggen in de vlakte, andere in de bergen, sommige aan zee. Ze zijn alle dichtbevolkt, rijk en met een groot aantal steden, kastelen en dorpen.


Graan

 

 Daaronder zijn er in totaal 143 ommuurde locaties, sommige zo klein dat men ze eerder als grote kastelen kan beschouwen. Andere zijn zo groot dat ze enkel nog een bisschop missen om ze steden te kunnen noemen.  De middengroep telt zo’n drie- tot vijfduizend woningen, de grote zes- tot vijfentwintigduizend. Brugge heeft er vijfentwintig duizend, Antwerpen twintig- tot vijfentwintigduizend, maar is rijker aan handel dan welke andere ook. Gent heeft er twintigduizend, Brussel twaalfduizend, Leuven tienduizend, ’s Hertogenbosch en Mechelen achtduizend, Atrecht en Amsterdam zes à zevenduizend.



'Er zijn in dit land drie dingen van allerhoogste kwaliteit. Heel fijne en mooie lakens vind je in overvloed in Holland. Voor tapijten met prachtige figuren moet je in Brabant zijn. En het derde is de muziek, waarvan je enkel kan zeggen dat ze perfect is'


 

 Ze zijn allemaal mooi en goed gelegen, de meeste in een laagvlakte waar ze gemakkelijk toegang hebben tot het nabije water. Ze pronken alle met kloosters en kerken. Ze zijn rijk omdat alle burgers handelaars zijn, en het volk ambachtsmensen, waarvan het grootste deel bezig is met laken en tapijten weven, en de rest met de dingen die nodig zijn in een stad.

 

 Je vindt in dit land daarnaast ook zo’n vijftienhonderd dorpen, waarvan sommige een klein beetje ommuurd zijn. De meerderheid van deze dorpen telt zo’n honderd vijftig woningen, sommige tweehonderd en enkele driehonderd. Daar weven zowel mannen als vrouwen lakens. Weinigen bewerken het land, want er zijn maar weinig landerijen in verhouding tot het aantal mensen dat werkt. Toch is er altijd voldoende graan, maar niet genoeg wijn, want in dit land groeien niet genoeg druiven om voldoende wijn te maken.

 

 Er zijn in dit land en op het platteland ook veel kerkelijke goederen, die aan tienden per jaar tot zeventigduizend dukaten opbrengen (een ruwe schatting leert dat het jaarloon van een wever in de Nederlanden in die dagen ongeveer vijftien dukaten bedroeg). Er zijn ook monniken en nonnen, waaronder die van Sint Benedictus, Sint Bernardus en Sint Augustinus, en de Kartuizers. Je vindt kloosters die 162.000 dukaten inkomsten per jaar verwerven. De groten hebben tienduizend dukaten, de middengroep zeven- tot achtduizend, de kleintjes vijftienhonderd tot tweeduizend. Er zijn ook monniken in dit land die niet zo voorbeeldig leven als zou moeten.


Muziek

 

 Er zijn in dit land drie dingen van allerhoogste kwaliteit. Heel fijne en mooie lakens vind je in overvloed in Holland. Voor tapijten met prachtige figuren moet je in Brabant zijn. En het derde is de muziek, waarvan je enkel kan zeggen dat ze perfect is (la quale certamente si può dire che sia perfetta).

 

 De inwoners van dit land consumeren voortdurend vier dingen om te kunnen leven: bier, gezouten boter, haringen en turf. Dat laatste is een soort aarde vol met wortels, dat, als je het in stukken snijdt, brandt zoals steenkool. Die vier dingen worden in die mate geconsumeerd en gebruikt, dat een familie niet tevreden zal zijn als ze al deze dingen niet elk jaar geleverd krijgt. Daarom noemen ze die ‘de vier elementen van Vlaanderen’, en eigenlijk van al de andere, eerdergenoemde provincies.

 

 Het totaal aantal inwoners van die landen kan je op ongeveer tweehonderdduizend woningen schatten. In dat aantal zitten ook de vele heren van kastelen en dorpen, die ongeveer met vijftig moeten zijn. De meest aanzienlijke onder hen is de graaf van Nassau, die vijftienduizend dukaten inkomsten per jaar boekt. De middengroep daar int zes- tot zevenduizend, de kleinste twee- tot drieduizend.

 

 Allen zijn onderworpen aan de hertog, maar ze zijn niet verplicht een stuk van hun inkomen aan hem af te staan. Integendeel, de hertog bezorgt allen een dotatie uit de inkomsten van het hertogdom. Wel is het zo dat als hun heer hen oproept tot de oorlog, dat ze dan gaan, en dat iedereen in verhouding tot zijn inkomsten gewapende mensen meebrengt.



 'Er is geen ongeloof inzake godsdienst, en ook geen jaloezie, zelfs al zijn de vrouwen hier doorgaans buitengewoon mooi en huiselijk'

 

 Die heren plegen niet al te luxueus te zijn, zowel in hun kleding als inzake begeleiders wanneer ze reizen. Maar bij hen thuis willen ze schitteren, en spenderen ze meer dan wat ze aan opbrengsten binnenkrijgen. Het is hun gewoonte om grote kosten te maken bij het eten en drinken. Ze tafelen graag met de heren van de hertog. Die laatsten hebben geen andere zorgen dan uit eten te gaan, of beter gezegd: aan tafel te gaan met de voornoemde heren. Zouden ze anders doen, het zou hen grote schande opleveren.


Opstand

 

 De mensen van al deze gebieden zijn van nature goedaardig, houden van hun heer, blijken goede christenen. Ze zijn niet zo vlot in de conversatie en maken zich ook niet teveel zorgen over hun kleding. Alle mensen zijn verslaafd aan koopwaar, bezoeken af en toe de tavernes, en vinden in geen ander vleselijk genoot zo’n genoegen als in eten en drinken.

 

 Ze komen nogal snel in opstand als hun heer er niet is, en heel vaak tegen hun regeerders. Daarom zou het kunnen dat het nieuws van de dood van hun koning en hertog (hertog Filips was net koning van Castilië geworden) ze weer in opstand doet komen tegen hun regering, tenminste toch zolang ze niet door de Fransen worden aangevallen. Want in dat geval zijn allen het weer eens om zich te verdedigen.

 

  Ze zullen dan gunsten en regeringen van om het even wie aanvaarden. In de eerste plaats die van de rooms-koning (Maximiliaan, de vader van hertog Filips, die sinds 1486 ook Duitse koning – ‘rooms-koning’ – was en nog steeds wachtte totdat de paus hem de keizerskroon zou opzetten). Die zal om het land van zijn kleinkinderen te verdedigen tegen de Fransen redelijk snel naar Vlaanderen komen. Maar nadat hij hen verdedigd zal hebben, en de zaken tot rust zijn gekomen, zal het best zijn dat hij naar Duitsland terugkeert. Want datzelfde volk wil ook niet door Duitsers worden geregeerd.


Plezier

 

 Met dit alles kunnen die mensen inderdaad als goed worden omschreven, want er is bij hen geen hang naar luxe, geen diefstal, geen schuld, haat of afgunst te vinden, zoals wel op vele andere plaatsen. Er is ook geen ongeloof inzake godsdienst, en ook geen jaloezie, zelfs al zijn de vrouwen hier doorgaans buitengewoon mooi en huiselijk.

 

 De kledij van die vrouwen bestaat uit een zwarte mantel die ook het hoofd bedekt, zoals bij ons de ongehuwde jonge vrouwen. Ze veranderen die kledij ook nooit. Ze hebben wel vrolijke gewoontes. De tijd die hen nog blijft na de arbeid spenderen ze aan dansen, zingen, musiceren. Ze doen dan niets anders dan zich aan het plezier over te geven. Daarnaast beheren ze het huis en de huiselijke taken, zonder enige inmenging vanwege hun mannen.

 

 Bovendien is hier het gebruik dat, als vrouwen getrouwd zijn, ze hun bruidsschat en de bezittingen van de man samenvoegen. Wanneer de man sterft gaat de helft naar de vrouw, de andere naar de kinderen, of terug naar de ouders als er geen kinderen zijn. En als de vrouw als eerste sterft, gaat de bruidsschat naar de kinderen, of naar de man als er geen kinderen zijn, en als hij sterft terug naar haar ouders.

 

 Het is de gewoonte bij vrouwen van al de genoemde landen om hun dochters, wanneer die de huwbare leeftijd hebben bereikt, onder te brengen in enkele kloosters die zich Begijnen noemen. Daar zijn vele kleine huisjes en vrouwen die niet willen huwen, naast velen die op het punt staan te trouwen. Ieder staat voor zichzelf in. Velen vervaardigen doeken en textiel. Velen verwerven ook enige rijkdom.

 

 Ze leven eervol, omdat ze zichzelf bewaken. En ook omdat de vrouwen en mannen van dit land frigied zijn (perchè le donne e uomini di questa pase sono frigidi), en heel ver van elke luxe blijven, meer dan ik in welk ander land ook heb gezien.’

 

 

 

 

 

 



Walsen op een aardschok

 25 november 2023 


 Niets is zo boeiend in het beschrijven van geschiedenis als de onverwachte gebeurtenis die de bestaande orde overhoophaalt. Tot kort voor de exitpoll van de Nederlandse verkiezingen voor de Tweede Kamer om 21u woensdagavond dacht ik, op basis van alle peilingen, dat Den Haag andermaal een nieuwe trend zou zetten: de restauratie van een partijlandschap gedomineerd door de drie voormalig grote traditionele partijen. Dat waren dan de liberalen, de met groen versterkte sociaaldemocraten, en een nieuwkomer met een toch niet helemaal te verbergen christendemocratisch parfum. En toen won de PVV van Wilders, met een straat voorsprong.

 

 Puur mathematisch is de score die de PVV van Wilders woensdag liet optekenen maar een beetje een uitschieter. Met 37 zetels bezet die partij voortaan net niet een kwart van de Tweede Kamer. Bij zijn vier verkiezingsoverwinningen tussen 2010 en 2021 behaalde Mark Rutte maar één keer meer zetels: 41 in 2012. De PvdA won in dat jaar ook 38 zetels. In 2002, 2003 en 2007 bleef het CDA winnaar, telkens nog boven 40 zetels.

 

 Voor het jaar 2000 was het normaal dat de grootse fractie meer dan 30 % van de zetels binnenrijfde, met 1994 en eventueel 1971 – toen de drie christelijke fracties nog samen het CDA moesten worden - als uitzondering. Toch lijkt de trend van de voorbije decennia naar versnippering van het partijlandschap toe op zijn minst afgeremd, zoniet omgebogen. Het zetelaantal van de drie grootste fracties in de Tweede Kamer samen was altijd meer dan 100 voor 2006. Sedertdien daalde dat tot een dieptepunt van 72 in 2017, met al een sterk herstel in 2021 (82) en nu toch alweer veertien zetels meer dan zes jaar geleden: 86.

 

Stichting


 De aardschok van de Nederlandse Tweede Kamerverkiezing van woensdag zit niet zozeer in de cijfers, wel in de winnaar, de PVV (de afkorting staat voor Partij voor de Vrijheid, en niet voor ‘Partij voor Vrijheid en Vooruitgang’, zoals bij de de voorloper van de VLD in Vlaanderen voor 1992). Vooral is er de verrassende voorsprong: 12 zetels op de tweede, het kartel van Groen Links en PvdA van Frans Timmermans. Wilders’ partij was in de laatste peilingen inderdaad aan een opvallende comeback bezig. Maar alle prognoses gaven de partij in het beste geval een nipte toppositie, met maximum een zetel voorsprong.

 

 De voor de hand liggende conclusie is dat de peilers weer onbetrouwbaar zijn gebleken. Maar ze waren toch vrij unisono. En ze slaan zelden de bal mis bij Nederlandse verkiezingen. Het kan dat het NOS-verkiezingsdebat aan de vooravond van verkiezingsdag zwaar de doorslag heeft gegeven. Zelf vond ik dat Wilders daar inderdaad sterk voor de dag kwam, net als Pieter Omzigt en tot op zekere hoogte Frans Timmermans (minder dan vroeger, omdat aan hem slijtage kleeft). Dilan Yesilgöz zwalpte in die uitzending, in tegenstelling tot haar optredens de dagen voordien, toen ze verraste als onverwacht sterk.

 

 Het historische van de uitslag is vooral dat de PVV een ongewone partij is, zelfs als men de omstreden term 'populisme' wil vermijden.. Voor de eerste maal sinds de Tweede Kamer vanaf 1848 rechtstreeks wordt verkozen is de grootste fractie niet liberaal, socialistisch of confessioneel-christendemocratisch. In België kennen ze die frappante nieuwigheid sinds 2010, in Italië sinds 1994, in Zwitserland sedert 1999.  In Duitsland hadden ze dat - dat is bekend - ooit eens in 1932 gehad, in Frankrijk bijna tien jaar lang na de Tweede Wereldoorlog, met de communisten. In Italië zetelen de 'populisten' ten laatste sinds 2017 in het kabinet (maar wat was Berlusconi dan?), in Oostenrijk zo'n zeven jaar sinds 2000, in de Scandinavische landen af en toe, in Zwitserland al een kwarteeuw ononderbroken.


 Bovendien is de PVV geen uitgebouwde partij:  ze heeft geen leden, houdt dus geen congressen. De enige centrale structuur op nationaal niveau is de fractie van de verkozenen. Fracties zijn blijkbaar ook de partijstructuur op lokaal niveau. Op zich hoeft dat geen handicap te zijn. Partijen werden in een grijs verleden opgericht om de verkozenen en de ministers beter te controleren op hun beloftes aan de kiezer, omdat die individueel in hun wetgevend werk allemaal beïnvloedbaar en omkoopbaar waren, door de koning, de overheid, de lobby’s en bedrijven. De facto zijn die partijen – zeker in België – vandaag geëvolueerd tot on-transparante structuren, met weinig betalende vaak heel oude leden (soms heel vreemd gerekruteerd), en volstrekte onduidelijkheid over hoe lijsten worden samengesteld en hoe de gelden voor verkiezingscampagnes worden ingezameld en verdeeld.

 

 Vraag is dus hoe dat allemaal bij Wilders verloopt. Op de website van de PVV bestaat bijvoorbeeld een oproep om te doneren aan de Stichting Vrienden van de PVV. Die blijkt gereglementeerd door de verkiezingswetgeving in Nederland – die ik niet in detail ken – maar de PVV is niet meteen de meest transparante om die toe te passen. De genoemde Stichting heeft enkel een voorzitter: Geert Wilders uiteraard. Het bevestigt de indruk die je in Nederland vaak hoort dat het Wilders zelf is die alles bepaalt in de partij. Uiteraard doet hij dat ongetwijfeld met een ploeg trouwe medewerkers die voor hun trouw ook hun beloning zullen opeisen. Hij zal daar nu wat mankracht moeten bijzetten.

 

 Nagaan hoe dat allemaal voortaan zal functioneren wordt nog leuk werk voor journalisten en echte politologen (niet diegenen die op het niveau van slechte journalisten de waan van de dag nog uitvergroten):  hoe gaat de besluitvorming verlopen, waar gaat de input vandaan komen voor een regeerakkoord, is er een studiedienst, of heeft men een netwerk van lobby’s? En vooral: hoe gaat die uitermate licht gestructureerde partij dat plotse succes beheersen? Als grootste fractie is zij voortaan de eerste om te mogen kiezen bij de verdeling van vele mandaten en portefeuilles. Onvermijdelijk zal de appetijt groot zijn, zeker bij trouwe oudgedienden die jaren de spitsroeden van de goegemeente hebben getrotseerd.

 

Vrouwen

 

 Tegelijk moet de partij op zoek gaan naar nieuwkomers, expertise op alle mogelijke terreinen verwerven, managers en bekwame teamleiders van zo grote equipes aantrekken.  Succes lokt, en dus zullen de kandidaten wel toestromen. Maar daar het kaf van het koren scheiden, is altijd moeilijk. Je moet op zoek naar het fragiele evenwicht tussen oude rotten en nieuwe gladjanussen. En bij die laatste er op letten dat het een goede mengeling wordt van toch wat degelijke figuren met een establishment-parfum  – al dan niet uit de Randstad, maar liefst niet teveel - en echte buitenstaanders die echter meer  in hun mars moeten hebben dan het louter luidruchtig verkondigen van hun frustraties. 

 

 Dat wordt geen sinecure en zal tijd vergen. Vergelijk het met wat Bart De Wever in Belgiê overkwam. In amper een jaar tijd steeg hij met zijn NVA – na de breuk met kartelpartner CD&V in 2008 – eerst naar 13 % bij de Vlaamse verkiezingen van 2009, en dan even plots op 28 % bij de federale verkiezingen een jaar later. Finaal, bij de aanslepende federale regeringsonderhandelingen, koos De Wever in de zomer van 2011 er toch voorzichtigheidshalve voor uit de Belgische regering te blijven. Hij liet die over aan Elio di Rupo, die met een oneindig geduld zijn beurt had afgewacht. De NVA kreeg tijd om zichzelf in de oppositie een structuur en een partij-apparaat te geven, wat ze tegen 2014 ook grotendeels verwezenlijkte.

 

 Wilders heeft echter veel meer nog dan De Wever het profiel van outsider, provocateur, anti-establishment figuur, tribuun van de onvrede van de provincies over ‘die van Den Haag’. Hij heeft om minister-president te worden iets meer zetels nodig dan het aantal dat zijn PVV verwierf. De helft van zijn regeringsteam en van zijn meerderheid gaat dus onvermijdelijk bestaan uit figuren die hij niet alleen met zijn uitspraken de bomen ingejaagd heeft – en nog jaagt, als je Sigrid Kaag zag – maar die precies tot de kringen behoren waarop hij zo nadrukkelijk heeft gespuwd. Die gaan in het beste geval de jeuk in hun vingers moeten doven om rekeningen te vereffenen. Daartoe zal wel een zachte dwang groeien. Want de modale Nederlandse kiezer verwacht van Den Haag dat constructief regeren veel belangrijker wordt geacht dan partijpolitiek scoren, veel meer alleszins dan in de op dat vlak uitermate anarchistische en vaak onvolwassen Belgische politiek.

 

 De contra-indicatie voor de onregeerbaarheid van Wilders is dat hijzelf ooit een VVD-mandataris was. Hij was Tweede Kamerlid voor die partij tussen 1998 en 2004. Hij werkte daar toen zelfs een poosje samen met de gediplomeerde historicus Mark Rutte, toen een twijfelachtig aankomend talent. Wilders was natuurlijk ook tussen 2010 en 2012 rechtstreeks betrokken bij het regeringsbeleid van het eerste kabinet Rutte, dat door zijn tot 24 zetels uitgegroeide PVV-fractie gedoogd werd. En na twee jaar opgeblazen.

 

 Er zal deze dagen druk gezocht worden naar getuigen van die periode: hoe ging dat toen met Wilders, kan je met hem afspraken maken, dingen zeggen die hij niet meteen tegen je gebruikt, discreet openingen aftasten over moeilijke knopen? Of is hij ook in het echt het ongeleid projectiel dat hij naar de media toe projecteert? Men zal wat moeten zoeken. Bekijk de lijst van dat kabinet toen en je ziet dat quasi alle excellenties inmiddels uit de politiek zijn, de laatste, Rutte zelf, inbegrepen. Pieter Omzigt was toen, op zijn 36ste, nipt Kamerlid geworden, maar verzette zich binnen het CDA tegen de samenwerking met de PVV, en dus tegen het kabinet.

 

 Het zijn al die kleine elementen van nieuwigheid die ervoor zullen zorgen dat de formatie heel traag op gang komt. Het voorbeeld van Giorgia Meloni in Italië helpt niet: zij had haar meerderheid in het parlement al verworven op verkiezingsdag. In Nederland zal er nu eerst veel verkennings- en aftastwerk nodig zijn. Vertrouwen opbouwen tussen partners die minstens in het publiek elkaars bloed dronken is niet gemakkelijk. Bovendien moet ook Wilders wennen aan het centrum van de macht, de dagelijkse focus op het Torentje van het Binnenhof. Als straks de PVV-armada de Tweede Kamer binnenzeilt, zal er bijvoorbeeld meteen gekeken worden of het aandeel van vrouwen in de fractie – één op acht in de vorige Kamer – toch tot een proportie gegroeid is die je van een partij van de zelfverklaarde minister-president van alle Nederlanders mag verwachten. (De voorlopige uitslag doet één op zes vermoeden).

 

Gibbon

 

 Dat is dan nog beheersbaar als rel. De kans is echter ook groot dat er tussen de 37 fractieleden wel ergens een clevere veertiger (M/V) zit die snel het vak in de vingers krijgt en op grote hoop gaat leven: laat de ouwe maar zijn nek uitsteken, en als die in dat proces gevorderd is en wat versleten geraakt, hang ik hem met steun van onze achterban op aan zijn eigen uitspraken van vroeger. Wilders zal dat ook wel beseffen en moet dus voorzichtig vooruitgaan, zijn schepen schip voor schip en met lange tussenpozen verbranden. Hij heeft, zeker voor een verkiezingsoverwinnaar op de avond van de verkiezingen, al van een geweldige deemoedigheid blijk gegeven in het willen overtuigen van zijn reïncarnatie als in de grond zacht-geaarde leider van alle ‘Nederlanders’ (een nog nader te definiëren begrip in dit geval).

 

 Edward Gibbon, de Engelse historicus die twee en halve eeuw geleden de nog altijd lezenswaardige Decline and Fall of the Roman Empire neerschreef, gaf ooit dit als wijze raad mee: als je twijfelt tussen een verheven en een banaal motief om iemands daden te verklaren, kies dan het banale, want dat is het meest waarschijnlijke. Het hemd is nu eenmaal nader dan de rok. Politici zijn ook mensen die willen vooruitgaan in het leven, erkend willen worden, hun loon willen zien stijgen (al was het maar om thuis te overtuigen dat al die afwezigheden niet voor niets waren).

 

 In princiep is daar niets fout mee, want de democratie, als ze goed werkt, beloont diegenen die het best verwoorden en uitvoeren wat de kiezer vraagt. Dat je daardoor je eigen overtuigingen voortdurend moet aanpassen is niet eens fout, zolang het niet zo opvallend gebeurt dat je je eigen geloofwaardigheid schaadt. Politiek is  een métier dat toch een zeker vakmanschap vergt dat slechts langzaam wordt verworven. Politici mogen daarvoor ook beloond en goed betaald worden. Op voorwaarde uiteraard dat er sterk onafhankelijk toezicht blijft dat de sterke verleiding van zelfbediening – want politici zitten aan grote knoppen – tegengaat.

 

 In die zin moet je altijd mogelijke echte motieven achter de officiële blijven zoeken, een beetje zoals  het tv-programma De Ideale Wereld telkens weer illustreert met de sketch van ‘de woordvoerder’.  Als Dilan Yesilzög vrijdag aankondigde dat haar VVD geen deel wilde uitmaken van een volgende coalitie, begonnen velen meteen te moraliseren of dat nu een goed, slecht en/of democratisch billijk standpunt was. De interessante vraag is die naar het motief van dit besluit. Officieel de verkiezingsnederlaag natuurlijk. Maar misschien is de positie van Yesilzög gewoon te wankel om zich aan regeringsonderhandelingen te verbranden. En vraagt de VVD gewoon tijd om intern eerst orde op zaken te stellen. Vroeger zou zo’n fractieleider dat discreet en wat omfloerst aan toekomstige coalitiepartners laten weten hebben. Maar kan je dat zo vertrouwelijk ook aan Wilders en de PVV doorgeven?

 

 Het toont hoe moeilijk het zal zijn om de ambitie van Wilders waar te maken om minister-president van alle Nederlanders te worden. Niemand zal, uit angst voor de kiezer, het wagen hem meteen het bos in te sturen: hij heeft een te sterk mandaat meegekregen. Maar er is tijd nodig: tijd om vertrouwen op te bouwen met mogelijke en toekomstige coalitiepartners; tijd om de eigen wilde uitlatingen en voluntaristische kreten – laat staan het ‘minder Marokkanen’ - wat te doen vergeten; tijd om die te verzachten en om te turnen tot sterke voorstellen die regeringsbeleid kunnen worden en zelfs beleid van Europa (zeker als het om migratie gaat); tijd om daarna stapje voor stapje die bijgeknede voorstellen in de vorm te gieten van een gedetailleerd besluit van een ministerraad dat alle toetsen van administratie, Raad van State, overleginstellingen van het poldermodel en – niet te vergeten – het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kan doorstaan.

 

Sterveling

  

 Het lijkt een echte Sisyphus-klus. De geschiedenis leert echter ook dat het parfum van de macht dermate bedwelmend kan zijn dat het zelfs ogenschijnlijk gigantische hinderpalen op een zwaar parcours zachter en lichtvoetig te passeren maakt. Je hoeft niet verder te kijken dan de Belgische revolutie van 1830 om een voorbeeld te vinden van hoe radicale en veelal klungelige jonge heethoofden die een halfslachtige revolutie ontketenden toch – minstens voor een deel van hen – uitgroeiden tot bekwame regeerders die lang aan de macht bleven. Dansen op een aardschok, en eindigen met een fraaie wals, het is nog gebeurd.

 

 Het kan dat Wilders heel snel tot de conclusie komt dat het vormen van een regering hopeloos is. Maar dat biedt hem, als persoon, als individu, weinig perspectief: de uitlaatklep van een heftige klaagzang, misschien zelfs nieuwe verkiezingen, waarin hij echter nooit 50 % zal halen. Eerder is het risico dan groot dat de kiezer, die hem nu een op frustratie gebouwd wankel vertrouwen heeft geschonken, concludeert dat hij het niet kan. En hem dumpt.

 

  Neen, tracht de winnaar van de Nederlandse verkiezingen ook heel even te duiden als gewone sterveling, zoals u en ik. Dat is, in het historisch onderzoek tegenwoordig trouwens een trend, zeker voor koningen en vorsten uit het verleden die vroeger al te vaak en te gemakkelijk op het voetstuk van de adoratie werden geplaatst. Ook Julius Caesar is al lang niet meer die geniale veldheer, schrijver en staatsman van weleer, maar vooral een verschroeiend ambitieus politicus die Gallië enkel kwam veroveren om voldoende inkomsten te stelen om in Rome militair dictator te kunnen worden. 


 Mij lijkt het dat zich voor Geert Wilders, in zijn zestigste levensjaar, nu vooral totaal onverwacht het perspectief opent om, na vijftien jaar spitsroeden, catacomben en marginaliteit in het establishment, zijn carrière een schitterend slotakkoord te geven. Iets waar hij misschien wel nog van droomde toen hij op zijn dertigste als VVD’er in het Randstad-gebied Utrecht begon.  Dat hij daarin slaagt is nog altijd vrij onwaarschijnlijk. Er is de tijd die nodig zal zijn en die in contrast staat met de hijgerige media-aandacht en de permanente waan van de dag. Er zijn de grote en sombere slagschaduwen van zijn eigen verleden. Er zijn de boobytraps en wolfijzers en schietgeweren die liggen te wachten. Er zijn de foutjes en fouten die zich onderweg onvermijdelijk gaan voordoen.

 

  Maar never say never, zo leert ons de geschiedenis. Wilders als minister-president klinkt vandaag immers even onwaarschijnlijk als de inschatting op 24 februari 2022 dat Oekraïne het langer dan een paar weken kon volhouden tegen de Russische overmacht. Derk-Jan Eppink, sinds woensdag gewezen lid van de Tweede Kamer, schreef, als gewezen journalist van de Standaard destijds, dat er in de Brusselse Wetstraat op een dag gemiddeld meer te beleven viel dan op een maand aan het Binnenhof in Den Haag. Ook dat mantra is aan herziening toe. 



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Waterland Vlaanderen

 18 november 2023


 Toch een beetje geschrokken gisterenmorgen bij het lezen van een interview van Patrick Willems, hoogleraar hydrologie aan de KU Leuven, in De Standaard. ‘We moeten dijken afbreken in plaats van ze te verhogen’, luidde de titel op de frontpagina. Nu is zo’n titel altijd te gebald, en ik hoop dat de rest van het interview de gedachtegang correct weergeeft. Ook dan vraag ik me nog af of de professor de watergeschiedenis van de Lage Landen kent en ingecalculeerd heeft.

 

 Ik heb de voorbije dagen wel vaker gedacht aan de jaren negentig. Ook toen hadden de Ijzervlakte en de Westhoek te kampen met overstromingen, net als zeker de Maasvallei (in 1993 en 1995) en als ik me goed herinner toen ook de mensen langs Dender en Demer. Ook toen was dat vaak na overvloedige regenval. De Vlaamse overheid is nadien begonnen met een bouwverbod in uiterwaarden en het aanleggen van overstromingsbuffers. En dat heeft, voor zover ik dat kan inschatten, vaak gewerkt.

 

 Een ramp als die van de Vesdervallei van 15 juli 2021 – met veertig doden – is wat nu gebeurt uiteraard niet. Dat was wat Duitsers een Jahrhundertflut noemen, en, gezien de gemeten neerslag waarschijnlijk zelfs een millenniumvloed. Van een dergelijke vloed daar vele eeuwen eerder is geen getuigenis bewaard gebleven, misschien ook wel omdat de Vesdervallei tot het jaar 1750 grotendeels agrarisch en dun bewoond was.

 

 (Ik blijf tussen haakjes twijfelen aan de onmiddellijke toewijzing aan de klimaatverandering als ‘schuldige’ van die ramp. Het klassieke argument dat warmere temperaturen meer regen in de lucht houden totdat die dan neervalt, ging in dit geval niet op omdat in het betrokken gebied – ook in het Rijnland – al ruim drie weken relatief koude temperaturen werden genoteerd (zie de klimaatstatistieken van het KMI: https://www.meteo.be/nl/klimaat/klimaat-van-belgie/klimatologisch-overzicht/2021/juli#&gid=1&pid=1 ). Over de andere mogelijke oorzaak – de langdurigheid van regenval doordat de weertypes steeds langduriger geclicheerd geraken – kan men discussiëren. Er was inderdaad wel al sinds 20 juni vrij veel maar niet ongewoon veel neerslag aan het vallen, waar dan op 14 juli de zondvloed in het gebied tussen Maas en Rijn bovenop is gekomen.

 

 Ik ben niet de enige die wat nu gebeurt vergelijkt met de jaren negentig, ook het KNMI doet dat: https://www.knmi.nl/over-het-knmi/nieuws/2023-maakt-een-einde-aan-reeks-droge-jaren . Rustig en bedaard, zoals Nederlanders dat doen als ze het over wateroverlast hebben. Dit is voorlopig een normale afwijking van ons weerpatroon, zoals we die om de paar decennia meemaken, en dus beheersbaar, weliswaar tegen de achtergrond van een over heel het jaar heel geleidelijk toenemende regenval, haast zeker door de klimaatverandering.

 

 Dijken


 Dan ga je toch even schrikken bij het lezen van een interview dat aangekondigd wordt met de hierboven vermelde titel, en, in de inleiding als pleidooi voor ‘een radicaal andere aanpak’ tegen ‘grote overstromingen.’ Hydroloog Patrick Willems van de KU Leuven ontkent in zijn besluit niet ‘dat de kosten niet min zijn’ maar verantwoordt dat meteen met verwijzing naar de ramp in de Vesdervallei: ‘Daar moesten achteraf kapitalen aan schadevergoedingen worden uitgekeerd en dat geld ben je finaal kwijt.’

 

 De tekst van het interview zelf is, zoals vaak, een stuk minder hot en alarmistisch, en gelukkig maar. Als ik het goed begrijp pleit Willems vooral voor een uitbreiding van de al toegepaste methodiek om meer natuurlijke buffers  in te schakelen om de watertoevoer naar de benedenlopen van de rivier af te remmen. We hebben die inderdaad in de loop der eeuwen versneld door in te dijken, recht te trekken. Hij noemt ook stuwdammetjes, maar daar komt wel wat beton bij te kijken uiteraard.

 

 ‘Gebieden teruggeven aan het water’, noemt Willems dat, en waarom ook niet. Hij preciseert ook dat ‘vlakbij woonbuurten we er wel degelijk kunnen voor kiezen om de dijken nog wat te verhogen.’ Het laten onderlopen van land is dan eerder voor ‘gebieden tussen twee woonkernen in, of laaggelegen gronden die nu worden gebruikt voor de landbouw.’ Daarvoor ‘moeten die landbouwgronden dan natuurlijk geherlokaliseerd worden.’ De boeren, net even niet woest over stikstof, zullen het graag horen.

 

 Iets meer moeite had ik met de stelling dat als je baggert, water weg pompt en de dijken verder verhoogt ‘het water nog sneller zal wegspoelen naar de valleien’, en dat ‘het nog massaler over de dijken slaat.’ Die snellere afvoer zal wel kloppen, maar dat het nog meer over verhoogde dijken gaat slaan, begrijp ik niet echt. En dan: ‘Dan zullen we over een jaar of tien alleen maar tot de conclusie komen dat we eigenlijk van vooraf aan moeten herbeginnen. En gaan we dan de dijken opnieuw verhogen? Zo ontstaat een vicieuze cirkel, omdat we telkens dezelfde fouten herhalen.’

 

 Zo zijn we net niet – of net wel? – bij de affirmatie aanbeland, dat hoe meer we de dijken verhogen, hoe meer water er over zal slaan. Ik probeer desondanks te begrijpen. Ik vermoed dat de professor bedoelt: als we nu nog nieuwe dijken zouden maken, die de watergeul nog krapper en rechtlijniger maken dan nu, dat die, ongeacht de hoeveelheid pompen die we daarop zetten, alleen maar de kans op overstromingen gaan verhogen. Ik probeer dat allemaal als heel redelijk en logisch te interpreteren.

 

 Polders


 Het toeval wil immers dat ik als historicus de laatste jaren ook wel gefascineerd ben geraakt door de geschiedenis van de polders. (zie onder meer deze blogposts: https://www.rolffalter.com/blog#h.4y9pcnwz2qd7 , https://www.rolffalter.com/blog#h.vxe4kw4hn0j0 ) Niet alleen in Nederland, maar ook en vooral in het hedendaagse Vlaanderen en Noord-Frankrijk. Niet langer dan een maand geleden heb ik daar nog een verhaal over gebracht, over de nieuwe kwetsbaarheid van Saint-Omer en omgeving, aan het eind van een lezing in Haarlem: (https://zonderland.blogspot.com/2023/11/canon-verhaal-en-vaderlandse.html )

 

 De kern van het poldergegeven in de Lage Landen is dat ook in het hedendaagse Vlaanderen pakweg een vijfde van het grondgebied uit polders bestaat: van de Ijzervlakte tot tegen Ieper aan, tot de hele kuststreek, het Zwingebied tot Brugge, het Meetjesland, het Waasland, en het rivierengebied rond Antwerpen tot net bezuiden Mechelen. (Zie de kaart als foto, met deze link voor wie in detail wil gaan: https://nl-be.topographic-map.com/map-lqq9m/Vlaanderen/?center=51.16434%2C3.52658 )

 

De kustlijn en de oevers van de Westerschelde liggen vandaag gemiddeld pakweg 25 km verder dan rond het jaar duizend. Die poldergronden zijn voor het grootste deel ingedijkt geworden tussen de jaren 1100 en 1400. Dat proces is het vroegst begonnen in het oude graafschap Vlaanderen, waarschijnlijk het eerst in en om Saint-Omer en heel snel daarna in de zeegeul tot Ieper (de Ijzervlakte) en de Zwingeul rond Brugge.

 

 Dat verklaart de interesse van de historici, want precies op die ingepolderde gebieden ontstonden ook telkens handel, welvaart en steden. Een echt antwoord over de band tussen die twee hebben de historici nog niet gevonden, al had het de oude Pirenne het al over 'vrijere Vlaamse boeren' in die gebieden, die, omdat ze vrijer waren dan in de oude feodale dorpen, ook meer gingen produceren. Gent is een geconcentreerd voorbeeld van wat in het graafschap Vlaanderen gebeurde: de tweede grootste stad van West-Europa in de middeleeuwen is gebouwd in de meanders en moerassen van de samenvloeiing van een kronkelige Leie met een even kronkelige Schelde. Gent is meer nog dan Brugge een levende overwinning op het water.

 

 Dat fenomeen van inpoldering heeft zich nadien herhaald in het hertogdom Brabant (van Mechelen via Antwerpen tot Breda en Bergen-op-Zoom, en vooral langs de hele benedenloop van Maas en Rijn), en in Zeeland en het graafschap Holland. In dat laatste werd het een echte beleggingsstrategie om nieuwe landbouwgrond te creëren via polders, waaruit onder meer het Haarlemmermeer, en vier vijfde van de huidige provincie Noord-Holland zijn voortgekomen. De meest recente winningen zijn de Wieringerpolder rond Den Oever net voor 1940, de nieuw provincie Flevoland in de voormalige Zuiderzee, waarvan de expansie eind de jaren zestig is stopgezet, en de nieuwe Maasvlakte voor Rotterdam, die de kustlijn met 3,5 km verlegde, en in 2012 in een eerste fase voltooid geraakte.

 

 Nederland, dat weet iedereen daar, zou voor 60 % van zijn territorium regelmatig onder water gezet worden, als het geen dijken, gemalen (pompen) en grachten had. In vele kleine musea over het land kan je leren hoe die technologie zich ontwikkelde: van gewoon kanaliseren van water om het via sluizen in zee te laten lopen bij eb (zoals dacht ik nog steeds voor een stuk gebeurt aan de Ijzer), naar – vanaf de 16de eeuw – Archimedesschroeven en windmolens en steeds sterkere pompen, die later met stoom en vandaag met elektriciteit worden aangedreven. Om die laatste te genereren, gebruikt men in de 21ste eeuw ook massaal weer … windmolens, maar dan van de nieuwste generatie.

 

 Heel die waterhuishouding wordt bestuurd vanuit de waterschappen, die men om de vier jaar verkiest, samen met de andere lokale besturen (de volgende verkiezingen zijn voor 2026). In die waterschappen vinden discussies plaats over hoe hoog of laag het polderwater mag komen, bijvoorbeeld voor de landbouw in een droge zomer. Boven al die waterschappen troont aan de rand van Den Haag het ministerie van Rijkswaterstaat, het grootste van Nederland, omdat het ook instaat voor al de openbare werken.

 

 Plannen op dertig jaar is daar niet alleen een filosofie, maar gezien de kwetsbaarheid van het land ook levensnoodzakelijk. De hedendaagse discussies lopen vooral rond twee uitdagingen: hoe de stijging van de zeespiegel en eventuele sterkere stormen opvangen die door de opwarming van de temperaturen ontstaan, en hoe tegelijkertijd beheren dat het land weliswaar heel langzaam toch altijd een beetje verder inzinkt door het voortdurende polderen. Nederland zoekt daarvoor systematisch de meest ecologische oplossingen – op die manier werd recent ook de Afsluitdijk verhoogd – maar er is quasi niemand die twijfelt dat dijken, ‘malen’ (ons pompen) en afwateren meer dan ooit het motto zullen blijven.

 

 Diversiteit


 Wie het allemaal fijntjes wil nalezen kan ik alleen maar het boek Leefbaar Laagland van G.P. Van de Ven e.a. aanbevelen, een twee kilo dikke turf die Rijkswaterstaat destijds om de tien jaar realiseerde in opdracht van de Verenigde Naties om landen met een gelijkaardige waterhuishouding (denk aan Bangladesh, Vietnam of de delta rond Shanghai) te leren hoe Nederland dat heeft aangepakt sinds een heel ver verleden. De jongste editie dateert, vrees ik, van 2004, kost zo’n 50 euro online, is taai om te lezen, maar levert voor wie de moeite doet, ook één van de meest fascinerende verhalen uit de wereldgeschiedenis op.

 

 Wat daar in staat geldt dus ook voor twintig procent van het grondgebied van Vlaanderen, en een klein stukje Noord-Frankrijk. Onze dichte bevolking, onze steden, onze welvaart, zijn in de mist der tijden gebouwd op polders, dus op steeds betere en sterkere dijken, pompen en afwateringen. In Haarlem heb ik een maand geleden verteld wat er in Saint-Omer aan de hand zou kunnen zijn, nadat men daar misschien even dat hele verhaal uit het oog was verloren. Dat was voor de overstromingen daar.

 

 Kortom, ‘dijken afbreken’ is vermoedelijk maar een remedie voor beperkte stukjes land buiten het bewoond gebied dat in de dichtbevolkte Lage Landen de regel is. De Ijzervlakte, op zich de bedding van een heel korte stroom die grotendeels door polderland trekt, heeft aan een dergelijke stelling niets. Het heuvelland van Brabant en Haspengouw, of van de Vlaamse Ardennen waarschijnlijk wel. De droge Kempen met hun magere landbouwgrond – en daartussen nog wat veen – is dan weer een ander verhaal.

 

 Je moet vooral redeneringen vermijden die er finaal op neerkomen dat je elk huis dat kwetsbaar is voor overstromingen beter afbreekt om te vermijden dat het ooit een beetje onder water zou kunnen staan. Tot op zeker hoogte is dat logisch, maar in de Lage Landen inderdaad nooit totaal. Je kan de Vlaamse overheid, en de haar adviserende professoren, alleen maar blijven aanmoedigen om ook in hun besluiten en remedies de diversiteit te blijven cultiveren, zelfs als het om waterhuishouding gaat. En vooral om eerst telkens ter plekke te blijven kijken en er ook het verleden na te gaan. 


Gaza en geschiedenis

 9 november 2023


 Telkens er ergens een oorlog uitbreekt, wordt er vrijwel onmiddellijk diep in het verleden gegraven. Met de oorlog in en om Gaza, die op 7 oktober begon, is dat niet anders. Dat teruggrijpen naar het verleden is een tweesnijdend zwaard. Met geschiedenis rijt je oude wonden open. Maar ze levert ook het dieptezicht dat de felle emoties kan kaderen, en hopelijk helpt oplossingen aan te reiken. Vandaar, hier, wat uiteraard hoogstpersoonlijke overwegingen over heden en verleden in en om Gaza.

 

 Het meest vreemde aan de slachtpartij van Hamas op 7 oktober blijft hoe verrast het overvallen Israël was, veel meer dan de islamistische Palestijnse terreurorganisatie naar eigen zeggen zelf had verhoopt. Net die week was er immers wereldwijd massaal aan herinnerd hoe Israël vijftig jaar eerder verrast was door de Egyptische en Syrische invasie op 6 oktober 1973 (zie mijn blog van 5 oktober: https://www.rolffalter.com/blog#h.retffh16mc9p)

 

 De analyse van wat fout liep zal nog diepgaand gemaakt moeten worden. Maar nu al weten we dat aan Israëlische zijde de bewaking faalde, de technologie ook, en dat een reactie verbazend lang uitbleef. Hamas slaagde in het uitsturen van dwaalsporen, en, zoals Osama Bin Laden op 9 september 2001, in een strikte geheimhouding, en een maximaal verrassingseffect. Mensen zijn routinebeesten. Het onverwachte voorspellen vergt zeldzame creativiteit, en kan hoe dan ook niet voorbereid worden, omdat mogelijke scenario’s dan oneindig talrijk worden. Wel moet men scherp blijven op onverklaarbare, maar wel onrustwekkende signalen, die er ook ditmaal waren. Die scherpte was er niet, net als vijftig jaar geleden.

 

Wraak

 

 De Hamas-militanten, goed betaald naar blijkt, en ongetwijfeld ook met wat coke of ander spul in de aderen, hebben niet alleen in enkele uren 1500 mensen in koelen bloede vermoord. Ze deden dat vaak ook met een uitermate sadistisch genoegen, filmden het met Go Pro-camera’s, om de beelden te verspreiden op sociale media. We kennen dat al, van de praktijken van IS nu alweer zes tot negen jaar geleden. Uiteraard is dit bedoeld als propaganda: kijk eens welke vernedering wij die almachtige Israëli’s kunnen toedienen.

 

 Waarschijnlijk had het ook tot doel de tegenstander tot maximale razernij te brengen. ‘Wij hopen op een permanente oorlog’, zei één van de Hamasleiders tegenover de New York Times.  Wie zijn militaire geschiedenis kent weet dat mensen die permanent op oorlog aansturen, dat doorgaans doen uit eigen belang: de eigen promotiekansen via meer macht, of geldgewin, al dan niet via de huurlingen en wapenbusiness, zoals bij Poetins vermoorde maatje Yevgeni Prighozhyn. Misschien speelt ook het absurde ideologisch motief mee, dat extreem-linkse terreurgroepen zoals de Rote Armee Fraktion in West-Duitsland en de Rode Brigades in Italië in de jaren zeventig bezigden: de vijand tot dermate brutale repressie brengen,  dat het volk finaal in opstand komt tegen het onrechtvaardige ‘systeem’.

 

 Het leverde alleszins Joe Bidens mooiste moment van zijn ambtstermijn op. Tijdens zijn wat mislukte blitzverplaatsing naar het Nabije Oosten op 18 oktober, liet hij een voor een Amerikaanse president ongewone nederigheid blijken: ‘Gerechtigheid moet geschieden. Maar ik waarschuw: hoe logisch ook dat je woedend bent, laat je er niet door leiden. Na 9/11 waren wij, de Verenigde Staten, woedend. Terwijl we gerechtigheid zochten, en ook verkregen, hebben we fouten gemaakt.’

 

 Israël leek in eerste instantie inderdaad op wraak uit te zijn. De heftigheid van de bombardementen op Gaza, de algemene mobilisatie en het heel gespierde taalgebruik getuigen daarvan. Het Israëlisch leger doet ongetwijfeld inspanningen om het aantal doden onder zijn soldaten te beperken en om de schade voor de twee miljoen Palestijnen in dat gebied te minimaliseren. Het verschil met vroeger is dat het nu honderd procent gaat voor doeleinden die Hamas verzwakken – lanceerplatforms, wapenopslagplaatsen, een waanzinnig uitgebouwd netwerk van ondergrondse tunnels – zonder nog echt te kijken hoeveel burgerslachtoffers daarbij vallen. Hamas, dat geen sikkepit bezorgd is om het volk dat het zegt te verdedigen, kiest immers precies dat soort plekken, en moskees, om een maximale verontwaardiging te creëren bij een Israëlische aanval.

 

Media

 

 Jeruzalem begint dat, naarmate de initiële woede wegebt, te begrijpen. Het beseft dat de vernietiging van Hamas – of op zijn minst zijn krijgers en infrastructuur in de Gaza-strook - in de tijd gespreid moet worden. Een minder snelle opeenvolging van schokkende nieuwsbeelden versnelt de drang van media-redacties om de dure correspondent terug te roepen, omdat er niet regelmatig genoeg iets strafs meer te serveren valt. Bovendien reageren de westerse kijkers – en tot op zekere hoogte ook een deel van de Arabische – steeds meer gelaten op de zoveelste flitsen van chaotische evacuaties van bloedende gewonden, liefst met een kindje in close-up, die we nu al veertig jaar lang telkens zien terugkeren en die nooit veranderen.


  De Serviërs van Slobodan Milosevic beheersten dat effect van kijkcijfers-slijtage al tijdens de Joegoslavische burgeroorlog in de jaren negentig, totdat ze hun hand overspeelden in Srebrnica. De Verenigde Staten hebben, met een kleine schare bondgenoten onder wie België en Frankrijk na de aanslagen van 2014-16 in Brussel en Parijs, die tactiek succesrijk toegepast in het verslaan van de Islamitische Staat van Syrië en Irak (ISIS), tot en met de finale aanval op Mosul in 2018. Die oorlog, die drie jaar duurde, en ongetwijfeld ook burgerslachtoffers heeft gemaakt bij de vele westerse luchtaanvallen, heeft quasi nooit de headlines van de wereldmedia gehaald, laat staan die van Vlaanderen. Media zijn een onderdeel van de oorlog, en het is elke generaal geraden hun werking altijd best in te calculeren.


 Ik wil dit als cynische realiteit formuleren, al bedoel ik het zeker niet cynisch. De verwijten die daarbij naar de journalisten worden uitgestuurd die hierover allemaal berichten zijn onterecht, ook al hebben onvermijdelijk sommigen slordig werk geleverd. Het is de taak en zelfs de plicht van journalisten te blijven berichten over de gruwelijkheid van elke oorlog, ongeacht de strategische motieven van diegenen die hogerhand aan de knoppen zitten.

 

Bombardementen

 

 Oorlog zoals in Gaza blijft natuurlijk ongelooflijk brutaal, en helaas geraak je met het oorlogsrecht niet ver. Hoe reageer je op een aanvaller die in zijn initiële acties elke regel van dat oorlogsrecht heeft geschonden (en zich daarbij beroept op eerdere schendingen door de overvallen tegenstander)? Wat doe je als niemand – maar dan ook werkelijk niemand - bereid is de vluchtelingen van de oorlog uit hun belegerde stad te helpen?

 

 Vooral: welk alternatief heeft Israël als repliek voor wat het is overkomen? Gaat iemand hen genoegdoening, excuses, correctie, schadevergoeding vanwege Hamas kunnen bezorgen? Of gaan we aan Jeruzalem vragen de 1600 vermoorde burgers gewoon door te slikken, tot de orde van de dag over te gaan of die wandaden zelfs te begroeten met concessies naar vrede toe? In princiep eindigt elke oorlog op onderhandelingen, en dus kan je evengoed vroeger beginnen praten dan te wachten tot er een doorbraak is aan deze of gene kant. In de meeste van de oorlogen uit het verleden, waarvan we alleen de meest spectaculaire onthouden, kwam die doorbraak er trouwens niet eens.

 

 Maar gaat dat princiep ook op als je met Al Qaeda, Hamas, of IS te maken hebt? Ze doen, als ‘islamo-fascisten’ zoals de Franse premier Manuel Valls ze ooit noemde, toch snel aan de nazi’s denken. Churchill heeft ook de Duitse steden tussen 1943 en 1945 laten platbombarderen, met een bijna perverse perfectionering naar zoveel mogelijk burgerdoden toe, en met vele honderdduizenden doden en immense verwoestingen tot gevolg. De geallieerden zouden daarvoor ongetwijfeld ook de atoombom gebruikt hebben moest ze vroeger klaar zijn geweest.

 

 De militaire efficiëntie van die stadsbombardementen is altijd dubieus geweest. Maar de geallieerden hadden andere motieven: onderhandelen met Hitler leek hen onmogelijk, dus konden ze Berlijn enkel doen capituleren, iets waartoe ze ook in staat waren (die laatste voorwaarde is essentieel uiteraard). En het was zaak ditmaal de Duitse bevolking zelf te laten voelen dat de oorlog zich ook tegen haar kon keren. Dat leek zo te moeten, nadat ze – mede omdat Duitsland in 1918 niet veroverd was – na het Verdrag van Versailles geweigerd had de in wezen nochtans al desastreuze nederlaag te aanvaarden. Uit rancune bracht ze tien jaar later de extreme revanchist Adolf Hitler via verkiezingen aan de macht. Tussen de ruïnes van hun steden en bij massale hongersnood tussen 1945 en 1948 hebben de Duitsers dat ook begrepen, mede natuurlijk omdat minstens hun westerse overwinnaars heel ongewoon veel geld en eten gingen aanreiken aan de verslagen bevolking.

 

Macho-vrijheidsstrijder

 

 Sommigen beweren nog steeds dat Hamas het extreme, maar onvermijdelijke product is van decennia Palestijnse onderdrukking. Ja en neen. Ja, omdat het zionistisch project dat nu bijna een eeuw geleden Israël creëerde, het altijd te vanzelfsprekend heeft gevonden dat joden massaal gingen wonen in een gebied dat al bewoond was (wat ook de vermeende historische aanspraken van beide partijen zijn). Neen, omdat alle Palestijnse leiders, gesteund door grote delen van hun bevolking, altijd gekozen hebben voor geweld als voornaamste verzetsmiddel, ook toen de tegenstander sterker bleek.

 

 Een eerste maal gebeurde dat in 1948 toen men na de deling die was opgelegd door de Verenigde Naties een Arabische ‘bevrijdingsoorlog’ startte die faliekant afliep (foto: Arabische vluchtelingen toen, op weg naar Libanon). In de jaren zestig greep Yasser Arafat , de leider van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) naar het wapen van de terreur (denk aan de Olympische Spelen van 1972), toen nog vrij bescheiden naar hedendaagse normen. In de jaren zeventig probeerde zijn PLO zowel in Jordanië als in Libanon een staat in de staat te creëren, met gewapende afpersingspraktijken als dagelijkse routine, totdat ze daar met geweld werd verdreven. Twintig jaar geleden opteerde Arafat, weliswaar gekneld tussen de Israëli’s en Hamas, mee voor een onwezenlijke reeks van bloedige zelfmoordaanslagen in de Israëlische samenleving. Eén keer maar, in 1994, omarmde hij een vredesplan.

 

  Er bestaat, bij de Palestijnen, maar ook de in de bredere Arabische wereld – zonder te willen veralgemenen – een stevige aanhang voor het modelbeeld van de macho-vrijheidsstrijder, de Che Guevara die alles opoffert in de strijd tegen Israël, en tegen de voormalige westerse kolonisator van het Midden Oosten. Een Gandhi of een Mandela moet er nog altijd opstaan. Iran profiteert daarvan: het vindt overal in de Arabische wereld genoeg kandidaat-zelfmoordenterroristen, iets waarvoor de blijkbaar meer gesofisticeerde Perzen zelf liever de neus ophalen.

 

 Het heeft ertoe geleid dat in Israël het grootste deel van de publieke opinie twintig jaar geleden, na de reeks zelfmoordaanslagen met veel dode jongeren en de mislukking van de vredesovereenkomst van Oslo met Arafat in 1994, de hoop op een akkoord met Palestijnen en de overblijvende Arabische buren heeft opgegeven. Enkel Egypte kent vrede met Jeruzalem, sinds 1977. Dat alle Arabische landen ook zachtere of harde dictaturen zijn, nog meer na de mislukte Arabische revoluties van tien jaar geleden, verstevigt het vermoeden dat al die regimes geen baat hebben bij het verdwijnen van het tot gigantische proporties opgeblazen vijandbeeld dat het bestaan van noodtoestanden kan legitimeren.

 

 Benjamin Netanyahu van zijn kant is de emanatie van dat Israëlisch afhaken. Zijn rechts-nationalistische strategie om het probleem enkel te omcirkelen en vooral niets te doen en niet te praten, is nu op een overduidelijke mislukking uitgelopen. Ze is de afgelopen twintig jaar echter ook duidelijk gedragen geweest door democratische meerderheden. Die gelatenheid en onverschilligheid groeit, na de Arabische terreuraanslagen van de afgelopen tien jaar in alle westerse landen, ook overduidelijk in de hele westerse wereld.

 

Dictaturen

 

 Maar wat komt er in de plaats? Mogen we hopen dat het bloedbad ook allerlei blokkeringen kan opruimen? Noteer alleszins dat de rechtstreekse gesprekspartners schaars of wankel zijn. Met Hamas valt niet te praten. De Palestijnse Autoriteit (erfgenaam van Arafat) van Mahmoud Abbas is versleten, maar wel gematigd. Netanyahu zal wel van het toneel verdwijnen, maar de meerderheid achter hem niet noodzakelijk. Noteer ook dat wankele regeringen weinig autoriteit hebben om één lijn op te leggen. Zelfs doorheen het Israëlisch militair offensief in Gaza detecteer je verschillende doelstellingen: wil men alle bruggen opblazen, of laat men toch nog deurtjes open?. Voorlopig domineert – nog even? – de Netanyahu-lijn: terugslaan, de tegenstander weer in zijn kot krijgen, geen perspectief voor echt praten, misschien zelfs dat onmogelijk maken door – net als Hamas – veel bloed te laten vergieten.

 

 Het zal vooral van buitenaf moeten komen. De Verenigde Staten uiteraard, maar die zijn nu al – ondanks hun nog formidabele economische en militaire macht – overstretched, met ook Oekraïne en Taiwan op de agenda. Met een heel oude, kwetsbare president, en een bijna even oude favoriet in de presidentsverkiezingen van volgend jaar, die veel meer nog dan vier jaar geleden wartaal begint uit te kramen zonder dat het hem schaadt bij de kiezers. China en India zouden, als powers to be en steeds gulziger importeurs van Arabische en Iraanse olie, mee in het bad moeten kunnen. Maar Washington gaat dat niet willen, want noch Delhi, noch Beijing heeft een band met Jeruzalem. Israël is een kind van het westen, en kan alleen overleven onder westerse hoede.

 

 De enige bewegende factor is de Arabische wereld zelf. Ondanks alle kritiek die je nog kan uitoefenen op strategie en gedrag in die landen (en bij de betogende Arabieren bij ons), toch bewoog het enkel daar in het afgelopen decennium, met Koeweit, de Emiraten, Bahrein en Qatar. Die kozen voor business en welvaart in plaats van oorlog en strijd. Heel vaak doen ze dat zelfs in een fanatiek kopiëren – van het Louvre tot de Premier League - van wat in het westen als prestigieus geldt. Zo kwamen ze vanzelf tot voorzichtige verstandhouding met Israël.  Saoedi-Arabië ging voor 7 oktober dezelfde weg op, zocht hulp bij het maken van een kernbom tegenover die van Iran, in ruil voor toenadering tot de Israëli’s.

 

 Maar het is allemaal fragiel natuurlijk. De impuls tot toenadering kwam ook uit angst voor de machtsontplooiing van Iran, dat Libanon en Syrië controleert, en grote invloed uitoefent in Irak. In Teheran regeert een wankel en versleten regime van ouwe, bekrompen, uiteraard louter mannelijke pastoors, dat zich afschermt met een tot de tanden bewapende en uitermate gewelddadige pretoriaanse wacht. De Palestijnse kwestie – van doorgaans soennitische en een beperkte aantal christelijke Arabieren dus, niet van in meerderheid sjiitische Perzen – dient daar als bewijs van zuivere trouw aan de islam, waarmee het regime van de oude mollahs zich legitimeert.

 

  Iran heeft waarschijnlijk ditmaal minder een hand gehad in de Hamas-aanval dan men zou vermoeden: massale wapenleveringen en veel geld vooraf uiteraard, maar haast zeker geen groen licht. Verwacht daar echter geen gematigdheid. Verwacht ook geen doorbraak naar democratie en mensenrechten bij de Arabische overburen aan de Perzische Golf de dag dat het priesterregime in Teheran in elkaar stort. Hoop enkel een beetje dat Iran als externe vijand Israël als legitimering van Arabische dictaturen kan vervangen.

 

Vluchtelingen

 

 Scenario’s voor vrede daarentegen hoeven niet meer uitgevonden te worden. Ze zijn bekend, uit het verleden. Men heeft vroeger het idee van de gebiedsruil tussen Israël en een echte Palestijnse staat al verregaand verkend. Israël wil af van het risico dat binnen zijn huidige grenzen een Arabische meerderheid groeit. Dan zal het wel ook zijn kolonisatiepolitiek op de Westelijke Jordaanoever moeten afbouwen, iets waartoe er wel wat lijkt te bewegen sinds 7 oktober.

 

 Een vredesverdrag moet dan een mix worden van kleine stukjes Israël die men afstaat aan de Westbank, omdat de bevolking er overwegend Arabisch is, en kleine stukjes Westbank die men aan Israël hecht omdat er veel kolonisten zijn. Daar bovenop komen dan sterke financiële impulsen voor andere groepen om naar de staat te verhuizen waar hun volksgenoten wonen, vooral dan de veel te talrijke joodse kolonisten op de Westbank. Iets gelijkaardigs zal moeten gebeuren in Gaza, in zijn geheel of – wat waarschijnlijker is – in stukjes.


 Het gaat om een operatie die alleszins gespreid zal moeten worden over tien, misschien twintig jaar. En die veel internationaal geld zal opeisen om zeker voor de Palestijnen welvaart te creëren, en voor nog lang een veiligheidsmacht te financieren van Israëli’s en Palestijnen die het risico op verdere aanslagen tot een minimum kan beperken. Amerika, Israël, de Palestijnse Autoriteit en Saoedi-Arabië zijn in dat spel de hoofdrolspelers. Iran blijft de risicofactor, al dan niet met steun van Vladimir Poetin en minstens sympathie van Xi Jinping.

 

 Het nodige geld zou niet echt een probleem moeten zijn. Het in 1948 opgerichte VN-Agentschap UNRWA onderhoudt nog steeds vijf miljoen Palestijnse vluchtelingen van toen, of beter gezegd: diegenen die in princiep hun erfgenamen zijn. Driekwart van de financiering komt van Europa en de Verenigde Staten, niet van de Arabische landen, waarvan er inmiddels toch ook een half dozijn echt rijk zijn. Ruim de helft van die vijf miljoen gesubsidieerde Palestijnen miljoen leven in Jordanië (vooral), Syrië en Libanon. De helft van de bevolking van Gaza leeft van steun van UNRWA.

 

 Er rijzen daar terecht veel vragen bij. Zijn er naast die bestendiging van het vluchtelingenstatuut ook pogingen ondernomen om het aantal geleidelijk te verminderen (zovelen zijn geëmigreerd naar andere Arabische landen en nog meer als asielzoekers in Europa)? Heeft UNRWA niet een bescheiden welvaartsbeleid geleverd waardoor Hamas – nog steeds de vijftien jaar geleden verkozen regering van Gaza – zich kon concentreren op wapens, raketten en tunnels? Moeten de Europese Unie en de VS die financiering dan niet geleidelijk afbouwen of op zijn minst heroriënteren?

 

 Tenslotte is er de kwestie van de gijzelaars van 7 oktober, ruim tweehonderd nog altijd. Naarmate de Israëlische regering duidelijk maakt dat ze geen gevangenen wil maken onder de Hamas-krijgers lijkt ze er zich ook bij neer te leggen dat er weinig kans is dat ze die gijzelaars levend zal terugzien. Hamas heeft er een handvol laten gaan, als geste van goede wil. Misschien zal het op andere momenten nog de nood voelen om te ruilen. Maar de kans is klein.

 

Rondjes

 

 Anthony Blinken is vandaag de centrale figuur. Zijn voorganger Henry Kissinger – dit jaar 100 geworden - detecteerde in 1973, net als de toenmalige Israëlische premier Golda Meir, vrij snel dat de Egyptische president Sadat niet op dwaze verovering uit was, maar op een simpele demonstratie dat Arabische legers het Israël ook moeilijk konden maken. Ze lazen dat in de Egyptische operaties op het terrein. Het bleek te kloppen en de toenadering tot Sadat, tot dan in het kamp van Moskou, volgde heel snel. Hamas heeft op afschuwelijke wijze gedemonstreerd dat Israël bij de status quo niet veilig is, maar wil dat haast zeker niet als hefboom gebruiken voor vrede, net zomin als zijn sponsor in Teheran.

 

 En dus draait Blinken de obligate rondjes, met wat afvijlen van de scherpste kantjes links en rechts. Hij hoopt, ongetwijfeld zoals velen, dat ook deze storm weer overwaait, in afwachting van een echte kans op een doorbraak zoals Kissinger die destijds op zijn bord zag vallen. Er is tot nu toe duidelijk aarzeling bij Teheran om echt te escaleren. De al dan niet aangemoedigde betogingswoede in Arabische en moslim-landen blijft binnen te perken, tenzij in de Europese hoofdsteden. Als Israël zijn aanval in de tijd kan spreiden om het bloedbad onder de waterlijn te houden, kan dat zo blijven. Tot op het kritieke moment natuurlijk dat Hamas helemaal vernietigd lijkt te zullen worden, en het uitkijken wordt of Teheran dat wel slikken kan.

 

 Een echte vrede nadien maakt hopelijk kans, maar blijft tot nader order hopen op een klein diplomatiek mirakel. Veel waarschijnlijker is het scenario dat in het Nabije Oosten al driekwart eeuw opgeld maakt. Nadat iedereen weer voldoende doden heeft getankt om te begraven, likken alle partijen een paar jaar hun wonden, in schijnbare rust. Om dan na verloop van tijd alle frustraties opnieuw te laten uitbarsten in een  zoveelste zorgvuldig voorbereide orgie van geweld.


De koning benoemt ...

 24 oktober 2023


 De benoeming van de magistraat Paul Van Tigchelt tot nieuwe minister van Justitie heeft aanleiding gegeven tot kritiek dat opnieuw iemand zonder parlementair mandaat in de regering werd gehaald. Die kritiek etaleert ten dele een gebrek aan kennis van de grondwet en de aard van een parlementair regime, maar duidelijk ook een verlangen naar meer en een beter functionerende democratie.

 

 Grondwettelijk is er niets fout aan de benoeming van een niet-parlementair in de regering. ‘De federale uitvoerende macht berust bij de koning’, zo bepaalt artikel 37 van de Belgische grondwet. ‘De koning benoemt en ontslaat zijn ministers’ staat in artikel 96 (let op zijn ministers).

 

Scheiding der machten

 

 Wie zijn institutionele geschiedenis wat kent, weet waar dat vandaan komt. Het princiep van scheiding der machten werd al aan het einde van de 17de eeuw – niet toevallig in Holland en in het zog van de Brits-Hollandse koning-stadhouder Willem III – geformuleerd door de Engelse filosoof John Locke, die het vanaf 1689 meteen in de praktijk zag gebracht in Westminster. De rechterlijke macht moest onafhankelijk zijn van de politieke (en transparant!). En die politieke macht was opgedeeld in strikt gescheiden wetgevende en uitvoerende macht.

 

 Allen moesten het ‘algemeen belang’ dienen. Maar de uitvoerende macht kon daarvoor ook machten uitoefenen die niet door wetgeving geregeld waren, op voorwaarde dat het doel het algemeen belang  bleef, aldus Locke. De wetgever waakte op wetgeving en begroting, en, net als de rechterlijke macht, op de inperking van de willekeur van koning en overheid, de uitvoerende macht dus.  De drie leden van de macht hadden dus verschillende taken, ook inzake controle van elkaar, maar hetzelfde doel.

 

 Montesquieu, de Franse filosoof, diepte die staatstheorie een halve eeuw later verder uit. Daarbij was het voor hem en Locke duidelijk dat de uitvoerende macht het prerogatief van de koning bleef, met die beperking dat als de koning en/of zijn ministers al te zeer het algemeen belang verwaarloosden of schonden het volk het recht had ze af te zetten. Uit dat laatste is dan geleidelijk het beginsel van de ‘ministeriële verantwoordelijkheid’ gegroeid.

 

 Dat idee stond centraal in de opstand van de Belgen in 1830 tegen koning Willem I – en vooral tegen zijn onaantastbare minister van Justitie van Maanen, die van 1815 tot 1842 de rechterhand van de Nederlandse vorst was. De ministers in België werden voortaan ‘verantwoordelijk’ voor de daden van de koning, van de uitvoerende macht dus. Het staat zo nog steeds in artikel 88 van de grondwet, met een ouderwetse genitief: ‘de persoon des konings is onschendbaar; zijn ministers zijn verantwoordelijk’.


 Extra-parlementaire ministers kwamen er in ons land vooral na de Eerste Wereldoorlog, toen koning en establishment toch moeite hadden een wetgevende macht te vertrouwen die gekozen was op basis van het algemeen stemrecht en dus veel socialisten telde en wat radicale christendemocraten en flaminganten

 

 

 Ministeriële verantwoordelijkheid betekent dat elke regering maar kan functioneren als ze het vertrouwen heeft van een meerderheid in het parlement. Ze betekent ook dat elke individuele minister door het parlement ter verantwoording kan worden geroepen – en dus ook bij meerderheidsbesluit doorgestuurd - voor zijn of haar beleid (want de regering is in ons systeem in princiep niet zozeer een collectief dan wel een groep van individueel verantwoordelijken).


 Die druk, die zich vertaalde in de procedure van parlementaire interpellaties met een eindstemming over het antwoord van de minister, moest er op zijn beurt voor zorgen dat ‘de koning’ (en met hem de hele overheid) geen beslissingen nam die niet – via zijn handtekening - gedekt waren door een minister. De regering kan wel formele besluiten nemen – via Koninklijke Besluiten – die geen parlementaire goedkeuring behoeven, maar binnen strikt door de grondwet afgelijnde perken.

 

 Ter vergelijking: de Amerikaanse grondwet van 1789 creëerde een electorale scheiding: de koning was er afgeschaft, dus moest men een president verkiezen, die, eens verkozen, zijn regering volledig autonoom kon samenstellen, en enkel zijn wetten – inbegrepen de begroting – aan het verkozen parlement moest voorleggen. Nadien werd die scheiding wel wat afgezwakt door de zogeheten Impeachment-procedure (voor het eerst toegepast in 1974) en de hearings in de Senaat bij de benoeming van een minister. Het Europees Parlement vandaag kent voor de aanduiding van de leden van de Commissie wel hearings, en heeft ook een Impeachment-procedure voor de gehele Commissie, maar kent geen ‘ministeriële verantwoordelijkheid’ voor individuele Commissarissen, en dus ook geen interpellatie-procedure.

 

Koning

 

 Die scheiding der machten betekent dus ook dat de uitvoerende macht niet democratisch hoeft te zijn, wel het vertrouwen moet krijgen van het parlement. Zij kan enkel wetten kan laten goedkeuren die door een meerderheid van het parlement worden gestemd. En zij kan enkel ministers handhaven waarvan het beleid niet formeel door het parlement wordt weggestemd. Vandaar dat de koning die ministers best benoemt uit de meerderheid die na verkiezingen ontstaat. Ze kiezen uit het parlement is daarentegen geen verplichting. Maar het helpt aan de stabiliteit, gezien de benoeming tot minister voor de meeste volksvertegenwoordigers een promotie betekent. Ze afwijzen ontstemt hen doorgaans.

 

 De Belgische koningen hebben lang gevochten om zoveel mogelijk vrijheid te behouden bij de benoeming van ‘hun’ ministers. Ze pikten in de negentiende eeuw zelf de formateur van een regering uit de kleine kring van leidende notabelen van de winnende fractie, konden hun eigen kandidaten voor sommige ministerposten doorduwen en kandidaten van die formateur weigeren. Daarbij hoefden ze zelden buiten het parlement te gaan. Het cijnskiesrecht maakte dat de meeste Kamerleden notabelen waren, terwijl de Senaat volgestouwd bleef met edellieden, geestelijken, grootgrondbezitters en industriëlen. Voor de periode voor 1914 is Sylvain van de Weyer (op de foto: zijn standbeeld in leuven, dat er inmiddels van de aardbodem is verdwenen, al is er wel een brasserie met zijn naam aan het station) in 1845 vermoedelijk de enige niet-verkozen regeringsleider geweest (een ‘premier’ was er formeel niet voor 1918).

 

 Het is – dat is men inmiddels ook vergeten - tegen die koninklijke invloed, en al wat daarmee gepaard ging van zelfbediening door het establishment rond het hof, dat politieke partijen zijn uitgebouwd als structuren om de druk van de kiezer op de verkozen vertegenwoordigers te vergroten. Leopold I moest al in 1847 een eerste keer aanvaarden dat hij de formateur moest kiezen uit een hem niet zo sympathieke meerderheid (Charles Rogier en de liberalen). Naarmate de wetgevende macht steeds beter - en ten laatste sinds de late invoering van het vrouwenstemrecht in 1948 – democratisch gelegitimeerd geraakte, heeft die zijn greep op de uitvoerende macht altijd vergroot, ten koste van de koning en al wat daarrond hing.

 

 Toch zijn constitutionalisten in hun beschrijving van het parlementair stelsel ook altijd huiverig geweest om wetgevende en uitvoerende macht bijna helemaal te laten samenvallen. Er was de – formeel wat in onbruik geraakte notie – dat een verkozene des volks ‘de natie’ vertegenwoordigde, en niet alleen zijn kiezers, zijn partij, zijn lobbies. Dat staat trouwens zo bijna letterlijk nog in artikel 42 van de grondwet. 


 Er zijn ook taken van een bestuur van een land die best (minstens tijdelijk) aan de transparantie van een parlement onttrokken blijven: van handelscontracten met dictaturen over militaire geheimen en (al dan niet breed te interpreteren) privacy-elementen in het personeelsbeleid van de overheid tot gewoon moeilijke onderhandelingen die enkel achter gesloten deuren naar een compromis kunnen leiden. Daarvoor kan de scheiding der machten in princiep nuttig blijven.

 

Extra-parlementairen

 

 Nog tot in de jaren dertig van vorige eeuw zaten Belgische koningen af en toe de ministerraad voor. Zij presenteerden ook lange tijd, zoals de koningen in Groot-Brittannië en Nederland nog vandaag, het jaarprogramma van hun regering. Extra-parlementaire ministers kwamen er in ons land vooral na de Eerste Wereldoorlog, toen koning en establishment toch moeite hadden een wetgevende macht te vertrouwen die gekozen was op basis van het algemeen stemrecht en dus veel socialisten telde en wat radicale christendemocraten en flaminganten.

 

 Koning Albert, die met een huizenhoog prestige terugkeerde van het front in 1918, stelde toen een extra-parlementair aan tot premier: Leon Delacroix, de Brusselse advocaat van de koninklijke familie in allerlei betwistingen rond de erfenissen van Leopold II en tijdens de oorlog een sleutelfiguur in de hulpverlening aan de hongerende bevolking in bezet België. In 1921 deed Albert dat nog eens met de bankier Georges Theunis, die enkel gecoöpteerd senator was.

 

 Eind 1925, tijdens een monetaire crisis na de eerste poging tot het vormen van een rooms-rode coalitie, stuurde hij Emile Francqui uit, vertrouwensman van Leopold II in Congo eerst en China nadien, tijdens de oorlog een sleutelfiguur in het bezette land, en na 1918 de onderhandelaar bij uitstek in Versailles en over de uitstaande schulden van België. Francqui droeg eind 1925 aan Albert de nieuwe premier voor, Henri Jaspar, in een regering waarin hij de sterke man werd, die de financiën van het land terug op orde zou brengen.

 

 Die rol nam Francqui opnieuw op tijdens het dieptepunt van de economische crisis eind 1934, in het jaar voor zijn dood. De kersverse koning Leopold III riep toen Theunis terug als premier, met Francqui erbij. Beiden mislukten ditmaal, waarop Leopold in maart 1935 opnieuw een buitenstaander tot premier benoemde: de amper 42-jarige Leuvense prof in Financiën en vice-gouverneur van de Nationale Bank Paul van Zeeland. Hij drong die ook op toen de socialisten in de verkiezing van 1936 de grootste fractie werden. Zoals bekend geloofde Leopold zoals zovelen in de jaren dertig niet echt meer in goed bestuur via democratie.

 

 De macht van de koning kromp gevoelig na de koningskwestie en het aftreden van Leopold in 1950. Toch waren het precies dan twee louter gecoöpteerde senatoren die premier werden van homogeen christendemocratische regeringen: Joseph Pholien van 1950 tot 1952 en Jean Van Houtte in de twee jaar nadien. Sedertdien zijn er geen extra-parlementaire premiers meer geweest.

 

 Wel bleef Financiën een uitgelezen terrein voor dat soort benoemingen, blijkbaar vaak omdat men er zeker in moeilijker tijden een hoge mate van expertise verwachtte die men in het parlement niet vond. Bankier Camille Gutt, voor tijdens en vlak na de oorlog, was dat al. Hoogleraar en ambtenaar Franz De Voghel volgde hem op in 1945. Later in de crisisjaren 1980-81 waren er nog de kortstondige extra-parlementaire ministers Paul Hatry, Robert Henrion, Robert Vandeputte (1981). Gaston Geens, tot 1981 gecoöpteerd senator (en hoofd van de christendemocratische studiedienst CEPESS), was sinds 1974 staatssecretaris en minister van Begroting, werd van vanaf medio 1980 de eerste Vlaamse minister-president. Het is in die jaren dat het begrotingstekort volledig ontspoorde.

 

 Mieke Offeciers kwam in 1992 in het eerste kabinet-Dehaene vanuit de studiedienst van het VEV (vandaag VOKA) op Begroting, en werd anderhalf later opgevolgd door gecoöpteerd senator Herman Van Rompuy. Koen Geens werd federaal minister van Financiën in 2013 als ex-kabinetschef van de Vlaamse minister-president en hoogleraar aan de Rechtsfaculteit in Leuven.

 

 Nog bekende politici die als extra-parlementair begonnen, zijn Mark Eyskens (als hoogleraar in Leuven begonnen als staatssecretaris voor Ruimtelijke Ordening in 1976), Jean-Luc Dehaene (kabinetschef van de premier, vanaf 1981 minister van Sociale Zaken en meteen vice-premier) , en Philippe Moureaux (werd als hoogleraar geschiedenis en kabinetschef in 1980 minister van Binnenlandse Zaken).

 

Politieke crisis

 

 Extra-parlementairen zijn dus niet nieuw. Alleen valt het op dat het in het kabinet De Croo toch wel een trend wordt. Annelies Verlinden (advocate) was er van in het begin bij, Hadja Lahbib (journaliste) kwam op Buitenlandse Zaken, nu is daar dus ook Paul Van Tighelt (magistraat) bij, drie extra-parlementairen op drie oerfuncties van een federale regering (Binnenlandse Zaken, Buitenlandse Zaken, Justitie, portefeuilles die al in 1830 bestonden in de eerste regering met zes leden). Bij de staatsecretarissen is de oogst nog groter, al dan niet na vervanging van de oorspronkelijke titularis: Nicole De Moor, Thomas Dermine, Alexia Bertrand (na Eva De Bleeker) en Mathieu Michel.

 

 Dat gaat natuurlijk in tegen de hierboven gesignaleerde historische trend om de uitvoerende macht ook steeds meer democratisch te maken. De opstoot van extra-parlementairen is ook plots. Vermoedelijk moeten we er een zoveelste symptoom in zien van de steeds dieper wordende politieke crisis die België doormaakt. Die bestaat ook elders in West-Europa, al heeft ze bij ons nog een zich verscherpende communautaire dimensie bovenop. Sinds 2010 is bij ons continu de premier ook geen lid meer van de grootste fractie in het parlement, wat nochtans ook een democratische traditie is.

 

 De benoeming van de extra-parlementair Van Tigchelt is dus zeker niet ongewoon of ongrondwettelijk, ze kadert wel in een toenemende crisis van de parlementaire democratie.


Polemiek om een oorlogsincident, 

een eeuw later

 20 oktober 2023


 Het eerste slachtoffer van elke oorlog is altijd de waarheid, zo luidt een oud gezegde. Deze week kregen we daar nog eens een illustratie van, na de explosie dinsdag op een binnenplaats van het Al-Ahli Arab ziekenhuis in Gaza en al dan niet ruim 400 doden. Zo’n betwisting kan lang duren. Sinds een jaar of tien is opnieuw een honderd jaar oude controverse uitgebroken tussen hoofdzakelijk Belgische en Duitse historici.  Onderwerp van hun polemiek zijn de Duitse slachtpartijen in België in de zes eerste weken van de Eerste Wereldoorlog in 1914.

 

 Radio-zender Klara serveerde donderdag in het ochtendprogramma Ampersand, met de hulp van luisteraars, een cocktail van muziek die in en om de Eerste Wereldoorlog was gecreëerd. Daar zaten – voor het gedeelte na 11u dat ik kon beluisteren - behoorlijk wat verrassingen in, met Britse, Franse en Italiaanse componisten die in hun muziek het lijden van het kleine België evoceerden. Dat leverde zelfs een variatie op de Brabançonne op, vanwege Claude Debussy uit 1914. De absolute held in vele van die muziekverhalen was koning Albert, de ongelukkige monarch van het ongelukkige land.

 

 Oorlogen creëren zeker in hun beginfase altijd felle emoties. In 1914 ging de felste wereldwijd naar het door de Duitsers overvallen België. Een klein, welvarend landje, de successtory van de negentiende eeuw, waar het zo aangenaam vertoeven was, zoals Stefan Zweig in de laatste dagen van juli in Oostende nog mocht ervaren. Een land dat nu overvallen was door één van de vijf mogendheden die het in 1831 een permanente en absolute neutraliteit hadden opgelegd.

 

 Bovenal een land waarin de binnenrukkende Duitse legers in de eerste zes weken, vanaf de allereerste dag en quasi elke dag, en buiten de onmiddellijke vijandelijkheden om, dorpen en steden in brand staken en duizenden burgers, vrouwen kinderen en babies, voor vuurpelotons en machinegeweren sleepten om ze bij tientallen af te maken en hun lijken te laten rotten. De reden die het Duitse leger daar telkens voor aanhaalde was dat zijn soldaten, in strijd met het oorlogsrecht, door burgers waren beschoten, zogenaamde franc-tireurs of vrijschutters.

 

 Het leverde een bijkomende schok op dat Duitsland, het land van Goethe en Beethoven, en ook zo’n land dat zich razendsnel ontwikkeld had in de voorgaande decennia, tot zoiets in staat was. De klap op de vuurpijl kwam er toen Duitse soldaten in de laatste week van augustus ook Leuven in de vernieling schoten en platbrandden, 270 burgers afknalden en bovenal de Universiteitsbibliotheek met honderden onvervangbare middeleeuwse boeken in brand staken en helemaal lieten uitbranden. Duitsers werden nu ‘Hunnen’, ook in geschriften van Angelsaksische en Franse cultuur-iconen. En het kleine België werd een dappere martelaar met een heroïsche vorst (zie het beeld hiernaast van het Parijse weekblad L’image de la guerre uit 1917, met koning Albert en koningin Elizabeth).




Het voedt mijn pijnlijke stelling dat ook de historici in West-Europa – veel academici inbegrepen – zich in de aanslepende politieke en economische crisis sinds vijftien jaar weer dieper achter de nationale grenzen gaan verschansen


 

 Dat riep dan weer een reactie in het leven waarbij aardig wat academische en culturele coryfeeën in Duitsland publiekelijk het Vaterland gingen verdedigden en de officiële Duitse versie van de feiten in België uitdroegen. Tevergeefs overigens, want de publieke verontwaardiging wereldwijd over de barbarij was zo groot dat zelfs de Duitse legerleiding medio september besefte dat men de zogeheten ‘bestraffingen’ beter stopzette. De schade aan het Duitse image geraakte nooit meer hersteld, zeker niet toen twee decennia later in Berlijn de nazi’s aan de macht kwamen van wie dat soort geweld en moord de core business was. Louis Tobback, de burgemeester van Leuven, gebruikte bij de herdenking in 2014 het terechte beeld dat in zijn stad honderd jaar eerder de weg naar Auschwitz was geopend.

 

Polemiek

 

  Vooral bleef de polemiek over de al dan niet vermeende aanleiding van de franc-tireurs duren, tot nog een stuk na vijftigste verjaardag van de gebeurtenissen. Ze werd gevoed door omstandige rapporten die zowel België als Duitsland opstelden vanaf 1915 en tot diep in de jaren twintig. Ze leveren een overvloedige bron aan informatie op voor historici, zijn vaak ook met behulp van toenmalige historici geschreven en proberen allemaal een indruk van feitelijkheid en sereniteit te wekken. 


 Toch mag men niet vergeten dat ze een concreet doel hadden: de Belgen wilden in 1919 op de vredesconferentie van Versailles zo hoog mogelijke herstelbetalingen afdwingen van de Duitsers (of territoriale compensatie zoals ze uiteindelijk een beetje verkregen met Eurpen-Malmedy). Berlijn wilde uiteraard de argumenten daarvoor minimaliseren.

 

 Pas vanaf de jaren zestig begonnen Duitse historici zich ook openlijk af te vragen of het verhaal over de schietpartijen door Belgische burgers niet overroepen was. Sommigen onder hen gingen in de decennia nadien ook min of meer de Belgische stelling aanvaarden dat er eigenlijk nooit zogenaamde vrijschutters waren geweest. Misschien had men gendarmes verkeerdelijk voor burgers gehouden. De Belgische Rijkswacht, die was voortgekomen uit de voormalige Burgerwacht van de revolutie van 1830, was in 1914 (en tot aan de politiehervorming van 1998) een militaire eenheid, en vocht mee.

 

 Die evolutie leidde eind van de 20ste eeuw tot een internationaal – ook door Belgische en Duitse autoriteiten – gesubsidieerde doorwrochte studie van twee specialisten van de Eerste Wereldoorlog, John Horne en Alan Kramer, beiden verbonden aan het Trinity College in Dublin. Zij namen alle vroegere publicaties, documenten en archieven door en publiceerden in 2001 het resultaat daarvan onder de titel German Atrocities, 1914, a History of Denial.

 

 Hun conclusie luidde dat er geen bewijzen zijn van vrijschutters, maar ook niet – mede doordat vele archieven van Duitse eenheden van toen in de Tweede Wereldoorlog zijn vernield - van formele Duitse bevelen in de eerste dagen van de oorlog om met de brutaalste voet vooruit op de Belgische bevolking in te hakken. Ze spraken een vermoeden uit dat alleszins de eerste slachtpartijen zijn ontstaan uit de opgespannen sfeer in het Duitse leger. 


 Dat had zich immers tot doel gesteld in veertig dagen een omsingeling van Parijs te realiseren. Het had gehoopt dat de Belgen nauwelijks weerstand zouden leveren.  Daarbij zouden wel oude en bekende verhalen over Franse franc-tireurs in de Frans-Pruisische Oorlog van 1870-71 bij de Duitsers in de hoofden gespeeld hebben. De vermoeidheid van de lange marsen en soms ook dronkenschap door het warme weer, deden de rest.

 

Revanchisme

 

 Case closed at last, zo leek het. In 2001 kwam voor het eerst een Duitse gezagsdrager – de minister van Defensie Rudolf Scharping – een herdenking in Dinant bijwonen (waar in 1914 ruim zeshonderd burgers werden afgeslacht) en er namens zijn land zijn excuses aanbieden. Maar bij herdenkingen van het begin van de oorlog vanaf 2014 gingen twee Duitse historici, beiden zeventigers, de ene een leraar (Gunter Spraul, Der Franktireurkrieg), de andere een prof in Californië (Ulrich Keller, Schuldfragen) frontaal het werk van Horne en Kramer aanvallen.

 

 Ze konden – als we de recensies mogen geloven, want we moeten zelf de werken nog lezen - blijkbaar wel hard maken dat die behoorlijk slordig waren geweest met de situering van Duitse eenheden tijdens de inval, en dus ook over hun betrokkenheid bij sommige slachtpartijen. Tegelijkertijd wezen critici erop dat beide Duitsers hun thesis dat er wel degelijk vrijschutters waren geweest amper onderbouwden, en dat hun werk ook vol slordigheden zat. Bovenal hadden ze de historici van de West-Duitse Bondrepubliek van de jaren zestig en zeventig systematisch ervan beschuldigd dat die al te snel de schijnbare internationale consensus hadden aanvaard dat Berlijn de zwarte piet moest dragen van de Eerste Wereldoorlog.

 

 De polemiek deed ook Belgische historici in de pen kruipen, net als Horne en Kramer uiteraard, soms met de niet altijd even academische suggestie over een algemene terugkeer bij onze oosterburen naar de revanchistische historiografie van de jaren dertig. Het voedt mijn pijnlijke stelling dat ook de historici in West-Europa – veel academici inbegrepen – zich in de aanslepende politieke en economische crisis sinds vijftien jaar weer dieper achter de nationale grenzen gaan verschansen.

 

 Gelukkig zijn er in beide kampen ook lui die de sereniteit trachten te bewaren. Die houden in grote lijnen vast aan de poging tot consensus zoals Horne en Kramer die formuleerden. Tegelijk aanvaarden ze dat de twee inderdaad wel wat vergissingen hebben gemaakt en dat er dus verder onderzoek nodig is, onder meer inzake een grondige vergelijking met wat aan andere fronten in Europa in 1914 is gebeurd.


Geweren

 

 Ikzelf volg die kwestie al decennia, ongetwijfeld ook omdat ze in mijn jonge jaren nog leefde in beide takken van mijn familie (in en om Leuven en in en om Eupen). Mijn informatie is zeker al grondig, maar uiteraard ook niet volledig. Ik heb inderdaad nog nooit een volwaardig bewijs van vrijschutters gezien – al zal ik de twee Duitse werken eens grondig nalezen – en ook geen van een bewijs van een Duits bevel tot moorden. Ik neig naar de ‘psychologische’ hypothese van Horne en Kramer.

 

 De sleutel zit volgens mij niet in de grote slachtpartijen van Aarschot, Leuven, Dinant, Andenne en Tamises, die allemaal in de tweede helft van augustus plaatsvonden. Toen stonden de Duitse kranten al bol van de verhalen over franc-tireurs ,en die versterkten dus nog de neiging tot ‘represailles’ bij lokale bevelhebbers en tot in het Duitse opperbevel toe. Veel eerder moet men de eerste slachtpartijen in de provincies Luik en Luxemburg in de eerste en tweede week uitbenen, in al hun details. 

 

 Mij is bij een paar getuigen van die eerste dagen – een Duitse officier, een Nederlandse journalist uit Maastricht - opgevallen dat die vertellen over een totale paniek bij de eerste vuurgevechten. Het heeft me doen vermoeden dat de Belgische geweren – van het kwaliteitsmerk FN Herstal – misschien wel de oorzaak waren. Die schoten toen 1 km ver, veel verder dan de halve kilometer die men in de decennia voordien maximaal haalde. 


 Een neveneffect was dat die kogels sneller troffen dan het geluid, dat een fractie achterna hinkte. Je hoorde of zag dus niet waar de dood toesloeg en waar ze vandaan kwam. Misschien lag daar de reden voor de grote paniek.  Het contrast met de euforie van de dagen van het uitbreken van de oorlog kon ook niet groter zijn. Heeft dat dan het gevoel doen ontstaan dat men door burgers als sluipschutters werd beschoten?

 

 De lectuur van de heruitgegeven honderd jaar oude dagbladen van Het Laatste Nieuws in 2014 leerde me ook dat de journalisten toen, ondanks soms waanzinnig foute berichtgeving, toch ook getuigenverslagen neerpenden die behoorlijk wat info bevatten. Misschien moeten men de pers van die eerste veertien dagen eens goed uitbenen, vooral in Luik en Luxemburg, in Nederlands-Limburg en het Duitse Rijnland vlak achter de grens (Aachener Zeitung bv.). Ik heb me voorgenomen dat ooit eens te doen, maar een ouder wordende mens beseft steeds scherper dat men altijd meer plannen maakt dan men kan waarmaken.

 

 In ieder geval is de kwestie van de ‘vrijschutters’ van 1914 en de Duitse wandaden blijkbaar nog altijd niet helemaal opgelost. Ze is en blijft voor een stuk ook wel relatief. Want er was uiteraard geen enkele gegronde reden te bedenken voor het pure afsclachten van waarschijnlijk wel zesduizend Belgische burgers. En de systematische plundering van het kleine landje door de Duitsers tussen 1914 en 1918 was een minstens even erge oorlogsmisdaad. Waren de Amerikanen van Herbert Hoover toen niet te hulp geschoten, dan zouden er zeker honderdduizenden Belgen gewoon van honger zijn gecrepeerd, door Duits toedoen.

 

  Het diepe geweld achter de gebeurtenissen van toen verklaart ongetwijfeld mee waarom de emoties ruim een eeuw later nog een beetje kunnen oplopen, zeker onder historici en daardoor ook soms nog heel sporadisch in de media (van Der Spiegel tot De Standaard). Reserveer inmiddels nu al uw plaatsen voor het grote debat tussen Israëlische en Palestijnse historici over het ziekenhuis van Gaza … in het jaar 2133.

 

 


Oorlog, olie en het

 einde van de groei


5 oktober 2023

 

Wie al oud genoeg is om zich Golda Meir te herinneren, de tot nog toe enige vrouwelijke premier van Israël, moet deze dagen naar Nederland om de Britse actrice Helen Mirren te zien schitteren. Zij speelt Golda in de uitstekende gelijknamige film over de zogenaamde Jom Kippoeroorlog net vijftig jaar geleden. Veel breder dan de film herinneren we ons dat die oorlog in West-Europa het einde inluidde van een kwarteeuw economische opbloei. Zo begon een langdurige recessie, de zwaarste na de Tweede Wereldoorlog tot aan die van 2008.

 

 Het was op zondag 6 oktober 1973 om 14u in de namiddag lokale tijd dat zowel het Egyptische als het Syrische leger met vliegtuigen, tanks en grote troepenmachten hun bestandslijn met Israël aanvielen. Na drie oorlogen in minder dan twintig jaar tijd lag die grens met Egypte aan het Suez-kanaal, met Syrië op de Golan-hoogte op nog geen zeventig kilometer van het centrum van Damascus. De Israëli’s hadden de laatste oorlog in juni 1967, die amper zes dagen duurde, verpletterend gewonnen.

 

 Het offensief verraste de Israëlische regering van premier Golda Meir op één van de belangrijkste joodse feestdagen, Jom Kippoer, waarop het openbare leven helemaal stilvalt. Golda Meir, van de Labourpartij, was 75 op dat moment en sinds maart 1969 aan de macht, nadat haar voorganger plots was overleden. Ze was geboren in Kiev. Toen ze tien werd trok ze met haar ouders via de Red Star Line van Antwerpen naar de VS. Op haar 23ste verhuisde ze, met haar man, naar het Brits mandaatgebied Palestina. Ze was, zoals de film goed benadrukt, kettingrookster en toen al in behandeling voor kanker.

 

 Haar regering, de geheime dienst Mossad en de legerleiding hadden wel goede indicaties en informatie doorgekregen dat een aanval nakende was. Maar ze twijfelden tot de laatste minuut aan de logica van een dergelijk opzet en aan het lef van de Arabieren. Zoals zou blijken, waren het Syrische en Egyptische leger inderdaad nog altijd geen partij voor het Israëlische. Maar men schatte verkeerd in waar vooral Kaïro op aanstuurde.

 

 De Egyptische president Anwar Al-Sadat, 55, gold tot op dat moment als een praatjesmaker. Hij was kolonel in het Egyptisch leger en had mee de staatsgreep georganiseerd die in 1953 een einde had gemaakt aan de door de Britten gecontroleerde farao-dynastie. Hij was in 1970 de overleden president en kolonel Nasser opgevolgd, het brein achter de staatsgreep en sinds de nationalisering van het Suez-kanaal in 1956 de absolute held van alle Arabieren. Sadat was er in drie jaar in geslaagd zijn oorlog voor te bereiden, ook door dwaalsporen te creëren zoals het brutaal wegsturen van alle Sovjet-adviseurs in zijn land. Hij had Hafiz- al Assad overtuigd mee te doen, 63 en sinds 1963 de sterke man van het militair regime in Damascus. Assad is de vader van Bashir, de huidige dictator van Syrië.

 

 

 ‘Schlagerzanger Vader Abraham (Pierre Kartner) scoorde in die dagen met een megagrote karnavalhit over de toenmalige premier Joop Den Uyl (‘Den Uyl is in den olie’), dat hij samen met het parlementslid Boer Koekoek zong, een populist avant la lettre’

 

 

 Het Arabisch militair offensief was drie dagen lang een fors succes. De Syriërs heroverden een groot deel van de Golan-hoogte die ze in 1967 verloren hadden. Ze naderden het Meer van Galilea (waar Christus in de florissante stadjes aan de oever een groot deel van zijn prediking zou hebben verricht), op zo’n 120 km van de toenmalige Israëlische hoofdstad Tel-Aviv. De Egyptenaren slaagden er in op een vijftal plaatsen het Suez-kanaal over te steken en tot twintig kilometer diep op het schiereiland Sinai door te dringen. Daar hielden ze opvallend halt, omdat ze dan nog onder de dekking van hun luchtafweerrraketten bleven.

 

Tegenaanval

 

 Henry Kissinger, die toen net ook formeel minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten was geworden, beschrijft in zijn memoires dat hij snel doorhad dat Sadat zijn strategisch doel al bereikt had: de blamage van 1967 wegvegen door aan de hele wereld te demonstreren dat de Arabieren Isräel militair ook pijn konden doen. Eens dat doel bereikt, kon hij hopen dat de Israëli’s hem als volwaardige gesprekspartner zouden accepteren in onderhandelingen die Washington zou leiden. Kissinger begreep dat Egypte nood had aan economische steun, die het westen beter dan de Sovjetunie kon aanreiken. De film suggereert dat ook Golda Meir dit snel doorhad.

 

 In wezen overtrof het succes van de Arabieren de eigen verwachtingen. Meer dan een derde van de Israëlische luchtmacht werd afgeschoten met raketten van Sovjet-makelij. Zo’n vijfhonderd Israëlische tanks gingen verloren. De regering van Golda Meir zette druk op Kissinger om snel nieuwe vliegtuigen en wisselstukken voor de tanks te leveren, wat met wat aarzelingen in Washington ook gebeurde.

 

 De Israëli’s brachten vanaf 9 oktober beide offensieven tot staan. Ze opteerden dan voor een snelle herovering van de Golan-hoogte. De gevechten waren daar in de eerste dagen desastreus geweest voor Israël, wat  minister van Defensie Moshe Dayan, de held van 1967, even deed overwegen de atoombom in te zetten. Golda Meir wilde er niet van horen. De tegenaanval op Syrië kwam op gang, en op 11 oktober overschreden de Israëli’s de oude bestandslijn. Ze rukten in de daaropvolgende dagen op tot zo’n 40 km van Damascus, dat ze met hun artillerie begonnen te bestoken.

 

 In het westen begreep Sadat dat Israël zijn tegenoffensief in eerste instantie op Syrië richtte. Hij gaf op 14 oktober zijn troepen het bevel verder op te rukken in de Sinai. Het bekwam hem slecht. De Israëli’s ontdekten een zwak verdedigd gebied in het midden van het front. Ze staken daar vanaf 14 oktober het Suez-kanaal weer over, met generaal (en latere premier) Ariel Sharon als één van de architecten van de doorbraak. Ze bouwden dit bruggenhoofd, na vaak bijzonder heftige gevechten, uit tot een gebied dat tegen 24 oktober van Ismaïla tot Suez – of over de hele zuidelijke helft van het kanaal – zo’n 50 km diep op Egyptisch grondgebied reikte. Kaïro zelf lag 100 km verder. Door dat maneuver was ook het Derde Egyptische leger, met 30.000 soldaten nog steeds in de Sinaï, omsingeld.

 

Onberekenbaar

 

 Moskou en Washington hadden de eerste week vooral toegekeken, in de hoop dat de oorlog in het voordeel van de eigen bondgenoot zou evolueren. Maar dan nam de nervositeit toe, mede omdat beide hun wapenleveringen opvoerden. Op 19 oktober trok Henry Kissinger naar Moskou voor overleg na daartoe te zijn uitgenodigd door Sovjet-partijleider Leonid Breznjev. Drie dagen later geraakten beide supermogendheden het eens over een resolutie bij de Verenigde Naties om een staakt-het-vuren op te leggen.

 

 Maar Israël zette zijn voet dwars in de toepassing ervan, omdat het zijn omsingeling van het Derde Egyptische leger nog wilde voltooien. Breznjev stelde daarop Kissinger voor om gezamenlijk een strijdmacht te sturen om het bestand op te leggen. Washington weigerde. In de nacht van 24 op 25 oktober kwamen in de Amerikaanse hoofdstad steeds duidelijker indicaties binnen dat de Russen zeven divisies aan luchtlandingstroepen klaarmaakten. Kissinger vroeg uitleg, kreeg geen duidelijk antwoord, en liet dan alle Amerikaanse strijdkrachten in verhoogde staat van paraatheid zetten.

 

 De Amerikaanse president Nixon, zelf al zwaar getroffen door het Watergate-schandaal dat hem negen maand later tot aftreden zou dwingen, waarschuwde Moskou langs diplomatieke kanalen voor ‘de onberekenbare gevolgen’. Kissinger haalde uit tijdens een persconferentie, liet echter tegelijk een opening door VN-blauwhelmen als alternatief voor te stellen. Daarover bereikte men op 30 oktober een akkoord. Diezelfde dag begonnen Egyptische en Israëlische generaals in een tentenkamp op de inmiddels gerespecteerde nieuwe bestandslijn op km 101 op de weg van Kaïro naar Suez overleg over de verdere uitvoering van de wapenstilstand. Het was de eerste rechtstreekse dialoog tussen Arabieren en Israëli’s sinds het ontstaan van Israël in1948.

 

 Het pokerspel tussen de supermogendheden komt nauwelijks aan bod in de film Golda, die voor de rest wel heel getrouw het verhaal aan Isräelische zijde weergeeft, met de premier als ankerpunt. Heel even gaat de prent op het einde in op wat later volgde: de onderhandelingen tussen Egyptenaren en Israëli’s met vooral het zeer emotionele bezoek van Sadat aan Israël in 1977 en finaal het vredesakkoord van 1978 dat nog altijd stand houdt. De Egyptische president had zijn doel bereikt. Daarvoor waren aan beide zijden samen minstens twaalfduizend soldaten gesneuveld. Sadat zelf werd op 6 oktober 1981 vermoord door islamistische officieren van zijn eigen leger, tijdens een parade ter herdenking van de militaire doorbraak van acht jaar eerder.

 

Recessie

 

 Ook maar zijdelings in de film komt het gegeven aan bod dat ons, in West-Europa, het hardst trof. Sadat had van in het begin gerekend op een olieboycot van het westen door de Arabische oliestaten – vooral Irak, Koeweit en Saoedi-Arabië – en het Iran van de sjah van Perzië. Het oliewapen was eerder al uitgetest in de oorlog van 1956. Op 16 en 17 oktober kondigde het oliestatenkartel OPEC (Organisation of the Petroleum-Exporting Countries) inderdaad een reeks maatregelen aan.

 

 De prijzen op een al krappe markt gingen met 70 % omhoog. OPEC kondigde een verkoopverbod af voor de VS, Nederland en Zuid-Afrika als voornaamste bondgenoten van Isräel, en voor Portugal omdat het met de Azoren had bijgedragen tot de luchtbrug met Amerikaanse wapenleveringen aan Tel-Aviv. Bovendien beloofden de OPEC-landen een verdere inkrimping van de productie met 5 % voor elke maand dat de sinds 1967 bezette gebieden in Isräelische handen bleven.

 

 Japan importeerde 90 % van zijn olie uit het Nabije Oosten en boog meteen als een knipmes om de Arabische standpunten uit te dragen. Europa, iets minder afhankelijk, deed dat wat schoorvoetend, tenzij het hard getroffen Nederland natuurlijk. Schlagerzanger Vader Abraham (Pierre Kartner) scoorde in die dagen een megagrote karnavalhit over de toenmalige premier Joop Den Uyl (‘Den Uyl zit in den olie’), dat hij samen met het parlementslid Boer Koekoek zong, een populist avant la lettre.

 

 

Hij moet 't maar versieren bij al die Arabieren

Als haremmeisje met een blonde pruik

Ik zie hem daar al dansen, knipogen en sjansen

Jopie met z'n blote witte buik

En mocht 't daar niet lukken bij die Arabier

Dan rijden we voortaan op lekker schuimend bier

 

 

  Den Haag rekende op de solidariteit van de acht mede-lidstaten in de Europese Economische Gemeenschap (zoals de EU toen nog heette). Maar die kwam maar aarzelend tot stand en op voorwaarde dat die enigszins verborgen kon blijven voor de OPEC. Verscheidene West-Europese regeringen voerden, zoals in 1956, een autoloze zondag in, die tot in februari 1974 werd gehandhaafd.

Al bij al vielen de gevolgen mee, op de prijs aan de pomp na, die inderdaad verdrievoudigde. Die prijs was voordien zo belachelijk laag geweest dat de producerende landen er nauwelijks aan verdienden.

 

 Autoproducenten gingen in de jaren nadien werk maken van minder benzineverbruik en voor het eerst begon men te zoeken naar methodes om woningen beter te isoleren. Men haalde opnieuw rapporten boven van eind de jaren vijftig over het risico op energieschaarste en de noodzaak aan investeringen in alternatieven zoals kernenergie. Die rapporten waren anno 1960 in de lade verdwenen door het gemak waarmee olie geïmporteerd werd aan een bijzonder lage prijs.

 

  Bovenal versnelde de prijsopstoot de al sluimerende inflatie in de meeste westerse landen. Die hadden immers in de jaren zestig veel geïnvesteerd in de verwachting dat de hoge economische groei de terugbetaling van royale leningen zou vergemakkelijken. Zo begon in 1974 een langdurige economische crisis, die in de jaren 1980-81 een dieptepunt bereikte en pas na 1985 helemaal verdween, toen de olieprijs opnieuw instortte. Het was het einde van een kwarteeuw forse economische groei na de start van het Marshallplan in 1947 in West-Europa.

 

 Moeizaam leerde de westerse wereld rekening te houden met wat een rapport van wetenschappers in een zogenaamde Club van Rome, in opdracht van het Massachusetts Institute of Technology, in 1972 met behoorlijk apocalyptische accenten had verkondigd: dat als de economische groei van het westen exponentieel bleef, zoals sinds 1947, ‘de grote meerderheid van de belangrijkste niet-hernieuwbare grondstoffen nog voor het einde van de eeuw een onbetaalbaar prijsniveau zullen bereiken.’

 

 Er waren blijkbaar grenzen aan de groei. Die discussie duurt tot op de dag van vandaag voort, ook al haalde de westerse wereld na 1973 nooit meer de groeicijfers van voorheen.

 

 


Vrouwen in de Furie

  29 september 2023

  In het Museum aan de Stroom in Antwerpen hangt nu al twaalf jaar een klein schilderij dat de Spaanse Furie van november 1576 uitbeeldt. Een passage in het recente boek van Pieter Serrien, Opstand, deed me opnieuw nadenken over iets wat me is opgevallen van toen ik het schilderij het eerst zag: meer dan de brand van de stad, de moordpartijen en de verwoestingen is de schilder vooral de massale mishandeling van vrouwen bijgebleven.

 

 Ik heb deze zomer verscheidene weken lang de ruim zeshonderd bladzijden Opstand van Pieter Serrien gelezen. Het is een stevig feitenrelaas, waarin de inmiddels 38-jarige Antwerps historicus de geuzen centraal stelt, de gewone volksmensen en lagere edellieden die de stoottroepen vormden van de Opstand van de Nederlanden tegen Filips II vanaf 1566. Hij noemt het zelf een ‘eerherstel’, maar tracht dat toch zoveel als mogelijk te objectiveren. Je krijgt alleszins een hemelsbreed fresco van de veelal bijzonder bloedige en zelden heroïsche gebeurtenissen tussen 1565 en 1578 in de Lage Landen.

 

 Ik weet niet of Serrien ooit Het Geuzenboek van Louis Paul Boon heeft gelezen, dat vierenveertig jaar geleden verscheen, net na de dood van de Aalsterse schrijver en journalist. Boon hanteerde dezelfde invalshoek – sympathie voor de geuzen – deed ook veel historisch opzoekingswerk, maar verwierp elke poging tot objectiviteit. Zijn boek was even dik als dat van Serrien, maar met veel kleinere letters en zonder interlinie.

 

 Het was vooral vanaf de eerste bladzijde – met de legendarische scene van Juana la Loca die boven een ordinaire nachtemmer in een koude februarinacht in het Prinsenhof van Gent de latere keizer Karel de wereld inperst - een vlammende aanklacht van het onrecht dat de Nederlanden was aangedaan. In het volle besef dat Boon als kritisch historicus compleet fout zat, heb ik dat boek nochtans, ingepakt door zijn geweldige schrijfstijl, rechttoe, rechtaan, in één ruk uitgelezen en ook onthouden, al is het nu bijna vier decennia geleden. Het is en blijft een literair meesterwerk.

 

Hogendorp

 

 Dit gezegd zijnde, viel mijn oog bij het lezen van Serrien op een wat vreemde passage in zijn verhaal over de Spaanse Furie van Antwerpen (p.480-488). Dat zijn de vier dagen begin november 1576 dat het Spaanse leger in het Zuiderkasteel de stad, toen de rijkste van West-Europa en één van de grootste, innam en plunderde, omdat het al maanden niet meer was uitbetaald. Er zouden toen tot achtduizend doden gevallen zijn. Het was de meest gewelddadige plundering van een stad sinds de Sacco di Roma van 1527 door de troepen van de vader van Filips II, keizer Karel.

 

 Quasi alle illustraties in Serriens boek zijn gravures van Frans Hogendorp, de Mechelaar van wie die taferelen van de eerste decennia van de Tachtigjarige Oorlog inmiddels werelderfgoed zijn geworden. Ook de Spaanse Furie wordt uitgebeeld in Hogendorps gravures. Hij was toen al naar Keulen gevlucht, waar hij tot aan zijn dood in 1590 een drukkerij zou uitbaten. De foto bij dit artikel geeft één van de gravures weer, in een variant op die van het Rijksmuseum. Ik vond die vorig jaar in de Consciencebib van Antwerpen in het boek uit 1880 over de Furie van voormalig stadsarchivaris Génard. 

 

  Wat schrijft Serrien: ‘Ongetwijfeld vonden enkele van de afgebeelde gruwelpraktijken plaats, maar Hogenberg gebruikte ook symboliek. Met het verkrachten van vrouwen verwees de kunstenaar bijvoorbeeld niet alleen naar het onrecht dat sommigen was aangedaan, maar ook naar de ‘verkrachting’ van de stad Antwerpen als geheel. Zo waren de brand in het stadhuis en de dronkenmannen in de beurs ook symbolen.’

 

 Het is een wat ongelukkige passage vermoed ik, maar het verhaal deed me toch terug het schilderij opzoeken dat ik twaalf jaar geleden in het MAS zag hangen (dat overigens ook op de cover van mijn boek België een geschiedenis zonder land staat: https://www.rolffalter.com/bio#h.knwkl3um2ux ). Het is van een anonieme Antwerpse schilder, en men dateert het tegenwoordig in de eerste tien jaar na de gebeurtenissen. Alleszins viel het mij meteen op toen ik het voor het eerst zag, omdat ik geen enkel schilderij ken dat zo gedetailleerd en realistisch de plundering van een stad weergeeft. Dat heb je zelfs niet voor beruchte antecedenten als die van Rome in 1527 of die van Constantinopel in 1453.



Het lijkt erop dat de schilder nadrukkelijk heeft willen uitbeelden hoezeer vrouwen zijn mishandeld in de Spaanse Furie

 

 

 Het schilderij in het MAS is artistiek zeker geen meesterwerk, maar inhoudelijk is het voor een historicus een absoluut topstuk. Want je kan er inderdaad het brandend stadhuis zien, de vele brandende huizen, de massa’s lijken, ook van kinderen, de gruweldaden. Mij lijkt Frans Hogendorp hier duidelijk een paar keer zijn inspiratie gehaald te hebben. En zoals Serrien zelf citeert, bevestigen die taferelen ook het getuigenis van de Engelse dichter George Gascoigne die in die dagen in Antwerpen vertoefde: ‘Ik kan en mag hier niet voorbijgaan aan het in brand steken en de verwoesting van het stadhuis, met alle afbeeldingen en papieren van de stad. Ook kan ik niet zwijgen over beschamende verkrachtingen en de uitzinnige geweldplegingen die zijn begaan bij verscheidene vrouwen en maagden.’

 

Mukwege

 

 Dat laatste is het punt, dat mij ook het meest opvalt bij het schilderij. Het lijkt erop dat de schilder nadrukkelijk heeft willen uitbeelden hoezeer vrouwen zijn mishandeld in de Spaanse Furie. De taferelen, die we hieronder in foto’s van de details van het schilderij weergeven, staan nadrukkelijk op de voorgrond (ik kopieerde ze van de afbeelding in hoge resolutie op wikipedia, die teruggaat op het origineel van het MAS, je moet ze hieronder wel uitvergroten). Het is alsof onze anonieme schilder in de eerste plaats daarover ontzet is geweest. En ik vrees dat daar, net zomin als bij het brandende stadhuis, weinig symboliek bij te pas kwam, zelfs al kan je uit andere details van het schilderij afleiden dat de kunstenaar protestantse sympathieën had.

 

 Hoe dan ook moet je niet woke zijn – of maar een beetje – om te beseffen dat hier een fameus onderwerp zit voor verder historisch onderzoek, in het nederige besef trouwens dat in een dominant mannelijke wereld daar in het verleden waarschijnlijk te weinig aandacht aan is besteed. Hoe zat dat met de verkrachtingen bij gewelddadige innames van steden: wordt dat vaak of slechts zeldzaam vermeld, zijn er bronnen over wat met de mishandelde vrouwen nadien gebeurde, wat met eventuele kinderen die eruit voortkwamen?

 

 Ik weet niet of er daar veel bronnen over zijn. Het is het opzoeken waard. Maar het idee van onderzoek is me ook ingegeven doordat ik enkele jaren geleden Dennis Mukwege heb bezig gehoord, de gynaecoloog (en inmiddels ook Nobelprijswinnaar) die in Oost-Congo duizenden verkrachte vrouwen heeft behandeld. Hij heeft het altijd over verkrachting als een moedwillige tactiek van oorlog en terreur, om nog meer dan met slachtpartijen, gemeenschappen bewust en diepgaand te ontwrichten.

 

 Ik herinner me ook de vele reisverhalen over de Nederlanden in de zestiende en zeventiende eeuw waarin het reizigers opviel hoe zelfstandig en mondig – sommigen omschreven dat als vrijpostig - de vrouwen hier wel waren. Was het daarom misschien dat de overwinnaars in Antwerpen nog meer als een beest te keer gingen tegenover vrouwen dan anders? Is het daarom dat het schilderij van het MAS misschien wel de oudste illustratie levert van Mukweges stelling?


Linkonder op het schilderij: een burgervrouw met rijke kleding wordt met de handen gebonden voortgeduwd door een soldaat terwijl een ruiter toekijkt. Links van haar begint een andere soldaat de rok van een zwangere vrouw op te heffen.


Net boven het vorige tafereel: een naakte vrouw slaat op de vlucht voor een soldaat, de volle straten in, waar talloze lijken op de grond liggen. Iets hoger slepen twee soldaten een burgervrouw mee, en dreigt ééntje met zijn mes. Achter haar is het silhouet te zien van een naakte vrouw die voorvergebogen op haar knieën ligt terwijl een soldaat achter haar zijn zwaard boven haar rug houdt. Links in de gebouwen worden naakte vrouwen gefolterd (een tafereel dat ook Hogendorp inspireerde). Merk de twee paters rechts die de soldaten lijken te zegenen.


Linksboven op het schilderij: een soldaat houdt een naakte vrouw bij haar benen vast en laat ze uit een venster hangen. Veel vrouwen zijn op de daken gevlucht en wachten bang af. Herkenbaar is het silhouet van de kathedraal.


 

Rechtsonder: andermaal hangt een naakt vrouwenlichaam uit het venster terwijl een soldaat met zijn mes dreigt. Door een ander venster springt een vrouw naar beneden, in een poging te ontsnappen. Onderaan wordt een naakte vrouw gefolterd, opnieuw een tafereel dat je ook bij Hogendorp terugvindt.


Eendracht maakt 'kut'

 23 september 2023

 

 Deze zomer, tijdens een bezoek aan Amsterdam, kwam ik uit op het verhaal van Naatje. Een monumentaal beeld, ook weer met een nationale maagd (zoals bij ons in Kortrijk), midden op de Dam in het centrum van de stad, dat er tot 1914 heeft gestaan. Het moest de Nederlanders herinneren aan de Nationale Eendracht in de glorierijke Tiendaagse Veldtocht van koning Willem I en zijn zoon in augustus 1831 tegen het ‘muitziek rot der Belgen’. Helaas – of gelukkig maar - was het monument te zuinig gebouwd, en brokkelde het na iets meer dan een halve eeuw uit elkaar.

 

 Het is een verhaal dat ik nooit eerder vernomen heb, ook niet bij het schrijven van mijn boek, in 2005, over de Belgische Revolutie  van 1830 (https://www.rolffalter.com/bio#h.xzs07flc9cf9). Nu stuitte ik op beelden erover het tijdens een bezoek aan de boeiende ‘Schatkamer’, een embryo van een heus stadsmuseum, in het Stadsarchief tussen de grachten van Amsterdam.

 

 In de jaren vijftig van de negentiende eeuw schijnen Nederlandse oud-strijders van de Tiendaagse Veldtocht van 1831 een collecte gestart te zijn voor een standbeeld dat de herinnering aan het roemrijk moment zou vastleggen. Ongetwijfeld met behulp van de Oranje-dynastie was er dra voldoende geld ingezameld. In 1856 werd het beeld ingehuldigd, op de Dam zelve. Dus op het plein voor het sinds een halve eeuw tot Koninklijk Paleis omgedoopt voormalig stadhuis van Amsterdam, zoals bekend een kopie in groter formaat van dat van Antwerpen.

 

Dijhoogte

 

 Het werk werd aan … een Belg toevertrouwd, de Mechelaar Louis Royer. Die was als jonge artiest in het nog Verenigde Koninkrijk der Nederlanden in de jaren twintig naar Den Haag verhuisd. Hij was daar opgeklommen tot de beeldhouwer par excellence voor alle monumenten met een nationale symboliek: Rembrandt, de Ruyter, Vondel, Willem van Oranje en finaal – de zestig al voorbij – ook dit monument op de Dam. Louis Royer is inmiddels vergeten, de naam roept vandaag vooral een tweehonderd jaar oud Cognacmerk op uit Jarnac, de geboortestad van François Mitterrand en vandaag ook het productiecentrum van de cognac van Jean Monnet.

 

 Tweeëntwintig meter hoog moest het beeld in Amsterdam zijn, waarvan vier voor de centrale vrouwenfiguur, de Nederlandse Maagd. Maagden, veelal krijgshaftig getooid en met een strijdbare blik, schijnen in de decennia in de aanloop naar 1914 zowat overal als symboolfiguur voor het onschendbare vaderland opgang te hebben gemaakt. We zagen dat eerder deze zomer al in Kortrijk https://zonderland.blogspot.com/2023/07/hoe-een-parisienne-het-tot-maagd-van.html ), waar ze tegelijk ook nog het ongeschonden katholiek geloof verbeeldde.

 

 

 'Bij (iets) meer democratie, zoals de revolutionairen in Brussel en de opstandige steden in het zuiden leken te eisen, dreigde voor het hele Koninkrijk der Nederlanden de politieke meerderheid in handen te komen van de katholieken. Dan was ook het oude graafschap, nu de provincie Holland zijn sinds 1600 gevestigde dominantie kwijt’

 

 

 Deze Maagd, een halve eeuw ouder dan die van Kortrijk, droeg een klassiek gewaad, met ontblote nek en een wat slordig geknoopt onderste stuk dat een stevig linkerbeen tot op dijhoogte onthulde. Het geheel werd afgewerkt met een Romeinse helm op een forse kop, en ook nog blijkbaar een stevige Romeinse lictorenbundel aan haar voeten. Dat laatste kan men de Amsterdammers inzake hun getormenteerd verleden nu voor een keer niet verwijten, want dit symbool (fasces in het Latijn) werd pas zestig jaar later door Mussolini gerecupereerd, wat de naam gaf aan zijn beweging.

 

 Op de voorzijde van het monument was een opschrift aangebracht: ‘Aan de volksgeest van 1830 en 1831’. Aan de achterkant benadrukte men het stichtelijk karakter, zoals dat toen heette: ‘tot opwekking van tijdgenoot en nageslacht.’ Blijkbaar besefte men niet dat men bij zo’n slogan van alles kan bedenken … Ergens in een opschrift moet ook de term ‘natie’ gevallen zijn. Het volk van Amsterdam, dat zoals het gepeupel van heel de wereld veel sneller bombarie doorheeft dan de vermeende volksverheffers veronderstellen, maakte er Naatje van, Amsterdams voor ‘kut’ zeg maar.

  

 Priestergebroed

 

 Dat inmiddels verdwenen beeld was vermoedelijk de meest concrete veruitwendiging van de oneindige zucht van verlichting die in Nederland opging toen de Belgen in het najaar van 1830 in hun revolutie slaagden. De eerste delegatie van burgers uit het opstandige Brussel – met Alexandre Gendebien onder meer - die in de laatste augustusdagen na de revolte door de Stomme van Portici naar koning Willem trok, werd in Den Haag meteen uitgejouwd en spelde veiligheidshalve maar oranje linten op de revers in plaats van de Brabantse driekleurige kokardes waarmee ze vertrokken was. ‘Het kabinet is in dermate moeilijkheden dat door toe te geven aan onze eisen het een opstand in Nederland riskeert’, zo kregen ze in het paleis te horen.

 

 Er ontstond begin september 1830 inderdaad meteen een al dan niet spontane tegenbeweging in Holland tegen de zuiderse revolutiedrang. Bij (iets) meer democratie, zoals de revolutionairen in Brussel en de opstandige steden in het zuiden leken te eisen, dreigde voor het hele Koninkrijk der Nederlanden de politieke meerderheid in handen te komen van de katholieken, waarvan het merendeel in het zuiden woonde (België dus), maar ook in de (gediscrimineerde) voormalige Generaliteitslanden van de Nederlandse Republiek van voor 1789, dus Noord-Brabant en Limburg. 


 In dat geval zou ook het oude graafschap, nu de provincie Holland zijn sinds 1600 gevestigde dominantie kwijtspelen. Vandaar dat Willems voornaamste raadgevers hem tussen 1813 en 1815 op het hart hadden gedrukt zijn pas gesticht Verenigd Koninkrijk in te richten als een uitbouw van Holland. Dat leek in hun ogen gewoon logisch: protestants Holland leefde al twee eeuwen in vrijheid en glorie, het zuiden al even lang onder de katholieke knoet, in verdrukking en bekrompenheid dus. Zo zagen zij dat.

 

 Die psyche heeft ongetwijfeld ook bijgedragen tot de aarzelingen van prins Frederik toen hij tussen 23 en 27 september 1830 met zijn verdeelde leger (ook met rekruten en soldaten uit het zuiden) probeerde de achtergebleven revolutionairen – hun leiders waren allen gevlucht – uit Brussel te verjagen. Finaal schrokken hij en de meeste van zijn officieren terug voor het bloedbad dat hem alsnog had kunnen doen slagen. Zijn opperbevelhebber Constant de Rebecque had de prins aanbevolen daartoe over te gaan, maar die werd meteen met een smoes naar huis gestuurd. 


 Na die nederlaag was in Den Haag het hek helemaal van de dam. De Haagse politiecommissaris Ampt registreerde dat het volk in zijn stad  ‘van dat karakterloze volk en priestergebroed gescheiden wilde worden’, die van het zuiden dus. En Cornelis van Maanen, de sterke man van heel Willems bewind, raadde hem op 8 oktober aan de zuidelijke provincies gewoon te lozen. Hij had altijd al zijn twijfels gehad over het Verenigd Koninkrijk.

 

 Zeldzaam waren diegenen die, zoals de Zuidhollandse gouverneur van der Duyn, één van de sleutelfiguren in 1813, beseften dat een dergelijke keuze neerkwam op ‘het bewijs aan Europa dat men onbekwaam is te regeren.’ De grootmachten hadden na de val van Napoleon de Zuidelijke Nederlanden immers aan de Oranjes toevertrouwd om het als buffer uit te bouwen tegen Frankrijk. Nu klapte het in elkaar, ook en vooral militair, dus op het terrein waar het zich had moeten waarmaken. Willems gulden viel pas in het voorjaar van 1831. Hij mobiliseerde toen met een buitengewoon budget een nieuw, ditmaal puur-noordelijk leger, met oproepen tot patriottisme die duizenden studenten enthousiast van hun college-banken weghaalden.

 

 Dat leger viel dan op 2 augustus 1831 België binnen, tien dagen amper na de eedaflegging van de uit Engeland overgevaren prins Leopold van Saksen-Coburg als nieuwe koning der Belgen op een zonovergoten Koningsplein in Brussel. Het zootje ongeregeld dat tot Belgisch leger was bijeengeraapt, onder wie de 18-jarige Henri Conscience uit Borgerhout die zich als enthousiaste vrijwilliger had gemeld, was geen partij. Via Turnhout en Diest veegden de Nederlanders de Belgen bijeen in twee kleine veldslagen, in Kermt bij Hasselt en tussen Boutersem en Leuven. Leopold had tegen dan de Fransen van zijn latere schoonvader Louis-Philippe ter hulp geroepen. Die deden de Nederlanders ter hoogte van Roesel- en Ijzerenberg ten westen van Leuven wijselijk voor een wapenstilstand kiezen.

 

 Vooral Engeland en Pruisen vonden nadien dat de nochtans katholieke steden Maastricht en Luxemburg toch beter bij Nederland bleven. Dat was vanwege de sterke militaire vestingen daar, waarvan men de controle indirect, via de slappe Belgen, niet aan Parijs wou overlaten. Willem vond die beloning niet voldoende, en hield nog zeven jaar de staat van beleg in stand, totdat de budgettaire kost daarvan tot te veel ongenoegen in Den Haag leidde. Het kwam hem ongetwijfeld goed uit de spanning aan te houden. Want nu de Belgen geloosd waren, zouden de Hollanders misschien toch meer democratie willen wagen. Aan die periode van blijvende spanning houden we in België de vestingmuren van Diest en het kamp van Beverlo-Leopoldsburg over. In Nederland, naast de kazerne van Tilburg, een reeks reusachtige schilderijen over de roemrijke veldslagen bij Hasselt en Leuven. En dus ook het beeld van de Dam, want vijfentwintig jaar was de pathos nog altijd niet afgezwakt.

 

Zandsteen

 

  Naatje is inmiddels verdwenen, want ze hield niet lang stand. Weer en wind van de Hollandse polder teisterden haar vanaf de eerste jaren. Eerst vroor haar neus af, decennia later stortte haar rechterarm naar beneden. De fontein aan de voet bleek vaak niet te werken, en de wind sneed groeven in haar hoofd. Op zoveel gecorrumpeerde protserigheid zou men vandaag een audit afvuren, toen passeerde dat nog. 


 Finaal, na nog een vergeefse restauratie van Naatjes hoofd, werden haar restanten op 8 april 1914 weggetakeld, met de aanleg van een tramlijn als nuttig motief en geschikt excuus. De resten bleven nog enkele decennia liggen in een hoek van het stadsmuseum, totdat de NSB in haar schijnbare gloriejaren interesse begon te betonen. Sindsdien is er niets meer van gehoord.

 

 Royer had Naatje in zandsteen moeten bouwen, Belgische zandsteen dan nog. Dat was geen symbolische keuze, maar waarschijnlijk eerder een budgettaire. Het eerste idee, een groot ijzeren kruis, gemaakt van de gesmolten kanonnen die in augustus 1831 op de Belgen waren buitgemaakt, had men opgegeven om de zuiderse buren, met wie de relatie sinds 1848 enigszins verbeterd was geraakt, niet te hard voor het hoofd te stoten. Die oplossing was ongetwijfeld goedkoper en – zoals dat hedendaags heet – duurzaam geweest.

 

 

 


Arnout in de koekendoos

 12 september 2023

 Twee afleveringen zijn er nu al gepasseerd van ‘Interview met de geschiedenis’, de reeks portretten-via-gefingeerde-interviews van de zes voorgangers van Filip I als koning der Belgen. Daarbij ongetwijfeld ook de moeilijkste episode, die over Leopold II (al zal Leopold III ook een harde noot zijn). Voorlopig besluit: heel knappe televisie, qua geschiedenisinhoud eerder bescheiden, soms zelfs vooral royalty.

 

 Om het maar meteen te zeggen: ik heb geweldig geboeid gekeken naar de eerste twee afleveringen van ‘Interview’. Het is een lust voor het oog, met prachtige locaties die, onder meer via drones, bijzonder fraai in beeld worden gebracht, van het Clarendon House met zijn piekfijn Engels gazon over Coburg en het Schoonselhof tot de oude stoomtrein en een visueel gereconstrueerd strand van Oostende omstreeks 1885.

 

 Er zitten heel originele vondsten in, om moeilijke stukken verhaal aan te snijden, zoals de heel overtuigende kinderpsychiater Binu Singh over de jonge Leopold II, de bus met oudjes uit Haacht, die in Brussel gidsen met Congolese roots meekrijgen (in het Frans) die hun verhaal over Leopold brengen, de goedlachse baron de Bioley in het aan stukken vallend voorvaderlijk huis in de ook vervallen stationsbuurt van Verviers, of de historische harmonie van Veurne die prins Leopold daar in juli 1831 op het strand kwam verwelkomen.

 

 Daartussen laveert Arnout Hauben, met zijn cameraploeg die ook regelmatig in beeld komt (een wat absurde maar daarom ook leuke truuk), enthousiast, verbaasd, goedlachs, schroomvallig als hij de gespeelde vorsten nadert. Jommeke in het land van Mic Mac Jampudding, maar het werkt aanstekelijk en draagt het verhaal!

 

Schurk

 

 Het enige wat nog niet zo goed lukt is wat waarschijnlijk het oorspronkelijk idee was, en een heuse vondst: de interviews van de zes koningen, elk gespeeld door een acteur uiteraard. Bij Leopold I kwam het er helemaal niet uit. Dat was maar heel ten dele omdat Bruno Vanden Broecke nu eenmaal te bekend is om iemand anders dan hem te zien. Het was vooral dat de figuur nauwelijks wat te vertellen had, behalve wat verdrietige gedichten om Charlotte en een woede-uitval over Bonaparte die zich ook tegen interviewer Hauben keerde. Terwijl het gekozen moment – een week voor zijn intrede in België - zich juist leende om heel de onzekerheid uit de doeken te doen waarmee Leopold naar het zootje revolutionair ongeregeld in Brussel trok. Jammer.

 

 Bij Leopold II (Tibo Vandenborre) was het interview al een stuk overtuigender. Het gaf zijn versie van de feiten weer, zijn misprijzen voor de kleine, bekrompen en ruziënde Belgen, zijn stelling – typisch voor die tijd – dat hij de inwoners van Congo beschaving ging brengen (wat hij misschien voor een klein beetje zelfs meende), zijn ‘bevrijding’ van de noodzaak om met een autonome regering en een parlement overeen te moeten komen. Het had gerust een stuk langer en wat dieper nog gemogen, en misschien eerder vlak voor zijn sterfbed gesitueerd moeten zijn, om alle wrange kanten van de intrigerende figuur grondiger aan te snijden.

 

 Leopold II was immers in de meest positieve interpretatie de enige van de Belgische vorsten die ooit echt meegespeeld heeft op het wereldtoneel, als epigoon van een land dat zich in die dagen daar nadrukkelijk voor kon melden maar dat manifest weigerde te doen. In de meest negatieve schildering was hij niet alleen een verbeten reactionair, maar een ordinaire gewetenloze schurk, en zelfs geen klein beetje. Iets van beide uitersten kwam wel uit het interview uit, maar het beklijfde niet. Vergelijk het met de boosaardige dikzak uit Daens, die maar een paar seconden en woorden nodig had om onvergetelijk te worden.

 

 Maria-Hendrika was het minst geloofwaardig. Dat lag zeker niet aan actrice Evelien Bosmans, maar aan de enscenering (ze hadden haar beter in Spa gefilmd dan met of zonder hem – men scheen het niet goed te weten - in de trein), aan de niet uitgediepte slechte verhouding met haar man (was ze cynisch, of enkel spottend, of gelaten?), en aan het feit dat de Bioley heel het verhaal van de archi-slechte relatie al ruim had gesignaleerd.

 

 Los daarvan voelt het, alleszins voor mij, vreemd aan, die Belgische monarchen fraai Nederlands te horen spreken. Geen van de twee Leopolds heeft ooit een iota van die taal gebezigd. Maar goed, de Nederlandse verfilmingen van Willem de Zwijger zijn ook in onze taal, al heeft Guillaume d’Orange, die de eerste twee derden van zijn leven vooral in Brussel doorbracht, waarschijnlijk nooit een woordje volkstaal gepleegd. Enkel in ‘Het Verhaal van Nederland’ twee jaar geleden liet men hem voorzichtigheidshalve zelfs geen woord prevelen.

 

Kikkers

 

 Leer je iets uit die eerste twee afleveringen over ons verleden? Als het de eerste keer is, waarschijnlijk wel. Het Engelse verleden van Leopold I als kortstondig prince-consort van Wales of een exact beeld van Coburg werden ook in onze geschiedenislessen destijds niet vermeld. Congo, de afgehakte handjes, Oostende en de architectuur van Brussel werden dat al wel. Daarom was het goed het nog niet zo lang geleden herontdekte verhaal van de zeven gestorven Congolezen op de wereldtentoonstelling van Antwerpen uit te diepen en zelfs te sublimeren, op een net voldoende sober gespeelde ceremonie op Schoonselhof. Van de tweede aflevering van ‘Interview’ gaan mensen zeker wat onthouden. En het is die harde realiteit die ook spannende televisie maakt, omdat je je, zoals de oudjes van de bus tegenover hun gidsen, wat ongemakkelijk gaat voelen dat men je ook wel wat heeft wijsgemaakt op school.

 

 Leopold I daarentegen was vooral een aflevering uit de koekendozen van Delacre, met nadruk op zijn liefdesverdriet en de relatie met Charlotte. Toch had ik daar het gevoel dat er kansen waren blijven liggen door het gebrek aan research. Moeder Agusta bijvoorbeeld werd maar heel even aangesneden als de onvermoeibare kloek die fanatiek maar ook uitermate succesvol een ruime kroost kinderen wist te ‘plaatsen’ aan de Europese hoven, wat Bismarck veel later deed zeggen dat de piepkleine Saksen-Coburgs zich tot ‘stoeterij van Europa’ hadden opgewerkt.




'Iets wat nooit uit de verf komt uit dergelijke tv-behandelingen van het eigen koningshuis – niet alleen bij ons, maar in alle ’s werelds landen – is dat zo’n dynastieën ook een familiebelang nastreven. Gewoon het eigen inkomen en vermogen verbeteren, en een goede post voor de hopelijk niet te talrijke kinderen nastreven, zijn daarvan de belangrijkste doelstellingen.' 


 

 Charlotte, de Britse troonopvolgster die prins Leopolds eerste echtgenote werd, lag overhoop met haar vader, de koning, die buitengewoon gehaat was, waardoor zij van de weeromstuit buitengewoon populair werd. De 25-jarige Leopold was onbetwist de beauty van de twee, en dat trok haar aan (en maakte dat de tsaar goed gezien had om hem uit te sturen), naast het feit dat zo’n prins uit een piepklein hertogdom haar goed uitkwam, want niet veel centen had en dus wel in Londen en in de schaduw zou blijven. Er ontwikkelde zich zo, zoals we via de sinds een kwarteeuw opgedoken briefwisseling weten, een echte liefdesband.

 

 Daarom stuurde zij de eerste, opgelegde keuze, de Oranje-Hollander Willem (die eigenlijk ook nauwelijks Nederlands sprak) ‘terug naar zijn kikkers’ zoals ze dat misprijzend zei. Ze had gevreesd regelmatig in Den Haag te moeten vertoeven en dus Londen aan haar tegen haar intrigerende vader te moeten laten. De bons kreeg zo de latere koning Willem II van Nederland (die van de Tilburgse sigaren), waarvan men vermoedt dat hij ook gay was, en die in oktober 1830 in Antwerpen even probeerde … koning der Belgen te worden, negen maanden voordat Leopold daarin slaagde.

 

 Het huwelijk van Leopold en Charlotte werd in die context – geliefde prinses kiest knappe man (zie het bekende schilderij van beiden hiernaast) - het eerste glamour-event ooit van de Britse kranten. Het bracht daardoor zoveel volk in de straten van Londen dat de hele ceremonie oneindige vertraging opliep omdat de koetsen niet door konden. Het even enthousiaste House of Commons stemde prompt een royale dotatie voor het nieuwe paar, die Leopold mocht houden na de kraamdood van zijn jonge vrouw. Die budgettaire post schrappen was één van de motieven om hem een dozijn jaren later eerst naar Griekenland uit te sturen als mogelijke vorst, finaal naar België. De heethoofdige jonge revolutionaire Belgen boden overigens meer, wat ook wel hielp, naast het feit dat ze knarsetandend plooiden voor de politieke eisen die Leopold hen, namens Parijs (Talleyrand) en Londen (Palmerston), afdwong.

 

Klein land

 

 Allemaal dingen die we niet meekregen in het verhaal van Charlotte en Leopold. Natuurlijk is het format, binnen een klein uurtje dan nog, haast zeker te beperkt om dat allemaal mee te geven. Al speelt ook de typische ziekte van een klein land, zoals Leopold II niet ten onrechte en veel meer smalend opmerkte: we kijken zelden over de grenzen. Dat Leopold I een puzzelstuk op het internationaal schaakbord was (en dat besefte en daar het maximum uit haalde), dat Leopold II handig inspeelde op Bismarcks afkeer van koloniale avonturen en dus een verlangen om Congo niet aan Engeland of Frankrijk te geven, dat het internationale druk was (onder andere van de literatoren Mark Twain, Joseph Conrad en Arthur Conan Doyle) die België Congo bezorgde, komt dus niet aan bod. Ach, we geloven zo graag in de kracht van het eigen kleine land om dingen alleen te regelen.

 

 Iets wat nooit uit de verf komt uit dergelijke tv-behandelingen van het eigen koningshuis – niet alleen bij ons, maar in alle ’s werelds landen – is dat zo’n dynastieën ook een familiebelang nastreven. Gewoon het eigen inkomen en vermogen verbeteren, en een goede post voor de hopelijk niet te talrijke kinderen nastreven, zijn daarvan de belangrijkste doelstellingen. Leopolds II verlangen naar een kolonie waarvan enkel hij de baas was, en later van de rubber-inkomsten waarvoor handen werden afgehakt, had daarmee te maken. Misschien ook wel zijn mateloze bouw- en verkavelingswoede in Brussel en Oostende, al is dat nog nooit nagetrokken.

 

 Daarom moest zijn afstand van de qua mensenrechten totaal gediscrediteerde Congo-Vrijstaat op zijn sterfbed van de oude koppigaard worden afgedwongen, door de politici afgeperst eigenlijk. België had inmiddels ook meer dan voldoende centen genoeg opgehoest om, vooraleer het rubber hem bevrijdde, Leopold en zijn Congo telkens weer van de financiële ondergang te redden. Later heeft men uit vaderlandse pudeur aan ons toch maar wijsgemaakt dat hij Congo uitermate genereus aan zijn geliefde Belgische onderdanen heeft toevertrouwd. De Belgische regering kon moeilijk anders. Had ze die reusachtige kolonie in 1909 weggegeven of verkocht, dan was de Eerste Wereldoorlog waarschijnlijk vijf jaar vroeger uitgebroken.

 

 Dat is allemaal stof voor langere en meer duurzame portretten van de twee eerste Leopolds, geacteerd, en in vele afleveringen, zoals in de ‘kostuumseries’ uit grotere landen. Maar dat is vandaag voor de Vlaamse openbare omroep – zelfs in eventuele samenwerking met de RTBf en steun van de Tax shelter die ook Hauben en productiehuis De Chinezen meekregen – waarschijnlijk te hoog gegrepen. Klein land, kleine mensen, zo is het nu eenmaal.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De rode handen van

 generaal Pinochet

 9 september 2023


 

 Vijftig jaar na datum is de militaire staatsgreep van 11 september 1973 in het Zuid-Amerikaanse Chili nog altijd niet vergeten. Getuige daarvan de aandacht die de herinnering dit weekeinde in de internationale media kreeg. Dat is omdat het om een bijzonder bloeddorstige machtsgreep ging, omdat het indrukwekkend op tv te zien was, omdat het gebeuren zich entte op de bijwijlen naïeve en zelfs dwaze opstoot van linkse progressiviteit die toen in de westerse wereld van de studentenbeweging uitging. Na een halve eeuw blijft de conclusie echter onwrikbaar: geloof nooit dat een militair regime goed bestuur kan opleveren.

 

 Latijns-Amerika inspireerde Hergé tussen 1929 en 1976 driemaal tot een Kuifjes-album (Het gebroken oor, De zonnetempel, Kuifje bij de Picaro’s) Daarin vind je het clichébeeld dat eigenlijk tot omstreeks 1970 van het verre continent bestond: geweldige natuur, van de Amazone tot de Andes, het mysterie van de Inca’s, mensen die op straat slapen met een poncho en een sombrero, Noord-Amerikaanse olie- en wapenmarchands die aan alle partijen verkopen en de oorlog stimuleren, overal armoede. En bovenal een hilarische politieke instabiliteit: in Het Gebroken Oor (1935) probeert een vuurpeloton tot driemaal toe Kuifje te fusilleren, maar telkens wordt het onderbroken door berichten over een nieuwe staatsgreep, waarbij de soldaten in een instinctieve reflex meteen de naam van de nieuwe heerser – afwisselend de generaals Tapioca en Alcazar – toejuichen, en Viva la Libertad scanderen.

 

Neruda

 

  Eind maart 1964 hadden militairen in Brazilië de macht gegrepen, tegen een verkozen zacht-linkse president, en met steun van de Verenigde Staten. Die laatsten hadden sinds de machtsgreep van Fidel Castro in Cuba op Nieuwjaarsnacht van 1959 en de nucleaire Cuba-crisis van 1962 hun heksenjacht op communisten tot Zuid-Amerika uitgebreid. Voordien had Washington vooral gelet op de business-belangen bezuiden de Rio Grande en daar via haar diplomatie hand- en spandiensten voor geleverd.

 

 De staatsgreep in Brazilië was de eerste in een reeks op het continent. Het duurde vier dagen om het immense land onder controle te krijgen. Maar de omwenteling verliep relatief vreedzaam – er vielen een twintigtal doden – en vrij geleidelijk, op de onmiddellijke arrestatie van een paar duizend vermeende linkse militanten na. De facto was het militair ingrijpen in Rio en Brasilia niet zo ongewoon, en zoals altijd in eerste instantie een reactionaire kramp van een even steenrijke als geïsoleerde upper-class. Het was nauwelijks nieuws. Buiten Zuid-Amerika bleef Brazilië vooral synoniem voor carnaval, samba en het voetbal van Pelé.

 

 Chili was anders. Het had de reputatie van een vreedzaam, relatief democratisch land. Het was vooral een leegte, met zijn raar territorium lang uitgestrekt op de westflank van de Andes, en met toen evenveel inwoners als België, maar op 25 maal meer oppervlakte. Het was, zoals alle Latijns-Amerikaanse landen toen, uiteraard een ontwikkelingsland dat louter bestemd leek om het westen grondstoffen te leveren, met vooral kopermijnen. Het kwam enkel in het nieuws met aardbevingen en tsunami’s, waarvan het samen met Japan de wereldkampioen is. Al leverden zelfs die toen enkel kleine berichtjes onder de fait divers op in de westerse kranten, en nooit beeld in het tv- of bioscoopjournaal.

 

 Sinds 1970 was Salvador Allende president van Chili. Zijn grootvader langs moederszijde, Arsène Gossens, was een uit België afkomstige migrant was, wiens oudste zoon – de broer van Salvadors moeder – voor het vuurpeloton eindigde vanwege deelname aan een mislukte staatsgreep in Valparaiso. Allende, 62, was arts van opleiding, maar vooral een oude rot in de Chileense politiek. Met een heel nipte relatieve meerderheid voor zijn linkse Volksfront van socialisten en communisten verwierf hij aan het einde van zijn carrière het hoogste ambt.


 Zijn gebrek aan controle over de achterban compenseerde hij met vlammende retoriek over solidariteit met Cuba, tegen het Noord-Amerikaanse kapitalisme en imperialisme. Dat was iets waarin ook Pablo Neruda excelleerde, de dichter en latere Nobelprijswinnaar die in die dagen ambassadeur in Parijs was. (Neruda overleed, 69 jaar en al een tijdje ziek, twaalf dagen na de staatsgreep in Santiago aan een hartaanval, al zijn er tot vandaag twijfels of die wel toevallig was.)

 

  Al die vlammende ideeën beperkten zich in de beleidspraktijk vooral tot de klassieke nationalisaties van de mijnen en bedrijven, die zoals altijd de betrokken ondernemingen verder de dieperik in dreven. Allemaal niets abnormaals eigenlijk in het Latijns-Amerika van toen. Wel verzonk het land anno 1973 in steeds grotere chaos, voor een klein deeltje opgepookt door de VS, vooral doordat de eenzijdige interpretatie door Allende en zijn aanhangers van de nipte overwinning van 1970 door links de polarisatie op gang joeg in een straatarm land. Wat voldoende was om zeker de Chileens elite te doen schrikken, en ook en vooral Washington.  

 

 In zijn memoires begint Henry Kissinger – die president Nixon op 22 augustus 1973 van Nationale Veiligheidsadviseur tot minister van Buitenlandse Zaken promoveerde – zijn hoofdstuk over Chili met een forse affirmatie dat de Verenigde Staten nooit een hand hebben gehad in de staatsgreep tegen Allende. Waarna de rest van het hoofdstuk eigenlijk het tegendeel bewijst. Vooral getuigt het van de zeer Duits-rigide anticommunistische paranoia en het gebrek aan empathie dat Kissinger een paar jaar later ook zou overvallen tegenover linkse partijen in Portugal, Spanje en Griekenland toen die landen hun dictatuur afwierpen (zelfs de Griekse PASOK en de Portugees Mario Soares vielen onder zijn wantrouwen). Kissinger wordt terecht geroemd om een drietal diplomatieke tours de force, maar in Chili demonstreerde hij één van zijn minder fraaie kanten.

 

Pinochet

 

 In de ochtend van 11 september 1973 namen eenheden van de Chileense marine de stad Valparaiso in, vanaf 7 uur. Dat deed Allende naar het presidentieel paleis in Santiago trekken, onder de hoede van zijn paleiswacht. Vanaf half negen was duidelijk dat radio en tv-omroepen in handen waren van het leger, en dat telefoonverbindingen waren afgesloten. Tanks en pantserwagens verschenen in de straten van de Chileense hoofdstad Santiago. Loyale troepen rondom het paleis wisten in eerste instantie de aanval van de opstandelingen af te slaan. Allende kon zo nog een televisietoespraak van zeven minuten houden, een uitermate bevlogen speech, waarin hij tot verzet opriep, maar ook ontraadde om tegen kogels te vechten. Hij liet vooral geen twijfelover zijn heel nabije dood. ‘Anderen zullen dit duister en bitter moment moeten overwinnen, waarin verraad de overhand wil nemen.’

 

 Er bestaat een iconische foto van hem in zijn laatste minuten, met een pistool in een portaal van het brandend paleis, dat inmiddels was bestookt door de luchtmacht (zie foto hiernaast). Westerse cameraploegen filmden vrolijk en ongemoeid de beschieting, vernieling en brand . Spoedig stroomden van overal journalisten toe naar Santiago. Daar wachtte hen ruim een week later een uitnodiging om in het nationaal voetbalstadion – waar Brazilië in 1962 de wereldbeker had gewonnen – te komen kijken dat de vele gearresteerden goed behandeld werden. Dat liep mis, want die schreeuwden de journalisten toe over de summiere executies die ze hadden gezien en de folteringen die ze al hadden ondergaan, in de catacomben van het stadion zelf. Maurice De Wilde was daarbij, zelf een legende van wat toen nog de BRT-nieuwsdienst heette. Men mag hopen dat de omroep deze dagen zijn verslag nog eens op het net zet.

 

 De nieuwe sterke man heette Augusto Pinochet, zoals Allende uit Valparaiso afkomstig, maar zeven jaar jonger. Tot dan had die zich onledig gehouden met carrière maken in een leger dat veel te groot was en de facto louter voor binnenlands gebruik diende. Op 22 augustus pas was hij stafchef van dat leger geworden, nadat de vorige, generaal Pratts, die ook minister van Binnenlandse Zaken was, onder druk van zijn mede-officieren ontslag had genomen (Pinochet liet hem en diens vrouw een jaar later in Brazilië vermoorden met een bomwagen). De nieuwe sterke man, van wie Allende ook op 11 september nog vele uren geloofde dat hij loyaal was, kwam pas na een paar dagen uit zijn pijp.

 

 Hij vestigde een uitermate brutaal regime, dat in zestien jaar tijd ruim dertigduizend tegenstanders met een steeds weer terugkerende dorst naar sadisme aan de pijnbank onderwierp (gemiddeld vijf per dag eigenlijk) en twee- tot drieduizend ervan liet executeren zonder proces of deed ‘verdwijnen’. Vele tienduizenden Chilenen vluchtten het land uit, naar België en andere Europese landen, waar ze asiel verkregen. Ze verbroederden er met de Spanjaarden die nog altijd op de vlucht waren voor het even bloeddorstige Franco-regime van de burgeroorlog vijf en dertig jaar eerder. Pinochet bleef de voornaamste onder hen in het buitenland achtervolgen met aanslagen en moordpartijen.

 

 De schok van de beelden, de brutaliteit van het nieuwe regime, het martelaarschap van Allende en duidelijke indicaties van Amerikaanse ondermijning van diens regime – onder meer door de International Telephone en Telegraph Company (ITT) – zorgden voor ongewone beroering in de hele westerse wereld. Ze leverde koren op de molen van de nog steeds roerige studentenbeweging die in die dagen helemaal naar uiterst links was doorgeschoten in de cultus van Marx, Mao en het communisme en die de eerste jonge gedreven journalisten op nieuwsredacties bracht. Daar is dan een brede geëngageerde beweging uit voortgekomen, om Latijns-Amerika te blijven volgen, te steunen en te ‘redden’.

 

 De legendevorming rond de gewezen Cubaanse minister en opnieuw guerillero geworden en uiteindelijk omgebrachte Che Guevara eind de jaren zestig had daarvoor de eerste steen geleverd. Centraal-Amerika, met de moord op de Salvadoriaanse aartsbisschop Romero en de opstand van de sandinisten van Daniel Ortega in Nicaragua rondom 1980 zorgden later voor een nieuwe golf van echte en vermeende solidariteit. (Ortega, inmiddels zo oud als Donald Trump, is vandaag al vijftien jaar dictator naar Venezolaans model van dat land). Zo was Latijns-Amerika vijftien jaar lang een dagelijks item in de Europese actualiteit. Daarbij werd telkens overal de hand van de CIA gezien, die er overal inderdaad wel was, maar die, zoals zo vaak, meer kunde en intrige werd toegedicht dan datgene waartoe ze in de veel banalere praktijk (met heel veel foute inschattingen) in staat was.

 

Chicago-boys

 

 Latijns-Amerika werd tegen het eind de jaren zeventig het continent waar militaire dictaturen de regel waren. Nog brutaler dan de Chileense was die van Argentinië. Die was in 1976 via een staatsgreep aan de macht was gekomen en ruimde zes jaar later de plaats vanwege de nederlaag in de Falkland-oorlog tegen het Groot-Brittannië van Margaret Thatcher. Daar ‘verdwenen’ vele linkse opposanten van het regime naar we vandaag weten ook door hen ver boven zee vanaf grote hoogte levend naar beneden te gooien.

 

 Pinochet bleef nog tot 1989 aan de macht, toen hij bijna zo oud was als Donald Trump. Een referendum dat bedoeld was om zijn termijn nog met acht jaar te verlengen, liep dankzij de toenemende oppositie faliekant af. Hij zocht alsnog met de oude brutaliteit dat resultaat te vernietigen, maar vond ook onder zijn militaire medestanders geen steun meer. In de daaropvolgende overgang naar democratie wist hij zich nog eens tien jaar het opperbevelhebberschap van het leger te verzekeren en de benoeming van senator-voor-het-leven, wat hem immuniteit tegen vervolging verzekerde.

 

 In oktober 1998 lanceerde een pientere Spaanse onderzoeksrechter, Baltasar Garzon, een arrestatiebevel tegen hem tijdens een bezoek in Londen, op basis van de nieuwe internationale verdragen over wereldwijde rechtsvervolging voor schending van mensenrechten. De Britten hielden hem twee jaar in huisarrest, maar uiteindelijk stuurde de Labour-regering van Tony Blair hem terug naar Chili, impliciet vanwege de steun die Pinochet Londen had gegeven tijdens de Falkland-oorlog. Garzons initiatief wakkerde in Chili wel de moed aan om de generaal alsnog voor de rechter te krijgen voor zijn misdaden, maar hij wist met goede advocaten en ziektebriefjes de dagvaarding uit te stellen, tot hij eind 2006 - net 91 geworden – vredig overleed.

 

 Margaret Thatcher bleef altijd een openlijke fan van de generaal. Daarvoor hanteerde ze het argument dat hij de Chileense economie tot bloei had gebracht. Dat was een karikatuur. Pinochet haalde om de chaos van de Allende-jaren te corrigeren een eerste lichting Chicago-boys binnen, telgen van Milton Friedman die met harde hand de vrije markt invoerden. Dat zorgde voor een geweldige ontwrichting, die echter na enkele jaren ook wegebde. Want Chili ging nu meedraaien in de algemene tendens tot globalisering, die heel Zuid-Amerika in de jaren negentig tot bloei bracht. Die maakte  een einde maakte aan het gegeven dat ruim 80 % van de bevolking op dat continent tot diep in de jaren tachtig in een dagelijks primitief gevecht om overleving verwikkeld was, om voeding, kleding en woning, en in de hoop te ontsnappen aan de gevolgen van een oneindig gebrek aan medische verzorging. Die evolutie zou vermoedelijk ook zonder militairen plaats hebben gevonden, niet het minst omdat Brazilië, Argentinië en Peru veel sneller dan in Santiago al de dictatuur afschreven.

 

 Want ook de Chileens militairen leerden dat macht gebaseerd op louter geweld de mogelijkheid opent om vrijelijk en onbezorgd in de kas te graaien, een verleiding waaraan ze niet noodzakelijk altijd zelf bezwijken, maar haast zeker altijd hun familieleden en dus toch weer zijzelf. De vrije markt vrijwaren wordt dan minder belangrijk dan het draineren van inkomsten naar de eigen zak. Pinochet en zijn staatsgreep zijn de geschiedenis ingegaan als crapulositeit van het niveau van Idi Amin in Oeganda, Saddam Hoessein in Irak of vader en zoon Assad in Syrië. Regimes waar moord op de tegenstander gesublimeerd wordt als een hefboom voor vermeende stabiliteit. Generaal Sissi in Egypte doet deze dagen ook zijn best om in die rij terecht te komen. Voor de rest blijft de les van militaire dictaturen dat ze in het beste geval mateloos corrupt zijn, in het slechtste gewoon beestachtig. Ze leveren geen enkele meerwaarde op, enkel diepe wonden.

 

 Hergés laatste Latijns-Amerikaans verhaal over de Picaro’s van 1976 nam al een stuk van het grimmiger beeld mee, in de mate dat generaal Alcazar nu guerillero’s leidde en geld kreeg van de International Banana Company. Zijn eeuwig tegenstander, generaal Tapioca, keeg steun van het op Stalins satellietstaten geïnspireerde Bordurië. Bovenal beklijfde het allerlaatste beeld van een Kuifjes-strip ooit. Als Hergé’s held en de zijnen naar Europa terugvliegen, scheert hun vliegtuig over de slums waar een uitgemergelde moeder en een kind vanop een grote vuilnisbelt naar twee patrouillerende soldaten kijken. Een bijna identiek beeld als in het begin van het album. Het enige dat na de revolutie van Alcazar veranderde, is dat de soldaten nu een wat meer revolutionaire outfit dragen. En dat het gammele bordje met Viva Tapioca op de vuilnisbelt vervangen werd door een even gammel met Viva Alcazar.


Prometheus in 1945

1 september 2023

 

Deze week de gelegenheid gehad om naar Oppenheimer te gaan kijken, de succesfilm van de Britse regisseur Christopher Nolan. Een bezoek aan de bioscoop meer dan waard, ruim drie uur waar voor uw geld. Al blijft er na de eindgeneriek toch een wat onbestemd gevoel.

 

 Ik ben al langer dan vandaag gefascineerd door de geschiedenis van hoe het E=MC2 van Einstein van 1905 naar de atoombom van 1945 leidde (met een sleutelrol voor de Solvay-conferenties in Brussel). En naar de nucleaire waanzin van de jaren tachtig, waarin de Verenigde Staten en de Sovjetunie samen zo’n 70.000 (!) zogenaamde warheads op elkaar gericht hadden. Het moet begonnen zijn met de polemieken rond de plaatsing van de middellange afstandsraketten in West-Europa tussen 1978 en 1987, in mijn laatste jaren als student en mijn eerste als journalist dus.

 

 In juni 1988 kon ik een persbriefing volgen rond de nieuwe inspecties die de Amerikaanse president Ronald Reagan en Sovjet-leider Mikhail Gorbatsjov een jaar eerder in het zogenaamde INF-verdrag van Washington (INF staat voor Intermediate Nucleair Forces) hadden afgesproken. Ik mocht als journalist van De Standaard ook enkele van de twintig cruise missiles gaan bezichtigen die inmiddels in ons land waren geplaatst. 


 Die waren in onderhoud in de Sabca-fabriek van Gosselies bij Charleroi, en in blijde verwachting van de eerste Sovjet-inspecteurs. De tuigen die ik zag waren niet geladen met een kernkop, in tegenstelling tot de zestien op de luchtmachtbasis van Florennes. Eén van de nieuwtjes die dag was onvermijdelijk dat er 150 jobs gingen sneuvelen door het nieuwe ontwapeningsakkoord. Ik heb de foto waarop ik naast zo'n cruise missile sta, die de volgende dag op de voorpagina van het Belang van Limburg prijkte, nog altijd.

 

 Later, in 2017, heb ik nog de gelegenheid gehad het museum van hun grotere broers (de ICBMs of Intercontinental Ballistic Missiles) te gaan bezoeken ten zuiden van Tucson in Arizona, en eind vorig jaar het voormalige hoofdkwartier van het nucleair commando van de Navo-luchtmacht voor het noorden van Europa in de mergelgrotten van Maastricht. (zie mijn blogpost van 10 maart 2023: https://www.rolffalter.com/blog#h.o5e3xbo12421). Vandaar dat ik dus ook met enige gretigheid uitkeek naar Oppenheimer.

 

Nolan

 

 Om meteen alle twijfels weg te nemen: het loont absoluut de moeite de film te gaan bekijken, ook al duurt hij volle drie uur. Regisseur Nolan bewees al met Dunkirk (2017) (zie mijn blogpost van 19 augustus: https://www.rolffalter.com/blog#h.gx9vmrhh16up ) dat hij een omvangrijk en soms ook ingewikkeld verhaal in moderne filmtaal kan omzetten: korte beeldflashes met een minimum aan dialoog die worden aangevuld met diepe emoties en nadrukkelijke klank en muziek (soms ook even sprekende stilte). Af en toe is dat laatste in Oppenheimer wat te nadrukkelijk, te veel illustratie bij wat de verbeelding ook wel invult, maar het stoort niet echt.

 

 Nolans tweede succes is dat hij drie uur lang de spanning weet te bewaren. Niet eenvoudig in een verhaal dat eigenlijk draait om wetenschappers die samen een technologisch uitermate ingewikkeld project trachten te verwezenlijken. Daarvoor heeft de regisseur het perspectief gebruikt om de hele film te vertellen vanuit de hoorzittingen in een achterkamertje van het Congres in 1954, die eindigden op de feitelijke veroordeling van de tien jaar eerder bejubelde Oppenheimer, met het ontnemen van zijn veiligheidsmachtiging vanwege communistische sympathieën. Het waren de jaren van de hysterische heksenjacht op communisten in de VS, die bijvoorbeeld ook Charlie Chaplin naar Zwitserland deed emigreren.

 

 Nolans invalshoek werkt, maar krijgt dan een overdosis door er nog eens een verhaal bovenop te zetten van Oppenheimers malus genius Lewis Strauss, de verantwoordelijke ambtenaar in Washington (als voorzitter van de Atomic Energy Commission) met wie hij botste over de verdere ontwikkeling van kernwapens en die hem daarom met alle middelen trachtte opzij te zetten. Strauss’ verhaal wordt in de film ook vrij sterk uitgebeend tot aan de weigering van zijn formele benoeming – toen nog iets heel uitzonderlijks – tot minister van Handel door de Senaat in 1959. Dat laatste element trekt de film naar zijn derde uur en vond ik er eigenlijk te veel aan.

 

Geniaal

 

 Leert de film iets over de echte geschiedenis van Oppenheimer en de bom? Robert Oppenheimer (in de film gespeeld door Cillian Murphy) werd geboren in New York, als zoon van een rijk geworden textielmarchand, van joodse afkomst, niet langer pratikerend, en met Duitse roots. Zijn moeder schilderde, waakte over zijn opvoeding, die hem finaal naar Harvard, Cambridge (UK) en Göttingen bracht, waar hij excelleerde als student.

 

 Oppenheimer bleek een geniaal brein en een kwetsbare, onzekere mens met de nodige capriolen, een kettingroker onvermijdelijk, die ook opsneed nooit actualiteit te volgen. Hij was briljant in zijn wetenschap, maar ook geïnteresseerd in andere dingen, van schilderkunst tot sanskriet. Tegen dat hij aan het onderzoek voor de atoombom begon, in het najaar van 1941, nog voor Pearl Harbour, was hij 37 en waren de scherpste kantjes afgeveild.

 

 Het was een jaar later dat generaal en ingenieur Leslie Groves (een sterke Matt Damon in de film) hem uitpikte om het Manhattan Project te leiden, tot eenieders verbazing, want Oppenheimer had nog nooit een groep geleid.  Groves, die vandaag ongetwijfeld aangeklaagd zou worden omdat bullying zijn favoriete managementsstijl was, had de gave van een geweldig organisatietalent. Hij was vooral breeddenkend genoeg om te vermoeden dat een geleerde van joodse afkomst met zeer linkse sympathieën wel gedreven de race met de nazi’s zou aangaan, en dat Oppenheimer een gave had die de omgekeerde was van die van Groves zelf: heel veel geduld, zachtzinnigheid en empathie om te detecteren hoe je wetenschappelijke en academische prima donna’s verleidt tot optimale samenwerking aan een gemeenschappelijke zaak.

 

 De generaal vermoedde ook een schroeiende zucht naar erkenning, en bleek die te hebben aangeboord. Oppenheimer stak zijn ziel en een stuk van zijn gezondheid in het Manhattan-project. Na 1945 genoot hij van de erkenning, kwamen ook de twijfels naar boven over wat hij gedaan had. Hij bleek minder geïnteresseerd in onderzoek, nam in Princeton, waar ook Einstein doceerde, een goedbetaalde rol aan als mentor voor debatten en research in de grote menselijke uitdagingen.

 

 Tegelijk vocht hij zich een weg in het labyrint van politiek Washington om zijn visie op het afremmen van de nucleaire wapenwedloop ook tot beleid te maken. Daar geraakte hij verstrikt in de rauwe machtsstrijd van vele lobbies in wat Eisenhower spoedig ‘het militair-inustrieel complex’ zou gaan noemen.  Hij wist dat zijn omgang met communisten twintig jaar eerder hem al lang in het vizier van het FBI had gebracht. Hij heeft altijd geweten dat dat zijn kwetsbare plek was, en verzette zich nauwelijks, toen Lewis Strauss hem uit het establishment liet zetten.

 

 Hij trok zich nadien, vijftig geworden, terug op Princeton, zijn zeilboot en sporadisch wat lezingen en teksten over heel brede onderwerpen. President Kennedy bezorgde hem eerherstel. Oppenheimer overleed in februari 1967 aan keelkanker, amper 63 jaar oud. Zijn vrouw Kitty, zes jaar jonger en geboren in het Ruhrgebied, overleefde hem vijf jaar. Ze hadden twee kinderen. Kitty worstelde met een permanent alcoholprobleem, Oppenheimer net niet. Beiden hadden ook een wat hobbelig liefdesleven achter de rug.

 

JFK

 

 Dat alles – op het laatste deel van hun leven na - komt in de film van Nolan goed terecht. De essentiële elementen van zijn biografie worden telkens heel kort, maar helder gesignaleerd: de prognose dat er een piepkleine kans was dat de atoombom de dampkring zou in brand steken, zijn poging als student om een gehate docent te vergiftigen met een appel, Oppenheimers liefde voor de leegte van New Mexico, het onwaarschijnlijk succes van zijn en Groves’ plan om daar een nieuwe stad te bouwen en de crème van de wetenschap bijeen te brengen, zijn elegante evacuatie van de roerige Edward Teller (later inderdaad de vader van de atoombom), het bezoek van Niels Bohr, de relatie met een onder wetenschappers wat op een zijspoor geraakte maar nog altijd haarscherpe Albert Einstein, de voetbalambiance de avond na de eerste ontploffing op 15 juli 1945, de zelfmoord van zijn minnares Jean Tatlock, het misprijzen van Truman, de nare, bekrompen sfeer van de communistenjacht, de afgemeten bedanking vanwege Groves onmiddellijk na 15 juli met de melding dat het project nu louter in militaire en politieke handen was.

 

 Er zitten onvermijdelijk lacunes in, al zijn die voor een stuk ook het gevolg van de vraag die oprijst als de eindgeneriek afloopt: welk verhaal, welk stuk geschiedenis heb ik nu bekeken? Nolans keuze om Oppenheimer te vertellen via de hoorzittingen van 1954 heeft hem een bijkomend spanningselement opgeleverd. Maar daarmee is niet duidelijk wat het verhaal is: gaat het over de ontwikkeling van de atoombom, over de heksenjacht, over de twijfels van Oppenheimer?

 

 Het is niet helemaal een biografische film, het is ook niet het verhaal van de race met de Duitsers (en hoe ze onder meer verloren doordat het puik van de Europese fysici, waarvan velen van joodse afkomst of met een joodse vrouw, naar de VS was gevlucht), of van de relatie tussen Oppenheimer en Groves, of ook niet het verhaal van de gewetensvragen waar iedereen mee zat, tot en met de presidenten Truman en Eisenhower. Dat had ongetwijfeld ook prima scenario’s opgeleverd. Nolans film doet daarom een beetje aan JFK denken, de film van Oliver Stone uit 1991, over de zelfmoord van Kennedy: een vlammende versie van het verhaal, filmisch geweldig boeiend. Maar met een blijvend gevoel dat de echte geschiedenis nog geschreven moet worden.


De verhaaltjes van

 een omniprésident


 

 27 augustus 2023


 Sinds een kleine week is het derde deel van de memoires van Nicholas Sarkozy op de markt. Ze beslaan ruim 500 bladzijden, en gaan over de jaren 2009, 2010 en 2011. Ik heb ze inmiddels uitgelezen, niet in één ruk, eerder met veel momenten van snel doorbladeren. Want dit deel is duidelijk het zwakste van de drie. Toch bevat ook dit luik, zoals de vorige, een overdosis pikanterieën.

 

 Sarkozy was president van Frankrijk van 2007 tot 2012. Hij is de zoon van een Hongaarse immigrant, en woont quasi al heel zijn leven in Parijs. Hij was, als afgestudeerd jurist, zijn politieke carrière in 1983 begonnen, met het burgemeesterschap in de chique Parijse voorstad Neuilly. Hij werd minister van Begroting en woordvoerder van de regering in 1993, onder premier Balladur die hij in 1995 steunde in diens presidentiële ambities tegen Jacques Chirac. Die laatste nam hem dat kwalijk, tot hij in 2002 opnieuw in het kabinet mocht, in 2004 zelfs als minister van Binnenlandse Zaken.

 

 Dat platform gebruikte Sarkozy maximaal om zich dagelijks via spectaculaire media-acties te profileren als de harde man van rechts. Bij langdurige rellen in de banlieues van de voornaamste Franse steden eind oktober, begin november 2005 steeg zijn populariteit tot het zenith, onder meer door het beeld dat hij had gebruikt dat hij de voorsteden wou ‘opkuisen met de hogedrukreiniger’. In een web van onwaarschijnlijke intriges – die later tot een pak rechtszaken zouden leiden – wist hij zich uiteindelijk als kandidaat van Chiracs partij door te zetten, tegen de president en vooral diens laatste premier en poulain Dominique de Villepin in. Op 6 mei 2007 kozen de Fransen Sarkozy tot hun nieuwe president van Frankrijk, met 53 % van de stemmen tegenover de socialistische kandidate Ségolène Royal. Hij was 52 op dat moment.



'De conversatie knalde van vleierij via opschepperij naar authentiek inzicht, maar week nooit af van zijn voornaamste amper verhuld belang: in het centrum van de actie staan en de bloemen in ontvangst nemen, voor wat dan ook waard leek de bloemen te krijgen.’


 

 Eens in het Elysée, wilde Sarkozy zich naar eigen zeggen bewust profileren als man van permanente actie en daadkracht, altijd ook op het terrein. Dat deed hij soms met briljante ideeën, even vaak met oppervlakkige of zelfs slecht uitgewerkte schijnmaneuvers. De media noemden hem spottend de omniprésident. Ze verweten hem de blijkbaar hoog ingeschatte waardigheid van het Franse staatshoofd naar beneden te halen. Ze gingen dat dra vermengen met zijn neiging om zich graag te laten zien in gezelschap van alle mogelijke celebrities – le président bling bling - en de problemen in zijn privé-leven: de scheiding van zijn tweede vrouw aan het begin van zijn ambtstermijn en een nieuw huwelijk met het Italiaanse model en zangeres Carla Bruni, met wie hij drie jaar later een dochter kreeg. Sarkozy’s mooiste moment was dat hij in 2008 sneller dan Angela Merkel de diepe impact van de financiële crisis begreep. Maar zijn populariteit was dan al ondermijnd. Hij betaalde de rekening van een nieuwe recessie bij de presidentsverkiezingen van 2012.

 

Obama

 

  Jacques Chirac kende in zijn memoires Sarkozy talent en een scherp verstand toe, maar heeft hem ook in twee fijne zinnetjes samengevat: ‘nerveus, onstuimig, overlopend van ambitie, aan niets twijfelend, nog het minst aan zichzelf. Hij had een onmiskenbare kwaliteit: zijn intenties lagen altijd open en bloot.’ 


 Barack Obama was zo mogelijk nog scherper: ‘Hij was één en al emotionele uitbarstingen en opgeblazen retoriek, amper 1,65 meter groot en met dikke hakken onder zijn schoenen om er groter uit te zien. Wat hij miste aan ideologische consistentie maakte hij goed door durf, charme en een manische energie. Gesprekken met hem waren afwisselend amusant en vermoeiend, zijn handen altijd in beweging, zijn borst vooruit zoals bij een krielhaan. De conversatie knalde van vleierij via opschepperij naar authentiek inzicht, maar week nooit af van zijn voornaamste, amper verhuld belang: in het centrum van de actie staan en de bloemen in ontvangst nemen voor wat dan ook waard leek de bloemen te krijgen.’

 

 De memoires zijn zoals de man. Sarkozy heeft van zijn voorgangers Chirac en Giscard de stijlfiguur overgenomen om zijn verhaal te beschrijven ‘zoals hij het heeft ervaren’, als een opeenvolging van gebeurtenissen en ontmoetingen, ‘die elkaar voortdurend wegdringen en de kalender doorbreken.’ Hij gaat nog een stuk verder: het boek is een breiwerk van verhaaltjes van telkens vijf à zes bladzijden, zonder hoofdstukken, zonder veel chronologische aanduidingen, gelardeerd met veel emoties die vrij baan krijgen en met persoonlijke beschouwingen. Die laatste zijn in twee categorieën in te delen: permanente afrekeningen met de (uiteraard fundamenteel linkse) pensée unique van de Parijse elite; en nog meer gefrustreerd geweeklaag over het functioneren van de Franse media. Dat laatste is vaak de graadmeter voor het niveau van de betrokken memoires-schrijver. Echte toppers staan daarboven.

 

 Maar finaal krijg je wel het gevoel dat Obama er niet ver naast zat: dit is inderdaad het verhaal van een politicus met een fel temperament en dito actiedrang, zonder enige angst voor risico’s ook, die echter vooral - meer dan gebruikelijk is bij politici - ernaar smeekte geliefd te worden (en daar natuurlijk niet in slaagde). Het voordeel is dat Sarkozy ook geen blad voor de mond neemt, al is het in dit derde deel allemaal wat fletser en minder afgewerkt dan in de vorige. Hij beoefent een charmerend parler vrai, dat je daarom uiteraard nog niet – zoals bij geen enkele memoires – als ‘de waarheid’ moet gaan beschouwen. Het onthult wel wat er in de hoofden van de wereldleiders op dat moment allemaal (aan menselijke kanten) meespeelde. En dus krijgt bijvoorbeeld Obama in dit boek van Sarkozy lik op stuk.

 

 Zoals:  ‘Zijn reële persoonlijkheid verschilt vrij sterk van het per millimeter opgebouwde en uitermate verzorgde imago dat hij op elk moment wilde uitstralen. In feite is zijn temperament zeer koud en introvert, en heeft hij maar een geringe belangstelling voor diegenen die hem omringen. Zijn vrouw Michèle is authentieker, sterker, oprechter in het uitdrukken van haar overtuigingen. Ze heeft er trouwens veel, en komt er vrank en met reële moed voor uit. Haar man daarentegen haatte alles wat de indruk kon wekken dat hij afweek van de meest strikte versie van de pensée unique. Hij wilde vooral elke gebeurtenis vermijden die zijn image kon aantasten.’

 

Merkel

 

 De Franse president beschrijft een paar botsingen met Obama die wel duidelijk maken dat de relatie tussen beide niet bijster was. Daarentegen blaast hij vaak de loftrompet over zijn goede relatie met de Duitse bondskanselier Angela Merkel. Die beschrijft hij als cruciaal voor zijn Europees engagement, dat hij zonder enige aarzeling belijdt. Sterker dan welke Franse president ook benadrukt Sarkozy de onmogelijkheid voor Parijs om nog alleen te ageren. Toch krijgt ook Merkel regelmatig wat fijn gestyleerde bloempotten naar haar hoofd:

 

 ‘Vaak zei ze en deed ze niets en liet ze me maar ageren. Tot op het moment waar ze uiteindelijk de positie zou innemen die zij het meest redelijk vond. En dat zou altijd op de laatste seconde van de laatste minuut zijn. Ik verwijt haar die overdreven aarzelingen niet. Het is haar aard, haar cultuur, haar geschiedenis zelfs. Waarom zou men iemand verwijten wat zij in haar diepste is? Ze komt uit het oosten, uit het communistisch regime en dus is weerstand bieden de voornaamste deugd. De balk die alles ondersteunt en waaraan alles hangt. Duren is haar obsessie, tot welke prijs ook, zelfs die van het immobilisme. Geen risico nemen was bij haar een diep verankerde overtuiging geworden.’



‘Ik heb haar gezegd: Angela, ben je op je kop gevallen?Maar Nicholas, heb je Fukushima dan niet gevolgd? Ik heb meteen gerepliceerd: En waar denk je dan dat in Beieren die tsunami zal plaatsvinden?’ 


 

 Dergelijke inschattingen leiden er ongetwijfeld toe dat Sarkozy’s inschatting van sommige gebeurtenissen flink verschilt van die van andere aanwezige regeringsleiders. Zelf dicht hij nu in het derde deel van zijn memoires een hoofdrol als pretbederver toe op de top van de G-20 in Londen in april 2009. Obama daarentegen beweert in zijn memoires dat Sarkozy de Amerikaanse minister van Financiën Tim Geithner kwam feliciteren: 


 ‘In een uitbarsting van enthousiasme pakte Sarkozy zowel mij als Tim vast. ‘Dit akkoord is historisch, Barack!’, zei hij. ‘En dat is dankzij u … neen, nee, ik meen het! En uw Mr. Geithner hier, die is gewoon magnifiek’. Sarkozy begon dan de naam van mijn minister te zingen zoals een voetbalfan, luid genoeg opdat enkele hoofden in de zaal naar ons draaiden. Ik moest lachen, niet enkel vanwege Tim’s overduidelijk ongemak, maar ook vanwege de verbazing op het gezicht van Angela Merkel. Ze had juist het nalezen van het slotcommuniqué beëindigd en staarde nu naar Sarkozy op de wijze van een moeder die een onhandelbaar kind bekijkt.’

 

Berlusconi

 

 Los van al die kleine cactussen die hier worden uitgewisseld, leveren Sarkozy’s memoires helaas te weinig gestructureerde feitelijke gegevens op om veel nieuws te vernemen over wat toen allemaal gebeurd is. De voornaamste onthulling is dat hij bevestigt dat hij en Merkel op het hoogtepunt van de eurocrisis op de G20 in Cannes begin november 2011 inderdaad bewust aanstuurden op het ontslag van zowel de Griekse premier Giorgos Papandreou als van diens Italiaanse collega Silvio Berlusconi, die beiden dan inderdaad hun laatste dagen aan de politieke top van hun land beleefden. Wat Sarkozy daarover beweert zal de geschiedschrijvers - en hedendaagse tegenstanders van de EU  en het kapitalisme tout court - nog veel stof opleveren. 

 

 ‘Wij hebben Papandreou en Berlusconi moeten opofferen om de tsunami van een financiële crisis te vermijden, waarvan het epicentrum deze keer duidelijk in Europa lag’, schrijft hij. En over zijn beroemde persconferentie met Merkel toen (waarop beiden een schaterlach leken te onderdrukken toen de naam Berlusconi viel): ‘Die had de verdienste duidelijk te zijn. We waren inderdaad bereid het vertrek van Griekenland uit de Unie te overwegen. Als het een volwaardige partner wilde blijven, zou dat op de voorwaarden van de Unie gebeuren. Die boodschap van vastberadenheid heeft de markten gerustgesteld, die ook wel begrepen hadden dat wij het vertrek van Berlusconi wensten.’ (Zie ook een vorige blogpost, van 12 juni 2023, over de val van Berlusconi in 2011: https://www.rolffalter.com/blog#h.8oeysor2opti )

 

 Stof voor controverses bevat het boek dus meer dan genoeg, helemaal in de geliefde stijl van de auteur. Zo onthult hij zijn verbazing toen hij vernam dat Merkel na de ramp in Fukushima kernenergie afzwoer, wat hij nog altijd een totaal foute beslissing vindt, genomen ‘onder de indruk van de emoties’. Zijn verhaal: ‘Ik heb haar gezegd: Angela, ben je op je kop gevallen?Maar Nicholas, heb je Fukushima dan niet gevolgd? Ik heb meteen gerepliceerd: En waar denk je dan dat in Beieren die tsunami zal plaatsvinden?’ Dergelijke finesses larderen het hele boek, naast de provocatieve exposés die altijd tegen het politiek correcte denken ingaan, de oproep tot onderhandelingen met Poetin inbegrepen. Maar je moet je dan wel door veel binnenlandse Franse afrekeningen worstelen, naast de blingblingmomenten over ontmoetingen met celebrities en culturele coryfeeën (en hoe graag hij ze zag).

 

 Sarkozy zegt tenslotte weinig over de vele affaires en processen die hem blijven achtervolgen. Maar je begrijpt dat hij vaak de confrontatie heeft gezocht met de rechterlijke macht en dat daar met snel hoogoplopende rancune op gereageerd is. Hij is ervan overtuigd dat ook de magistratuur beter rekenschap moet kunnen geven van haar beslissingen, wil men ontsporingen vermijden. 


 Mijn indruk na al die jaren blijft dat Sarkozy in zijn bewogen en bitter bevochten opmars naar de positie van presidentskandidaat van rechts in 2007 ongetwijfeld kwetsbaar is geworden in de financiering van zijn campagne. De rechterlijke macht heeft hem daarbij na zijn mandaat op wetsovertredingen kunnen vastpinnen en laten veroordelen. 


 Maar de hardnekkigheid die het Franse gerecht heeft gedemonstreerd om zelfs maar de minste beschuldiging van corruptie of machtsmisbruik van de president tot een grote zaak te maken, doet vragen rijzen. Het gebeurde ook al met zijn voorganger Chirac en kan, als dat inderdaad een systematiek wordt, alleen maar mensen afschrikken om nog het hoogste ambt of zelfs een gewoon politiek mandaat na te streven. En dan hou je enkel nog de schurken en onbekwamen over om het te ambiëren.

 

Nicholas SARKOZY, Le Temps des Combats, Fayard, 544 blz, 28 €.

 

 

 

 


11 juli dit jaar: Vlaamse Taliban, Vlaamse zelfkritiek en het model van de Maagd

23 augustus 2023


 Bij het begin van ons nieuwe geschiedenisseizoen, toch nog even een opwarmer uit het vorige. Rond mijn activiteiten op 11 juli van dit jaar. 

 

 Ik heb op de mediapagina van deze website twee teksten gezet.


 De eerste is de yekst die ik op 11 juli publiceerde op de opiniepagina in De Morgen rond de vraag of de Vlaamse milities van de Guldensporenslag echt te vergelijken zijn met de Taliban? Dat was inspelen op een polemiek van begin dit jaar tussen twee historici: de alom bekende Bart De Wever, en de Gentse onderzoeker Jan Dumolyn. Hier de link:


https://www.rolffalter.com/media#h.o1yq3p262ja4


 De tweede tekst is de toespraak die ik op zondag 9 juli in het stadhuis van Ronse en op 10 juli rond zes uur in het Groeningepark in Kortrijk mocht houden tijdens de plaatselijke elf-julivieringen. Van die toespraak verscheen het tweede deel op 11 juli opde opiniepagina van De Standaard. 

 Ik was gevraagd te zoeken naar een hedendaagse betekenis van de Guldensporenslag ruim zevenhonderd jaar geleden. Ik riep er vooral op tot meer Vlaamse zelfkritiek, na een halve eeuw zelfbestuur en tot het wagen van meer democratie. Hier die link:

 

https://www.rolffalter.com/media#h.gnhsjpja6t2l



 Ten overvloede leg ik er ook de link bij van het verhaal waar ik zelf heel veel plezier aan heb beleefd, na heel veel opzoekingswerk: het vermoeden dat de Franse operadiva Georgette Leblanc model heeft gestaan voor het beeld van de Vlaamse Maagd die zo verguld boven het Groeningepark in de zon staat te schitteren. Vanwege de foto’s moest ik het op een oude blog plaatsen, maar hier de link:


 https://zonderland.blogspot.com/2023/07/hoe-een-parisienne-het-tot-maagd-van.html 

 

Veel leesplezier.


Nog vijftien jaar laatste oudstrijders

19 augustus 2023


(We hernemen, na enkele weken vakantie, onze geschiedenisblog, over alles wat onze aandacht trekt en iets met geschiedenis te maken heeft: een foto, een boek, een tekst, een datum van zoveel jaar geleden. Veel leesplezier)


 Maandag publiceerde de nieuwssite van de VRT een verhaal dat de dienstdoende journalist in volle komkommertijd (met enkel verhitte weerberichten en popfestivals als nieuws, naast de dagelijkse portie historische gebeurtenissen in de sport) opdiepte op basis van een facebook-bericht. De laatste veteraan van de Britse marine die in de laatste dagen van mei 1940 deelnam aan de Britse terugtocht tegenover de oprukkende Duitsers via het Noordfranse haventje Duinkerke, is overleden. Hij was 103 jaar oud. Hier de link:

https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2023/08/14/laatste-veteraan-van-de-royal-navy-dunkirk-is-een-paar-dagen-vo/

  Het is een wat opgeklopte uniek verhaal, natuurlijk. Er waren vooral Britse infanteristen in Duinkerke, meer dan zeelui van de marine. Zij verzamelden daar op het strand, opgejaagd door de Duitse legers die Hitler op 10 mei België en Nederland had doen overvallen. Daar moesten ze met marineschepen, maar vooral met een geimproviseerde vloot van vissers worden weggehaald. De nog nagelnieuwe regering van Winston Churchill in Londen had die daartoe opgeroepen, en betaalde die ook. De evacuatie vond inderdaad plaats, in een zestal dagen, onder het voortdurend spervuur van de Duitse artillerie en hun toen nog superieure luchtmacht.

 Finaal bereikten er op 2 juni 1940 toch veel meer Britse soldaten – ruim driehonderdduizend - het vaderland dan enkele dagen eerder nog was verhoopt. Daarom sprak men later van het ‘mirakel’ van Duinkerke. De film Dunkirk van Christopher Nolan van 2017 gaf een goed beeld van wat in het stadje en op het strand gebeurde, ook al kan film nooit zelfs maar niet bij benadering de ellende en vooral de angst van zo’n gevecht weergeven. De film schonk wel veel te weinig aandacht aan de Franse troepen rondom Duinkerke die bleven vechten en de Britse evacuatie mee mogelijk maakten. Er stierven trouwens veel meer Franse dan Britse soldaten in de slag om Duinkerke.

 Aangenomen dat de jongste van die lichting Britse soldaten 18 was op dat moment, dan was hij van 1922, en is hij vandaag101 jaar. Daarvan zullen er nog wel een handvol overblijven. Net als burgers van Duinkerke die het meemaakten, als kind misschien nog, al sneuvelden er ook daar ruim duizend van, en werd het stadje compleet verwoest. In maart 1947, toen Britten en Fransen na een paar jaren van onderkoelde relatie weer samen begonnen te werken, ondertekenden ze daar hun eerste diplomatiek akkoord, in het enige gebouw dat was blijven rechtstaan

 Het berichtje van vrtnws signaleert vooral een nieuwsitem dat de volgende jaren voortdurend zal terugkeren. De laatste oudstrijders van de Tweede Wereldoorlog zijn aan het sterven. In het besef dat de nazi’s in de laatste maanden van de oorlog ook 15-jarige jongens onder de wapens riepen, is de lichting van 1930 de laatste. Als de laatste veteraan daarvan 110 jaar wordt, zoals de laatste van de Eerste Wereldoorlog, gaat het sterven van die oudstrijders nog tot een eind in de jaren dertig van deze eeuw duren.

 De laatste van de Eerste Wereldoorlog stierf op 12 maart 2008, 110 jaar oud. Het was Lazare Ponticelli, een Italiaan die, gedreven door de miserie, Fransman wilde worden, en beide legers diende. Hij stierf twee maanden nadat op 19 januari 2008 de voorlaatste Franse loopgravensoldaat, Louis de Cazenave, was gestorven. Ik zocht toen het verhaal van beiden op, en schreef erover op 23 januari in de column die ik toen wekelijks in De Standaard publiceerde. Het zegt, denk ik, alles over hoe die soldaten zelf de oorlog ervaarden.

 

‘In Europa

Ze hebben hem gisterennamiddag dan toch een rustige begrafenis gegund, aan het familiegraf in Saint-Georges-d’Aurac, een dorp van 600 zielen langs een route nationale en een staatsspoorweg, diep in de Auvergne. De zondag overleden Louis de Cazenave, 110, had daar uitdrukkelijk op aangedrongen.

Ze gaan nu snel heen, de laatste soldaten van de Eerste Wereldoorlog. De laatste Duitser is op 1 januari in Hannover gestorven en in alle stilte begraven. In België sloten de laatste oudstrijders in 2004 de ogen. Alsof God ze zelf had uitgekozen ging het om een Westvlaamse boerenzoon die later naar Detroit emigreerde, en een Henegouwse wielrenner, die ooit de  Tour meereed, maar opgaf op de Col de la Faucille nabij Genève, omdat het de eerste keer was dat hij een echte berg op fietste.

Louis de Cazenave moest toch naar het leger in 1916 en meldde zich, uit vaderlandse trots, enkele maanden vroeger. Men stak hem in een koloniaal bataljon, met veel Senegalezen, op de Chemin des Dames , ten oosten van Soissons. Hij nam dus deel aan het nutteloos offensief van de lente van 1917, dat 200.000 Fransen het leven kostte en tot ongekende muiterijen leidde.

‘Je moet die gewonden tussen de linies gehoord hebben. Ze riepen hun moeder, en smeekten om hen af te maken’, vertelde hij daarover enkele jaren geleden in een zeldzaam interview, toen de media hem hadden ontdekt. Pas toen is hij er een paar keer over beginnen vertellen. Voordien nooit, ook niet tegen zijn vrouw en zijn kinderen.

Na de oorlog werd hij spoorman, huwde hij en kreeg drie zoons. Als die over les boches begonnen, corrigeerde hij: les Allemands. Hij had ze immers gesproken, als er niet geschoten werd en ze mekaar tegenkwamen aan de waterputten. ‘Ze waren zoals wij, ze hadden er schoon genoeg van.’

Patriottisme omschreef hij als ‘het spuiten van mist waarmee men je om het even wat kan doen slikken.’ Hij werd een rooie, wat hem in 1941, onder het Vichy-regime van generaal Pétain, zijn job kostte. Hij bleef nadien werkloos, leefde uiterst spaarzaam, en werkte veel in zijn tuin, waar hij de eekhoorns observeerde. Hij rookte drie pijpen per dag.

Alsof God ze zelf heeft uitgekozen, is de laatste levende Franse veteraan, Lazare Ponticelli (110), een nog sterker verhaal. Hij is van een bergdorpje nabij Piacenza in Italië. Zijn vader stierf  jong en moeder en de andere kinderen emigreerden van miserie naar Frankrijk. Ze lieten hem achter bij een tante, omdat ze zijn reis niet konden betalen. Zo werd hij schaapherder op zijn zevende.

Hij spaarde, door vogels te verkopen en schoenen te snijden. Twee jaar later trok hij te voet via de spoorlijn naar de grens. Eens daarover wipte hij op een trein, die hem naar de Gare de Lyon in Parijs bracht. Hij kon niet lezen of schrijven, en sprak geen woord Frans.

Het duurde twee jaar voor hij zijn familie vond, maar hij overleefde met karweitjes. Hij vond werk op zijn twaalfde, als hulp bij een steenkoolleverancier, en begon een eigen zaak als schoorsteenveger op zijn zestiende. Daar groeide later een bedrijf uit, dat tegenwoordig zo’n 2000 man tewerkstelt.

Ponticelli meldde zich in de zomer van 1914, om te strijden voor zijn nieuw vaderland. Ook hij kwam aan de Chemin des Dames terecht. Op een nacht in 1915, toen hij het kermen van de gewonden niet meer kon horen, bracht hij vanuit de vuurlinie een gewonde Duitser naar zijn loopgraven en een gewonde Fransman naar de zijne.

Als Italiaan stuurden de Fransen hem eind 1915 tegen zijn zin op de trein naar het vaderland waarvan hij zich enkel de miserie herinnerde. Aan het front in Zuid-Tirol onderscheidde hij zich door exploten in gevechtssituaties,  liep hij een paar zware verwondingen op, maar nam hij evengoed deel aan de occasionele verbroederingen met de Oostenrijkse vijand. Hij is dus ook de laatst levende Italiaanse oudstrijder.

Ponticelli werd in 1939 Fransman. Hij leeft vandaag in Kremlin-Bicêtre, een voorstad van Parijs, vlakbij de Porte d’Italie. Hij heeft zijn Légion d’Honneur, en is tot 2006 naar de ceremonies van 11 november gegaan. ‘Omdat we aan de vooravond van elk offensief telkens afspraken: als ik sterf, ga jij me toch herdenken.’

Twee jaar geleden ontvouwde president Jacques Chirac een plan om de laatste poilu van 1918 met een staatsceremonie in het Panthéon te begraven. Louis de Cazenave, de voorlaatste, liet toen beleefd weten ‘dat er teveel gestorven zijn zonder zelfs maar een houten kruis.’ De nieuwe Fransman Lazare Ponticelli, de laatste poilu, denkt daar niet anders over: ‘Het zou een affront zijn aan al de anderen.  On s’en est foutu un peu.’

 

 

  


Dood van een koning,

 een herinnering

 De tijd van toen … herinneringen. Die zondagmorgen 1 augustus 1993 stond ik op, zette koffie en hoorde rouwmuziek op de radio. Ik dacht meteen: er is iets met de koning, hoe onverwacht dat ook leek. En inderdaad meldde het nieuws de dood van de net geen 63-jarige Boudewijn I, die al van voor mijn geboorte op de troon zat. Het was Jos Bouveroux, als ik me goed herinner, die de eerste uitleg gaf.

 

 Vrijdag was de laatste dag van de Wetstraat geweest, want in die dagen – van de regering Dehaene – eindigde het politiek seizoen nog eind juli, met de altijd moeizame opmaak van de begroting. Voor zes van de acht leden van de toenmalige Binnenland-redactie van de Standaard was dus de vakantie begonnen (‘Binnenland’ sloeg op de Wetstraat-redactie, de rest van het binnenlands nieuws – op Economie en Cultuur na - werd geleverd door de collega’s van Het Nieuwsblad). Zoals elk jaar in augustus zou de vaste bladzijde twee gevuld worden met vooraf klaargemaakte stukken en reeksen, en in de marge het sporadische Wetstraat-nieuws.

 

 Maar nog voor de middag die zondag stond de hele ploeg terug op de redactie in Groot-Bijgaarden. Dat waren toen Dirk Achten, die chef was, Evita Neefs (volgens mij toen de enige vrouw onder het exclusief mannelijk gild van Vlaamse Wetstraat-journalisten;  bij Le Soir had je toen wel al de nog steeds voortreffelijke Martine Dubuisson), Guido Fonteyn, Guy Tegenbos, Johan Raskin, Pol Van den Driessche, Luc Neuckermans (van wie we vier jaar later afscheid zouden nemen) en ikzelf. Ik hoop dat ik niemand vergeten ben.

 

 We zijn de hele week gebleven, hebben allen onze vakantie uitgesteld. Niemand wilde dit missen. En we hebben, zonder pretentie, goed werk afgeleverd. We spraken die zondagnamiddag een lijn af: we gaan dat, zoals het hoort bij journalisten, kritisch behandelen, rationeel, want het instituut monarchie is met zijn erfelijke troonopvolging in wezen niet te verdedigen. Maar we gaan dat zacht doen, want over een mens die pas gestorven is, zeg je geen kwaad.

 

 We hebben dat met zijn allen de hele week gedaan, in uitermate hechte teamgeest, bij schitterend weer. De sfeer was goed. Iemand lanceerde het flauwe grapje dat alleen het Staatsblad dit had voorspeld: Boudewijn ondertekende immers vaak in zijn Spaanse buitenverblijf wetten met ‘Gedaan te Motril’.

 

 We rotsten lange dagen rond langs alle mogelijke gebeurtenissen in het hart van Brussel: de premier die het heft in handen nam na eerst ook verrast te zijn (met Louis Tobback aan zijn zijde); de immens rouwende massa op het Paleizenplein; de nieuwe vorst, koning Albert II, die bevend van de zenuwen de eed aflegde voor een bomvolle kamer (Zietemna, fluisterde een Antwerpse collega, Bert Bibber!), terwijl volksvertegenwoordiger Jean-Pierre Van Rossem ‘Vive Julien Lahaut, vive la République’ kraaide en Senaatsvoorzitter Frank Swaelen al zijn verontwaardiging bovenhaalde. We mochten, als Wetstraat-journalisten, ook apart de opgebaarde koning gaan groeten. Uiteraard nam ik die uitnodiging aan. Ik zou liegen als ik beweerde dat de dode mens en heel het decorum mij ongevoelig lieten.

 

 Maar we bleven rationeel. Belden experts op om te weten hoe de procedures voor de opvolging verliepen, zochten bij onze onvolprezen en ijzersterke documentatiedienst (al lang verdwenen), maar ook in de bibliotheek van de Kamer alle details van het precedent van de troonopvolging in 1951 en 1934 op (internet stond nog in de kinderschoenen). Daar leerden we onder meer dat ook in de vrieskou van februari 1934, bij de plotse dood van de tot nationale held gestyleerde koning Albert, de massa urenlang had staan aanschuiven op het Paleizenplein. Zo konden we de nieuwsstroom over een ongeziene uitbarsting van dynastieke aanhankelijkheid ook wat tot zijn juiste proporties terugbrengen, zonder uiteraard de populariteit van de gestorven monarch te ontkennen.

 

 We vernamen, van iemand die altijd wilde doen geloven hij kind aan huis was aan het paleis (maar waarvan we niet zeker waren dat die daar niet over opsneed), dat de vorst een paar dagen vergeten was zijn cholesterol-remmers in te nemen. Daardoor had hij een hartaanval of een beroerte gekregen op het bloedwarme terras van het koninklijk buitenverblijf in het Spaanse Motril. We kregen dat toen nergens bevestigd en hebben dat niet gepubliceerd.

 

 Straatinterviews stonden niet centraal, al heb ik die dagen veel mensen in de lange rij en de straten rondom aangesproken, en sommige quotes ook meegenomen in mijn artikels. Zakelijkheid bleef de toon. Totdat op vrijdag of zaterdag de krant plots op haar voorpagina kopte met ongewoon vette en grote letters rondom het verdriet van koningin Fabiola, en daar een heel grote foto van de rouwende koningin in het halfduister op het balkon van het paleis in Brussel bij plaatste. Ik las onlangs de memoires van onze legendarische hoofdcommentator Manu Ruys – in 1993 al drie jaar met pensioen, maar toen nog altijd met een ruim wekelijks opiniestuk – en die was over die plotse stijlverandering van die dag zes jaar later blijkbaar nog altijd ontdaan.

 

 Niet ten onrechte trouwens. De titelpagina was die avond diepgaand gewijzigd onder druk van de mensen die haar dagelijks samenstelden. Zij kwamen niet buiten, volgden wel de hele dag de onophoudelijke beeldenstroom op de televisie, zagen finaal niet meer – en aan het einde van een vermoeiende week - dat even buiten de perimeter van het Warandepark de wereld gewoon bleef draaien en vooral met vakantie was. Daar was heel veel discussie over geweest op de avondvergadering van de redactietop, maar finaal was de emo toch doorgebroken. Daar lag onze rationele aanpak.

 

 Het bleek een voorbode. De Murdochisering van de media was al aan een opmars bezig: nieuws moest mainstream blijven, en liefst eenvoudig en emotioneel, want advertenties zorgden nu voor het grootste stuk van de bedrijfswinst, niet langer de verkoop van informatie. Bestond die druk toen al bij De Standaard? Ik weet het niet. Hugo De Ridder, die in 1990 de krant in onvrede had verlaten, waarschuwde in die dagen nadrukkelijk voor de commercialisering van het nieuws, waar volgens hem de directie van de Vlaamse Uitgeversmaatschappij op aanstuurde. Ik vond toen – en zei hem dat ook in even intense als altijd hoffelijke gesprekken – dat hij overdreef. Achteraf, moet ik toegeven, bleek Hugo (alweer) gelijk te hebben.


Op reis naar de top-7 van

middeleeuws Vlaanderen

 

30 juni - 6 juli 2023


Nu de zomer aanbreekt en velen op reis vertrekken, hebben we ons de vraag gesteld: waar vind je vandaag in het voormalige graafschap Vlaanderen nog het meest terug van de glorierijke periode van de middeleeuwen? 


 We hebben daar dan maar een (uiteraard zeer subjectieve) top-zeven van mogelijke bestemmingen van gemaakt. Die gaan we hier de komende zeven dagen uitrollen, elke dag één, van nummer zeven naar nummer één.  Telkens onder deze inleiding.


 De Bourgondische tijd, na 1369, hebben we niet inbegrepen, die verdient een apart verhaal.

Op nummer één: 

Saint-Omer en omgeving

6 juli 2023 


 Ik heb er lang over geaarzeld om deze stad in Noord-Frankrijk tot persoonlijke topbestemming uit te roepen als het om middeleeuwse geschiedenis van het voormalig graafschap Vlaanderen (voor 1369) gaat. Brugge of Gent lijken een zoveel logischer keuze, maar sta me toe u te overtuigen met mijn onvermijdelijk subjectieve argumenten.

 

 Eén reden is dat Brugge zo vanzelfsprekend is – zelfs al is Gent aan een inhaaloperatie bezig – dat je maar beter kan verrassen met iets anders. Een andere is dat het niet slecht is op deze manier eraan te herinneren dat ruim de helft van het territorium van het voormalige graafschap – zeker als je de periode voor 1214 neemt – in het hedendaagse Frankrijk ligt (zie mijn blogpost van 12 april: https://www.rolffalter.com/blog#h.9z435nygz1kr). Maar de hoofdreden is, ik geef het grif toe, puur sentiment.

 

 Saint-Omer is een oude stad, op het eerste gezicht zelfs een vrij doodse stad, zeker als je er gaat als de wind en de regen er huishouden. Er zijn nauwelijks nieuwe gebouwen te zien, jonger dan vijftig jaar zeg maar. De hele stad wordt getekend door de gele baksteen waarmee eeuwenlang huizen, kloosters, kerken en handelshuizen zijn rechtgezet (zie foto hiernaast).

 

 En er is vooral de rue Saint-Bertin: als je weet dat hier ooit de stad is ontstaan, als processie-route met eigen kerken tussen de Sint-Bertijnsabdij beneden aan de rivier en de Onze-Lieve-Vrouwekerk boven op de twintig meter hoge heuvel, en als je kijkt in die nog altijd niet zo brede kasseistraat met vele kleine huizen, dan voelt dat alsof je rechtstreeks in een ver verleden staat te staren.


La morte

 

 Oneerbiedig gezegd: Saint-Omer oogt een beetje als Saint-Omer-la-morte, naar analogie met de roman van Georges Rodenbach over Brugge ruim honderd jaar geleden. En de stad is dat ook nog grotendeels, zeker als je beseft dat er binnen de oude stadsmuren nauwelijks nog economische activiteit is buiten de overheid. Maar het beeld, dat je wel inpalmt, is onterecht. Saint-Omer is sinds een paar decennia aan het wakker worden, mikt daarbij op zijn immens patrimonium en het toerisme, en op KMO-zones rondom. Kortom, het heeft wat van Brugge toen die stad vele decennia geleden besloot niet langer la morte te zijn.

 

 Ondertussen valt er wel wat te zien. Mensen toch, zoveel oude kerken. De ruïne van Saint-Bertin onder meer, ook uit de zevende eeuw, één van de absolute religieuze centra van de vroege Karolingers (toen die nog hoofdzakelijk Haspengouwers waren). Er is net voldoende gered en hersteld na de Franse Revolutie – meer toch dan bij Sint-Baafs in Gent – om een indruk te krijgen.

 

 Daarnaast is er natuurlijk de Onze-Lieve-Vrouwekerk, kathedraal sinds de hervorming van de bisdommen door Filips II in 1561. Monumentaal, prachtig ingebed tussen nauwe straatjes en kleine toegangspoorten, rustig, met een heuse zonnewijzer en astrologische klok nog, monumentaal vooral, uit de glorietijd van de dertiende eeuw.

 

 Binnenin levert ze een supermarkt van erfgoed op, door elkaar, stoffig vaak, soms zonder veel uitleg, duidelijk een moeilijk te bemeesteren hoeveelheid: van het reliekschrijn van Saint-Omer zelve, via de Kruisafneming uit het atelier van Rubens, over de triomfantelijke vergulde deurinscriptie (uit de 19de eeuw) dat in 1677 Louis le Victorieux hier binnentrad (de Zonnekoning die defintief het graafschap Artois en dus ook Saint-Omer inpalmde), tot de Grand Dieu de Thérouanne, het prachtige Christusbeeld dat ooit het portaal van de reusachtige kathedraal van Thérouanne domineerde (zie verder en zie de foto's hieronder).

 

 En er zijn hier nog getuigen van Saint-Omers gouden eeuwen tussen 1000 en 1300. De Saint-Deniskerk, helemaal in de steigers, maar ooit gebouwd door de ambachten, met uiteraard een trotse toren en binnenin veel praalgraven van de lokale patriciërs. Die ligt aan de rue Saint-Bertin, als halte van de oude processie. Verwacht niet teveel didactisch gemak: ook hier weegt het onderhoud zwaar.

 

 Even oud is Saint-Sépulchre, aan het stadhuis, ooit gesticht door een deelnemer aan de eerste kruistocht die een reliek van Christus zelf zou hebben meegebracht, en ook nog mede-stichter van de Orde van de Tempeliers werd. Van de kerk van Sainte-Aldegonde, mogelijk gesticht door één van de meest invloedrijke families van Saint-Omer, met die naam (waarvan enkele telgen in latere eeuwen naar Brabant verhuisden en één het tot burgemeester van Antwerpen schopte), schiet enkel nog een oude fontein over, op de place Victor Hugo.

 

 Naast de kathedraal, iets hoger nog eigenlijk, zijn er de ruïnes van de motte comtale, het eerste bescheiden burchtje met een donjon van de allereerste graven van Vlaanderen in de negende en tiende eeuw. Al in de twaalfde eeuw trokken zij er weg, waarna het gebouw nog als gevangenis diende. Het huidige gebouw dat er staat is van vorige eeuw, maar geeft nog wel het terreinbeslag van het kasteeltje weer. 


 Saint-Omer, vergeten we dat niet, was de eerste stad van Vlaanderen die stadsrechten kreeg, en de eerste graven verbleven er vaak. In de abdij van Saint-Bertin vonden ooit enkelen van hen hun laatste rustplaats onder de kerkstenen, maar de Franse revolutionairen hebben die zoals overal elders in Noord-Frankrijk ausradiert.

 

 Van Vlaanderen gesproken. Van Haut-Ponts, de nog altijd schattige en zeer Hollands-ogende voorhaven van Saint-Omer van pakweg 1150 tot diep in de twintigste eeuw, weet men dat er altijd een lokale variant van West-Vlaams heeft gedomineerd. Maar hoeveel Vlaams en Frans er gesproken werd, in welke delen en welke sociale groepen van de stad, en hoe dat varieerde van periode tot periode, zal wel nooit helemaal uitgemaakt worden. We hadden alle namen die we hier gebruiken ook in hun Vlaamse versie kunnen geven, maar voor het bezoekersgemak houden we het in het Frans. Noem Saint-Omer gewoon een tweetalig gebied, toch tot een halve eeuw geleden, zoals de Elzas nog vandaag. De huidige burgemeester heet trouwens De Coster. François, niet Frans.

 

 Saint-Omer cultiveert gelukkig zijn patrimonium met grote zorg, heeft daarover een eigen site, etaleert die in een bibliotheek met immens veel oude boeken en toppers als een authentieke Gutenberg-Bijbel (uit de vroegere abdij), verzamelt wat het vond aan objecten in het Musée Sandelin. Bij dat laatste ook prachtige Maaslandse kruisen van rond 1200 die toen door rijke burgers werden aangekocht.


Wateringue

 

 Maar de stad kan je niet begrijpen zonder de complexe waterhuishouding rondom, zoals je Brugge niet kan begrijpen zonder het Zwin, en Gent niet zonder de grillige loop van Leie en Schelde. Het is hier ergens, vanuit de abdij van Saint-Bertin en wat verder de cisterciënzers-abdij van Clairmarais (vanaf de 12de eeuw), dat waarschijnlijk voor het allereerst ten noorden van de Alpen de technieken van kanaliseren en indijken zijn ontwikkeld.

 

 Het moest, want van de hellingen van Artois in dit regenachtig gebied aan de kust dendert met krachtige stroming de Aa naar beneden, om vlak na Saint-Omer in een platte vlakte terecht te komen, die zich vroeger tussen een engte van twee andere hellingen twintig kilometer verder moest wurmen om de zee te bereiken. Omdat het vele water niet altijd weg kon, ontstond een reuzegroot moeras, dat af en toe werd overspoeld door een stormvloed van de zee.  

 

 Het hele gebied was (en is nog af en toe) kwetsbaar voor overstromingen. En het is vermoedelijk daarom dat men met kanaliseren en indijken begonnen is, ruim duizend jaar geleden, tot en met de bouw van Saint-Omers voorhaven Grevelingen, dertig kilometer verder, in de twaalfde eeuw. Voor echt polderen hebben ze rond 1600 de poldermolen als nieuwste technologie moeten invoeren uit Holland (formeel de vijand toen, maar dat was voor de zakelijke Hollanders nooit een probleem). De strijd tegen de zee die de Lage Landen getekend en zelfs gemaakt heeft, van de Moeren tot de Afsluitdijk, zijn ze in en om Saint-Omer ooit begonnen.


 Van de abdij van het dorpje Clairmarais – even buiten Saint-Omer - schiet enkel een kale ruïne in een wei over, al zijn ze ernaast ook met bierproductie gestart. Weet dat de Vlaamse graaf Diederik van den Elzas (Thierry d’Alsace) ze stichtte, en dat in 1165 de Engelse aartsbisschop Thomas Becket er zijn toevlucht vond, als schuilplaats voor zijn belager, koning Henri II. Maar Clairmarais is ook het dorp waar je zowat overal een bootje kan instappen voor rondvaarten door de moerassen.

 

 Aan de rand van Saint-Omer heeft men recent een Musée du Marais ingericht, waar je kennis kan maken met het natuurgebied, maar ook met de duizend jaar oude complexe geschiedenis van de waterhuishouding van de regio, hoe men eeuwenlang gevochten heeft om de vloed van de zee en de grillen van de Aa onder controle te krijgen en nuttig te maken. Naast het Musée staat een oude poldermolen, met de Archimedesschroef die het water naar boven pompt.

 

 Het water beheersen blijft een gevecht van elke dag. Twintig jaar geleden nekte de globalisering de eeuwenoude traditie van vele kleine groentetelers in de moerassen – vooral bloemkoolkwekers. De kleine perceeltjes met hun hogere onderhoudskosten sneuvelden in de wereldcompetitie om de kleinste marges.   Vandaag weet men niet echt goed meer wie welk waterpeil regelde, wie waar belette dat zout en zilt water door elkaar geraken, waar nog oude dijken en sluizen zaten. De plaatselijke Wateringue, een bestuur en een Vlaamse term die van graaf Filips van den Elzas dateren, doet haar best, en de natuurbeschermers trachten bij te springen. Het zal, met de verwachte stijging van het zeepeil, nodig zijn.

 

 Rij nu zoveel mogelijks langs de helemaal gekanaliseerde Aa en je zal merken dat die vaak ingedijkt een paar meters boven het landschap stroomt. Zelfs met sommige huizen met hun dak op hoogte van het wateroppervlak. Zoals in Holland. (zie foto's hieronder) Zo kom je in Gravelines (Grevelingen) terecht, de haven die de stedelingen van Saint-Omer bouwden als voorhaven, onder patronage van graaf Filips van den Elzas. Vandaag is ze vooral getekend door de vestingen van de hier vreselijke oorlogen uit de Spaanse tijd. Maar op het strand zie je als je goed kijkt wel nog de (met gras begroeide) dijk die in dertiende eeuw werd aangelegd om het haventje te doen ontstaan.


Thérouanne

 

 Als je nog tijd hebt moet je nadien weer terugrijden naar Saint-Omer en vandaar naar Thérouanne, vijftien kilometer zuidelijker. Ook dat was ooit – tot 1214 – het graafschap Vlaanderen: een stad uit de Romeinse tijd (en daarvoor een oppidum van de Morini), die zetel van een bisdom werd, waaronder bijvoorbeeld Ieper ressorteerde tot 1561. In 1303 kwamen de opstandige Vlaamse stadsmilities de stad en de kathedraal plunderen en afbranden, omdat de bisschop de kant van de Franse koning had gekozen. Ze sloegen er ook het hoofd af van het standbeeld van Saint-Louis, de grootvader van de Franse vorst die een decennium eerder heilig was verklaard.

 

 Therouanne had tienduizend inwoners en één van de meest fraaie gotische kathedralen van Noord-Frankrijk, toen keizer Karel – de Gentenaar die ook Sint-Baafs verwoestte – het in 1553 besloot te belegeren uit frustratie na een nederlaag tegen de Franse koning in Metz. Hij liet de stad na vier maand en de overwinning (mèt plundering en verkrachtingen) met de grond gelijk maken, omploegen en zout in de voren strooien.

 

  Een klein museumje in het nu duizend zielen tellende dorpje – het Maison d’Archéologie de Thérouanne – heeft alles wat men heeft kunnen vinden over dit Troje van Noord-Frankrijk bijeen verzameld. Behalve dan de eerder vermelde Grand Dieu die in de kathedraal van Saint-Omer aan een muur hangt, en die de burgers van die stad onmiddellijk na de vernieling in 1553 hebben meegegraaid. Saint-Omer was toen nog Nederlanden, Thérouanne net Frankrijk.

 

 Wandel nadien langs de steenweg noordwaarts, steek rechts de ogenschijnlijk banale rue Saint-Jean in. Je bent in de oude hoofdstraat van de stad. Boven aan de heuvel is een archeologische site: onder de grond liggen de ruïnes van de oude kathedraal. Kijk dan vooral naar de bomenrij die rondom de horizon afspant. Ze zijn allemaal geplant op de oude stadsmuren.

 

 Luister dan vooral naar de stilte. Laat je gedachten gaan, bid gerust, mocht je dat verkiezen. Besef dat de glorie van deze streek al acht of negen eeuwen achter ons ligt. En dat je dat hier, waar je ook kijkt, ziet en voelt, veel meer dan waar ook in het voormalige graafschap Vlaanderen. Hier ga je nooit Oh Lord the best is yet to come fluiten.  Hopelijk begrijpt u dan waarom Saint-Omer en omgeving me net iets meer fascineert dan Brugge en Gent.


De ruïne van de abdij van Saint-Bertin in Saint-Omer, waarmee het allemaal begon. Het beeld vooraan stelt abbé Suger voor. Het werd daar overgeplaatst vanuit Versailles in de negentiende eeuw. Suger was de voornaamste raadgever van de Franse koningen anno 1150, en de bouwer van de Sainte-Chapelle in Parijs, één van de eerste gotische kerken. Hij zou van Saint-Omer afkomstig geweest zijn, uit het toenmalige graafschap Vlaanderen dus.

De waterhuishouding in en om Saint-Omer is onwezenlijk complex. Graaf Filips van den Elzas liet daarom daar in de twaalfde eeuw ook al 'wateringen' creëren, die vandaag in deze streek Wateringue heten. Kijk naar de verhoogde en gekanaliseerde Aa en de daken van de huizen op oeverhoogte.

De Grand Dieu de Thérouanne in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Saint-Omer. Die beeldengroep was onderdeel van het portaal van de kathedraal van Thérouanne, die in 1553 gesloopt werd door het leger van keizer Karel. Het is het markantste overblijfsel van wat eens één van de grootste en fraaiste gotische kathedralen van Frankrijk (en tot 1214 ook van het graafschap Vlaanderen) was.

Het in de negentiende eeuw aangebrachte vergulde opschrift aan de binnenkant van de noordelijke ingang van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Saint-Omer. Het herinnert aan de intrede van de triomferende Zonnekoning. Saint-Omer werd toen definitief een stad in Frankrijk.

Op nummer twee: Brugge

5 juli 2023


Brugge blijft bij mij een gevoel van onbestemdheid oproepen. Het is een prachtige stad, zeker onder zonnestralen, het heeft een ongelooflijk rijk patrimonium, het is sfeervol, het is zonder enige twijfel middeleeuws, ik kom er vaak en graag, en toch vertrek je telkens weer met de vraag: wat is het beeld dat beklijft?

 

 Mij lijkt het de Bourgondische stad bij uitstek te zijn: de twee praalgraven, de Vlaamse Primitieven in de oude woonst van Gruuthuse, het huis Craenenburg en het verhaal van rooms-koning Maximiliaan, de vele fraaie gebouwen uit de vijftiende eeuw (waaronder het stadhuis en de Italiaanse loges en de herberg Van der Beurse op het Oude Beursplein), de fameuze Keizer-Karelschouw in het Brugse Vrije. Dat is toch wel het hoofdaccent van de stad, dus van na 1369 en dus niet binnen het accent van onze toeristische reis.

 

 Maar wat doe je dan met de economische bloei van middeleeuws Brugge, of met heel het verhaal van 1302? En wat was de essentie aan het Bourgondische in Brugge? Was het een verblijfstad van de hertogen (niet echt), financierde ze de Bourgondiërs, zorgde ze voor hun kunst? Ik weet geen antwoorden op die vragen. Misschien zullen ze er ooit komen als de stad een echt historisch stadsmuseum krijgt. Laten we ons dus voorlopig concentreren op het authentiek middeleeuwse, voor 1369 zoals afgesproken.

 

 Dan is het natuurlijk het Belfort dat als eerste in het oog springt. Omdat het gewoon ook mooi oogt, ligging inbegrepen, en zelfs als je de bovenste achthoek, gebouwd onder Maximiliaan en dus Bourgondisch, eraf denkt. Het is de enige plek in Brugge waar ooit een Franse koning geslapen heeft (Filips de Schone inderdaad, als nieuwe heer van Vlaanderen, in juni 1301), waar de keures bewaard werden, waar, volgens Giovanni Villani, tijdens de Brugse Metten van 18 mei 1302 Franse soldaten naar beneden zijn gegooid. Het is, in heel de Vlaamse belforttraditie, toch wel het belfort der belforten.

 

 De goede historicus valt dan meteen op dat twee andere middeleeuwse monumenten weg zijn. De reusachtige Waterhalle, waar de schepen uit Damme aanmeerden, werd eind 18de eeuw afgebroken. Maar je kan hem nog zien blinken op het schilderij van Brugge van Jan-Baptist van Meuninxhove (17de E, foto) in het stadhuis. En natuurlijk de Sint-Donaaskerk, de centrale kerk van de stad in de middeleeuwen, van heel oudsher, de plek van de moord op graaf Karel de Goede in 1128, waarvan zo’n gedetailleerd verhaal is overgebleven.  Weinigen weten en beseffen dat ook het Steen op de Burg, ooit de eerste grafelijke burcht en later de stadsgevangenis (waar in 1301 onder meer Pieter de Coninc werd opgesloten), helemaal verdwenen is (al heeft men in de gewelven onder de Burg wel een Foltermuseum ingericht).

 

 Dus moet je het qua authentieke middeleeuwse gebouwen stellen met de kerken. De Sint-Salvator, die kathedraal werd toen Brugge in 1561 zijn eigen bisdom kreeg. Ze dateert van de tweede helft van de dertiende eeuw en is even monumentaal als al de kerken in de streek toen, met dus een kloeke, hoge, bakstenen toren. De Onze-Lieve-Vrouwekerk vlakbij is nog iets ouder, en nog hoger. Ook uit die periode is de kleine Potteriekerk aan de andere kant van de stad, waar elk jaar op 15 augustus de Blindekensprocessie eindigt. Men levert er dan telkens de zware kaars af die de vrouwen van Brugge aan het beeld van Maria beloofden voor als hun mannen zouden winnen bij de veldslag van Mons-en-Pévèle op 18 augustus 1304.

 

 Toch rijzen er vragen. Over de oorsprong van de twee grote en heel nabije kerken die in de schaduw van Sint-Donaas moesten ontstaan en dus een stuk uit het centrum lagen, weten we blijkbaar niet zoveel – wie ze financierde bijvoorbeeld, en of de ambachten daar een rol in hadden. Binnenin de kerken domineren elementen vanna 1369. Onze-Lieve-Vrouw is vooral bekend vanwege de (schitterende) praalgraven van Karel de Stoute en Maria Van Bourgondië en de lieflijke piëta van Michelangelo, waarvan je je telkens afvraagt: hoe is dat hier geraakt. In de Potteriekerk domineert een barok interieur.

 

 Er is ook nog het heel mooi bewaarde Sint-Janshospitaal natuurlijk, maar ook daar zet Memlinc een sterk Bourgondisch accent. Het grote Begijnhof is van de veertiende eeuw. Van de Heilige Bloedprocessie is alleen het reliek zelf middeleeuws, de kapel is overwegend neogotiek uit de negentiende eeuw.  De Rozendhoedkaai – blijkbaar de meest gefotografeerde locatie van de stad – bevat talloze oude gebouwen, maar de vroegste uit de vijftiende eeuw.

 

 De vele kleine huisjes en steegjes maken veel goed. Zeker als het wat donkerder wordt, of winters, krijg je daar een gevoel van middeleeuwen. Brugge heeft ook nog vier oude en goed gerestaureerde stadspoorten kunnen bewaren, een zeldzaamheid. Bovenal kan je met wat voorbereiding en zoeken nog helemaal de tracés terugvinden die de schepen in de 13de, 14de en 15de eeuw in de stad maakten, toen Brugge een wereldhaven was. De Reie zelf is nog heel authentiek.

 

 Er is tenslotte geen stad in Vlaanderen waarvan het verleden zo goed gedocumenteerd is. Brugge heeft trouwens van alle Vlaamse steden duidelijk het meest zijn stempel gedrukt op de geschiedenis van het graafschap. Hoe beter je je voorbereidt met wat lectuur, hoe meer je ervan zal genieten.


Op nummer drie: Gent

 4 juli 2023


Het klinkt bevreemdend, maar het is wel zo: Gent is aan een come-back bezig als middeleeuwse stad. De afgelopen decennia leken vooral de negentiende en twintigste eeuw het geschiedenisbeeld van de stad te schragen. Maar recente ontwikkelingen sturen Gent overduidelijk weer naar zijn glorietijd: de hoge middeleeuwen, toen ze de tweede grootste stad boven de Alpen was na Parijs, toen ze haven en textielcentrum was, toen ze regelmatig met het gedruis van een opstand het centrum van het politiek toneel haalde.

 

 Voor middeleeuws Gent voor 1369 moet je beginnen bij de ruïnes van de Sint-Baafsabdij. Die plek wordt sinds een kleine twintig jaar in ere hersteld, als een mystiek oord en groene oase. Ze geeft enigszins een idee van wat de reusachtige abdij ooit was voordat keizer Karel V, een Gentenaar die zich tot Castiliaan omturnde, ze in 1540 liet vernielen. Oer-middeleeuwser kan je niet vinden, in het besef dat ze werd gesticht in de zevende eeuw door Amandus, de aartsvader van alle Vlaamse heiligen, en dat de Rijnlander Einhard, de biograaf van Karel de Grote, er ca 800  titulair abt van was, ongetwijfeld meer vanwege de inkomsten dan als echte baas. Zo ging dat toen ook al.

 

 Amandus stichtte ook de Sint-Pietersabdij – hij noemde deze Blandinium, zoals Sint-Baafs Ganda heette. Die staat er nog altijd, imposant, even buiten het centrum, maar dan toch hoofdzakelijk als barokgebouw dat na de Beeldenstorm ontstond. Ook nadien werd de abdij nog geteisterd door vernielingen. Sinds goed een halve eeuw tracht men te restaureren wat overbleef. Misschien vindt men er ooit alle vijf graven van de graven van Vlaanderen terug die er begraven liggen. Je kan er rondwandelen, er zijn rondleidingen en allerlei activiteiten, maar de sfeer van de middeleeuwen, zoals in Sint-Baafs, ga je er niet tvinden.

 

 Op naar het centrum en begin daar maar met het Gravensteen, dat Filips van den Elzas liet bouwen vanaf 1180, de meest formidabele van alle graven van Vlaanderen. Hij moet er inspiratie voor opgedaan hebben in het Nabije Oosten, tijdens een van zijn kruistochten. In maart 1302 was het kasteel, dat de graven inmiddels al verlaten hadden, het toneel van rellen, toen het stadsbestuur nieuwe belastingen wilde invoeren. De opstandige ambachten belegerden de machthebbers een halve dag, staken het kasteel in brand, waarna de vluchtende patriciërs en schepenen spitsroeden moesten lopen. Later op de dag werden er een tiental van hen omgebracht.

 

 In het Gravensteen vond ook het ongezien somptueuze banket plaats, dat de 27-jarige hertog van Bourgondië, Filips de Stoute, in 1369 bedacht om zijn trouwfeest met de dochter van de graaf van Vlaanderen op te fleuren. Bart Van Loo heeft alle details. Daarachter ligt trouwens de overgebleven poort van het Prinsenhof, de residentie waar keizer Karel in 1500 werd geboren, maar die al gebouwd werd kort na het feest van 1369 in het Gravensteen.

 

 Langs het kasteel stroomt de Lieve, die iets tevoren, aan de Oude Vismijn, uit de Leie ontspruit. Dat kanaal werd halverwege de dertiende eeuw gegraven door de Gentenaars, tot in Damme, om een rechtstreekse toegang tot de zee te hebben in plaats van langs de lange en kronkelende omweg stroomafwaarts de Schelde. Dat kanaal was voor die tijd een technisch meesterwerk. De dertiende eeuw is de periode waarin Gent inzake bevolking en ingenomen landoppervlakte quasi explodeerde.

 

 Er zijn dus nog  wel wat gebouwen overgebleven uit die bloeiperiode, en uit de veertiende eeuw, toen Gent vooral opstandig was. De Kleine Sikkel aan de Nederpolder, het Borluuthuis aan de Koornmarkt en het Stapelhuis aan de Graslui hebben alle hun gevels bewaard uit dertiende eeuw. Koester die maar als zeldzaamheden. En er is uiteraard, uit dezelfde periode, het Geeraard de Duivelsteen, tussen de kathedraal en de abdij.

 

 Van de drie beroemde torens daarentegen was enkel de Sint-Niklaaskerk al goed opgeschoten in dertiende eeuw, een gebouw dat eigenlijk gefinancierd werd met de opbrengsten uit de handel. De Sint-Janskerk, vandaag Sint-Baafskathedraal (met het Lam Gods), is grotendeels van een eeuw later. Het stadhuis werd begonnen – in stukken en brokken – nadat de Franse koning Filips de Schone in september 1301 tijdens een bezoek aan Rijsel Gent een keure schonk die twee eeuwen zou standhouden. Zowat tien jaar later begon ook de bouw van het Belfort (de derde toren). Het Bijlokehospitaal is van later in de veertiende eeuw.

 

 Op naar de Vrijdagmarkt – met vooral de Sint-Jacobskerk, die even oud is als de Sint-Niklaaskerk, en voor de rest gebouwen vanaf de vijftiende eeuw. De markt daar moet al minstens duizend jaar daar, telkens op die plek op vrijdag, plaatsvinden. Enkel die van Saint-Omer – altijd op zaterdag – is nog ouder. En op de Vrijdagmarkt staat natuurlijk het standbeeld van Jacob van Artevelde. 


 Terecht daar, want daar realiseerde hij zijn grootste stunt: de eed van trouw in 1540 aan koning Edward III van Engeland als ‘koning van Frankrijk’ en dus nieuwe suzerein van de stad. Maar het beeld zelf is van de negentiende eeuw, en dus met een gefingeerd gezicht. Artevelde is, vanwege zijn rol in de start van de Honderdjarige Oorlog, een historische figuur van een Europese dimensie.

 

 Vooral is op een zomerse dag Gent vandaag ronduit zwanger van de middeleeuwen. Loop vanaf het Geeraard de Duivelsteen langs de drie torens en langs de Koornmarkt naar de Graslei en zo via de Leie en de Oude Vismijn naar het Gravensteen, en je zit er middenin. Dat er overal horeca is, doet er niet toe, zorgt zelfs voor leven, tussen al dat groots en monumentaal historisch patrimonium.

 

 Bovenal heeft het weer openen van de rivieren, en het verkeersvrij maken van de binnenstad het afgelopen decennium dat hele gebied een iconische waarde bezorgd. Sla een toeristische brochure over Gent open en je ziet negen keer op tien een foto van de Graslei. Het is ook historisch: de loop van de Leie daar, het begin van de Lieve, de samenvloeiing met de Schelde wat verder zijn de historische tracés, zoals al in de middeleeuwen. De vele boten, bootjes en kayaks die daar nu op dobberen herinneren aan de havenambities die Gent altijd gehad heeft. De schepen toen waren niet veel groter.

 

 Dat haven-willen-zijn benadrukken ze ook in het amper twaalf jaar oude Stadsmuseum in de Bijloke-abdij. Het levert de noodzakelijke aanvulling van al de rest, een heel goed en visueel sterk overzicht van de geschiedenis van deze wonderbaarlijke stad die tot diep in de negentiende eeuw een heuse metropool bleef, en ook vandaag nog – vrij modaal geworden, zoals Firenze, Aken, Liverpool of Leiden - heel veel creativiteit in zich herbergt.


Op nummer vier: 

Damme en het Zwin

3 juli 2023


 Damme en het Zwin verdienen een plaats als bestemming voor al wie geïnteresseerd is in de middeleeuwen. Er zijn niet zoveel authentieke gebouwen uit die tijd meer, maar wel twee goede redenen voor een bezoek. De eerste is de indruk dat de tijd er is blijven stilstaan, sterker zelfs: dat vele stukken van het gebied – net buiten de haven van Zeebrugge nochtans – vandaag minder druk en bevolkt zijn dan zeven eeuwen geleden. De tweede reden is dat de plaatselijke toeristische diensten er in slagen het bezoek tot een beleving te maken, met alle klassieke en moderne middelen.

 

 Beginnen we in Damme. Het enige echte monument uit de glorietijd van de haven Damme in de dertiende eeuw is de Onze-Lieve-Vrouwekerk. De bouw daarvan is omstreeks 1220 gestart, dus amper veertig jaar nadat Damme als stad ontstond aan de bres die de zee bij een grote vloed in 1134 ten noorden van Brugge had geslagen. Die bres kreeg de naam Zwin. Je vindt het kaartje van die bres anno 13de eeuw op onze blogpost van 15 maart over de opgravingen in Oostkerke: https://www.rolffalter.com/blog#h.svkfak5ovb39

 

 Damme was de overslagplaats aan een dam op de bres. Grote schepen (voor die tijd) konden tot in Damme varen, daar aanmeren, en hun goederen laten overslaan op schepen die ze naar Brugge brachten, over de Reie. Het beeld hiernaast in de imposante reconstructie van het project Verdwenen Zwinhavens geeft een idee van hoe het er heeft uitgezien.

 

 De Onze-Lieve-Vrouwekerk is vooral het bezichtigen waard omdat ze er is. Ze toont hoe enorm het bouwwerk was in de dertiende eeuw en is het enige gebouw in Damme dat nog doet vermoeden dat hier een belangrijke stad is geweest. Er is natuurlijk ook nog de fraaie Markt wat verder terug naar het kanaal toe, met zijn prachtig stadhuis(je) en een paar mooie oude patriciërswoningen, maar die zijn allemaal van de Bourgondische tijd en dus eigenlijk van na Damme’s glorie.

 

 Er staat een beeld van Jacob van Maerlant, en zijn grafmonument staat in de kerk. Beide zijn maaksels van de negentiende eeuw, en getuigen vooral van het feit dat Maerlant – één van de grootste namen in de Nederlandse literatuurgeschiedenis - in Damme zijn bekendste en beste werken schreef, precies in die glorietijd in de dertiende eeuw. 


 Damme speelde overigens ook een sleutelrol in de gebeurtenissen van 1302: eerst als de stad die in 1297 in Vlaamse handen bleef en daardoor het koningsgetrouwe Brugge voor drie jaar van het Zwin afsneed. Daarna, in mei 1302, als de plek waar de opstandelingen een toevlucht zochten die op de ochtend van 18 mei de Brugse Metten lanceerden.

 

  De horizonten van toen zijn grotendeels weg uit Damme: het Zwin is weg, de huidige Damse Vaart is van Napoleon, en de verdwenen vestingmuren uit de Spaanse tijd hebben het stadsbeeld diepgaand hertekend. Van de Lieve, het oude kanaal dat de Gentenaars in het midden van de dertiende eeuw naar Damme uitgroeven – met spitstechnologie inzake sluizen – is enkel een sasje over, aan de hoek van de Ketelstraat en de Jacob Van Meerlantstraat. Het restaurant met die naam ligt er tegenover.

 

 Toch moet je in Damme vooral zijn voor de sfeer, zeker als het zonnig is. De combinatie van water, fraaie oude gebouwen, vergane glorie, en landelijke rust doet je mijmeren. Beeld je gewoon in dat van hier tot Blankenberge enerzijds en tot Cadzand anderzijds (toen nog een zandbank-eiland) tot het midden van de twaalfde eeuw vooral moeras lag, slikken en schorren, land waar de Noordzee in haar driftbuien vrij spel had. Verdronken Land zeg maar.

 

 Honderd jaar later was dit een economisch centrum van eerste orde in Noordwest-Europa, met havens in Brugge, Damme, maar ook Oostkerke, Monnikerede, Hoeke, Sint-Anna-ter-Muiden en finaal Sluis. Monnikerede bestaat helemaal niet meer, de andere genoemde dorpjes hebben elk een paar tientallen inwoners vandaag. Maar je kan je het je perfect inbeelden met de spectaculaire visuele reconstructies van de laatste jaren, die trouwens ook in boekvorm werden uitgegeven. Hier de link: https://www.brugseommeland.be/nl/doen/verdwenen-zwinhavens

 

 Je kan in heel dat gebied tussen Blankenberge-Cadzand/Sluis-Damme die sfeer van vergane glorie snuiven, van ingeslapen regio. Je zal links en rechts ook wel sporen vinden van de Spaanse tijd toen het oorlogsgebied was, dat meer wel dan niet door de strijdende partijen langdurig onder water werd gezet. Van toen dateert het definitieve verval, dat wel al met de neergang van Brugge na 1500 was ingezet. Zie daarover ook mijn blogpost over Zeeuws-Vlaanderen van 30 maart https://www.rolffalter.com/blog#h.vxe4kw4hn0j0 en die over Sint-Anna van 21 maart: https://www.rolffalter.com/blog#h.nkwoacapbyu0

 

 Je kan er vandaag uren fietsen, wandelen, er is een overaanbod aan toerismeroutes. En het is een gebied met een hoge concentratie aan culinaire trekpleisters. Vergeet onderweg zeker ook niet Lissewege aan te doen, dat groeide in de schaduw van de abdij van de cisterciënzers die er zich eind twaalfde eeuw vestigden. Het zijn die cisterciënzers die een pioniersrol speelden in het indijken van de zee, overal in het graafschap, en dus ook hier (net als in Saint-Omer en Veurne onder meer).

 

 Van hen is de reusachtige kloosterschuur (eind veertiende eeuw) miraculeus bewaard gebleven en te bezichtigen. Naast de imposante kerktoren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van het fraaie dorpje, ook al uit de dertiende eeuw, en dus op zijn beurt een getuige van de enorme rijkdom van de streek in die periode. Boven aan de 264ste trede naar het dak, heb je een prachtig uitzicht op het geheel. En eindig zeker in wat nog overblijft van de monding van het Zwin, sowieso één van Vlaanderens prachtigste natuurreservaten.

Op nummer vijf: Kortrijk

2 juli 2023


 Kortrijk behoorde niet tot de vijf grote steden van het graafschap in de middeleeuwen, maar is als toeristische bestemming wel incontournable omdat daar de veldslag van 1302 plaatsvond. Het slagveld zelf is al lang ingepalmd door het vastgoed. Maar Kortrijk heeft dat de afgelopen twee decennia gecompenseerd met een uitstekend museum, dat nu in de Gravenkapel van de Onze-Lieve-Vrouwekerk is gevestigd.

 

 Het Museum1302 biedt de meest correcte visuele evocatie van de veldslag, en maquettes van het slagveld waarbij je via koptelefoon alle uitleg en alle standpunten daarover kan beluisteren, ook in het Frans. Vooral staat er nog steeds de kist van Oxford (zie foto), zeg maar het stripverhaal in schrijnwerk van omstreeks 1300 over de slag en wat eraan voorafging.  Ik heb er ook heel wat beelden van opgenomen in mijn boek 1302, het jaar van de mythe.  Een juweeltje van visuele evocatie uit een tijd waarin die nog bijzonder schaars waren.

 

 De Gravenkapel zelf bevat de portretten van alle graven van Vlaanderen ooit. Aan de portretten is men begonnen aan het eind van de dertiende eeuw, maar ze zijn herwerkt en overschilderd in de negentiende. Veel van die portretten zijn vermoedelijk verzonnen, omdat we voor de periode pakweg voor 1300 gewoon geen getekende, geschilderde of gebeeldhouwde portretten terugvinden. 

 

 De kerk zelf is overigens – vooral in het schip en de kruisbeuken – nog duidelijk middeleeuws en gotisch. Ernaast kan je nog een klein streepje fundamenten zien van het fameuze Franse kasteel waarrond de slag van 11 juli draaide. Ook de (kleine) watertoren van dat kasteel van 1301 staat er nog, als ‘Artillerietoren’, in een opvallende rode kleur.

 

 Het nabije Begijnhof is al in de dertiende eeuw ontstaan, maar het is niet duidelijk of van de veertig overgebleven en fraai gerestaureerde huisjes daar, er één van die periode bij is. Het standbeeld van gravin Johanna van Constantinopel – zij stichtte het Begijnhof - is van eind 19de eeuw, en met een verzonnen gezicht, vermits we ook van deze gravin van Vlaanderen (1205-1244) geen betrouwbaar eigentijds portret hebben.

 

 Van de tijd van (net na) de Guldensporenslag dateert ook het onderste stuk van het Belfort op de Grote Markt, dat ooit onderdeel was van de (verdwenen) Lakenhalle van de stad. Het fraaiste element daarvan, de klok en de figuur van de uurslager die toen al om het uur op de klok hamerde – een wonder van techniek in die tijd – werd door de eerste Bourgondische hertog Filips de Stoute in 1382 meegepikt en in Dijon op de Onze-Lieve-Vrouwekerk geplaatst. Het staat er nog, als de beroemde Jacquemart de Dijon, weliswaar in gewijzigde vorm tegenover het origineel.

 

 Filips de Stoute keerde, als zoon van de Franse koning, oom van de toenmalige vorst en schoonzoon van de graaf van Vlaanderen, met het Frans leger terug van de veldslag van Westrozebeke, waar het de Gentenaars had verslagen. En om 1302 te wreken plunderden de Fransen toen Kortrijk en staken het nadien in brand. Jean Froissart, de Henegouwse kroniekschrijver van wie we dit weten, vermeldt uitdrukkelijk het wegnemen van de Gulden Sporen van 1302 uit de Onze-Lieve-Vrouwekerk en van de klokkenluider, ‘het mooiste voorwerp dat men aan deze en gene zijde van de zee kon vinden'.

 

 Vandaar dat al de rest in Kortrijk dat enigszins middeleeuws oogt van na 1382 is: de Broeltorens, het Stadhuis, de Sint-Maartenskerk. In die laatste bevindt zich het beeldje van Onze-Lieve-Vrouw van Groeninge. Zij inspireerde het beeld van de Maagd van Vlaanderen dat sinds 1906 de Groeningekouter siert, maar de hele legende over de verschijning van Maria op het slagveld van 11 juli en het beeld blijken een constructie van de Contrareformatie te zijn (vroege 17de eeuw). Wie vermoedelijk model heeft gestaan voor de Maagd maken we één van de komende dagen bekend.


Op nummer zes: Ieper

 1 juli 2023 

 

 Ieper was in de dertiende eeuw waarschijnlijk de derde grootste stad van het graafschap, dus een echte grootstad, en alleszins de meest woelige. Maar u kent het verhaal: de stad heeft een verleden van verwoestingen, de meest drastische amper een goede eeuw geleden, tussen 1914 en 1918. Er is dus quasi niets authentieks bewaard gebleven, en ook de oorlogen van de Spaanse tijd en van Lodewijk XIV hebben de stad getekend. In wezen komen de meeste bezoekers vooral op die latere littekens in de stad af.

 

 Toch zijn er nog wat restjes uit de middeleeuwn. Authentiek middeleeuws zijn zeker nog de onderste verdiepingen van het Groot Vleeshuis aan de Neermarkt, vlakbij de Grote Markt, en delen van het zogenaamde Tempelierssteen, wat verder in de Rijselsstraat. Over dat laatste blijven discussies bestaan of de Tempeliers er ooit iets mee te maken gehad hebben. Maar er is geen twijfel dat het gebouw – dat voor een groot stuk de Eerste Wereldoorlog overleefde - uit de glorietijd van Ieper dateert, in het midden van de dertiende eeuw dus.

 

 Natuurlijk moet je de stad vooral bezoeken voor de Lakenhalle met zijn Belfort. Het is en blijft een indrukwekkend monument, ook na de restauratie na de zo goed als totale vernietiging vanaf eind 1914. Hier de link naar de steekkaart die het Agentschap Onroerend Erfgoed met de gebruikelijke nauwkeurigheid maakte over bouw èn restauratie: https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/30236

 

 Lakenhalle en Belfort (foto: op de schets van Sanderus uit de late zestiende eeuw, zoals online gezet door de Universiteit Gent) zijn en blijven een stuk architectuurgeschiedenis op wereldniveau. Niet zozeer om hun esthetische waarde, al is die is er zeker ook. Wel vanwege de combinatie van omvang en datum. Je vindt in de vroege dertiende eeuw boven de Alpen nauwelijks een monument van burgerlijke architectuur (in tegenstelling tot de kerkelijke uiteraard, want je zit dan volop in het tijdvak van de gotische kathedralen in Noord-Frankrijk) van die omvang. 


 De bouwwerken (Belfort en Waterhalle) van Brugge zijn van later, elders in Vlaanderen – tot in Saint-Omer – is er niets gelijkaardigs, tenzij dan het Gentse Gravensteen dat in de buurt komt. Maar ook de koninklijke paleizen in Parijs waren kleiner, en je zal in Italië moeten zoeken naar gelijkaardige burgerlijke bouwsels uit die periode. Het Dogenpaleis van Venetië, het Palazzo Vecchio van Firenze en het Palazzo Pubblico in Siena zijn van minstens een halve eeuw later. Het zegt wel wat over de ontwikkeling van Ieper en het graafschap Vlaanderen.

 

 In de Lakenhalle bevindt zich sinds enkele jaren het Ypres Museum (in de schaduw van het zeker niet te missen In Flanders Fields op de eerste verdieping). Het is nog in opbouw maar biedt toch al een stevig overzicht van de geschiedenis van de stad.  De Sint-Martinuskerk achter de Lakenhalle is na 1918 ook helemaal wederopgebouwd in de oorspronkelijke gotische stijl van de dertiende eeuw, maar is toch vooral een kerk geweest voor de bisschop die er van 1561 tot 1801 huisde. Daarom ligt er ook het graf van de beroemde Cornelius Jansenius.

 

 Daarnaast ligt er wel het graf van Robrecht van Béthune, de graaf van Vlaanderen in 1302 en de held van Hendrik Consciences roman (al zat hij in werkelijkheid tijdens de veldslag van 11 juli  gevangen aan de Loire). Er zijn in 1973, bij de meest recente opgravingen, botjes van zijn lichaam gevonden en een loden kistje waaraan men hem kon identificeren. De grafsteen die je op de vloer kan zien is echter fantasie van de twintigste eeuw. Misschien moet men er eens iets meer mee doen, want hij stierf inderdaad in 1322 in Ieper.


Op nummer 7: Bouvines

 

 Voor dit weekeinde (tot en met zaterdag) kondigt men in het Noord-Franse Bouvines een spektakel aan, een evocatie van de gebeurtenissen van 1214 daar: Bouvines 1214, la prophétie. Kijk toch maar eerst eens op de site van de gemeente of op youtube, of je je laat overtuigen. En eigenlijk is er niets meer te zien in dat landelijk dorpje van 800 zielen tussen Doornik en Rijsel.

 

 Toch kan je zeggen over Bouvines, in de quote van de Guide Michelin destijds, vaut le détour.  Lees wel eerst vooraf De zondag van Bouvines, 27 julI 1214, van de Franse historicus Georges Duby, inmiddels vijftig jaar oud, maar nog te vinden in bibliotheken en zeker ook online nog te bestellen. Dan kan je pas echt volop de locatie, in het hart van het oude graafschap Vlaanderen, appreciëren.

 

 Begin maar bij de Sint-Pieterskerk in het centrum. Je ziet die van heel ver, hoewel ze niet zo groot is. Maar ze is volledig vernieuwd in de jaren 1880-1914. Ze heeft vooral glasramen gekregen die eraan moesten herinneren dat de veldslag bij Bouvines van 1214 het begin was van de Franse natie. Want daar versloeg de tot dan vrij onmachtige koning van Frankrijk de Duitse keizer en de graaf van Vlaanderen, nadat hij een paar weken eerder ook al de koning van Engeland had teruggedrongen.


 De glasramen zijn even pathetisch, als bijzonder fraai (foto: de overgave van de graaf van Vlaanderen). Ze zijn even typerend voor de nationale bombast anno 1900 als de Maagd van Vlaanderen op de Groeningekouter in Kortrijk, uit dezelfde periode.

 

 Bouvines is echter vooral om te wandelen, omdat je nog veel zal herkennen van het slagveld. Westwaarts van het centrum, pakweg zo'n 500 meter en twee bochten van de kerk, is er het onooglijk brugje over de rivier de Marcque. Met de TGV (Keulen-Amsterdam- Brussel-Londen-Parijs) die ten zuiden van het dorp dwars door het landschap scheurt, kan je je nauwelijks voorstellen dat dat dit anno 1214 een hoogst strategische plek was. Maar dat was ze wel, en daarom vond daar de veldslag plaats.

 

 Keer dan op uw stappen terug en sla voorbij de kerk na tweehonderd meter links de Rue de Grisons in en dan na honderd meter rechts de Chemin de Tournai. Dra loop je op een kasseiweg door het stille, open veld (met weliswaar af en toe de TGV in de achtergrond), kom je na twee kilometer aan de Chapelle de l’Arbre (een klein kapelletje eigenlijk), en sla je daar schuin naar links in op een brede baan. Na nog een kleine twee kilometer ben je aan de Carrefour de l’Arbre, het einde van de bekendste kasseistrook in de finale van de wielerklassieker Parijs-Roubaix, met de al even bekende Brasserie l’Arbre.

 

 Je bent dan eigenlijk door het slagveld van 1214 gewandeld, en dan heb je meteen een idee van de dimensie die zo’n middeleeuwse veldslag toch al had. De Arbre die telkens weer in de namen opduikt zou volgens de legende verwijzen naar oude, verdwenen kapelletjes die eraan herinnerden dat de Franse koning Filips-Augustus op die snikhete dag in juli 1214 even uitgeblazen had onder een boom, zoals je in de kronieken van toen sedertdien kan lezen.

 

 By the way: als je in het centrum van Bouvines achter de kerk doorgaat, kom je aan het gemeentehuis, en dat ligt aan de Chaussée Brunehaut, de middeleeuwse naam van de Romeinse heirbaan die daar toen nog liep van Doornik naar Rijsel. Ook dat was een reden dat de veldslag daar plaatsvond, want de Franse koning kwam met zijn leger van Doornik. Hij had daar onder meer gebeden voor de overwinning bij het beeld van Onze-Lieve-Vrouw in de kathedraal. Doornik is na Tongeren de oudste stad van België, met ook stevig wat middeleeuws patrimonium (het was toen een apart prinsbisdom). En op amper vijftien kilometer van Bouvines.


Rusland in chaos,

 augustus 1991

25 juni 2023 


 De buitengewone gebeurtenissen van gisteren, zaterdag 24 juni, in Rusland, hebben opnieuw aangetoond hoe het reusachtige land in een vingerknip uit balans kan geraken. Lenin wist dat al, toen hij begin november 1917 zijn al bij al niet zo omvangrijke milities in Sint-Petersburg de regering deed afzetten. Ruim dertig jaar geleden, in augustus 1991, heerste in het land ook drie dagen chaos, met een mislukte staatsgreep, die in de weken nadien Lenins Sovjetunie uiteen deed vallen.

 

 Mikhail Gorbatsjov, de toen zestigjarige president van de Sovjetunie (hij overleed vorig jaar op 30 augustus), was op zondag 18 augustus 1991 bezig zijn koffers te pakken om na twee weken vakantie terug te keren naar Moskou. Hij was, geveld door een lumbago, om half vijf in de namiddag, zijn krant aan het lezen in zijn bureau in Foros nabij Jalta aan de Krim. Hij logeerde in de nieuwe villa die twee jaar eerder voor de partijleider van de communistische partij van de Sovjetunie was gebouwd. Zijn vrouw Raïsa was net nog in zee gaan zwemmen, net als hun dochter, haar man en hun twee dochters.

 

 Er had zich een vreemde delegatie uit Moskou aan de ingang gemeld. Gorbatsjov probeerde wat info te verzamelen aan de telefoon en merkte dat alle lijnen dood waren. Hij besefte meteen dat er een staatsgreep aan de gang was. De delegatie kwam in naam van een comité met vice-president Gennadi Yanaev, Defensieminister Dmitri Yazov en KGB-chef Vladimir Kriuchkov, alle drie nog door Gorbatsjov benoemd. Ze wilden de noodtoestand uitroepen en kwamen hem vragen zijn macht over te dragen op het comité. Gorbatsjov weigerde.

 

 De staatsgreep was pas eind juli gepland en in gang gezet. Gorbatsjov en zijn voornaamste politieke rivaal, Boris Jeltsin, hadden op 29 juli een akkoord bereikt over verdere decentralisering van de Sovjetunie. Jeltsin was sinds 10 juni de democratisch verkozen eerste president van de pas gecreëerde Russische deelstaat (veruit de grootste van de Sovjetunie). Kriuchkov had hun gesprek afgeluisterd, en ook gehoord dat Gorbatsjov op vraag van Jeltsin instemde met de vervanging van zijn KGB-chef (Kriuchkov), premier (Valentin Pavlov) en vice-president (Yanaev). Hij weigerde echter Yazov te laten vallen.

 

 Kriuchkov zette daarop de KGB aan het werk om een staatsgreep voor te bereiden, zodra Gorbatsjov vanaf 2 augustus met vakantie zou zijn. Zo had de vroegere partijleider Leonid Breznjev dat ook gedaan met zijn voorganger Nikita Chroestjov in de zomer van 1964. Het scenario werd pas vanaf zaterdag 17 augustus echt uitgerold. Kriuchkov bracht toen premier Pavlov op de hoogte, Yanaev, de vice-president pas op zondagavond. Toen de delegatie uit de Krim laat die avond terugkeerde met de weigering van Gorbatsjov, ging Kriuchkov over tot plan B: men zou de noodtoestand uitroepen voor zes maand, Gorbatsjov zou ziek verklaard worden en Yanaev tijdelijk zijn plaats innemen. En men zou spoedig verkondigen dat het gedaan was met perestroika, de hervormingsplannen van de president.

 

 Radio en tv kondigden dat op maandagmorgen 19 augustus om zes uur zo aan, met een minimale tekst en voor de rest een programmatie die dezelfde was als toen tien jaar eerder op korte tijd drie Sovjet-leiders gestorven waren. Het zorgde voor verwarring bij de Amerikaanse president George H. Bush (de vader) en zijn staf in het buitenverblijf van de familie Bush in Kennebunkport aan de kust van Maine. Het was daar iets voor middernacht, en dra bleek dat de CIA (weer) van niets wist.

 

 De Amerikaanse geheime dienst kon alleen maar vaststellen dat als het om een staatsgreep ging, het een curieuze was: de telefoonlijnen waren intact, vliegtuigen in heel de Sovjetunie bleven opstijgen en landen. Kriuchkov en de zijnen hadden op dat moment nog steeds een minimum aan machtsvertoon voor ogen. Zij rekenden op een aantal tankdivisies in en om Moskou, die inderdaad die ochtend een paar cruciale kruispunten en de omgeving van de staatsomroep innamen. Men zou arresteren wie protesteerde, maar slechts zeventig man preventief.

 

Jeltsin

 

 Daar was Boris Jeltsin niet bij. Die werd meteen gewekt door familieleden na het nieuws van zes uur, in zijn regeringswoning buiten Moskou. In de eerste uren belde hij rond, concludeerde hij dat er een staatsgreep aan gang was, ook al werkte de telefoon nog. Tegen negen uur beslisten hij, zijn familie en zijn ploeg, na intense  discussies, dat hij naar het gebouw van het nieuw-verkozen Russisch Parlement zou trekken, in zijn presidentiële limousine met een Russische vlag en hij met een kogelvrije vest aan. Zijn vrouw, zijn dochter en de rest van de familie vonden een onderkomen in een appartement van één van zijn lijfwachten aan de rand van Moskou.

 

 Kriuchkov had al voor tien uur Jeltsin gebeld, hem aangeraden zijn verstand te gebruiken. Maar hij was op een botte weigering gestuit. De Russische president bereikte wat later het Witte Huis, de zetel van het Russisch parlement. Hij klom daar op een tank, terwijl één van zijn medewerkers met de Russische vlag zwaaide, het oude tricolore (wit-blauw-rood) vaandel van het tsarenrijk, maar nu het paradoxaal symbool van de opstand van democratisch Rusland tegen de oude Sovjetunie. Jeltsin las er de speech voor die hij en zijn medewerkers hadden voorbereid, eiste de vrijlating van Gorbatsjov en de bijeenroeping van het parlement, en riep iedereen op tot een algemene staking.

 

 Dat leverde wat beelden op, maar ging grotendeels aan het publiek voorbij. Tegen zes uur die maandagavond beloofden de coup-leiders uitleg op een persconferentie. Kriuchkov, die liever in de schaduw bleef, stuurde Yanaev uit, die aarzelde. De vice-president gaf zijn uitleg, maar de rest van de rechtstreeks uitgezonden persconferentie was een pr-ramp. Aanwezige westerse journalisten gebruikten onomwonden de termen ‘illegaal’ en ‘staatsgreep’. Yanaev, een ouderwetse bureaucraat met een bril met gefumeerde glazen die altijd dronken ogen verrieden, ging af.

 

 Kriuchkov en de zijnen beseften nu dat ze kwetsbaar waren, dat Jeltsin de uitdager kon worden, ook al was diens oproep tot algemene staking op niets uitgedraaid. Er was nergens een staking uitgebroken. Het wantrouwen sloop in de groep, vooral tussen de oude rivalen, minister van Binnenlandse Zaken Pugo en minister van Defensie Yazov. Die laatste werd inmiddels door zijn vrouw opgezocht: ‘Dima, met wie ben jij nu scheepgegaan?’, riep ze uit. ‘Je hebt altijd neergekeken op die mannen’. Een andere samenzweerder, premier Pavlov, was inmiddels afgevoerd naar het ziekenhuis, met een overdosis drank.

 

 De KGB-chef hield het hoofd koel. Hij organiseerde die nacht van maandag op dinsdag de gewapende bestorming van het Witte Huis voor de volgende dag, de enige manier om Jeltsin nog uit te schakelen. De Russische president en de zijnen beseften dat, beseften ook dat ze militair geen partij zouden zijn. Maar ze beslisten wel systematisch alle militairen die men kon tegenkomen te benaderen, met hen te praten, hen te doen afzien van geweld tegen Russische landgenoten.

 

 Dra vonden ze steun bij een aantal onafhankelijke radio-stations, die ook opriepen de troepen te overtuigen, en vooral samen te komen rondom het Witte Huis. Tegen de vroege namiddag waren het er honderdduizend, die speeches hoorden van Jeltsin, Edvard Sjevardnadze, de gewezen minister van Buitenlandse Zaken en kompaan van Gorbatsjov, Msistlav Rostropovitch, de beroemde cellist, de dichter Yevgeni Yevtushenko (die citeerde uit het werk van Pushkin en Tolstoi) en Elena Bonner, de weduwe van de twee jaar eerder gestorven Andrei Sakharov. Inmiddels had ook George Bush Jeltsin kunnen bereiken, gewoon via de telefoon. Kort nadien ging Voice of America voor volle steun aan Jeltsin.

 

 De bestorming was voor woensdagmorgen 3 uur in de ochtend voorzien. Toch waren rond middernacht al salvo's van machinegeweren te horen in de stad. Kort nadien reden een paar pantservoertuigen met aanvalstroepen zich vast in een tunnel, die door Jeltsins verdedigers was gebarricadeerd met bussen. Er werd met molotov-cocktails gegooid, machinegweren gingen af, er lagen drie doden op het asfalt, alle drie van Jeltsins kamp.

 

Pinochet

 

 Het was genoeg. De coup-leiders hadden tot diep voorbij middernacht vergaderd, en het onderling wantrouwen was alleen maar gegroeid. Yazov, generaal en veteraan van de belegering van Leningrad door de nazi’s, vreesde dat men opnieuw de militairen voor het vuile werk wou laten opdraaien, zoals Gorbatsjov eerder had gedaan bij mislukte pogingen om oproer in Litouwen en Georgië bloedig neer te slaan. Het bericht van drie doden, alle gedood door zijn soldaten, brak zijn zenuwen. Hij gaf het bevel om de aanval te stoppen.

 

 Daarop deed zijn rivaal Pugo hetzelfde met de troepen van Binnenlandse Zaken. Zelfs KGB-eenheden begonnen nu te aarzelen, ook een zekere luitenant-kolonel Vladimir Poetin, de rechterhand van de burgemeester van Sint-Petersburg die Jeltsin steunde. Tegen acht uur die ochtend blies Yazov de hele operatie af. Een aantal van zijn mede-samenzweerders probeerden hem nog te overtuigen. ‘Ik wil geen Pinochet zijn’, luidde het antwoord.

 

 Inmiddels had Washington Jeltsin al laten weten dat ze uit afgeluisterde gesprekken met zekerheid wisten dat ook Kriuchkov opgaf. Kort daarop belde Kriuchkov zelf de Russische president op om hem dat te melden. Een paar uur eerder, toen de bestorming op gang leek te komen, was Jeltsin op aanraden van zijn medewerkers in zijn limousine gestapt om naar de nabije Amerikaanse ambassade te vluchten. Net op tijd had zijn politiek instinct hem wakker geschud dat dit een fatale keuze kon worden.

 

 Zo zakte de conservatieve staatsgreep als een pudding in elkaar. Gorbatsjov landde nog die woensdagavond in Moskou, zijn vrouw Raïsa, getroffen door een beroerte tijdens de vele angsten van de voorgaande dagen, wankel in zijn zog (foto). Maar de Sovjet-president onderschatte hoezeer zijn land in die paar dagen veranderd was. Het volk van Moskou besefte zijn macht, haalde voor het hoofdkwartier van de KGB het reusachtige standbeeld neer van Felix Dzerzjinski, de stichter van de communistische geheime politie. Het eiste het opdoeken van de communistische partij, die nog steeds formeel door Gorbatsjov werd geleid.

 

 Jeltsin begreep dat beter, dwong zijn aarzelende rivaal op 24 augustus voor lopende camera’s de ontbinding van de partij te tekenen. Inmiddels hadden in diverse republieken van de Sovjetunie – Oekräine en Kazakhstan voorop – de lokale leiders zich ingedekt tegen de gebeurtenissen in Moskou door nog meer onafhankelijkheid naar zich toe trekken dan al in het akkoord van Jeltsin en Gorbatsjov van eind juli was voorzien. De drie Baltische landen – Estland, Letland en Litouwen – proclameerden nu officieel hun volledige onafhankelijkheid.

 

 Op Kerstdag 1991 om zeven uur ’s avonds hield Gorbatsjov zijn laatste tv-toespraak, voor de lopende camera’s van de staatstelevisie, èn van CNN.  Hij stelde vast dat de Sovjetunie uiteengevallen was, somde op wat hij gepresteerd had, en kondigde zijn ontslag aan, zonder ook maar enigszins Jeltsin te vermelden. Die was daar zo boos over dat hij meteen alle afspraken met zijn voorganger opblies. Hij liet prompt de Sovjet-vlag strijken, liet een militaire medewerker de nucleaire codes bij Gorbatsjov ophalen, liet hem uit zijn appartement zetten en zijn limousine afnemen, drong op vrijdagmorgen diens bureau in het Kremlin binnen, liet de inhoud buitengooien en nam het over. Beiden zagen elkaar nooit weer.

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Mons-en-Pévèle,

 koers en slagveld

19 juni 2023

 

 

 Aan de zuidrand van het Noord-Franse dorpje Mons-en-Pévèle, halverwege tussen Rijsel en Douai, vond op 18 augustus 1304 een slag plaats tussen het leger van de Vlaamse steden en de zonen van de graaf van Vlaanderen enerzijds, en het ridderleger van de Franse koning Filips de Schone anderzijds. Sommigen noemen die slag ‘de revanche van de Guldensporenslag’.

 

 Het verhaal zelf is iets gecompliceerder. Ik vertelde er al wat over in mijn blogpost van 7 april:

 

https://www.rolffalter.com/blog#h.abilqxapj33n

 

Het hele gebeuren van toen vind je uitgebreid, van aanloop, via verloop naar afloop en gevolgen, beschreven in mijn boek ‘1302, het jaar van de mythe’, dat je nog steeds hier kan bestellen:

 

https://www.lannoo.be/nl/1302-%E2%88%92-het-jaar-van-de-mythe

 

 Dit gezegd zijnde, trok ik dit jaar op 9 april naar Mons-en-Pévèle, om het dorp nog eens te gaan bekijken. Er is wel wat veranderd sinds ik er een kwarteeuw eerder langsging. Toen was er nergens iets te bespeuren van de slag van 1304, nu is die een stukje toeristische attractie geworden. Net als trouwens de kasseien van Parijs-Roubaix ten noorden van Mons-en-Pévèle. Het was overigens geen toeval dat ik op 9 april naar het dorp trok, dan zag ik ook die koers – mijn favoriete wielerwedstrijd - eens live. Mathieu van der Poel beloonde mijn aanwezigheid met een demarrage terwijl ik filmde en met Wout van Aert meteen in zijn zog.

 

 Het resultaat van dit alles is een filmpje dat voortaan op youtube staat. Drie minuten lang. Het is nog een beetje amateuristisch, gemaakt met Iphone 11, IMovie en Wireless Go II. De meeste beelden maakte ik zelf, maar ik gebruikte ook screenshots van het verhaal van Vlaanderen (en één keer van de film van Hugo Claus van 1983), een foto van La Voix du Nord, en wat foto’s links en rechts op officiële en niet-commerciële sites. Mocht ik iemand vergeten hebben te vermelden, laat het mij weten.

 

 Hier nog de link naar youtube:

 

https://www.youtube.com/watch?v=-2Q-u3qpBME

 

 


Leuven 1914, één raadsel opgelost

14 juni 2023


 Mijn oproep rond de foto van terugtrekkende Belgische soldaten in augustus 1914 rond Leuven (zie de blog van 11 juni https://www.rolffalter.com/blog#h.t9thvuv4g7e8 ) heeft gehoor gevonden. Verschillende mensen hebben gereageerd,  sommige nog wat zoekend. Maar nu weten we zeker dat de foto genomen is op de Tiensesteenweg.

 

 Maar het is een oude klasgenoot van mij in het Atheneum van Leuven, Robby Devadder, die via Linkedin uitsluitsel heeft gebracht. Het gaat inderdaad om de Tiensesteenweg, tussen de Tiensepoort en de brug over de spoorweg. De foto’s is genomen richting Tienen, dus van de stad weg. Rechts van de baan lag toen nog de gemeente Heverlee, links Kessel-Lo.

 

 Dat betekent dat de Belgische soldaten daar haast zeker terugkeren van Tienen, waar op de 18de september nog behoorlijk slag is geleverd – met vele honderden gesneuvelde soldaten - en de Duitsers nadien tot hun toen al gebruikelijk ritueel van brandstichting en afslachten van onschuldige burgers zijn overgegaan. De foto moet dus die dag nog genomen zijn, of ten laatste de negentiende, toen de Duitsers Leuven binnentrokken. De stad was ‘open’ verklaard. Pas zes dagen later begon de slachting.

 

 Robby Devadder stuurde mij een andere foto die een vijftig meter meer oostwaarts is genomen, waar duidelijk de hoge brug over de spoorweg is te zien, met ditmaal in volle glorie de Dunlop-reclame (zie foto hiernaast, bron onbekend). Robby signaleert me dat het brede, lage gebouw rechts op de foto die ik afdrukte (uit l’Illustration’) een klooster was dat in de Tweede Wereldoorlog helemaal vernield geraakte, waarna men er de huidige Delaunoislaan heeft getrokken.

 

 Hij stuurt me ook nog een foto van de vernielingen van mei 1940, waarop je inderdaad hetzelfde klooster nog ziet en in de verte het (nieuwe) silhouet van de Sint-Franciscuskerk die in de jaren dertig was gebouwd. De Dunlop-reclame rechts is in 1940 verdwenen, maar links blinkt er nu één voor Martini.

 

 Bij de twitteraars was er ook iemand – met de schuilnaam Kim Kardashcam en het adres @3_esse – die me doorverwees naar een facebook-post van de Tienenaar Eric Walravens uit 2017. Daarop is nog een andere foto te zien van de aftocht van de Belgen, maar genomen vanop een tiental meter voor het klooster. Hier de link:

https://m.facebook.com/story.php?story_fbid=pfbid0XF5h65PHFsDpdEUJ8Yz6aviTy3wWXwcFKEWKa6Cr37WumQ9A69aE8CuCceV3Cyntl&id=100011056846711

 

 Niet duidelijk meteen is of al die foto's afkomstig waren van dezelfde fotograaf in augustus 1914. l'Illustration gaf in dit geval niet N.J.Boon aan, uit Amsterdam. Maar er zijn dus wel een reeks foto's over de aftocht van de Belgische troepen vanuit Tienen naar de Tiensepoort toe in Leuven.


 Reacties kwamen er ook van Roosje Pertz, Stefan Gijssels, Johannes Sevenhans, Wim François, en oude getrouwen Walter Pauli en Koert Debeuf. Dank aan allen en ik probeer ze de volgende dagen de link naar dit bericht te bezorgen.  

 

 


De val van Berlusconi, 2011

12 juni 2023


De val van Berlusconi

 

 

 Silvio Berlusconi, die vanmorgen in Milaan op 86-jarige leeftijd overleed, was de Italiaanse premier met de langste staat van dienst na de Tweede Wereldoorlog.  Zijn laatste vertrek uit het Palazzo Chigi, de residentie van de eerste minister in Rome, op 12 november 2011, zal hoe dan ook een omstreden moment blijven in de geschiedenis van Italië. Waren het de Duitse bondskanselier, de Franse president en de eurocraten die hem liquideerden, of was zijn termijn ook binnenlands gewoon op? Berlusconi heeft daar zelf nooit uitspraken over gedaan. Memoires van hem zijn eerder onwaarschijnlijk.

 

 De Europese Unie, waar José-Manuel Barroso Commissievoorzitter was en Herman van Rompuy de allereerste raadsvoorzitter, was eind 2009 keihard met haar neus op de feiten gedrukt. Zowat alle Europese leiders hadden sinds de piek van de gigantische financiële crisis in september 2008 en de diepe recessie die in de eerste helft van 2009 volgde, vooral gedaan dat de crisis hoofdzakelijk een Amerikaanse was. Ze oreerden dat de amper acht jaar oude euro wonderwel sterk was gebleken.

 

 Toen, in november 2009, kondigde de nieuwe Griekse premier Papandreou aan dat het begrotingstekort van zijn land, dat al een hoge schuldenlast bezat, veel hoger was opgelopen dan de vorige regering had verkondigd (en de Europese Commissie had aanvaard). De financiële markten rekenden uit dat terugbetalen eerder onwaarschijnlijk werd. Zo begon de Eurocrisis, die ruim twee en half jaar zou aanslepen, met nog een felle uitloper in het voorjaar van 2015.

 

 In de zomer van 2011 was Griekenland echter niet langer alleen de focus van de Eurocrisis. Spanje en Italië waren op het voorplan van de aandacht geraakt, nadat de spread op hun overheidsobligaties de hoogte was ingeschoten. Dat renteverschil tussen Italië en Duitsland was begin 2007 dankzij de invoering van de euro tot zo goed als niets herleid. Het bereikte een eerste piek van 1,5 % begin 2009, zakte dan weer, om opnieuw dat niveau te bereiken in augustus 2010. Dat peil werd gehandhaafd tot april 2011, waarna de spread snel steeg tot een absolute piek van net geen 5 % in december. Dat bleef zo, met een kleine daling tussenin, tot de zomer van 2012.

 

  Spanje volgde een analoog tracé, piekte in de zomer van 2011 met 4,5 % (het werd toen voorbijgestoken door Italië) en een tweede piek van 6 % een jaar later. Beide landen hadden grote overheidsschulden, en de onrust op de financiële markten bereikte een hoogtepunt. De verdeeldheid en de chaotische besluitvorming onder de Europese leiders waren daarvan ook een belangrijke voedingsbodem.

 

 Openlijke discussies over een inlevering van 20 % door de banken op hun uitstaande schulden klonken politiek logisch, maar joegen de onzekerheid over de nog zeer wankele banken opnieuw de hoogte in. Ondertussen lekte uit dat men zich serieus voorbereidde op het afstoten van Griekenland uit de euro, een Grexit. ‘Griekenland laten afbranden om een betere firewall te creëren rond de anderen’, zo beschreef Wolfgang Schäuble, de Duitse minister van Financiën dat in die dagen binnenskamers. Tot overmaat van ramp besliste de ECB in de lente tot tweemaal toe om de rente te verhogen, een zoveelste bewijs dat ook centrale bankiers feilbare mensen zijn.

 

 Sinds 2010 drong de Duitse regering van kanselier Angela Merkel en Schäuble aan op keiharde rigoureuze begrotingssaneringen als voorwaarden opdat Berlijn mee zou bijdragen aan hulppakketten voor de noodlijdende landen. Vandaag weten we dat dit perfect de verkeerde remedie was voor een crisis die massale hoeveelheden geld in rook had zien opgaan en gigantische liquiditeitsproblemen had opgeleverd. De Grieken werd een bikkelharde sanering opgedrongen op het ogenblik dat hun economie sowieso al in elkaar klapte. Politiek klonk het allemaal plausibel, economisch was het onzin.

 

Volmachten

 

 Op 5 augustus 2011 richtte Jean-Claude Trichet, de voorzitter van de Europese Centrale Bank, een brief aan zowel de Spaanse premier José-Luis Zapatero, als aan diens Italiaanse collega Silvio Berlusconi. Voor laatstgenoemde was de brief mee ondertekend door Mario Draghi, de gouverneur van de Italiaanse Nationale Bank, die inmiddels was benoemd tot diegene die op 1 november Jean-Claude Trichet zou opvolgen als voorzitter van de ECB.

 

 Trichet en Draghi herinnerden er Berlusconi aan dat ook zijn land ‘zijn individuele soevereine handtekening’ had geplaatst onder de besluiten van de Europese Raad van 21 juli die onder meer ‘een engagement naar begrotings-duurzaamheid en structurele hervormingen’ inhield. Die handtekening moest nu ‘dringend onderbouwd worden’. 


 En meteen stelden beiden maatregelen voor: het bereiken van een begrotingsevenwicht in 2013 in de plaats van in 2014 zoals vooropgesteld door Rome (2013 zou een verkiezingsjaar zijn); besparingen in de pensioenen, onder meer inzake de gelijkschakeling van de carrière van vrouwen in de privésector; deregulering van een aantal beroepswetgevingen; decentralisatie van het sociaal overleg; soepeler ontslagregelingen.

 

 Die maatregelen moesten ‘zo snel als mogelijk genomen worden, liefst met volmacht-decreten tegen eind september 2011'. De Italiaanse grondwet laat toe dat de regering in uitzonderlijke omstandigheden decreten uitvaardigt die eigenlijk wetgeving zijn (en dus parlementaire goedkeuring vereisen), op voorwaarde dat die ten laatste zestig dagen na hun uitvaardiging door het parlement bevestigd worden. Een grondwetsherziening die de begrotingsregels verankerde ‘zou ook wenselijk zijn.’ De brief, die twee maanden later uitlekte in de Milanese Corriere della Sera, eindigde verder met een pleidooi om dringend de administratie efficiënter te maken, en om het aantal bestuurslagen te verminderen.

 

 Jeroen Dijsselbloem, een jaar later de Nederlandse minister van Financiën en nog een jaar later de voorzitter van de Eurogroep, zou daar later over schrijven: ‘Deze inmenging in het politieke domein door centrale bankiers leidde tot begrijpelijke kritiek’. Berlusconi zette zich nochtans met zijn kabinet aan het werk, zij het zonder de gevraagde uitzonderingsdecreten. Sommige hervormingen pikte hij op in een wetsvoorstel dat in het parlement werd ingediend, andere schoof hij op de lange baan.

 

  De premier, ruim drie jaar in zijn vierde ambtstermijn inmiddels, was echter internationaal alle vertrouwen kwijt, onder meer door een reeks financiële en seksschandalen in eigen land. Dat kwam visueel naar boven, toen Angela Merkel en Nicolas Sarkozy op een gezamenlijke persconferentie aan het einde van de Europese Raad van 25 oktober 2011 de vraag kregen of Berlusconi wel luisterde naar hun raadgevingen. Beiden zwegen drie, vier seconden lang, keken elkaar dan aan en moesten beiden glimlachen om geen schaterlach te onderdrukken, totdat Sarkozy zich herpakte met een formeel antwoord. De scène is nog altijd te bekijken op You tube: Merkel, Sarkozy discuss Berlusconi.

 

Cannes

 

 Op de top van de G20 in Cannes aan de Franse Azurenkust op 3 en 4 november 2011 was de druk op Berlusconi immens. Een nieuwe reddingsoperatie voor de Frans-Belgische Dexiabank begin oktober had de knipperlichten internationaal weer op rood gezet. Zelfs België – al 500 dagen zonder regering – en Frankrijk zagen hun spread nu langzaam maar zeker stijgen. Speculanten wisten dat bijstand verlenen aan Italië, met zijn 120 % overheidsschuld en een rentevoet van 6 %, een operatie zou worden van flink wat honderden miljarden euro.

 

 Iedereen wilde de Italiaanse premier ervan overtuigen een reddingsplan aan te vragen, zoals Griekenland, Ierland en Portugal eerder hadden gedaan, om de markten gerust te stellen. Maar de premier hield het been stijf, samen met zijn minister van Economie Guido Tremonti. Die wees heel de tijd IMF-hulp af met de lapidaire zin: ‘ik ken properder methodes om zelfmoord te plegen.’ 


 Vier dagen later, op dinsdag 8 november, leerde een onbelangrijke stemming over de rekeningen van 2010 dat Berlusconi in de Italiaanse Kamer van Volksvertegenwoordigers geen meerderheid meer had: 308 voor, 321 onthoudingen, waaronder die van zijn coalitiepartner Lega Nord, die zich verzette tegen besparingen op pensioenen.

 

 Berlusconi kondigde aan dat hij zou opstappen als eerst de wet zou worden goedgekeurd met de hervormingen zoals zijn kabinet ze had uitgewerkt. Zo gebeurde ook, op zaterdag 12 november. Nadien, diezelfde avond (foto hiernaast), trok hij naar het Quirinaal, de zetel van staatspresident Giorgio Napolitano. Hij werd er door een massa betogers op boegeroep onthaald, en op het Allelujah van Händel.

 

 Hij had er ook een gesprek van twee uur met Mario Monti. Dat was een economist, gewezen Europese commissaris, nu rector van de Milanese Bocconi-universiteit en, net als Mario Draghi, een ancien van de Amerikaanse investeringsbank Goldman Sachs. Berlusconi zegde hem zijn steun toe, en vier dagen later was Monti de nieuwe premier. Om dat mogelijk te maken had Napolitano al op 9 november de niet-politicus Monti tot senator voor het leven benoemd.

 

 Berlusconi’s omgeving spreekt vandaag nog van een putsch waarmee de Europese technocratie en Duitsland een einde maakten aan het mandaat van een verkozen premier in Rome, wiens vraag om nieuwe verkiezingen trouwens ook werd afgewezen. Een verhaal dat daartoe bijdroeg was de publicatie op 20 december 2011 in de Wall Street Journaal dat Merkel al op 20 oktober met Napolitano belde om op Berlusconi’s verwijdering aan te dringen. Beiden, de Duitse bondkanselier en de Italiaanse president, hebben dat meteen ontkend. Napolitano, zelf een oud-eurocommunist (met nochtans goede contacten met Henry Kissinger), stond bekend om zijn aversie tegen Il cavaliere.

 

Bloed aan de hand

 

 Berlusconi aanvaardde overigens zelf  Monti als zijn opvolger, wat de stelling van een putsch wel ondergraaft. Toch is er wat rook. Intrigerend is de opmerking van de Spaanse premier José Luis Zapatero in zijn memoires. Zapatero, die uiteraard Berlusconi in Cannes steunde in diens verzet tegen de aanvraag van een reddingsplan, signaleert dat ‘men daar in de wandelgangen al begon te praten over Mario Monti.’

 

 Nog meer geldt dat voor de passage in de memoires van Tim Geithner, de Amerikaanse minister van Financiën toen, en een cruciale figuur gedurende de hele financiële crisis: ‘De Europeanen hebben ons inderdaad benaderd voor de ontmoeting in Cannes. Ze zeiden: ‘in essentie willen we dat jullie ons helpen Berlusconi buiten te werken.’ Zij wilden dat wij zouden zeggen dat we geen IMF-steun zouden goedkeuren en ook niet zouden helpen bij een verdere escalatie van de Italiaanse situatie, zolang Berlusconi premier was.’ It was cool, zo beschreef Geitner zijn eerste reactie. Hij dacht dat, gezien het Duitse aandringen op zuinigheid, dit een optie was die kon slagen.

 

 Maar uiteraard moest hij president Barack Obama eerst op de hoogte brengen van ‘deze verrassende invitatie’. Hij schrijft dat hij zelf de president adviseerde (of kwam de politicus eigenlijk zelf tot die conclusie) dat ‘we geen bloed aan de hand kunnen hebben’, hoezeer ‘het ook nuttig zou geweest zijn om betere leiders te hebben in Europa.’ Jeroen Dijsselbloem bevestigt in zijn memoires dat Berlusconi in Cannes onder druk werd gezet, maar meldt ook dat ‘Obama uiteindelijk Italië steunde’. De Nederlander verdedigt de machtswissel in Rome wel, omdat ‘de Italiaanse bevolking nog onvoldoende doordrongen was van de ernst van de situatie’.


 Mario Monti, de nieuwe premier, 68 op dat moment, slaagde er nauwelijks beter in dan Berlusconi Italië hervormingen op te leggen. De spread, die even daalde na zijn benoeming, bereikte een nieuwe piek in juni 2012. Kort nadien ebde de druk van de financiële markten weg onder impuls van andere elementen. Daarbij was vooral de beroemde uitspraak van de nieuwe ECB-voorzitter Mario Draghi in september 2012 dat ze zouden doen whatever it takes om de euro te redden. Die uitspraak kwam op het gepaste moment na een reeks beslissingen van de EU die een stuk geloofwaardigheid herstelden


 In de parlementsverkiezingen van eind februari 2013 incasseerde Berlusconi’s centrum-rechtse beweging een verlies van twee vijfde van haar stemmen, terwijl Monti’s nieuwe partij amper 10 % binnenrijfde. Monti had die naar eigen zeggen opgericht op suggestie van Angela Merkel, om zijn eigen legitimiteit te verwerven (en Europees ongetwijfeld Merkels  EVP te versterken), eerder dan zich bij de centrum-linkse coalitie aan te sluiten.


  Die laatste werd nipt de grootste, doordat haar verlies beperkt bleef. De grote winnaar was echter de totaal nieuwe Cinque Stelle, een combinatie van libertijnen en ecologisten, geleid door de 65-jarige Genuese cabaretier Beppe Grillo. Die had meteen 25 % van de kiezers achter zich.


In en rond Leuven, eind augustus 1914

 11 juni 2023

  Soms, bij het opruimen van de zolder, vindt een mens ook foto’s terug, waar je opnieuw stil van wordt. In dit geval vond ik beelden van de vernietiging van mijn geboortestad, Leuven, door de Duitsers op 25 augustus 1914, in een onwezenlijk brutale slachtpartij zonder enige militaire reden. Ik heb ze vaak gezien toen ik dagelijks met de fiets naar school reed: huizen met een steen met het jaartal 1914 in de nok, in de straat tussen Grote en Oude Markt.

 

 Vele decennia geleden, in de jaren tachtig nog denk ik, organiseerde de Universiteitsbibliotheek van Leuven regelmatig verkoopdagen van haar ‘dubbels’. Dat waren werken die ze verwierf bij schenkingen, maar die ze eigenlijk al bezat. Het leverde wat extra geld op, niet veel, want de prijzen waren heel laag.

 

 Zo ben ik op een dag naar huis gegaan met een ingebonden halve jaargang van l’Illustration, een Frans weekblad met vooral veel foto’s en uitermate verzorgde teksten, in broadsheet dan nog. Het waren de nummers van de tweede helft van 1914. Ik had rond die tijd The Guns of August gelezen, het meesterwerk van Barbara Tuchman, en was gefascineerd geraakt door het verhaal van die eerste weken van de oorlog.

 

 Niet het minst natuurlijk omdat Tuchman een apart hoofdstuk schreef onder de titel The Flames of Louvain. Het gaat om de beruchte verwoesting van Leuven vanaf 25 augustus 1914 door de Duitsers, met minstens 270 doden, buiten de eigenlijke vijandelijkheden om. Burgemeester Tobback omschreef dat in 2014 nog treffend met het beeld dat ‘vanaf dan de weg naar Auschwitz openlag’.

 

 Het was één van de vele slachtpartijen die de Duitsers in de eerste zes weken van de oorlog, en vanaf de eerste dag op 4 augustus, doorvoerden in het België dat ze snel wilden doorrazen op weg naar Parijs. Daarbij brachten ze ruim zesduizend burgers om, vrouwen, kinderen en baby’s inbegrepen, telkens doorgaans toch een stuk verwijderd van alle vijandelijkheden. De nieuwe wapens, vooral machinegeweren, maakten dat slachten zoveel gemakkelijker dan vroeger.

 

 Blijkens de laatste publicaties in Duitsland is de achtergrond van dit gebeuren – vooral dan de meteen door de Duitsers aangehaalde reden van burgers die op hun soldaten schoten – nog altijd een punt van betwisting onder historici, ook na de nochtans zeer diepgaande studie van twee historici-professoren van het Trinity-college in Dublin, John Horne & Alan Kramer, German Atrocities 1914, uit 2001.


Kleinzoon

 

 Ik ben onlangs, bij het opruimen van mijn te volle zolder, dat exemplaar van l’Illustration terug tegengekomen en heb het opnieuw gretig doorbladerd. Ik kan het niet over mijn hart krijgen het weg te gooien. Er staat onder meer een tekst in van een zekere Gaston Chérau, redacteur of correspondent van het Franse weekblad, die blijkbaar vrij snel na het drama in Leuven was. Onder de titel La dernière nuit de Louvain heeft hij in het blad van 12 september een uitgebreid en pakkend verslag gebracht. Onder andere dit fragment:

 

 ‘Ik heb een burger van Brussel ontmoet, die toestemming had gekregen om zich naar wat overbleef van Leuven te begeven, om er te zoeken naar het lichaam van zijn schoonvader. Hij heeft het gevonden, uitgestrekt op de drempel van zijn woning. Bij hem lag het lichaam van een kind, zijn kleinzoon. Het drama was gemakkelijk te reconstrueren. De grootvader en de kleinzoon, verrast door de brand, hadden gepoogd hun huis te verlaten. Soldaten die door de straten wandelden hadden hen bij hun eerste stappen meteen doorzeefd, want het was aan burgers bevolen binnen te blijven en niet op straat te komen. Terwijl de brand hun huis teisterde, gooide men nog benzineblikken in de woningen. Ze hadden dus de keuze gehad tussen zich laten verbranden of zich laten doodschieten. Deze twee hadden het laatste gekozen. Een oude man van 75 en een kind van veertien.’

 

 Hieronder geven we een viertal foto’s weer uit de nummers van 5 en 12 september 1914, die precies over Leuven gaan. Ik weet niet of die zo nieuw zijn, vermoedelijk niet. Bij een aantal staat als referentie ‘N.J.Boom Amsterdam’, wat de uitgever Nicolaas Jan Boon moet geweest zijn, die boeken uitgaf, maar ook prentbriefkaarten van Amsterdam. Op één of andere manier moet hij of één van zijn fotografen in Leuven zijn terechtgekomen.

 

 Bij dit artikel voeg ik een vijfde foto, omdat ze geweldig knap is, maar ook omdat ze me voor een raadsel plaatst. Het weekblad geeft als onderschrift : ‘De evacuatie van Leuven door de Belgische troepen. Op de achtergrond de rook van de brandstichtingen van de naburige dorpen door de Duitse verkenners.’

 

Raadsel


 Het raadsel gaat over waar de foto is genomen. Als de Belgische troepen Leuven evacueerden, kan dat alleen richting Brussel of Antwerpen geweest zijn. Dus lijkt het erop dat dit de Mechelse Steenweg is in Herent, die dwars door het dorp ging. Maar op foto’s van die tijd is het voetpad van die steenweg duidelijk minder breed en mij lijkt ook dat in Herent niet zoveel hoge huizen stonden. 


 Dus is het even plausibel dat deze foto genomen is op de Tiense Steenweg, nog voor de Duitsers Leuven binnenrukten dus. Vergeten we ook niet dat dit laatste al op 19 augustus gebeurde, dus zes dagen voor de slachtpartijen in Leuven. Die dag, de 19de, vernielden de Duitsers Aarschot. 

 

 De sleutel ligt mogelijk in de herkenbare reclames op de rechterkant van de foto. Op het tweede huis ziet men nog de aankondiging van Garage Velos J.Din…. waarbij de laatste letters van de eigenaar verborgen blijven. Wat verder staat een huizenhoge reclame voor Dunlop banden. Diep in mijn geheugen zegt een lichtje dat ik die reclame ooit al ergens gezien heb, maar ik weet niet meer waar. Alle tips zijn zeker welkom, mail ze gerust naar rolf.falter@gmail.com, of reageer via Linkedin. En vermeld erbij of ik die repliek mag vermelden in een blog-artikeltje waarin ik dan uitsluitsel kan geven.

 


Bij deze foto vermeldt het onderschrift dat het om Belgische vluchtelingen gaat, op de steenweg van Leuven naar Brussel. Het is niet echt te zien waar. Paard en kar waren alleszins nog de meest normale vervoersmiddelen. Mensen die ze bezaten behoorden zeker niet tot de armsten. 

Nog een foto met vluchtelingen uit Leuven, op een niet nader genoemde weg. De familie is duidelijk al meer welgesteld dan op de vorige foto, ook al wordt de kar voortgetrokken door een hond. De kleren liegen echter niet. Toevallig vermeldde l’Illustration een paar weken voor de oorlog nog een merkwaardig statistiekje uit België (ons land was pionier inzake overheidsstatistieken), waaruit men leerde dat er in ons land 120.000 honden ingeschreven waren als karentrekkers. 

Het onderschrift hier luidde: ‘Het Stationsplein in Leuven waarop, temidden van de ruines, enkel het beeld van Sylvain van de Weyer is blijven rechtstaan, één van de revolutieleiders van 1830.’ Van de Weyer, het brein achter de politieke kanalisering van de revolutie in 1830, was inderdaad van Leuven afkomstig, de zoon van de commissaris daar in de Hollandse tijd. Zijn standbeeld, daar gezet in 1879, verhuisde in 1920 naar het Ladeuzeplein om plaats te maken voor het monument van de martelaren van augustus 1914, dat nog steeds voor het station staat. Van de Weyer werd in 1990 naar het einde van Capucijnenvoer verbannen. Toen de stad daar in 2018 de straat openbrak, bracht men hem naar een depot, waar men vijf jaar later nog steeds nadenkt over wat met hem te doen.


 Het onderschrift bij deze foto luidt: ‘WAT LEUVEN OOIT WAS. Met het beetje dat bij hen nog overbleef aan schaamte hebben de Duitsers het stadhuis, dat juweel van de vijftiende eeuw, ongemoeid gelaten. Maar van de Sint-Pieterskerk (achteraan), zowel als van de universiteit blijven enkel nog muren over.’ De foto is genomen vanop de Oude Markt waar men toen nog een waterpomp had staan. Vooral het in brand steken van de universiteitsbibliotheek (in wat tegenwoordig de Universiteitshallen zijn) met haar duizenden middeleeuwse boeken schokte de wereld.


De muze van Maerlant

 

 4 juni 2023



 Speurend naar wat nog bestaande middeleeuwse locaties in en om het voormalige graafschap Vlaanderen, kwam ik onlangs uit op het Musée des Beaux Arts in Valenciennes. Dat exposeert sinds enkele jaren ook een beeld van een graftombe, dat haast zeker Aleid voorstelt. Dat was de dochter van de graaf van Holland die aan de basis lag van de latere vereniging met Henegouwen. Alix de Hollande heet ze in Valenciennes. Een hoe dan ook merkwaardig verhaal uit de 13de eeuw.

 


 Het beeld (zie foto hiernaast) is zo lang als een mens toen hoog was. Het is overduidelijk een vrouwenfiguur die neerligt met haar armen op de borst gevouwen. Haar stenen gelaat is beschadigd, enkel de mond en een stuk van de ogen zijn nog bewaard. Maar ze draagt een kap en sluier zoals gebruikelijk was bij middeleeuwse edelvrouwen. Ze ligt op een kussen. Boven haar hoofd is een baldakijn in gotische stijl. Het meest merkwaardige detail is de hond die aan haar voeten ligt.

 

 Het beeld is opnieuw samengesteld geworden uit brokstukken die archeologen in 1989 vonden bij opzoekingen naar de voormalige Sint-Pauluskerk in Valenciennes. Die kerk was door de Franse revolutionairen verwoest aan het einde van de 18de eeuw, samen met het klooster van de Dominicanen waartoe ze behoorde. Het geheel was in de vroege dertiende eeuw gesticht op een stuk grond net buiten de toenmalige stadsmuren, dat Johanna, gravin van Vlaanderen en Henegouwen, aan de paters had geschonken.

 

 De archeologen vonden in de ruïnes van het voormalige koor van de kerk sporen terug van de tombe van Jan I (Jean I eigenlijk), de graaf van Henegouwen die in 1299 ook graaf Jan II van Holland en Zeeland werd.  Ze vonden tevens de grafzerken met standbeelden van diens vader, Jan (Jean) van Avesnes, en van diens moeder, Aleid van Holland (Alix dus in het Frans). Alleen bij dat van Aleid is een stuk van het gelaat bewaard gebleven.

 

 Haar grafbeeld is een voor het einde van de 13de eeuw heel fraaie sculptuur, ook al is ze van mindere kwaliteit dan bijvoorbeeld het rond die tijd ook vervaardigde beeld van Isabella van Aragon, de vrouw van de Franse koning Filips III, op hun graftombe in de abdij van Saint-Denis nabij Parijs. Volgens de archeologen is het beeldhouwwerk haast zeker vervaardigd geworden in ateliers in Doornik, ook aan de oevers van de Schelde, maar veertig kilometer stroomafwaarts van Valenciennes. In Valenciennes lag eind 13de eeuw een kasteel van de graven van Henegouwen, dat de burgers van die stad overigens in 1290 tijdens één van hun vele opstanden in brand staken.

 

Avesnes

 

 Aleid van Holland is om meer dan één reden een merkwaardige figuur. Ze was rond 1230 geboren als oudste dochter van graaf Floris IV van Holland. Die sneuvelde al in 1234, op een tornooi dan nog. Zo kwam Aleids oudere broer Willem op de Hollandse troon, de eerste jaren nog onder voogdij. De graaf van Holland was voor Zeeland ook vazal van de graaf van Vlaanderen, maar streefde voor dat gebied zoveel als mogelijk autonomie na. Dat moet Willem op het idee gebracht hebben zijn zus in 1246 uit te huwen aan Jan van Avesnes.

 

 Het verhaal van die laatste staat uitgelegd in mijn boek 1302, het jaar van de mythe. Graaf Boudewijn van Henegouwen en Vlaanderen, die in 1205 sneuvelde als keizer van het Oost-Romeinse Rijk tijdens een uit de hand gelopen kruistocht, liet geen zoon, enkel twee dochters na: Johanna de oudste, en Margaretha. Beiden waren bij zijn dood nog kleine kinderen. De Franse koning Filips-Augustus, de suzerein van de graaf van Vlaanderen, liet de twee aan zijn hof in Parijs verder opvoeden, en vertrouwde Vlaanderen en Henegouwen toe aan een door hem samengestelde voogdijraad.

 

 Eén van de leden van die raad was de ambitieuze Henegouwse edelman Bouchard, heer van de heerlijkheid Avesnes, zo’n veertig kilometer ten zuiden van Mons. Bouchard was een gewezen geestelijke. In 1213 drong hij zichzelf, inmiddels 42, op als huwelijkspartner aan de elfjarige Margaretha. Nog voor ze zeventien was zou ze drie kinderen van hem op de wereld brengen, waarvan de eerste overleed. De tweede was Jan van Avesnes, geboren in 1218. Overduidelijk wilde Bouchard zich een dynastieke claim creëren op minstens het Henegouwse deel van de erfenis van graaf Boudewijn, die nu in handen was van twee jonge meisjes.

 

 Margaretha’s zus Johanna was inmiddels echter meerderjarig verklaard en ook effectief gravin geworden nadat haar man, Ferrand van Portugal, in 1214 door Filips-Augustus in de beroemde veldslag in Bouvines was verslagen, gevangengezet en voor twaalf jaar opgesloten in Parijs. Ze wees de claims van Bouchard op Henegouwen af, wist een militair offensief van die laatste af te slaan, en kon uiteindelijk zijn huwelijk door de paus ongeldig laten verklaren, vanwege Bouchards gelofte tot celibaat als geestelijke destijds.

 

 Finaal huwde Johanna Margaretha in 1223 opnieuw uit aan een andere edelman, Willem (Guillaume) van Dampierre, van de gelijknamige heerlijkheid in de buurt van Troyes en op dat moment legerchef van het graafschap Champagne. Margaretha kreeg nog eens vijf kinderen van hem. Bouchard werd opgejaagd wild en zou uiteindelijk gewelddadig om het leven zijn gekomen, vermoedelijk op instigatie van gravin Johanna.

 

 Die laatste stierf eind 1244, nadat haar enig kind, Maria, ook al  overleden was. En dus werd haar zus Margaretha, inmiddels zelf 42 jaar, de nieuwe gravin. Die duidde vrij snel haar oudste zoon van haar tweede huwelijk aan als opvolger. Dat leverde contestatie op van Jan van Avesnes, 27, en door zijn moeder aan zijn lot overgelaten. Een verbeten Avesnes ging hemel en aarde bewegen om erkenning te krijgen, waarbij hij uiteraard ook inspeelde op de gretigheid van sommige heren in Vlaanderen om het nieuwe vrouwelijke grafelijke gezag eens goed te testen.

 

 Wat volgde was een web van politieke intriges, waarvan niet alle elementen tot ons zijn gekomen, maar die ook draaiden rond een eventuele nieuwe kruistocht. Finaal vertrouwde de paus, aan wie een nieuw oordeel over de kwestie werd gevraagd,  de beslissing toe aan de Franse koning, Lodewijk IX. Die greep in juli 1246 de opportuniteit aan om het machtige blok van Vlaanderen en Henegouwen aan zijn noordergrens te ontmantelen. Hij wees Vlaanderen dus toe aan Margaretha en Henegouwen aan haar zoon Jan van Avesnes.

 

 Enkele maanden later huwde Willem II, de graaf van Holland, zijn zus Aleid uit aan die Jan van Henegouwen. Dat was haast zeker omdat die nu ook gewettigde aanspraken had om de Vlaamse rivaal het leven zuur te maken. Het gevolg was tien jaar van gewapende strijd tussen Jan van Avesnes,  Margaretha en haar Dampierre-erfgenamen, en Willem II. Die laatste werd tussen 1248 en 1256 ook Duitse koning in een andere machtsstrijd, die tussen de paus en de keizer van het Heilig Roomse Rijk.

 

 In 1256 accepteerden alle partijen uiteindelijk een compromis waarbij de door koning Lodewijk voorgestelde scheiding van Vlaanderen en Henegouwen zou plaatsgrijpen na de dood van gravin Margaretha. Dat gebeurde ook zo toen ze in 1280 stierf. De Dampierres kregen Vlaanderen, de Avesnes Henegouwen. Dat was in het laatste geval de zoon van Aleid en de al in 1257 overleden Jan. Die heette ook Jan (Jean) en werd dus graaf Jan I van Henegouwen. Volgens nogal wat historici heeft Aleid haar zoon altijd volop gesteund in zijn dynastieke aanspraken tegen Vlaanderen.

 

Floris

 

 Aleid zelf was van 1258 tot 1263 voogd van de minderjarige zoon van de in 1256 gesneuvelde graaf van Holland en Duitse koning Willem II. Die zoon nam vanaf 1266 zelf het roer in handen, als Floris V. Hij werd in juni 1296, in een nieuwe intrige met Vlaanderen, vermoord door een groep opstandige Hollandse en Zeeuwse edelen. Zijn minderjarige zoon Jan overleefde hem amper drie jaar. Zo werd Jan I, sinds 1280 graaf van Henegouwen, de erfgenaam, als Jan II van Holland en Zeeland. De Avesnes controleerden voortaan een even groot gebied als de Dampierres, ook al was het minder rijk dan Vlaanderen. Pas honderd dertig jaar later zouden de hertogen van Bourgondië Vlaanderen en Henegouwen weer verenigen.

 

 Aleid speelde nauwelijks nog een rol nadat Floris V de macht in handen genomen had. Ze woonde op een kasteel in Schiedam op een stuk grond dat ze zelf nog had laten inpolderen (waardoor Schiedam ontstond, let op de ‘dam’). Ze overleed in 1284.

 

 Nog toen ze voogd was van de minderjarige graaf Floris moet ze daar kennis gemaakt hebben met een koster in het nabije Maerlant (vermoedelijk nabij het hedendaagse Brielle, zijnde het voormalige Den Briel), die in Brugge was opgeleid in het schrijven van oorkonden. Ze zou hem omstreeks 1260 opgedragen hebben Nederlandse versies te maken van de Franse en Latijnse verhalen over de exploten van Alexander de Grote, over Troje en over koning Arthur. Die waren waarschijnlijk bedoeld voor de opvoeding van Aleids neef, de toekomstige graaf Floris.

 

 Het was, voor zover we weten, het begin van de literaire loopbaan van klerk en koster Jacob van Maerlant. Over hem schreef Frits van Oostrom al in 1996 zijn schitterende Maerlants wereld. Bram Caers en Jan Pauwels, beiden verbonden aan de Koninklijke Bibliotheek in Brussel, hebben deze lente ook Maerlants Rijmbijbel opnieuw uitgegeven, met de prachtige illustraties van de versie van het handschrift dat in de KB wordt bewaard, en heel veel uitleg over één van de allereerste Nederlandse literatoren. Ik moet het nog lezen, maar het ziet er veelbelovend uit. Hier de link: https://www.walburgpers.nl/nl/book/9789462988545/de-rijmbijbel-van-jacob-van-maerlant

 

 Aleid van Holland dompelt ons dus meteen onder in de politieke intriges en de kunst van de dertiende eeuw in onze contreien, toch één van de meest boeiende periodes om te bestuderen. Nu ze ook de eeuwen overleefd blijkt te hebben in beeldvorm, verdient ze misschien, net zoals een reeks andere merkwaardige vrouwelijke figuren uit die periode – de gravinnen Johanna en Margaretha van Vlaanderen om die maar te noemen – een nadere studie.


De steriele opstandigheid van Gent

 29 mei 2023

 

 In mei 1302 kwam niet alleen Brugge in opstand tegen het Franse gezag. In Gent brak een nog veel heviger opstand uit, die in eerste instantie tegen de stadsbestuurders gericht was maar onvermijdelijk ook de aandacht trok in Parijs. Het was de eerste van een lange reeks opstanden in de tweede grootste stad van West-Europa, tot en met de laatste in 1584. Waarbij de onvermijdelijke vraag rijst: hebben al die opstanden van Gent nu eigenlijk iets opgeleverd, of zorgden ze enkel voor wat rumoer in de marge?

 

 In de Vlaamse opstand van 1301-02 nam Brugge het voortouw, toen als stad iets kleiner dan Gent (foto: het beroemde ‘Panoramisch uitzicht op de stad’ van 1534 in het Stadsmuseum van Gent) , en met Pieter de Coninc als volksmenner. Ruzie over een stedelijke belasting legde het smeulende vuur bij de lont. (zie mijn boek ‘1302, het jaar van de mythe’). Die eerste opstand, in juli 1301 eindigde dat met de verbanning van de Coninc. Die keerde in februari 1302 terug, ditmaal met de nog verdoken steun van de Dampierres (de gravenfamilie) in Namen, en blijkbaar ook sympathie vanuit het stadsbestuur, dat zijn affectie voor de Franse koning van vijf jaar eerder inmiddels volledig had verloren.

 

 De Coninc bracht de ambachten in het stadsbestuur, die er voortaan een dominante positie innamen. Op 12 maart 1302 brak in Gent een gelijkaardige opstand uit, ook rond een omstreden belasting. De stadsbestuurders dreigden met verbanning en onthoofding voor wie niet zou gehoorzamen, en stuurden achthonderd gewapende mannen de straten in om de reactie onder controle te houden.De ambachten deden op maandagmorgen 13 maart alsof ze zouden gehoorzamen, maar mobiliseerden tegen de middag hun aanhang, dreven de stadsbestuurders en hun milities naar het Gravensteen, dat ze in brand staken. Bij de onlusten vielen minstens elf doden, onder wie twee schepenen van de stad, en een honderdtal zwaargewonden.

 

 Van wat nadien gebeurde hebben we jammer genoeg nauwelijks gegevens. Het lijkt er wel op dat het oude stadsbestuur niet vervangen werd, op de dode schepenen na. We weten dat leden van het stadsbestuur in het begin van de opstand al contact zochten met de landvoogd, Jacques de Châtillon, maar daar wandelen werden gestuurd. Ook weten we dat er begin mei contacten waren tussen afgevaardigden van Gent en de Coninc om samen een bondgenootschap te vormen. Toen de Châtillon

begin mei met een leger terugkeerde, had hij ook Pierre Flote bij, de voornaamste raadgever van de koning. Vermoedelijk verzon die het plan om de Gentenaars veel toegevingen te doen, om zo de Bruggelingen te isoleren.

 

 Zo gebeurde ook. Het Gentse stadbestuur hapte op 11 mei toe en de Coninc werd daags nadien door de Gentenaars wandelen gestuurd.  Dat leidde in Brugge uiteindelijk tot een derde opstand, die van de Brugse Metten op 18 mei. Gent bleef echter afzijdig, betaalde dat zelfs met een hongerblokkade eind juni toen de opstand van Brugge zich over heel Vlaanderen verspreidde. Op 11 juli in Kortrijk deed maar één clan van enkele honderden Gentenaars mee, onder leiding van Jan Borluut. Na de onverwachte overwinning van de Bruggelingen daar ging Gent op 14 juli wel overstag.

 

 Het sloot zich bij de opstand aan, en deed voortaan altijd mee, tot aan de vrede van Athis in 1305. We hebben echter te weinig gegevens over hoe men in Gent omging met de revolte, en vooral met de leidende rol van Brugge daarin. Brugge zou die rol behouden in alle woelingen tot in 1328. In dat laatste jaar hakte het leger van de Franse koning, daartoe uitgenodigd door graaf Lodewijk, een leger van opstandige Vlaamse stedelingen en boeren – veel minder goed georganiseerd dan in 1302 – op de heuvel van Kassel in mootjes.

 

Artevelde

 

 Tien jaar later, eind 1338, nam Gent zelf de leiding van een nieuwe opstand. Dat gebeurde onder druk van zijn wevers, die zonder werk zaten omdat de Engelse koning in zijn net begonnen oorlog met de Franse, de woltoevoer had afgesneden, precies om de Vlaamse steden tot opstand aan te zetten. Onder leiding van de rijke koopman Jacob van Artevelde gingen de Gentenaars helemaal in de contramine. Ze legden in januari 1340 de eed van trouw af aan  Edward III als 'koning van Frankrijk', tijdens een ceremonie in aanwezigheid van de Engelse vorst op de Vrijdagmarkt.

 

 Artevelde kreeg de Bruggelingen en de rest van Vlaanderen mee, kon zo een vijftal jaren als meester van het graafschap gelden. Het is in die periode ook dat Gent, Brugge en Ieper hun greep gingen vestigen op hun ommeland, niet het minst omdat de textielproductie naar kleinere steden en dorpen verhuisde vanwege minder reglementen en lagere lonen. Vanaf 1342 begon de macht van de Gentse dictator echter af te brokkelen, te beginnen met de kleinere steden.

 

 Uiteindelijk werd hij in juli 1345 vermoord tijdens een revolte van radicale wevers. Die zouden nog drie jaar het Gentse bewind over Vlaanderen verlengen, totdat Brugge in april 1348 overstag ging en naar de nieuwe graaf, Lodewijk van Male, overliep. Die slaagde er in januari 1349 in om, samen met de talrijke interne tegenstanders binnen Gent, het weversbewind in een bloedbad te smoren.

 

Westrozebeke

 

 Gent, Brugge en Ieper revolteerden opnieuw voor een paar jaar tussen 1359 en 1361, in navolging van de Parijzenaars die vanaf 1357 in opstand waren, na de Franse nederlaag in Poitiers en het afvoeren van koning Jean II naar Londen. In Gent kwam het vooral tot een afrekening tussen de wevers en de volders. Die laatsten hadden de plaats van de wevers in het stadsbestuur ingenomen na 1349, en werden er nu door de wevers weer uit verjaagd, na een nieuw stevig bloedbad. Graaf Lodewijk accepteerde die uitkomst van de Gentse opstand.

 

 In 1379 barstte de onrust weer los. Fundamenteel was het regime gewoon onstabiel. Het koninkrijk Frankrijk putte zichzelf uit in de strijd met Engeland. De graaf had altijd moeite om aanvaard te worden in Vlaanderen. En de economische neergang dreef binnen de steden de latente strijd op tussen wevers, volders, andere ambachten en de kooplieden-poorters. Gent was ditmaal de eerste Franse stad die in opstand kwam, en Rouen, Amiens, Lyon en Orléans volgden. Parijs maar heel even. Daarbij was volgens de Franse historicus Jean Favier ook de strijdkreet ‘vive Gand, notre mêre’ te horen.

 

 Opnieuw verwierf Gent de controle over heel Vlaanderen. Graaf Lodewijk en zijn schoonzoon Filips van Bourgondië wisten na verloop van tijd en via een moeizame strijd de stad echter te isoleren. Het bewind binnen Gent zelf radicaliseerde en koos voor de zoon van Artevelde, Filips. De andere Filips, hertog van Bourgondië en oom van de nieuwe minderjarige koning Karel VI, wist de kroonraad in Parijs te overtuigen van de noodzaak om opstand van de steden aan de kop aan te pakken: in Gent dus.

 

  Zo kwam het op 27 november 1382 tot een nieuwe veldslag, ditmaal tussen de Gentse stadsmilities onder Filips van Artevelde, en het leger van de Franse koning, nabij Westrozebeke. De Fransen decimeerden het volksleger. De oorlog sleepte nochtans nog ruim drie jaar aan, met een paar mislukte belegeringen van Gent, totdat de nieuwe graaf –Filips van Bourgondië zelf - een compromis sloot met de stad.

 

Kanonnen

 

 Gent kwam ook in de vijftiende en zestiende eeuw herhaaldelijk in opstand. Cruciaal was die tussen 1449 en 1453.  Filips de Goede, de kleinzoon van de eerste hertog van Bourgondië, stuurde op een conflict met Gent aan door de invoering van een indirecte belasting op zout, die hem zou verlossen van de verplichting om altijd in de steden te gaan smeken om geld. De stad verzette zich, bewapende zich, begon een oorlog met de hertog, waarin het – inmiddels ook met eigen artillerie – diens leger een paar jaar aan de praat hield.

 

 Maar in 1453 zette Filips alle militaire middelen in waarover hij beschikte, dreef de Gentenaars steeds meer in het nauw, lokte hen naar een veldslag nabij het kasteel van Gavere en decimeerde de krijgsmacht van de opstandelingen, onder meer met een nog forsere artillerie dan die van de stad. De slag geldt in de militaire geschiedenis als één van de eerste waarin kanonnen een beslissende rol speelden.

 

 Gent werd zwaar gestraft. Het kwam nadien nog in opstand tegen Filips’ zoon Karel (1467), tegen diens dochter Maria (1477), tegen haar man Maximiliaan van Oostenrijk (herhaaldelijk vanaf 1483), tegen hun kleinzoon keizer Karel V (1537) en finaal ook tegen diens zoon Filips II, tussen 1576 en 1584. Karel V vooral herhaalde de vernedering door Filips de Goede. De opstand tegen Filips II kwam voort uit de algemene chaos die Alva had achtergelaten, maar eindigde finaal toch op een compromis met Alexander Farnese, nadat duidelijk werd dat die de militaire overmacht van de koning weer hersteld had.

 

Onmacht

 

 Omdat Gent tot aan zijn laatste opstand een echte Europese grootstad bleef, blijft het de moeite te bestuderen wat daar in de middeleeuwen en tot aan het einde van de zestiende eeuw is gebeurd, zowel inzake economische ontwikkeling, als inzake de interne politieke structuren, als inzake zijn rol op het grotere toneel van elkaar bestrijdende koningen en vorsten. Daar is gelukkig de jongste decennia veel nieuw onderzoek over verricht, onder meer over de sociale structuren en de opstanden van de stad in de 15de eeuw.

 

 Toch blijft het wachten op een doorgedreven analyse van de rol van Gent op het grote toneel van de West-Europese geschiedenis van de dertiende tot de vijftiende eeuw, en vooral: waarom het telkens misliep. Natuurlijk was Gent geen homogeen blok, maar een stad met telkens weer diepe verdeeldheden die haar parten speelden. Dat is echter niet abnormaal, en vind je ook in de Italiaanse grootsteden van die tijd.

 

Tegelijk valt het op dat Gent in de meeste van zijn revoltes, zoals Brugge in 1302, erin slaagde de heerser langdurig militair uit te dagen, inbegrepen nog met een uitgebreide eigen artillerie anno 1453. Daarin speelde niet alleen mee dat de stad zo goed als niet in te nemen werd beschouwd (via een klassieke belegering), maar ook dat ze in het offensief kon gaan en geheel het graafschap onder controle kon krijgen, opnieuw zoals Brugge in 1302.

 

 Toch trok Gent finaal altijd aan het kortste eind, en wist het geen blijvende macht te vestigen. Vergelijk dat met pakweg Milaan of Firenze in Italië, met min of meer ook sterke economieën, hetzelfde soort interne verdeeldheden, en een goede militaire organisatie. Die bouwden wel een eigen territorium uit, en behielden dat ook. Finaal kwamen ze wel in handen van machthebber die zichzelf met militaire overmacht als dynastieën probeerden te vestigen (de Sforza’s, de Medici), maar die nooit helemaal de interne verdeeldheden overwonnen. Tot alle vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw onder Spaanse voogdij terechtkwamen.

 

 De vraag is dus: waarom werd het middeleeuwse Gent nooit een zelfstandig territorium? Het had economische macht, het had een ruime bevolking om soldaten uit te rekruteren, het ontwikkelde duidelijk ook een eigen militaire traditie. Minstens tot het midden van de vijftiende eeuw – toen de Bourgondische hertogen legers begonnen te ontwikkelen van professionele huursoldaten met stevige kanonnen – had Gent alles om de macht te kunnen grijpen over een deel of zelfs geheel het graafschap Vlaanderen.

 

 Maar finaal kwam er niets van, beklijft enkel een beeld van wilde opstanden die op nederlagen en vernederingen (in de vorm van bloedbaden, terechtstellingen en peperdure boetes) uitdraaiden. De vraag naar het waarom blijft intrigeren. Misschien zou ze een mooi discussie-, reflectie- en expositie-element kunnen leveren in de Culturele Hoofdstad die Gent in 2030 wil zijn. Het gaat immers om de periode waarin de stad geroepen leek tot wereldgeschiedenis, maar er nooit echt toe kwam.

 

 


Het trauma van 1942

 

 21 mei 2023 


 Pas nu, drie jaar na het verschijnen, heb ik het boek ‘1942, het jaar van de stilte’ van Herman van Goethem kunnen lezen. Het kreeg toen de nodige media-aandacht, maar ik weet niet of het een verkoopsucces is geworden. Nu ik het gelezen heb, kan ik het alleen maar de hemel in prijzen, het iedereen aanbevelen en hopen dat het ook overal lesmateriaal wordt.

 

 Herman van Goethem kennen we de laatste jaren vooral als rector van de Universiteit Antwerpen. Maar hij is ook één van de allerbeste Vlaamse historici. Hij schreef met Jan Velaers het definitief werk over de koningskwestie, was de curator achter de uitbouw van de het museum en memoriaal van de Dossin-kazerne in Mechelen en leverde dus drie jaar geleden een boek over Antwerpen in 1942 af.

 

 Het is een aaneenschakeling van fragmenten, gebeurtenissen die zich in chronologische volgorde afspelen tussen 1 januari en 31 december 1942. Daarbij citeert hij het meest uit de Antwerpse politie-archieven, maar ook uit twee dagboeken van eerder modale Antwerpenaren en uit documenten uit de gerechtsarchieven. Sporadisch en telkens kort trekt hij het verhaal open naar de grotere feiten op het wereldtoneel van de Tweede Wereldoorlog. Af en toe brengt hij flarden van interviews met getuigen die het overleefden, die hij maakte voor de Dossin-kazerne. Tussendoor plaatst hij fragmenten over zijn eigen ervaring in het omgaan met oudere familieleden waarvan er een deel tot aan hun dood de mening bleven verspreiden dat de verkeerden de oorlog gewonnen hadden.

 

Kanteljaar


 1942 is geen toevallige keuze uiteraard. Het is het kanteljaar van de oorlog. In de zomer van dat jaar stonden Hitlers troepen aan de Wolga en bijna aan de Nijl. Er bestond wel een onderhuids vermoeden dat de meest succesvolle Duitse leider ooit zeker in het immense Rusland zijn hand aan het overspelen was. Maar het was wachten tot half november, op de nederlagen bij El Alamein in Egypte en op de zich aandienende nederlaag bij Stalingrad, vooraleer mensen wat openlijker gingen geloven dat nazi-Duitsland misschien toch verslagen kon worden.

 

 Van Goethem signaleert dat ook de Belgische regering in Londen weifelde en twijfelde, en pas vanaf 1942 voluit ging ageren in de overtuiging dat de bezetter misschien toch wel verdreven kon worden. Hij ziet een gelijkaardige evolutie bij het Antwerpse stadsbestuur en de autoriteiten van gerecht en politie daar. Bovenal gaat zijn verhaal echter over de voornaamste slachtoffers van dit alles: de joodse bevolking van Antwerpen, waarvan er naar schatting tienduizend mensen zijn omgebracht (baby’s en kinderen inbegrepen), op amper een goed jaar tijd, te beginnen in 1942.

 

 We wisten natuurlijk al, sinds het oerdegelijke monnikenwerk van Lieven Saerens in zijn doctoraat uit 1999, dat Antwerpen vergeleken bij Brussel veel minder tegenwerkte tegen de nazi’s, soms zelfs meewerkte. (Saerens’ studie verscheen in 2000 bij Lannoo als Vreemdelingen in een wereldstad. Een geschiedenis van Antwerpen en zijn joodse bevolking, 1880-1944. Hij ontdekte overigens recent een nieuwe foto over de deportaties van Antwerpse joden, genomen in 1943 op de Plantin en Moretuslei (zie de foto hiernaast, merk het kindje in het midden van de laadbak). Hij publiceerde daar drie maand geleden met zijn gekende zin voor detail en precisie een artikel over op de eos-website. Hier de link: https://www.eoswetenschap.eu/geschiedenis/jodendeportatie-belgie)

 

 Van Goethems boek bevestigt het verschil tussen Antwerpen en Brussel. Maar wat zijn boek zo indringend maakt zijn de details, via heel veel citaten uit teksten. Je krijgt hoofdzakelijk een administratieve rapportering van de vervolging van de joodse inwoners van de stad, op een bijna routineuze toon. Wij vandaag weten dat de Dossin-kazerne en Auschwitz de eindbestemming waren. Met het blikveld van 1942 zie je alleen vrachtwagens volgestouwd met mensen die bij het ochtendgloren de stad uitrijden. Van Goethem plakt daar wel systematisch gezichten op. Bij elke Antwerpenaar van joodse afkomst die in het boek ter sprake komt, plaatst hij de foto die in de het museum van de Dossin-kazerne wordt bewaard.

 

 Het boek leert dat al de rest in 1942 wel al overduidelijk was: het puur pesten en sadistisch koeioneren van mensen, kinderen inbegrepen, hen onderwerpen aan totale willekeur, afpersing en het plunderen van hun huizen, finaal hen met veel brutaliteit en intimidatie oppakken in het midden van de nacht en wegvoeren als een soort vee-transport in camions (ook weer kinderen inbegrepen). Met na verloop van tijd de vaststelling dat ze niet meer terugkwamen, wat sommigen ook als vrijbrief zagen om in hun huis nog mee te graaien wat de Duitsers en hun collaborerende helpers niet al hadden meegepikt.


Bestialiteit

 

  Er bestaat natuurlijk al een uitermate uitgebreide literatuur over de Shoah. We kennen getuigenissen van slachtoffers, van mensen zelfs die vertellen hoe ze moesten ‘werken’ in de gaskamers. We hebben inmiddels ook heel degelijke analyses van hoe de nazi’s hun racisme stap voor stap verder uitbouwden en ‘perfectioneerden’, als een logisch ontwikkelingsproces, tot in de ultieme consequentie van het goed georganiseerd en technologisch verbeterd vermoorden van 12.000 mensen per dag – kinderen inbegrepen - in Auschwitz alleen al in de zomer van 1944.

 

 Meer nog dan het brutale, slaat na al die jaren het ‘rationele’ van de Shoah mij steeds meer met verstomming: de minutieuze en onderkoelde planning door vijftien hoge SS’ers in Wannsee nabij Berlijn in januari 1942, waarvan de helft zich Herr Doctor mocht laten noemen; de zichzelf perfectionerende administratieve organisatie als dagelijkse job met hoop op promotie bij een Adolf Eichmann; de villa van de kampchef in Auschwitz met fraaie tuin voor zijn vijf kinderen op amper honderd meter van de eerste gaskamer; de permanente zoektocht naar steeds betere technologie om steeds meer mensen op steeds kortere tijd te kunnen vermoorden. Auschwitz is het punt waarop de westerse beschaving, misschien wel de meest schitterende ooit, ook lager viel dan zelfs de rauwste bestialiteit. De twee zijn één: het zijn de gesofisticeerde technieken en methodes die in de Europese beschaving zijn ontwikkeld die ingezet werden voor een rationeel georganiseerde vernietiging van zes miljoen mensen die op geen enkele wijze iets hadden misdaan.

 

 Van Goethems boek bevestigt doorheen de details over de ijverige Antwerpse collaborateurs die volop meededen aan het pesten, slaan, plunderen en oppakken van hun joodse medeburgers wat de essentie van een totalitair regime is: het crapuul van de straat – het ‘schuim der mensheid’ zoals Marnix Gijsen ze omschreef - heeft de macht overgenomen en mag in totale willekeur zijn haat ventileren met gebruik van de meest gesofisticeerde producten van de westerse beschaving: het pistool, het geweer, indien nodig – en zeer efficiënt – zelfs het machinegeweer.


Onverschilligheid

 

 Maar zijn boek is vooral zo verpletterend omdat het als geen ander – zeker hier in Vlaanderen - een haarscherp beeld geeft van de onverschilligheid tegenover vanuit de macht georganiseerde misdaad op immense schaal. Onverschilligheid in de vorm van bestuurders in stad en gerecht die de ‘weg van het minste kwaad’ zoeken tegenover de bezetter, wat snel de ‘weg van de minste weerstand’ wordt, die zelfs gaan marchanderen om nog te scoren met politieke agendapunten, zoals de fusie van Groot-Antwerpen. Onverschilligheid van het grootste deel van de Antwerpenaren ook, die wel verhalen hoorden over de smeerlapperijen die zich in de straten rondom het Centraal Station afspeelden, want zoiets gaat altijd rond. Op een paar honderden na, die echt geholpen hebben, ging iedereen door met zijn dagelijks leven.  

 

 Van Goethem is daar in zijn beschouwingen hard voor: voor het stadsbestuur, voor de Antwerpenaren, voor zijn eigen familie. De Antwerpse aanpak – zoals gezegd dodelijker voor joden dan in Brussel – kwam inderdaad niet uit de lucht vallen. Lieven Saerens signaleerde al dat racisme tegen joden in de stad al voor de oorlog behoorlijk breed gedragen werd, onder andere – en opvallend - in ruime katholieke kringen. Daar zijn geen andere woorden voor dan domheid en bekrompenheid en misschien moeten historici nog maar verder graven naar waarom die in de jaren dertig zo woekerden in een vermeende wereldstad.

 

 Maar moet je van mensen moed en het risico op eigen leven verwachten tegenover een crapuleus regime, in oorlogstijd dan nog, waarin de meesten nog meer dan anders streven naar zo weinig mogelijk opvallen en zien rond te komen met vrouw en kinderen. In een stad dan nog waar men zeker in die tijd nog anonimiteit zocht en elkaar ‘dus niet kende’, zeker niet die ‘vreemdelingen’ en ‘joden’ rond het station?’ Een samenleving vereist dergelijke moed natuurlijk, maar is het realistisch? Ik heb er ook geen antwoord op, omdat we ons nu eenmaal niet perfect kunnen inleven in ‘1942’.


Herkenbaarheid

 

 ‘1942’ maakt het ons wel mogelijk zo dicht als denkbaar een gevoel van dat ‘inleven’ te krijgen. Het is een ontzettend sterk boek, precies vanwege de beschrijving dag na dag van de vervolging in Antwerpen in de understatement-toon van administratieve routine. De perfecte illustratie van de ‘banaliteit van het kwade’, zoals ik ze alleszins nog nergens heb gevonden in de nochtans copieuze literatuur over het onderwerp die ik al gelezen heb.

 

 De onderkoelde toon en details helpen heel herkenbare mensen naar voren te brengen, zo herkenbaar als de Oekraïnse mannen en vrouwen die op 24 februari vorig jaar na het ontbijt met de auto hun kinderen naar school wilden brengen, en voor het avond was, gescheiden geraakten omdat vrouw en kinderen op de trein naar het buitenland zaten en de man zich moest melden in de kazerne. En het is die herkenbaarheid uiteraard – het besef dat het ook ons kan overkomen – die ons tot diepe gewetensvragen dwingt, over lijfsbehoud en solidariteit, waarop we vermoedelijk nooit een duidelijk antwoord zullen vinden.


Surf naar Liebaart

 15 mei 2023


Wie, ook na het lezen van mijn boek, niet genoeg kan krijgen van 1302 kan ik een uitstekend adres aanraden: de website www.liebaart.org . Joris de Sutter uit Assebroek, een deelgemeente van Brugge, is er de drijvende kracht achter. 


 Hij was aanwezig op de presentatie van mijn boek in Kortrijk op 3 mei. En goed dat hij herinnerde aan zijn website, want ik heb hem vooral vorige maal, in mijn eerste boek uit 2001, veel gebruikt, via het toen nog uitermate trage en omslachtige internet. In die dagen kwam je automatisch bij Liebaart terecht als je browsde naar 1302. Ditmaal is dat niet gebeurd, en zo is de website een beetje door de mazen van mijn vangnet geglipt.

 

 Maar het blijft een uitstekende documentatie, met heel veel details voor wie zich verder in het onderwerp wil verdiepen. Je kan ook actief lid worden en meehelpen meer sporen over ons ver verleden op te graven, op voorwaarde dat je minstens één middeleeuws kostuum in je garderobe hebt. En er is een uitstekende bibliografie om aan verdere literatuur te geraken. Een aanrader.


Een muis van marketing

10 mei 2023


  Finaal heeft de Vlaamse canon-commissie dus een low-profile lijst van zestig ‘vensters’ afgeleverd. De keuzes zijn even verdedigbaar als betwistbaar, maar een indruk van manipulatie werd vermeden.  Iedereen oefende bij de presentatie trouwens in downplaying, zelfs de bevoegde minister Al draait zo’n Vlaamse canon, net als de Nederlandse voorheen, finaal toch weer op de cirkelredenering uit: je zoekt naar de etappes naar het Vlaanderen van vandaag alsof de (deel)staatkundige constellatie van vandaag er altijd al was.

 Een persconferentie, wat nieuwsitems en interviews, een fraaie website en dito boek. Na twee jaar studiewerk en een paar forse polemieken baarde de Vlaamse canoncommissie een nuttige variant van de tv-reeks Het Verhaal van Vlaanderen: een oprechte, maar even fragmentaire poging om de Vlaamse geschiedenis in een reeks modernere verhalen te verwerken, om zo weer wat meer interesse te wekken voor ons verleden.

 De woordvoerders voor het verhaal – commissievoorzitter Emmanuel Gerard, minister Ben Weyts – deden hun uiterste best om de oefening te minimaliseren. Het gaat om een aangereikte ‘inspiratiebron’, niemand wordt verplicht dit uit te dragen, er is heel breed gegaan, de canon moet vanuit zijn kwaliteit zijn publiek vinden. Het enige ‘Vlaamse’ was de uitspraak van Weyts dat we op deze manier leren ‘hoe Vlaanderen en de Vlamingen zijn ontstaan’. Niets fout aan toch?

 Dat de commissie originaliteit niet schuwde, net zomin als een zekere lichtvoetigheid, maakt het geheel veel aantrekkelijker. Het werd dus toch eerder een top-60 dan een plechtige canon. De Standaard detecteerde terecht vijf verrassende ‘onbekenden’. Er werd wat touw gevierd naar de tijdsgeest toe – vooral inzake kolonialisme en vrouwenemancipatie. De commissie serveerde behoorlijk wat banale anecdotiek, in het besef dat moderne media daarop kicken. (Het kookboek van de Boerinnenbond, het Ros Beiaard, lintbebouwing, Paula Semer, Rock Werchter, Goesting, ik miste enkel nog het weerbericht en het even dagelijkse item over het verkeer). Men benadrukte vooral dat de volgende canon in twintig jaar er helemaal anders kan uitzien.


Vaderlands


  Kortom, we dronken een glas etcetera. En toch, en toch! Ik miste wat ambitie om verder te kijken dan de vaderlandse grenzen. Zoals de Nederlandse canon in alle versies sinds 2005 geraakt ook deze niet echt los van de dwangbuis van de vaderlandse geschiedenis. Uiteraard is wat nabij gebeurd is in het verleden interessanter dan de geschiedenis van pakweg Brunei (tenzij je Bruneise roots hebt natuurlijk). Maar dat nabije levert een iets ander verhaal op in Brugge dan in Genk, in Amsterdam dan in Maastricht, alleen al door de aanwezigheid van ander erfgoed. 

 Het hedendaagse staatkundig kader is natuurlijk relevant en moet mee het resultaat tekenen, maar op niet te nadrukkelijke wijze. Dat kader beslaat immers maar 10 % van de tijdspanne van onze geschreven geschiedenis (voor België, want de voor de deelstaat Vlaanderen is dat 2,5 %) en 20 % in die van Nederland. Maar het domineert nog veel te veel, in ons hoofd, in onze geschiedenisboeken, in canon en Verhaal. De spinnenwebben die anno 1900 in ons collectief geheugen werden ingeplant blijken behoorlijk taai. 

 Als ik dezelfde oefening doe als met de beide ‘Verhalen van’ – bekijken wat ze vertellen over de geschiedenis van de opstand tegen Filips II, die de latere Belgen en Nederlanders het meest intens delen – zie ik hetzelfde mega-spagaat. Drie vensters in Vlaanderen, twaalf in Nederland, geen enkel gemeenschappelijk, al vind je in de uitwerking van die vensters natuurlijk wel iets meer dat ons bindt. We blijven ook beide worstelen met Guillaume d’Orange, de Franstalige edelman die het grootste deel van zijn leven in Brabant doorbracht, tot 1567 in het grootse paleis van Brussel na dat van de keizer.

 Ronduit pijnlijk wordt dat als het over schilderkunst gaat. De meest recente Nederlandse canon serveert drie vensters rond Bosch, Rembrandt en Van Gogh. De Vlaamse doet het ook met drie: Van Eyck, Breugel en Rubens. Waarbij tussen Bosch en Breugel (de laatste overduidelijk een leerling van de eerste), beiden burgers uit het noorden van het toenmalige hertogdom Brabant, ongeveer 70 jaar en evenveel kilometers lag (tussen 's Hertogenbosch en Antwerpen). Maar door de hedendaagse staatkunde wordt de ene als Nederlander, de andere als Vlaming/Belg (schrappen wat niet past) geclaimd. Terwijl die schildertraditie natuurlijk echt wel gemeenschappelijk is aan de Lage Landen.

 Wist u dat we ooit nog Algemeen Beschaafd Nederlands leerden en spraken op school, ontwikkeld door de Taalunie die teruggaat tot de inspanningen van Jan Frans Willems en Willem Bilderdijk tweehonderd jaar geleden? In ons beider canons hebben we echter geen gemeenschappelijke literatuurvensters meer, op hebban alla vogala na. Gelukkig – en oef! – stelt ook de Vlaamse dat dit mogelijk het oudste stukje ‘Nederlandse’ tekst is dat we kennen. Misschien wordt dat over twintig jaar toch ’Vlaams’.


Aken


 De intellectuele wereldburger en globetrotter Erasmus cultiveren we nog gemeenschappelijk, zij het met het accent op Rotterdam in Nederland, op Leuven in Vlaanderen (waarbij andermaal het Collegium Trilingue vermeld wordt, maar niet zijn vlucht voor het conservatisme van de toenmalige universiteit). Dat ons koloniaal verleden verschilt maakt onvermijdelijk verschillende vensters. Beide lijsten bevatten echter ook elk zeven vrouwelijke vensters (Trijntje en de begijntjes inbegrepen), geen enkele gemeenschappelijk. De Nederlandse verheft Maria van Bourgondië tot venster, de Vlaamse Maria Theresia. 

 In totaal hebben zeven vensters eenzelfde titel in noord en zuid, zij het doorgaans met telkens een (lichtjes) andere inhoud, want toegepast op het eigen hedendaags staatkundig grondgebied: hebban alla vogala, Karel de Grote, Erasmus, Napoleon, grondwet, eerste spoorlijn, televisie. Het euvel dat ik destijds in de eerste Nederlandse canon van 2005 aankloeg – en dat daar inmiddels werd rechtgezet – vind je nu in de Vlaamse: voor Karel de Grote wordt zijn veruit belangrijkste stad, Aken, waar hij ook begraven ligt en zijn kapel en troon nog staan, niet vermeld, want die ligt net een boogscheut buiten het hedendaagse ‘nationale’ territorium.

 Ik heb me trouwens afgevraagd wat een commissie van Belgisch-Franstalige historici zou moeten corrigeren om deze Vlaamse in een ‘Belgische’ canon om te toveren. Niet veel, zo blijkt, wat met het gegeven dat Vlamingen twee derde van alle Belgen leveren, ook niet echt verbaast. L’homme de Spy misschien, Boduognat mogelijk, de glorie en vurigheid van middeleeuws Luik, polyfonisten zonder ze Vlaams te noemen, Verviers als eerste industriestad van het continent, de opstand van 1886, Hergé ongetwijfeld, Bastogne, Marcinelle zeer zeker. En om de media te lokken: peket of Orval, J'aime, j'aime la vie, Gilles de Binche, Annie Cordy, Francorchamps, Jambon d'Ardenne, Pairi Daiza, eventueel Marc Dutroux.

 Toegegeven, de noodzaak aan nog veel sloopwerk inzake vaderlandse geschiedenissen is mijn stokpaardje, en dus is ook deze kritiek maar één invalshoek op de canon. Finaal is de Vlaamse versie, zoals de Nederlandse, herleid tot een publiciteitscampagne voor veel geschiedenisdiscussies en een goed geschiedenisonderwijs. De berg van voorbarige academische kritiek baarde een muis van marketing. Niet echt iets om over te treuren of over te kankeren. 





Arificiële intelligentie en historische kritiek

7 mei 2023 

 


 Er is de laatste weken heel veel te doen rond artificiële intelligentie (AI) en vooral over de risico’s van die nieuwe technologie. Daarbij moet je blijkbaar toch ook definiëren wat het risico zou kunnen zijn. En in dat verband komt een oude, beproefde vaktechniek van historici weer op de proppen: de ‘historische kritiek’.

 

 Mijn aandacht werd weer op het onderwerp getrokken toen ik recent een reportage op de BBC World Service hoorde in de wagen: zal artificiële intelligentie volgend jaar de uitslag van de Amerikaanse presidentsverkiezingen bepalen?

 

https://www.bbc.co.uk/programmes/w3ct4wcr

 

 Een paar dagen later zag ik Niall Fergusson, de intelligente Schotse historicus en duivel-doet-al, in een fel debat waarschuwen voor de gevaren van AI:

 

https://www.realclearpolitics.com/video/2023/04/21/niall_ferguson_ai_is_a_far_more_dangerous_technological_leap_forward_than_is_generally_realized.html

 

 Waarna meteen ook Joe Biden actief bleek met het onderwerp:

 

https://edition.cnn.com/2023/05/04/tech/white-house-ai-plan/index.html


Fake news

 

 Het gaat om een bijzonder boeiende en eigenlijk oneindige discussie. De naam AI misleidt wel wat. Zoals Ferguson het uitdrukte: het gaat niet om de mogelijkheid dat ergens ooit een superbrein-machine helemaal zelfstandig en ongecontroleerd een Terminator op ons zal afsturen. AI gaat over dataverwerking, zoals een gewone computer.

 

 Met dat verschil dat de capaciteit van dataverwerking ongelooflijk groeit, en dus het verwerken van gigantische hoeveelheden data en ze omzetten tot iets (schijnbaar) nieuws binnen handbereik komt. Dan gaat het nog niet eens over de zogenaamde quantum-computers, die dat nog vele malen sterker zouden kunnen doen, maar die in een mogelijk nog lange pijplijn tot aan de realisatie zitten.

 

 AI maakt ChatGDP mogelijk, het schrijfprogramma dat iedereen inmiddels wel kent. Je moet het maar vragen een tekst over een bepaald onderwerp te schrijven en het levert binnen een paar seconden zo’n tekst af. Binnenkort zal je zo ook muziek kunnen componeren, of, zoals Ferguson meldt, een uitermate geloofwaardige fake-video maken. Eentje pakweg waarin je Wout van Aert en Mathieu van der Poel opnieuw Parijs-Roubaix ziet rijden, ditmaal Van der Poel lek rijdt op 15 km van de meet en Van Aert wint. Even scherp in beeld en geloofwaardig als de echte editie van 9 april dit jaar en zelfs met fake-commentaar van Karl Vannieuwkerke en José De Cauwer.

 

 Wat heel velen bang begint te maken is dus eigenlijk het potentieel van AI om ongelooflijk veel en heel geloofwaardig fake news te produceren. In het Kremlin verkneukelt Vladimir Poetin zich nu al om zich nog beter te mengen in de Amerikaanse verkiezingen dan de vorige keren. Of zoals Ferguson het zegt: de impact van sociale media op de verkiezingen van 2016 (het jaar waarin Donald Trump werd verkozen) zal maar prutswerk zijn vergeleken bij wat op ons afkomt en wat ‘ons collectief allemaal knettergek zal maken’.

 

 Als doorgaans erg nuchter en graag provocerend historicus weet Ferguson ongetwijfeld dat fake news zo oud is als communicatie. Julius Caesar schreef zijn Gallische Oorlog niet om de waarheid te dienen, maar als een soort brochure om de Romeinen gunstig te stemmen voor de greep naar de macht die hij plande. En wat voor ophef veroorzaakte de verspreiding van de boekdrukkunst al niet in de zestiende eeuw, want inderdaad kregen ook de leugen en vooral de halve waarheden toen beduidend meer kansen om verspreid te geraken.

 

 Wat velen ditmaal echter nog angstiger maakt – ook Ferguson – is de snelheid van de ontwikkeling, en de razendsnelle evolutie naar perfecte video-namaak van de realiteit.  Sociale media zijn amper twintig jaar oud, het internet als massamedium hooguit dertig. Kan zeker al wie ouder is zich dus snel genoeg aanpassen aan de nieuwe mogelijkheden tot manipulatie? Gaat zelfs het meest intelligente deel van de samenleving snel beseffen dat een normaal ogend en klinkend weerbericht met pakweg Sabine Hagedoren of David Dehenauw volslagen fake kan zijn?


Heiligenleven

 

 Ik heb ook het antwoord niet op die vragen. Alleen zou je mensen dus meer systematisch moeten wapenen tegenover alle onzin die op ons afkomt. En dan kom je, zegt de historicus die ik ben, misschien wel weer bij de historische kritiek terecht. Dan moet ik veertig jaar terug in de tijd, toen zelfs de faxmachine en de tekstverwerker nog niet verspreid waren, maar ik wel al studeerde.

 

 Geschiedenis namelijk. Zodra wij, 18-jarige studenten, waren ingeschreven in die richting, kregen wij aan de KU Leuven een cursus die Inleiding tot de historische kritiek heette. Die moest ons begeleiden naar het grote werk van dat eerste jaar: een historische tekst ontleden op zijn waarde. Voor de meesten onder ons – de verplichting om Latijn te kennen vooraleer je geschiedenis begon was nog maar net afgeschaft – betekende dat de analyse van een in het middeleeuws Latijn geschreven biografie van één of andere katholieke heilige, een zogenaamde Vita, (zo noemden wij ze als studenten ook: ‘hoe is het met uw Vita?’), opgesteld ergens tussen de 7e en 13de eeuw na Christus.

 

 We hebben met veel medestudenten in die jaren vaak aan het professorenkorps voorzichtig gesuggereerd dat die aanpak oubollig was en men beter met moderne teksten kon werken. Dezer dagen, nu ik zelf weer stukjes middeleeuws Latijn verwerk, moet ik echter toegeven dat die aanpak wel heel zinvol was. Het was spartaans qua opleiding, bijwijlen hard labeur, maar op die manier kreeg je de boodschap ingedrild: geloof nooit op het eerste gezicht om het even welke tekst, hoe prestigieus en geloofwaardig die ook lijkt.

 

 Dat die oefening op middeleeuwse teksten moest gebeuren, verhoogde de scherpte van dat gegeven: teksten uit die periode zijn zo schaars dat je wel verplicht bent uit elk woord en zelfs elke komma het maximum aan info te puren. Dat noopte je dus meteen tot alles in vraag stellen: wie is de auteur bijvoorbeeld, hoe weten we dat, zijn we wel zeker dat hij dat geschreven heeft, waar heeft die misschien zitten afschrijven, en van wie, en was die wel betrouwbaar?

 

 Heiligenlevens waren bovendien uitermate geschikt daarvoor, want daarin werd er ongelooflijk op los gefantaseerd in functie van het beoogde doel: aan het publiek tonen hoe onmenselijk heilig de man of vrouw in kwestie wel was geweest. Het middeleeuws kerk- of keukenlatijn dat je moest doorworstelen verhoogde nog het gevoel op zoek te moeten gaan in een heel vreemde wereld.

 

 Er was nog geen internet toen. Je moest in eerste instantie puur afgaan op wat je in de tekst zelf vond, en elk van die details van alle kanten tegen het licht houden. Eerst moet je je afvragen of de tekst wel authentiek was, dan hoe hij tot stand was gekomen, dan of er niet verschillende versies tot ons waren gekomen, finaal – en vooral – moest je beoordelen waarom de auteur wilde schrijven en welk verhaal hij aan ons wilde slijten en waarom.

 

 Daarbij mocht je hopen dat je nog wat analogieën of verwijzingen naar andere teksten uit die periode vond, die waren geanalyseerd door uitermate grondig speurende (meestal Duitse) geleerden in de negentiende eeuw, en zo gepubliceerd werden in een oneindige reeks van grote, dikke boeken: de Monumenta Germaniae Historica, vaak met Latijnse inleidingen en tegenwoordig ook online terug te vinden, zelfs in het Engels:

 

https://www.mgh.de/de/

 

 Wilde je nog dieper graven, dan kwam je bij de Acta Sanctorum terecht, ook dikke boeken, met een reeks begonnen in 1607 en vandaag nog steeds lopend. Het monnikenwerk van gespecialiseerde jezuïeten die zich bollandisten zijn gaan noemen, naar de stichter van de Acta (op de foto: hun ruim vier eeuwen oude bibliotheek in de buurt van het Montgomeryplein in Brussel).

 

 Die boeken gaan uitsluitend over die fameuze heiligenlevens. De doelstelling van de jezuïeten was voor die tijd uiterst modern: via tekstkritiek te trachten waarheid en fictie te scheiden (weliswaar binnen de krijtlijnen van het katholieke geloof) in die wirwar van verwarde verhalen uit een nog zeer duister stuk middeleeuwen. De hoop was dat de katholieke kerk op die manier de heiligenverering weer een stuk sterker zou maken na de vernietigende kritiek die door de eerste protestanten (en voordien Erasmus) in de eeuw voordien was uitgebracht.

 

 Dat hebben die bollandisten dan ook gedaan, met verrassende gevolgen. Niet iedereen vond het leuk dat er soms al eens getwijfeld werd over een heilige of een mirakel. Het overkwam de bollandisten in 1695 zelfs dat één van hun publicaties werd verboden door de Inquisitie in het verre Madrid, aan het einde van de Spaanse tijd. Ze verrichten dat werk nog steeds. Heiligenlevens blijven immers de voornaamste geschreven bronnen van de West-Europese geschiedenis tussen pakweg de zesde en tiende eeuw. Hier de link naar hun hedendaagse website:

 

https://www.bollandistes.org/history/actu-sanctorum/

 

 Het zijn historische instituten die een parfum van eeuwigheid meedragen. Maar het waren voor ons instrumenten om de dril van de historische kritiek – geloof nooit zomaar een geschreven tekst – ingepeperd te krijgen. 


Encyclopedie


 Dat aanleren, met allerlei specifieke technieken, nam een groot deel van onze eerste academiejaar in beslag.  En het begon met een verbazende warming up, in de eerste week van onze nieuwe studies: zoek een thema, ga naar de grote bib van de universiteit, zoek het op in drie encyclopedieën, vergelijk de teksten, en breng verslag uit van wat je leert.

 

 Encyclopedieën golden in de jaren zeventig als de bron van uitermate veel wijsheid. Vertegenwoordigers van allerlei encyclopedieën gingen in die dagen van deur tot deur om aan de prille middenklasse die uit de weldadige jaren zestig was voortgekomen deze onmisbare troef voor de opleiding van hun kinderen te slijten. Ook mijn ouders hebben zo vijftien jaar afbetaald voor de hele reeks van Winkler Prins.

 

 En dan, in de grote bib aan het Leuvense Ladeuzeplein, legde ik inderdaad drie versies van eenzelfde thema naast elkaar (ik weet niet meer het welke). Ik leerde dat er slordigheden in waren geslopen, heuse fouten zelfs, ook door eerbiedwaardige professoren die toen massaal meewerkten aan die onuitputtelijke bronnen van wijsheid. En dus deed je een eerste toepassing van de historische kritiek. Wat overbleef waren de gegevens die bij alle drie dezelfde waren, veel opzoekingswerk op de plank en nog meer twijfels.

 

 Voor mij was dat eerste oefeningetje zoiets als de blikseminslag nabij Damascus. Het aureool van de encyclopedieën was meteen weg. En ik heb, nadat ik ook mijn Vita had afgewerkt, nooit meer afgeleerd elke communicatie eerst sceptisch te benaderen. Het is me later, als journalist onder meer, uitstekend van pas gekomen.


 En ik hoop dus voldoende in reële intelligentie getraind te zijn om straks ook de nepproducten van de zogenaamde artificiële intelligentie bijtijds te doorgronden.


Mysteries rond de 'Metten'

1 mei 2023

 De zogenaamde Brugse Metten (de illustratie hiernaast is uit een Franse kroniek van eind 14e eeuw) behoren tot de absolute klassiekers van zowel de Vlaamse als de Belgisch vaderlandse geschiedenissen. De slachtpartij van ruim 120 Franse soldaten bij het krieken van de dag in Brugge op 18 mei 1302 ging in die dagen ook als sensationeel nieuws Europa rond. Maar het blijft een historische gebeurtenis met flink wat vraagtekens rond wat exact is gebeurd.

 In mei 1302 was Brugge, een grootstad van ruim 50.000 inwoners, al twee maand opnieuw in opstand, na een eerste mislukte poging in de zomer van 1301. De leider van de opstand, de wever Pieter de Coninc, was er in geslaagd het stadsbestuur te hervormen. De ambachten kregen de meerderheid van de mandaten in het schepencollege, al was de Coninc slim genoeg om enkele oudgedienden te handhaven. 

 Vanaf medio maart was ook Gent in opstand. Pas begin mei kwamen Gentenaars de Coninc opzoeken, net op het moment dat hij nu ook openlijk steun kreeg van familieleden van Robrecht van Bethune, de graaf van Vlaanderen die sinds twee jaar al de gevangene was van de Franse koning Filips. De Gentenaars boden hem een bondgenootschap aan.

 Maar inmiddels had koning Filips op 7 mei de mobilisatie van zijn leger afgekondigd, om de opstand van de tweede en derde stad in zijn koninkrijk te smoren. Jacques de Châtillon, de landvoogd, was vooruitgestuurd met een fors leger, en keerde in die dagen met zijn troepenmacht weer in Kortrijk, zijn vaste basis in Vlaanderen. Vooral had hij van de koning twee raadgevers meegekregen, waarschijnlijk om zijn neiging tot onstuimigheid wat in te tomen. Eén ervan was Pierre Flote, een edelman van lagere komaf, afkomstig uit de Dauphiné, en op dat moment de meest naaste adviseur van de koning.

 Het is vermoedelijk hij die erin slaagde het op een akkoord te gooien met de Gentenaars, op 11 mei in Kortrijk, zodat die hun stad weer in het Franse kamp nestelden. Pieter de Coninc kwam daags nadien met een Brugs leger van ruim 1500 man voor de stadspoorten van Gent vragen of het bondgenootschap doorging. Het antwoord bleek nee. 

 De Coninc keerde nog diezelfde avond of daags nadien, de 13de mei in Brugge weer. Daar was Willem van Gulik, de neef van de graaf en op dat moment de enige van de grafelijke familie in de stad, blijkbaar al weggetrokken, vermoedelijk naar de streek rond Hulst. De Coninc kreeg er vragen over, en verwijten over het gebrek aan steun uit Gent en over de moordpartijen die hij en zijn onder aanhangers onder de soldaten van de koning hadden aangericht. Het volk wist dat er een Frans leger op komst was.

 ‘Vrezend dat het volk hem zou doden, wist de Coninc met een list uit de handen van het volk te blijven en op tijd te vluchten, uit Brugge en uit Vlaanderen’, zo beschreef de anonieme Gentse minderbroeder dat. Die pater heeft in zijn Latijnse Annales Gandenses het meest betrouwbare verhaal van die gebeurtenissen gebracht, weliswaar met openlijke sympathie voor de zaak van het gewone volk. Na het verhaal van de slachting van 18 mei beschreef hij ook dat ‘Gulik en De Coninc op de derde of vierde dag na het beschreven gevecht in de stad terugkeerden en er vriendelijk werden onthaald.’ Ten vroegste op 21 mei dus.

Geen chef

 Dat heeft voor gevolg dat we voor de hele episode van de zogenaamde Brugse Metten niet weten wie de chef was. En of er wel een chef was. De minderbroeder vertelt dan verder dat na het vertrek van de Coninc een heel grote angst en siddering (timor maximus et tremor) de stad in haar greep kreeg, en dat tam majores quam minores (waarschijnlijk te vertalen als: zowel de poorters als de ambachten van de stad) besloten een delegatie van pro-Franse burgers naar de Châtillon te sturen om de onderwerping van Brugge aan te bieden.

 Maar dat zou alleen kunnen ‘op basis van de veronderstelling’ (ipso etiam supposito) dat diegenen die de Fransen moesten vrezen de stad zouden mogen verlaten, tot een bepaald uur en vooraleer de Fransen zouden binnentrekken. Daarover vonden ‘verscheidene dagen’ onderhandelingen plaats, tot er een akkoord was. Daarbij beloofde Pierre Flote (de minderbroeder noemt hem expliciet) ‘ook aan de onderhandelaars dat hij en de Châtillon met niet meer dan 300 ruiters, ongewapend en vriendschappelijk de stad zouden binnentrekken.’

 De anonieme burger van Arras die vanaf 1304 een eerder pro-Franse kroniek begon neer te schrijven (in het Frans), vermeldt dat ‘dertig tot veertig bourgeois’ (van Brugge) met Flote kwamen overleggen. Zij vertelden dat ‘die van het gewone volk’ die eerder in het kasteel van Male aantal Fransen hadden vermoord, ‘verbannen waren’ (estoit widiés pour leur ban) en dat de stad zich onderwierp. ‘Maar ze benadrukten tegenover hem dat als messire Jakes de stad zou binnenkomen, de zaken wel eens een slechte draai zouden kunnen nemen en dat het gemeen dit niet zou kunnen verdragen zonder kwaad te doen.’

 Samengevat: de Bruggelingen, die in de voorgaande jaren hopeloos verdeeld waren, schijnen in hun immense angst wat eenheid te hebben teruggevonden. Men kan vermoeden dat bij de opstandelingen er nog wel geweest zullen zijn die verder wilden vechten, maar die waren minoritair geworden nadat de Coninc was verdreven en gevlucht. Het voorstel dat de stad aan Flote deed, recupereerde – doordat het hen de kans liet te vluchten – ongetwijfeld ook een deel van de opstandelingen.

 Interessant is natuurlijk dat beide kronieken nadrukkelijk stellen dat de gesprekken met Flote plaatsvonden, niet met de Châtillon. De burger van Arras, in deze kwestie een onverdachte bron, signaleert zelfs een onverholen wantrouwen tegenover de landvoogd bij de Bruggelingen. Wat had de Châtillon dan misdaan?

 We weten natuurlijk dat hij na de eerste opstand met een troepenmacht de stad had bezet en de vrijheden had afgeschaft, een boete had opgelegd en de muren had laten slopen. Enkel de veel latere Chronique Tournaisienne vermeldt dat de Châtillon ‘initieel’ (dus vermoedelijk bij het begin van zijn mandaat medio 1300 en dus voor de eerste Brugse opstand van 1301) in het toen zeer pro-Franse Brugge goed was onthaald. Maar dan: de Fransen ‘bleven er zo lang en met zovelen, dat sommigen ook de goede burgerlijke dames van de stad met geweld namen en verkrachtten, en ook andere, en jonge meisjes. Zo vaak dat het niet beviel aan die van Brugge, en dat die om die redenen, en andere, begonnen samen te zweren.

Barse woorden

 Hoe dan ook: het stadsbestuur van Brugge maakte het akkoord op woensdag 16 mei bekend, en wie de stad wou verlaten kreeg de tijd tot donderdagmiddag. Volgens de minderbroeder, die meestal aan de hoge kant lijkt te schatten, verlieten vijfduizend burgers, vooral mannen, de stad. Ze trokken naar Damme, Aardenburg en alle stadjes rond het Zwin. In Damme, aldus de minderbroeder, botsten sommigen onder hen op Franse troepen die voor de voedselbevoorrading van hun leger moesten instaan.  Ze ‘brachten er sommigen van om, verwondden er velen’ en plunderden de hele voorraad. 

 Wanneer dit laatste exact gebeurde weten we niet, maar het lijkt niet onwaarschijnlijk dat de Châtillon dit vernomen heeft.  In de vooravond van 17 mei trokken de Fransen Brugge binnen, met ruim dertienhonderd goed gewapend manschappen (nog meer volgens de minderbroeder). ‘Jacques de Châtillon echter, opgewonden en verontwaardigd, kon zich niet inhouden. Want hij slingerde sommigen van het gemeen die hem tegemoet kwamen barse woorden toe, toonde hen zijn grimmig en wreed gelaat’, schrijft de minderbroeder.

 Volgens Lodewijk van Veltem, de Brabantse pastoor die het verhaal vijftien jaar later neerschreef, lieten de burgers, die met de klokken naar de Burg waren samengeroepen, hun ongerustheid blijken. Maar de Châtillon sprak zalvende woorden. De bewapening was er enkel om de schuldigen van de moordpartij in Male te arresteren, zei hij. Hij zou, volgens de burger van Atrecht, zelfs een deel van de nachtwacht aan de Bruggelingen toevertrouwd hebben. Nog volgens Veltem was de landvoogd wel degelijk van plan een slachtpartij aan te richten. De pastoor haalde daarvoor een anonieme ridder aan die zijn mond zou hebben voorbijgepraat tegen een serveerster in een herberg.

 De rest kennen we. In Brugge sloeg opnieuw paniek toe. ‘Sommigen van hen die in de stad waren gebleven en voor hun vel vreesden’, aldus de minderbroeder, gingen ‘bij valavond’ (circa crepusculum) de gevluchten aan het Zwin opzoeken, met de boodschap dat zij, hun vrouwen en kinderen en heel de stad in levensgevaar verkeerden Daar werd meteen het plan gemaakt om bij het ochtendgloren de Fransen te overvallen. Zo gebeurde ook die vrijdag de 18de  mei.

 Er blijven lacunes in het verhaal: is de belofte van Flote authentiek? De minderbroeder vermeldt ze wel apart van ‘het akkoord’. Als ze gemaakt werd, was de komst van ruim duizend soldaten, veelal gewapend, natuurlijk een reden tot ongerustheid bij de Bruggelingen. Naast het gedrag van de Châtillon zelf bij zijn intreden, in een context waarin die al fors gewantrouwd werd.

 De landvoogd zelf ontkende publiek, tegenover het volk op de Burg, snode plannen. De burger van Arras volgt hem daarin in zijn kroniek. Het lijkt ook weinig waarschijnlijk dat de Fransen, als ze van plan zouden geweest zijn de hel te doen losbreken vanaf vrijdag, zich dan zo onbeschermd te slapen zouden gelegd hebben in de stad. 

 Anderzijds blijft de indruk dat er geen echte chef was in Brugge. Er is een wankele eensgezindheid tot aan de komst van de Fransen. Dan hebben diegenen die het meest moesten vrezen weer het initiatief genomen. En, aldus de minderbroeder, toen de slachtpartij op vrijdag 18 mei rond het ochtengloren van start ging, ‘bekeerden’ ook al diegenen die zich voortdien oprecht of geveinsd pro-Frans hadden gedragen, onmiddellijk tot het kamp van de overwinnaars.’ Het minste wat men kan zeggen is dat de machtsverhoudingen binnen Brugge in die dagen wild fluctueerden.

Diplomatie en oorlog

 Alle kroniekschrijvers stellen dat zeker een deel van de Fransen nog in hun slaap is overvallen. De burger van Arras vermeldt hoe ook diegenen die logement verschaften in het complot zaten, en hoe vrouwen vanop de daken banken en schragen en nog van alles op de vluchtende Fransen gooiden. Maar er is duidelijk ook hard gevochten

 Onder andere de Franse leider van de nachtwacht, die rond het ochtendgloren haar taak beëindigde, werd gedood, wat dus betekent dat ook de intrede van de eerder gevluchte Bruggelingen via de gedempte grachten en gesloopte muren niet zonder slag of stoot verliep. ‘Gedreven door woede daagden ze (de teruggekeerde Bruggelingen) de Franse schildwachten uit tot het gevecht’, aldus de minderbroeder.

 Kan het dat duizend stevig gewapende Fransen zich zomaar lieten overmeesteren? In Gent op 12 maart 1302 had het stadsbestuur achthonderd goed gewapende mannen paraat bij de afkondiging van een nieuwe belasting. Ze slaagden er in eerste instantie in de ambachten te doen gehoorzamen, in de ochtend. Maar tegen de middag diepten die hun wapens op, en mobiliseerden ze iedereen. Spoedig namen zij de overhand, en rolden er koppen.

 Men moet vermoeden dat er iets gelijkaardigs is gebeurd in Brugge. Zeker de minderbroeder verhaalt dat in de nacht massaal veel vrijwilligers werden gerecruteerd om mee te doen, niet alleen Bruggelingen maar ook lieden uit de steden rond het Zwin. Er was dus volk genoeg, en mannen in een stad hadden allemaal wapens en konden vechten, omdat ze getraind werden op belegeringen.

 Er was ook organisatie, zelfs al vernemen we niets over een duidelijke leiding. De truuk met ‘schild en vriend’, waarover we het voor één keer niet zullen hebben, bewijst dat. Volgens Giovanni Villani waren in de loop van de nacht ook de zadels en stijgbeugels bij de Franse ruiters gesaboteerd. Het feit dat de Fransen verrast werden, tot zelfs in hun slaap, wijst ook in de richting van een gedisciplineerde aanval.

 Verscheidene bronnen weten te melden dat de Châtillon zelf op het nippertje ontsnapte, nadat zijn paard onder hem werd gedood. Villani signaleert overigens heel hevige gevechten, die de hele dag duurden. Daarbij ook het samenbrengen van de Fransen op de Burg, waar ze ‘als tonijnen in stukken werden gesneden en gedood’  en ‘mannen van de gebouwen en van de toren (het belfort?) naar beneden werden gegooid’.  De straten lagen vol lijken en bloed, aldus de Italiaan. 

 Hedendaagse historici houden het bij ruim 120 doden als meest waarschijnlijke schatting. De Bruggelingen noemden die dag volgens Lodewijk van Veltem Goede Vrijdag, al was Pasen al lang voorbij. Pas vele eeuwen later ontstond de naam Brugse Metten. Het blijft hoe dan ook een episch verhaal, vergelijkbaar met de even beruchte Siciliaanse Vespers in Palermo van dertig jaar voordien, die – zoals ik in mijn boek verduidelijk – misschien mee het Brugse gebeuren inspireerden.

 Maar de onzekerheden over het ware verhaal blijven ook. Men kan concluderen dat de Fransen op zijn minst onhandig zijn geweest. In hun optreden, en in hun aarzelen tussen diplomatie en machstvertoon (moeten we hier een rivaliteit tussen de Châtillon – van hogere adel – en Flote – van lagere komaf – zoeken?). Zelfs inzake hun eigen veiligheid. De minderbroeder hanteerde het niet onlogische argumen dat de Fransen ‘met een minimum aan zorg en voorzichtigheid een stad binnentraden die niet goed beschermd meer was, terwijl er rondom en dichtbij nog zoveel doodsvijanden vertoefden, sterke, goed bewapende en quasi wanhopige manschappen.’

 Veel meer vragen rijzen nog rond de Bruggelingen zelf. Angst was de motor van hun optreden, daar bestaat weinig twijfel over. Er lijkt ook heel weinig leiding te hebben bestaan. Er is waarschijnlijk eerst een brede consensus geweest inzake het akkoord dat met Flote werd afgesproken. Maar bij het binnenrukken van de Fransen moet er een factie opstandelingen actief geworden zijn, die in de loop van één nacht massaal veel aanhang vond in en om het Zwin. En die via de slachtpartij de stad weer in handen kreeg. 

 De meest nabije kroniekschrijvers melden geen afrekeningen onder de eerdere voorstanders van diplomatie, al stelde Villani wel dat ‘van de vele rijke burgers (grande borghesi) er zes dood bleven en hun huizen geplunderd werden’. Is het die tweedracht die ook de kist van Oxford afbeelt (zie de nota op deze blog van 3 april: https://www.rolffalter.com/blog#h.bqgmz7nb5488  ) met schepenen op hun knieën die de sleutel van de stad gaan aanreiken, en daarnaast militieleden die iemand het hoofd afsnijden?

 Hoe dan ook faalde de laatste poging tot diplomatie in het conflict rond de opstand van Brugge. Iedereen wist nu dat de volgende fase oorlog zou zijn, vele malen bloediger nog dan de woelige nacht van 17 op 18 mei 1302.

 

 



 





Altijd op zoek naar geld

26 april 1302


 In mijn boek ‘1302, het jaar van de mythe’, dat volgende week op de markt komt, kon ik, dankzij veel recent onderzoek in Frankrijk, ook heel wat ontdekken over de financiering van de oorlog en over wat er dan exact gefinancierd moest worden. De fiscus leverde toen al de olie om de oorlog mogelijk te maken. 


 Toen koning Filips IV (de Schone) in 1286 aantrad als nieuwe Franse koning ,erfde hij van zijn vader en grootvader een al stevig groeiende hofhouding en administratie. Ze hadden af en toe een leger nodig gehad, en ook dat proces diepgaand hervormd. Ijzer was de grote kost van een oorlog, minstens sinds de tijd van Karel Martel ruim vijf eeuwen eerder, toen de Frankische ruiters hun superioriteit gevestigd hadden met betere harnassen, betere zwaarden en zadels en betere beschermingen van hun paard.

 In het beste leger van de dertiende eeuw, het Franse ridderleger, bleef de tendens bestaan om de krijgers – de ridders te paard vooral – steeds beter te beschermen en te bewapenen, met dus steeds meer en steeds gesofisticeerder bewerkt ijzer. Filips’ vader trok daaruit in 1272 de conclusie dat een leger enkel nog kon bestaan uit betaalde manschappen. Die moesten naast eventuele buit van de oorlog en wat adellijke titels vooral een inkomen uit de schatkist krijgen om beloond te worden voor hun inzet en hun investering in de hele ijzerwinkel. 

 In mijn boek som ik gedetailleerde bedragen op, maar ga er maar van uit dat een fatsoenlijk beschermde en bewapende ridder, met ook nog eens een goed (en dus duur) paard, dat bovendien ook met ijzer beschermd moest worden, vele tientallen jaarlonen van een dozijn ambachtsmannen kostte. In wezen was het overigens beter een harde kern van excellent uitgeruste ridders te hebben dan een groot leger van slecht bewapende en slecht beschermde krijgers.

Joden

 Filips IV tilde dat allemaal naar een hoger niveau, om zijn ambities waar te maken. Hij gebruikte daarvoor ook goede juristen, maar een stevige krijger was nog altijd een veel krachtiger middel. Om dat te betalen had echter hij geld nodig, heel veel geld bovenop zijn normale inkomsten. En dus is hij minstens vanaf 1290, en tot aan zijn dood in 1314, blijven jagen op extra-belastinginkomsten.

 Eentje had hij al van zijn voorvaders geërfd, in samenspraak met de paus. Het volstond dat een oorlog ook het belang van die laatste diende, om hem tot ‘kruistocht’ uit te roepen, ook al had die niets met de herovering van Jeruzalem meer te maken. In dat geval kreeg de koning dus de toestemming van de paus om ook belastingen ophalen bij zijn eigen clerus. Dat de paus een flink percentje meekreeg, hielp uiteraard om kwistig om te gaan met het predicaat ‘kruistocht’. De Engelse koning ging spoedig hetzelfde truukje uitproberen. Het werpt een nieuw licht op het schijnbaar religieus enthousiasme van veel middeleeuwse koningen.

 Filips zelf zocht voor zijn eerste schraaptocht in de vroege jaren negentig meteen de meest vanzelfsprekende slachtoffers op: joden. Daarin was de Engelse koning hem voorgegaan. Joden vielen immers niet onder het kerkelijk verbod om rentes te innen op geleende bedragen, en dus werden ze meteen allemaal als woekeraars gebrandmerkt. En gepluimd, met alle mogelijke drogredenen.

 (De illustratie rechts is een schilderij van de Italiaanse schilder Paolo Ucello uit het midden van de 15de eeuw en heet ‘Mirakel van de ontheiligde hostie’. Het stelt een tafereel voor waarin een woedende massa het huis bestormt van een joodse koopman en zijn familie (links) omdat daar een hostie is beginnen bloeden (centraal op het schilderij). De koopman had de hostie gekocht van een vrouw die ze uit de kerk stal om aan een lening te geraken. Het schilderij slaat op een verhaal dat zich situeert in Parijs anno 1290, en dat daar ook zijn origine vond. Het werd mogelijk verspreid om de koning een motief te geven om joden extra te belasten)

 Zo ook de Italiaanse financiers, Lombarden genaamd. In beide gevallen werd de geplande pogrom vaak net afgehouden, doordat nogal wat hoge heren zowel joden als Lombarden nodig hadden om hen geld voor te schieten. Het compromis was dan meestal dat de koning zich tevreden stelde met een ‘afkooplening’, die uiteraard nooit werd terugbetaald.

Tempeliers

 In mijn boek vertel ik uitgebreid welke knepen de vorsten bedachten om hun eeuwige geldhonger te stillen. De belastingen waartegen in 1301 en 1302 zowel Brugge als Gent in opstand kwamen, waren van koninklijke oorsprong, ook al waren het de schepenen die een percentje meepikten waartegen de ambachten revolteerden. 

 Want belastingen innen gebeurde in die tijd uiteraard niet met belastingbrieven of zo. Neen, de koning besteedde de inning uit – soms zelfs weer aan Italiaanse bankiers. En de inners moesten dan maar met lokale autoriteiten onderhandelen en overeenkomen wat die moesten afdokken - en dus zelf gaan innen bij hun bevolking - op basis van de reglementering die de koning had afgekondigd. De inners moesten en mochten daarbij zelf hun winstmarge bepalen, op voorwaarde dat ze niet te veel onrust verwekten.

 Koning Filips leerde overigens een belastingkneep van zijn vazal en tegenstander, graaf Gwijde van Vlaanderen: als een stad onrustig was geweest en je had troepen moeten sturen om ze te onderdrukken, moest je als vorst niet zozeer kwistig zijn met terechtstellingen van oproerkraaiers, wel de stad een heel dikke boete opleggen om de schatkist te spijzen. 

 Dat was wat Filips deed na de vrede van Athis met Vlaanderen in 1305: in ruil voor de terugkeer van de grafelijke familie aan de macht zouden de steden, het opstandige Brugge voorop, zware boetes moeten betalen. Daarmee kon Filips tegenover zijn Parijse achterban, die morde over te hoge belastingen, meteen ook verkondigen dat de Vlamingen zouden betalen.

 De Vlaamse steden slaagden er echter in dat op de lange baan te schuiven en dus ging Filips in eerste instantie alweer de joodse inwoners van zijn koninkrijk pluimen. Dat bracht blijkbaar niet genoeg op zodat hij vanaf 1307 zijn gewelddadige en beruchte rooftocht op de Orde van de Tempeliers startte, met aarzelende instemming van de paus. Ook in dat verhaal zit dus een link met de Guldensporenslag. Dat uitroeien van de Tempeliers bracht overigens minder op dan Filips initieel had verhoopt.

 In mijn boek draait het vaak om centen. Je kan er lezen hoe Brugge er dan toch ook maar in slaagde een militieleger te financieren waarvan de uitrusting van elke infanterist vele jaarlonen van een ambachtsman kostte; hoe koning Filips finaal toch weer een leger naar Vlaanderen moest bekostigen om zijn geld op te eisen, daarin niet slaagde en zijn naaste medewerker daarvoor aan de galg eindigde.

 Hoe de koning probeerde een monopolie op het slaan van de munt te creëren om die des te beter te kunnen vervalsen en de extra inkomsten daaruit naar de schatkist te draineren; hoe finaal de koningen – ook de Engelse – verslaafd geraakten aan de financiering van de oorlog die hen meer geld en meer macht op hun onderdanen bezorgde dan in vredestijd, waaruit dan de oorlog is voortgekomen die honderd jaar zou duren.

 De middeleeuwen zijn vaak veel meer herkenbaar dan we vermoeden …




 


Sneuvelen aan tantes kasteel

23 april 2023


 Waarom vond de beroemde slag van 11 juli 1302, die pas twee eeuwen later de benaming ‘Guldensporenslag’ meekreeg, plaats in Kortrijk? Veldslagen voor de 20ste eeuw zijn doorgaans verbonden met namen van afgelegen dorpen, met veel velden en weiden om brede legers te laten maneuvreren, in Bouvines, in Azincourt, of in Waterloo. Kortrijk was in 1302 de keuze van de Fransen, omdat ze gehaast waren, en omdat er een kasteel werd belegerd.

 De slachtpartij van Brugge van vrijdag 18 mei 1302, die pas veel later de naam ‘Brugse Metten’ meekreeg, was de derde opstand van die stad in één jaar tijd. De Brugse stadsmilities verrasten en vermoordden die ochtend ruim honderd twintig Franse ridders en soldaten, al dan niet nog in hun slaap. Dat de Franse koning nu een leger zou sturen om bloedig af te rekenen stond buiten kijf. In alle diplomatieke pogingen om het conflict te beëindigen in de drie daaropvolgende jaren stond dat punt altijd bovenaan bij de Franse onderhandelaars: genoegdoening voor de ‘verraderlijke’ aanval van de Bruggelingen van 18 mei.

 Toch had koning Filips al op 7 mei beslist om de mobilisatie van heel zijn leger af te kondigen. Drie dagen later benoemde hij graaf Robert van Artois, zijn meest ervaren legerleider, tot opperbevelhebber van die troepenmacht. Dat was in eerste instantie om op het ergste voorbereid te zijn. Brugge was al sinds eind februari in opstand, Gent sinds 12 maart. 

 Bovendien zal hij misschien al vernomen hebben dat bij de Bruggelingen ook een telg van de familie van de graaf van Vlaanderen was opgedoken, Willem van Gulik, de neef van graaf Robrecht van Bethune. Die laatste hield de koning gevangen in het kasteel van Chinon aan de Loire. De hele overwinning van 1300 leek ongedaan te worden gemaakt. De opstand van de tweede en derde grootste stad van het koninkrijk vergde sowieso een forse aanpak.

Vaste verblijfplaats

 Tegelijk was er nu al een kleine Franse troepenmacht op weg naar Vlaanderen. Jacques de Châtillon, sinds twee jaar de landvoogd van Vlaanderen, had die, met de hulp van Artois, gerekruteerd na het uitbreken van de opstanden. Met in totaal 800 ruiters en 300 infanteristen moet hij rond 10 mei 1302 in Vlaanderen zijn teruggekeerd. 

 De koning had hem daarbij, vermoedelijk om de weinig diplomatieke landvoogd wat in te tomen, twee wijze en sluwe raadgevers meegegeven: Pierre Flote, de onmiddellijke rechterhand van Filips, en de bisschop van Auxerre. Vermoedelijk zijn zij het die op onderhandelingen met de opstandige Gentenaars hebben aangestuurd en met hen op 12 mei een akkoord bereikten. Daarvoor gaf het Franse hof heel veel toe aan de opstandelingen.

 Die onderhandelingen vonden plaats in Kortrijk, waar van oudsher een grafelijk kasteel stond dat de Châtillon sinds september 1301 liet uitbreiden met een zogenaamde dwangburcht, een vesting van waaruit een leger de nabije stad in bedwang kon houden. De stad Kortrijk had zich nochtans meteen overgegeven aan de Fransen in de oorlog van de koning met de graaf in 1297.

 De Châtillon lijkt van Kortrijk zijn vaste verblijfplaats te hebben gemaakt als hij in Vlaanderen vertoefde. Eens het akkoord met de Gentenaars rond was, kon hij met zijn troepen oprukken naar het nu geïsoleerde Brugge. Dat draaide uit op de Brugse Metten van 18 mei. De landvoogd ontsnapte op het nippertje aan de dood, en hij keerde hals overkop met wat overbleef van zijn troepen naar Kortrijk weer. Die posteerde hij daar, alvorens zelf verslag te gaan uitbrengen bij de koning, die aan het jagen was in de bossen tussen Compiegne en Soissons. Pierre Flote trok met een ander deel van de overblijvende troepen naar Rijsel.

 Rijsel en Kortrijk waren anno 1302 strategische locaties in de eeuwenoude invalsroute vanuit Frankrijk naar het noorden, die tussen Leie en Schelde liep. Julius Caesar gebruikte die route waarschijnlijk al in 57 voor Christus, en ook de Britse legers van generaal Montgomery begonnen in september 1944 langs dat gebied aan de bevrijding van België.

 In de eerste week van juni 1302 werd duidelijk dat de opstandige Bruggelingen, inmiddels militair begeleid door Willem van Gulik, en Gwijde van Namen, een jongere broer van graaf Robrecht, zelf op veroveringstocht door het graafschap trokken. Met succes, omdat in de onrustige steden en bij de boeren op het platteland heel veel sympathie leefde met de Bruggelingen. Ze hadden tegen dan al Saint-Omer veroverd, rukten op naar de vesting Kassel, kregen ook Oudenaarde en Ieper in handen. 

Kleiner leger

 De koning en Artois wijzigden toen hun plannen. Zoals altijd liep de op 7 mei afgekondigde mobilisatie van heel het leger van de koning vertraging op en beseften beiden dat de troepen in het beste geval pas half juli in Arras paraat zouden zijn. De kans was dus groot dat ook drie cruciale steden die de Fransen nog in handen hadden - Rijsel, Kassel en Kortrijk - in handen van de opstandelingen zouden vallen.

 En dus besloten Filips en graaf Robert meteen een kleinere troepenmacht te sturen, waarvoor Artois zou rekruteren in zijn netwerk in het noorden van Frankrijk. Een kleiner leger dus, maar wel met de feitelijke elite van de koninklijke troepen aan boord. Nu Gent was afgehaakt bij de opstandelingen was meer misschien ook niet echt nodig. Die strijdmacht kon al op 23 juni vertrekken in Arras, al duurde het nadien een week alvorens zij Rijsel binnenrukte en voor de Fransen veiligstelde. Vandaar vertrok de troepenmacht omstreeks 4 juli naar Marquette, ten noorden van Rijsel.

 De Vlaamse troepen waren inmiddels, onder leiding van Willem van Gulik, op 9 juni aan de belegering van het Franse garnizoen in het kasteel van Kassel begonnen, nadat de stad zich meteen had overgegeven. Een andere Vlaamse troepenmacht, onder leiding van Gwijde van Namen, begon op 23 juni aan de belegering van het kasteel van Kortrijk, nadat ook daar de stad meteen het Vlaamse kamp had gekozen. 

 De belegering van het kasyeel verliep niet zonder slag of stoot. De Franse troepen, ongeveer vierhonderd man onder leiding van Jean, de burggraaf van Lens, verdedigden zich verbeten. ‘Ze schoten naar buiten, en stichtten brand’, vertelt Lodewijk van Veltem. ‘Zo vernielden ze systematisch een groot deel van de markt, het mooiste en beste stuk van de stad. Ze schoten pijlen met ijzeren bouten, die gensters maakten, die snel ontbrandden, en die klonken als gespannen snaren als die tegen een wand vlogen.’ -

 Gwijde van Namen moet uit de troepenbewegingen van Robert van Artois begrepen hebben dat Kortrijk na Rijsel zijn volgende doel zou zijn. Onmiddellijk na zijn aankomst in de Leiestad stuurde Gwijde een boodschapper naar Gulik om die te vragen het beleg van Kassel op te geven en alle Vlaamse troepen in Kortrijk te bundelen. Zo gebeurde ook, op 26 juni.

 Het kasteel van Kortrijk lag net buiten de stadsmuren vlakbij de Onze-Lieve-Vrouwekerk, waar er nu nog wat fundamenten van te zien zijn. De Vlamingen sloegen om het te belegeren hun tenten op in de open vlakte net buiten de muren, aan de oevers van de Leie, en tussen twee beken – de Grote Beek en de Groeningebeek – die heel het terrein afzoomden.

Tantes kasteel

 Het is daar dat Robert van Artois ze zag bij zijn verkenning nog voor het ochtendgloren van 11 juli. De Fransen, die op zondagavond  8 juli aan de Pottelberg in het zuidoosten van Kortrijk waren toegekomen, hadden inmiddels nog een urgentie bij: door de Vlaamse verovering van Oudenaarde was de graanbevoorrading van Gent via de Schelde al enkele weken door de Bruggelingen afgesneden. Uit de grootstad en bondgenoot van de Fransen kwamen berichten van een groeiende hongersnood. 

 De vierhonderd Franse soldaten van het kasteel speelden overigens ook een rol in de veldslag van 11 juli zelf. Toen een Franse doorbraak mogelijk leek, deden ze een uitval die echter afgeslagen werd door de Ieperlingen. Dat leverde een aparte scene op in het voorpaneel van de kist van Oxford waarover we het al herhaaldelijk hadden (zie foto hiernaast). Op de tunieken van de milities die de ruiter opvangen die uit het kasteel komt gestormd is duidelijk het kruis van Lotharingen te herkennen, dat in het stadswapen van Ieper werd (en ook nu nog wordt) gebruikt 

 Bij zijn verkenningsronde die morgen van 11 juli rond Kortrijk heeft graaf Robert van Artois misschien ook herinneringen opgehaald. Hij was als klein kind, ruim veertig jaar voordien, een tijdlang daar grootgebracht in het kasteel door de zus van zijn moeder, die zelf ook weduwe was van de oudere broer van graaf Gwijde van Vlaanderen. Kende hij het terrein nog, of was zijn herinnering vervaagd? Dacht hij met weemoed of met bitterheid aan zijn tante? Het was hoe dan ook het laatste ochtendgloren dat de bijna 52-jarige graaf zou beleven.


Zierikzee in Genua, met Vlaamse leeuw

20 april 2023


 In onze vaderlandse geschiedenissen – zowel die van Nederland als die van België – haalt de gebeurtenis nauwelijks nog een voetnoot. Maar in één van de meest prestigieuze palazzo’s van Genua is er vierhonderd jaar geleden een heel plafond aan besteed: de zeeslag bij Zierikzee van 10 en 11 augustus 1304, één van de grootste uit de West-Europese middeleeuwen.

 La Superba, zo noemde Ilja Leonard Pfeijffer zijn roman die hij aan zijn nieuwe thuishaven besteedde. Genua, de oude havenstad aan de Ligurische Zee, met zijn nauwe oprijzende straatjes tussen vijf verdiepingen hoge oude gebouwen en palazzo’s. Op twee minuten van het midden van de oude havengeul, kom je zo aan de Piazza di Pellicara, zo smal dat je ze nauwelijks een Piazza kan noemen. Er komt even weinig zon door als in de belendende straten.

 Daar ligt ook het Palazzo Spinola. Het werd gebouwd als Palazzo Grimaldi in 1593 door een telg van de familie met die naam, op de plek waar ook voorheen hun verblijf stond. De Grimaldi’s behoorden tot de machtigste families van de stadstaat Genua, die in de middeleeuwen floreerde als handel, scheepvaarts- en financieel centrum. 

Rubens

 Maar in 1650 had de familie zoveel schulden dat ze haar paleis moest verkopen, aan een andere rijke Genuese stam, de Pallavicino’s. Later kwam het in de handen van de familie Doria terecht, en uiteindelijk, aan het einde van de 18de eeuw bij nog zo’n beroemde clan, de Spinola’s. Daarvan zouden de laatste telgen anno 1958 het paleis aan de Italiaanse staat schenken. Die bouwde het, met alle prestigieuze kunsstukken die er verzameld waren, uit tot een museum, de Galeria Nazionale di Liguria. Van Peter Paul Rubens, die er in 1606 verbleef, hangt er het ‘Ruitersportret van Giovanni Carlo Doria’

 De naam Grimaldi doet bij u ongetwijfeld een belletje rinkelen. Juist ja, de prinsen van Monaco vandaag heten ook zo. Logisch, want Monaco behoorde in de middeleeuwen tot de stadsstaat Genua en de Grimaldi’s waren er de plaatselijke heren. Ze verwierven in de loop der eeuwen een grote autonomie ten opzichte van de stad (bijna 200 km daar vandaan langs een woeste kustlijn), maar daar ging veel vallen en opstaan aan vooraf in de vele intriges tussen de dominerende families van een Italiaanse grootstad.

 Zo heette één van de eerste telgen die we kennen Ranieri (net als de prins die met Grace Kelly was gehuwd), die in 1301 verjaagd werd uit Monaco en Genua. Hij bezat een vloot galeien en stelde die toen maar ten dienste van de meest biedende. Dat bleek de koning van Frankrijk te zijn, Filips de Schone. Die plande in 1304 zijn beslissend offensief tegen het leger van de Vlaams stadsmilities die hem op 11 juli 1302 in Kortrijk vernederd hadden.

Renesse

 Die Vlamingen waren in 1303 met een vloot vanuit Sluis naar Zeeland gevaren om dat gebied te veroveren, dat al decennialang een twistappel was tussen de graven van Vlaanderen en Holland. Holland was sinds 1299 een erfenis was geworden van de graaf van Henegouwen, met wie de graaf van Vlaanderen ook al een halve eeuw lang in een aanslepende vendetta verwikkeld was.

 De Vlamingen werden geleid door Gwijde van Namen en Jan van Renesse, hun aanvoerders in Kortrijk in 1302. Gwijde was door zijn vader altijd Zeeland beloofd. Renesse was een Zeeuwse edelman die behoorde tot het pro-Vlaamse kamp daar en die in de permanente machtsstrijd om Zeeland in 1298 al zijn bezittingen had verloren. De stad Brugge betaalde de Vlaamse vloot, omdat zij op die manier ook hoopte verlost te geraken van de Zeeuwse kapers in het eilandengebied. 

 Al in 1303 wisten de Vlamingen heel Zeeland te veroveren, op Zierikzee na. Het jaar nadien gingen zij opnieuw in het offensief. Zij drongen door tot in hartje Holland, Leiden zelfs, en veroverden de bisschopsstad Utrecht. Ook de hertog van Brabant begon nu een oorlog tegen Holland. Tegen zoveel overmacht ontstond verzet in de Hollandse steden, ook in de grootste, Dordrecht, die zich eerst had overgegeven. 

Ranieri

 Gwijde van Namen moest zich terugtrekken op zijn positie van het jaar voorheen, en begon in mei een nieuwe belegering van Zierikzee, die drie maand zou aanslepen. Willem, de zoon van de graaf van Henegouwen die de strijd in Holland leidde, wist dat er hulp zou komen: Filips de Schone had een machtige vloot uitgerust, met koggen uit Calais, en twintig galeischepen met roeiers van Ranieri Grimaldi. Daar voegden zich ook enkele Henegouws-Hollandse koggen aan toe, samen een veertigtal schepen.

 Die doken op 10 augustus 1304 voor Zierikzee op, waar de Vlaamse vloot hen opwachtte. Hoe de strijd verliep vertel ik in mijn boek ‘1302, het jaar van de mythe’. Maar finaal won de Frans-Holland-Genuese combinatie. De zeeslag, die anderhalf dag duurde, leverde aan beide kanten elk een kleine duizend doden op. De Vlamingen zagen nog eens duizend van hun manschappen in gevangenschap gaan. Van de 28 schepen die Brugge bekostigde keerden er maar tien weer. Zeeland was voortaan Hollands.

 Driehonderd jaar later, omstreeks 1615, gaf Francesco Grimaldi, de bewoner van het nieuwe paleis aan de Piazza di Pellicara in Genua opdracht aan de schilder Lazzaro Tavarone om op het plafond van de tweede verdieping de glorierijkste episode uit het leven van de meest prestigieuze voorvader van de Grimaldi’s uit te beelden.

 Die deed dat en zoals het hoorde: centraal in het beschadigde plafond staat Ranieri afgebeeld als een heuse Romeinse veldheer die een triomftocht houdt met horden (Vlaamse) gevangenen achter zich. Rondom het plafond is de zeeslag zelf in vier taferelen uitgebeeld, waarbij de verschillende profielen van galeien en koggen duidelijk te herkennen zijn, naast de rood-witte Genuese vlaggen en de Franse fleur de lys.

 Als het wat meevalt – er hapert soms wat – kan u op de website van het Palazzo ook een virtuele rondleiding langs het plafond vinden. Op de prent hiernaast is ook de Vlaamse leeuw te zien, die minstens tweemaal voorkomt op het Genuese plafond. Het tafereel stelt het hoogtepunt van de strijd voor. Linksachter het brandende Zierikzee.

De essentie van 11 juli 1302


 17 april 2023


Geheel terecht heeft de eind 2013 overleden Jan Frans Verbruggen, de historicus die tot in alle details de militaire analyse van de slag van 11 juli 1302 nabij Kortrijk heeft gemaakt, altijd extra aandacht opgeroepen voor dit tafereel van de veldslag op de kist van Oxford (over de kist: zie de notitie van 3 april op deze blog).

 De houtsnijder die de voorplaat van de kist heeft vervaardigd, in een voor het jaar 1300 nog vrij primitieve stijl, heeft immers gewild of ongewild weergegeven hoe de Vlaamse stadsmilities daar bij Kortrijk geopereerd hebben. We leren uit dit beeld meer daarover dan uit de eigentijdse kronieken.

 Bekijken we eerst dit stuk, de rechterzijde van het tafereel. Je ziet er allerlei soldaten dicht op elkaar staan, met uiterst rechts een lans en daaronder een reeks andere lansen of misschien zelfs goedendags, de fameuze knotsen met een piek. Onderaan ligt de kop van een gesneuveld paard. Goed om weten is dat dit paneel aan de rechterkant in de loop der tijden is afgeschaafd. 

 Boven de lans zie je ook een kruisboog en een schutter die hem vasthoudt. Dat was allemaal essentieel in de opvang van de charge van de beste ruiterij van die tijd. We komen daar in de uitleg bij het beeld hiernaast op terug.

 Achter de schutter duikt een forse figuur op. Die is geïdentificeerd als Gwijde van Namen, vanwege zijn leeuwenschild met een streep erdoor. Hij komt ook op een ander tafereel op de kist op die manier voor. Achter hem staat een wat kleinere man met ook een leeuw op de schouderplaat. Men vermoedt dat dit Willem van Gulik is, de neef van Gwijde uit het Rijnland, en op dat moment ook proost van de Sint-Servaaskerk in Maastricht.

 Gwijde draagt een zwaard, Gulik overduidelijk een goedendag. Beiden hebben, zoals ook in de kronieken vermeld staat, een gewone militiehelm opgezet, niet de ronde haast volledig gesloten harnashelm die ruiters droegen. Ze waren immers net voor het begin van de slag, voor het oog van de Vlaamse stadsmilities, van hun paard gestapt en hadden tussen de infanteristen plaatsgenomen, met dezelfde bewapening en bescherming als zij. Psychologisch een sterk staaltje.

 De identificatie van de personen op de kist van Oxford vind je uitvoerig in het artikel van Luc Devliegher (zie onze nota van 3 april) en in detail terug in het Museum ‘Kortrijk 1302’ dat tegenwoordig is opgesteld in de Gravenkapel van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Kortrijk, net als de kist van Oxford (minstens nog tot juli dit jaar). Hier nogmaals de link: https://www.kortrijk1302.be/nl

 Daar heeft men ook de wapenschilden geïdentificeerd die de militieleden dragen die Gulik volgen. De eerste twee zijn een kruis, vermoedelijk van ofwel de kruisboogschutters, of van Hendrik van Lontzen, een huurling-ridder uit het land van Maas en Rijn, en een leeuwenvaandel. Dan twee bijlen, de timmerlieden dus. Nog een leeuwenvaandel. Dan de smeden (hoefijzer en hamer), dan de metsers (truweel en winkelhaak), en de makelaars (vier palen). Het laatste schild zou dat van Pieter de Coninc zelf zijn, een kruis met vier kronen.

 Verbruggens punt destijds was altijd: merk vooral hoe goed uitgerust die militieleden zijn. Goeie ijzeren helmen, en van kop tot teen ingekleed in maliën (kledij die gemaakt is van aan elkaar verbonden kleine ijzeren ringen om de slagen op te vangen) en metalen handschoenen, beenplaten en schoenen. Ook de tunieken ogen stevig, al is niet duidelijk of die van leer of metaal zijn. Elk van de soldaten heeft een forse goedendag vast.

 Die metalen uitrustingen en wapens kostten toch een pak geld, vermoedelijk een paar jaarlonen van een ambachtsman. Vandaar het essentiële punt: blijkbaar kon een stad als Brugge, weliswaar met behulp van het Vlaamse ommeland, dat allemaal betalen (zelfs zonder veel in het rood te gaan, zoals ik in mijn boek uitleg). En is dat de betekenis van de slag van Kortrijk. Daar kwam aan het licht dat een grootstad, zoals het economisch geavanceerde graafschap Vlaanderen er anno 1300 een paar had, voortaan in staat was een leger uit te rusten dat op zijn minst niet geheel kansloos was tegen dat van de koning van Frankrijk, die tot dan gold als de vorst met het machtigste leger in West-Europa. 



De Vlaamse falanx

 Nog binnen hetzelfde tafereel schijnt de houtsnijder van de kist van Oxford te hebben willen aantonen hoe de Vlamingen de slag wonnen. Achter de soldaat met de banier van Pieter de Coninc (zie de nota hiernaast) stormt een ridder te paard op drie leden van de Vlaamse stadsmilities af. 

 De ridder, met een duidelijk Andreaskruis op zijn wapenschild (het zou om Jan van Sijsele gaan, een leliaard), draagt een gesloten helm en ook zijn paard lijkt goed beschermd. Maar één militielid vangt hem op met een lans, een tweede (rechts van hem) steekt een zwaard onderaan in de hals van het paard, een derde wacht achterin met ook nog een zwaard. Het schild boven het hoofd van de derde soldaat, de kleinste, hoort bij het aansluitend tafereel, over de strijd aan het kasteel van Kortrijk, waarop we later nog terugkomen.

 Samen met het beeld van de talrijke goedendags en de lans uiterst rechts op het tafereel (zie beeld hiernaast) geeft dit goed aan hoe goed de charge van de Franse ruiterij – toch acht eenheden van zo’n tweehonderd ridders te paard – opgevangen werd. De Vlaamse milities vormden een gesloten, goed bewapende falanx.

 Essentieel daarin was bevel van Jan van Renesse, de Zeeuwse opperbevelhebber van de Vlamingen, om geen gevangenen te maken (die men traditioneel dan wegvoerde om nadien losgeld te kunnen innen). Dus slachtten de Vlaamse milities elke gevelde Franse ridder gewoon af, en hielden ze zo die falanx min of meer goed gesloten. Zo hebben de Fransen zich, mede benadeeld door het drassige terrein en de noodzakelijke sprong over de beken waarachter de Vlamingen zich hadden opgesteld, voor een groot stuk te pletter gereden. Zoals een paar van hun leiders, die zelf ook omkwamen, in de bespreking van de tactiek vooraf, hadden gewaarschuwd.

 Meer over dit alles, onder meer over de nieuwe macht van Brugge, uiteraard in mijn boek dat op 3 mei verschijnt en dat je nu al kan bestellen:

https://www.rolffalter.com/1302-het-boek




De Franse roots van Vlaanderen

12 april 2023


 Het voorbije Paasweekeinde was ik in Noord-Frankrijk. Eerst in Mons-en-Pévèle, zowel voor het historische slagveld van 1304 (beschreven in mijn nieuw boek 1302, het jaar van de mythe) als om eens Parijs-Roubaix van dichtbij te zien. Daarna in en om Saint-Omer, om als toerist en bibliotheekbezoeker wat meer te vernemen over het verleden van die ingeslapen stad met een fascinerend verleden. Ik heb die in een ander boek, België een geschiedenis zonder land, ooit wat stoutmoedig als ‘de wieg van het Westen’ omschreven.

 Het drukte me allemaal ook weer met de neus op de Franse roots van Vlaanderen: Saint-Omer was de eerste stad in het graafschap Vlaanderen die tot ontwikkeling kwam, de eerste die stadsrechten verwierf, en die nadien tegen anno 1300 uitgroeide tot een heuse middeleeuwse grootstad van naar schatting 35.000 inwoners. De eerste graven van Vlaanderen lagen daar begraven totdat de Franse Revolutie hun gebeentes bij het afval sorteerde.

Polders

 Wat mij al lang intrigeert is of het ook daar is dat het indijkingsproces is begonnen dat vermoedelijk de landerijen creëerde waarop de unieke stedelijke ontwikkeling in Vlaanderen in de middeleeuwen op gang kwam. Het polderproces dat vandaag vooral Nederland wereldberoemd heeft gemaakt. Zeker is dat de eerste kanaliseringswerken van stromen en zee in het noorden van Europa daar ooit begonnen zijn rond de complexe bedding van de Aa en haar nog complexere monding in de zee. 

 Zeker is ook dat vanaf de vroege elfde eeuw op die manier pogingen ontstonden om de zee in te dijken, en terug te dringen. Benedictijnen, cisterciënzers, de graven van Vlaanderen en de eerste stedelingen maakten daar een eeuw later een ware goldrush van, een beleggingsbubble in nieuw land, waarbij, op instigatie van graaf Filips van den Elzas ook havens als Grevelingen (Gravelines) en Duinkerke werden gesticht. Graaf Filips is trouwens de aartsvader van de zogenaamde ‘wateringen’ (‘les wateringues’ heet dat in Saint-Omer). 

 Schrik dus niet als je in en om Saint-Omer quasi Hollandse landschappen aantreft, met molens en groene, drassige weiden doorsneden door kanalen, en omringd door moerassen en vijvers. Ze zijn alleen wat slordiger onderhouden dan bij onze noorderburen. Roest op een ouderwetse ijzeren ophaalbrug bestrijdt men in Holland snel met verf, in deze streek laat men de oxidatie vrij spel. De foto hierbij is genomen in Haut-Ponts, een wijk van Saint-Omer. 

Slagvelden

 Verhalen die met ons verleden te maken hebben vind je ook in Arras dat al in de elfde en twaalfde eeuw en dus voor Brugge opbloeide als bankiers- en textielcentrum. Je vindt ze in Hesdin, met zijn fraaie kasteel dat door de graven van Artois (onder wie vooral de in Kortrijk in 1302 gesneuvelde Robert II) werd gebouwd, door de Bourgondische hertogen binnen de Nederlanden werd uitgebouwd, maar finaal in 1553 door een gefrustreerde keizer Karel met de grond werd gelijkgemaakt. De keizer deed dat toen trouwens ook met de vijftienhonderd jaar oude bisschopsstad Thérouanne, eeuwenlang verantwoordelijk voor het zielenheil van onder meer Ieper en onze Westhoek.

 En natuurlijk zijn er de locaties die tot eind de zeventiende eeuw altijd deel hebben gemaakt van het graafschap Vlaanderen: Rijsel en Douai, de vierde en vijfde grootste stad daar in de middeleeuwen, Steenvoorde, waar de Beeldenstorm begon, Duinkerke, Kassel, Sint-Winoksbergen, Belle, en Hazebroek. Veel ervan zijn ook oude slagvelden: Bouvines, Mons-en-Pévèle (zie ons vorig artikel over beide), Kassel, Malplaquet, Hondschoote, Enguinegatte, Duinkerke, Grevelingen en uiteraard de hele frontlijn van Ieper tot Péronne in de Eerste Wereldoorlog. Arras lag toen op die frontlijn, Rijsel en Douai waren, zoals België, vier jaar in Duitse handen. 

Taal

 Taalkundig is nog niet alles uitgeklaard, maar zijn de grote polemieken van het verleden wel verdwenen. Zodra de volkstaal doorbrak in de dertiende eeuw zijn de documenten van Saint-Omer overwegend Franstalig, maar heel lang ook vrij regelmatig Nederlandstalig geweest. Hele wijken van de stad (onder meer die op de foto) hadden tot diep in de negentiende eeuw een bevolking die overwegend een variant van het Westvlaams bezigde. 

 Ten noorden van de Aa, en eigenlijk tot aan de Leie (die ook nu nog vaak de grens vormt van de départements Nord en Pas-de-Calais) moet de bevolking op het grondgebied van het oude graafschap overwegend Nederlandstalig geweest zijn (met adel en dus ook de hogere geestelijkheid Franstalig). Tussen Leie en Schelde (met Rijsel, Douai - en ook Mons-en-Pévèle) sprak ze sinds mensenheugnis overwegend Picardisch-Frans (le chti, zoals ze dat daar ginds noemen, een begrip dat heel Frankrijk kent sinds de film Bienvenue chez les Chtis uit 2008.

 De Vlaamse taal in Noord-Frankrijk is misschien wel één van de grootste slachtoffers geworden van de collaboratie van veel Vlaams-nationalisten met de nazi’s in de Tweede Wereldoorlog, hoor je hier. Ouders en leraars waren te beschaamd om die taal nog aan hun kinderen door te geven. De laatsten die van kindsbeen af thuis Vlaams spraken, zijn aan het verdwijnen.

Le lion de Flandre

 Tegelijk is er een verbazend cultureel-identitaire revival bezig van la Flandre française. Sinds de eerste bescheiden decentralisatie door president Mitterrand in de jaren tachtig, en vooral door de groeiende afkeer van het blijvend Parijs centralisme, worden de Vlaamse roots van deze streek gecultiveerd en bijwijlen gesublimeerd. Onder meer in deze officiële toeristische website:

https://www.coeurdeflandre.fr/

 Verbijstering alom overigens toen de amateur-voetbalclub US Pays de Cassel (gelegen in Arneke 10 km ten westen van Kassel) dit voorjaar de zestiende finales van de beker van Frankrijk bereikte, en dus tegen PSG mocht spelen (Paris Saint Germain voor de niet-kenners, met Manchester City de rijkste voetbalclub ter wereld). Geel-zwarte sjalen en een pak leeuwenvlaggen waren ook te zien in het stadion van het grote Lens, waar Kylian Mbappé en co. op 23 januari de kleine club met 0-7 inpakten. Hier de beelden van de het feest bij de kwalificatie, waarop overigens iedereen louter Frans spreekt:

https://flandres.fff.fr/videos/?gid=132

 Ik hoorde zondag trouwens ook louter Frans spreken door een groepje met leeuwenvlaggen in Mons-en-Pévèle, aan de rand van de koers. Overigens weten we via de RTBf ook dat sinds twee jaar de locale variant van het ‘Westvlaams’ – niet het algemeen Nederlands - als officiëel erfgoed is erkend geworden door de Franse overheid in Parijs. Men mag er dus les in geven en dat doen ze dan ook meteen, in Cassel/Kassel, andermaal in perfect Frans:

https://www.rtbf.be/article/le-flamand-est-reconnu-comme-langue-regionale-en-france-il-pourra-y-etre-enseigne-10907994

https://www.anvt.org/fr/

Stille horizonten

 Fascinerend toch allemaal? En het zoveelste bewijs dat identiteitsgevoelens wel degelijk bestaan, ongetwijfeld vooral irrationeel zijn, en daarom ook complex en niet in simplismen te vatten. De ongedwongenheid waarmee de Fransen hun Vlaamse roots cultiveren, zou ons ertoe moeten aanzetten, zeker nu de taalstrijd helemaal gestreden is, ons Franstalig erfgoed in Vlaanderen terug op te poetsen, te beginnen uiteraard met Charles De Coster, Georges Rodenbach, Emile Verhaeren, Maurice Maeterlinck. 

 Inmiddels is er een nog veel betere reden dan die Vlaamse roots van Noord-Frankrijk om het hele gebied van het oude graafschap in Noord-Frankrijk te bezoeken. De hele regio is groter dan Oost- en West-Vlaanderen samen, bijna veertig kilometer diep vanaf de Belgische grens en 120 km van Douai tot Duinkerke. 

 En er zijn vooral heel veel lege, vlakke en stille horizonten te zien n te beleven, zoals je ze in ons Vlaanderen niet meer vindt. Als ergens vrede heerst, dan hier wel in deze eeuwenoude brede zone van ongebreidelde oorlogen. En de Franse vertaling van ‘stikstof’ heb ik nergens gehoord.


Mons-en-Pévèle

7 april 2023

Zondag wordt de wielerklassieker Parijs-Roubaix gereden, de mooiste, brutaalste en meest legendarische van alle wielerwedstrijden. De wedstrijd is vooral bekend door het eindeloze gedokker over kleine en oude kasseiwegjes, waarop de sterkste bijna altijd erin slaagt zich af te scheiden van de rest.

 Eén van die kasseistroken is die van Mons-en-Pévèle. Niet zomaar één, maar één die van de organisatoren een vijfsterrenquotering meekrijgt, de hoogste categorie inzake hard labeur. De twee andere zijn het fameuze Bos van Wallers-Arenberg en de voorlaatste strook, de Carrefour de l’Arbre. Die van Mons-en-Pévèle is de langste van de drie: drie volle kilometers. Ze ligt op 42 kilometer van de aankomst. Vaak slaat de latere winnaar daar al toe, al dan niet nog begeleid met enkele compagnons.

 Als je een idee wil van hoe hard het daar aan toe gaat, dan zijn er op youtube voldoende filmpjes te vinden van wielertoeristen die met een Go-Pro of smartphone hun parcours op de kasseistrook hebben vastgelegd. Deze is een mooie:

https://www.youtube.com/watch?v=Nbhw1H56Ajw&t=192s

 De kasseistrook ligt ten noorden van het vredige dorp van 2000 inwoners. Voor historici daarentegen is het zuiden van Mons-en-Pévèle beter bekend, zoals zichtbaar achter de kerk op de foto (van het gemeentebestuur aldaar). Want daar speelde zich op 18 augustus 1304 een veldslag af, tussen het leger van de Franse koning Filips en de Vlaamse stadmilities die al twee jaar tegen hem in opstand waren.

 Het was de eerste rechtstreekse frontale confrontatie tussen beide legers sinds de onverwachte nederlaag van de Fransen in Kortrijk op 11 juli 1302. Daarom wordt de slag, al dan niet smalend, soms ook ‘de revanche van 1302 genoemd’.  Het gevecht speelde zich af tussen de kerk en de eerste rij hagen in de achtergrond, over een kleine kilometer, met de Vlamingen komende van rechts (het westen), de Fransen van links (het oosten). Eigenlijk ligt het terrein er bijna helemaal nog zo bij als toen.

 Het verhaal van de dag zelf is complex. Twee jaar lang waren de legers die elkaar in Kortrijk hadden bevochten elkaar ontweken, op wat bloedige schermutselingen na, totdat ze in Mons-en-Pévèle elkaar niet meer konden ontwijken. Op die 18de augustus konden de Fransen nipt winnen, zonder daarom het Vlaams leger te vernietigen. De militaire machtsverhoudingen die in Kortrijk waren ontstaan – een soort van evenwicht tussen het Franse ridderleger en het militieleger van de Vlaamse steden – werden er niet door gewijzigd.

 Hoe beide partijen met dat gegeven omgingen, hoe de Vlaamse aanvoerder Willem van Gulik in Mons-en-Pévèle sneuvelde, hoe er onderhandelingen plaatsvonden tijdens de slag zelf nog, hoe het verhaal vele eeuwen later, in 1841, een geweldig schilderij opleverde dat nog steeds te zien is in het paleis van Versailles, vertel ik u verder in mijn boek: ‘1302, het jaar van de mythe’. Nog even geduld, tot 3 mei, al kan u het al reserveren bij https://www.lannoo.be/nl/1302-%E2%88%92-het-jaar-van-de-mythe



Carrefour de l'Arbre

 En nu we het toch over Parijs-Roubaix hebben. Er ligt nog een oud slagveld pal langs de laatste vijfsterrenstrook van de wielerklassieker, de Carrefour de l’Arbre. Het slagveld dat we bedoelen is dat van Bouvines van 27 juli 1214, waar de Franse koning Philippe-Auguste met zijn ridderleger dat van de Duitse keizer en de graaf van Vlaanderen versloeg.

 Die cruciale veldslag van de middeleeuwen wordt gezien als het moment waarop de Franse monarchie erin slaagde sterker te worden dan zowel de graaf van Vlaanderen, als de Duitse keizer en de wat eerder verslagen Engelse koning. Honderd jaar geleden was dit aanleiding tot een hyper-nationalistische verering van de plek, onder meer met een grote plechtigheid naar aanleiding van de zevenhonderdste verjaardag op 27 juli 1914, vier dagen voor het begin van de Eerste Wereldoorlog. Eind 19de eeuw al bouwden de Fransen een herdenkingskerkje in Bouvines, met glasramen met het trotse verhaal van de slag. Het staat er nog steeds.

 En dus moet je wel wat opletten. De veldslag heet Slag bij Bouvines, omdat precies daar het kampement lag van de Franse troepen, de overwinnaars dus. Dat is niet ongewoon: Waterloo is de naam van de veldslag die vooral bij Quatre Bras werd gevoerd, maar heet zo omdat Wellington in Waterloo zijn overwinningsmelding voor Londen schreef. Voor de rest weten we dat die zondag 27 juli 1214 de Fransen van Doornik naar Rijsel trokken langs de oude Romeinse heirbaan en daarvoor de brug van Bouvines over de Marque moesten oversteken (ten westen van dat dorp). 

 De legers van de Duitse keizer en de graaf van Vlaanderen achtervolgden hen op dat pad die ochtend. Wat we van een kroniekschrijver ook nog weten is dat koning Philippe-Auguste op een bepaald moment is afgestapt en onder een boom is gaan rusten of drinken (want het was snikheet, net als in Mons-en-Pévèle in 1304). Dat tafereel is al lang de inzet van speculaties of de Franse koning, die officieel gesteld had niet te zullen vechten op de Dag des Heres zoals de kerk voorschreef, niet bewust getalmd heeft om zijn Duitse tegenstander tot de onvermijdelijke botsing te dwingen.

 Maar er bestaan vooral allerlei buitensporige vaderlandslievende verhalen rond dat ene tafereel. En zo heeft het Franse vaderland daar in 1934 ook aartsfier een kapel gebouwd die in de plaats kwam van een oud verdwenen groot kruis met Christus dat ergens in de mist der tijden ooit opgericht is tussen een aantal bomen ten oosten van Bouvines. Als eerbetoon aan Philippe-Auguste, en onder een boom. Daarom heet de kapel Chapelle de l’Arbre, kreeg de hele plek de naam l’Arbre. 

 Of dat allemaal juist is, weten we niet, want wat verderop in Bouvines cultiveren ze een fontein onder een boom waar de koning ook gedronken zou hebben. En om het nog wat ingewikkelder te maken ligt de Carrefour de l’Arbre, de beruchte kasseistrook van Parijs-Roubaix, zo’n vijfhonderd meter noordelijker.

 Om een lang verhaal kort te houden: eigenlijk volgen drie zware kasseistroken van Parijs-Roubaix elkaar snel op in de finale, van Camphin-en-Pévèle via l’Arbre (met de beroemde brasserie) tot in Gruson. Wie in dat laatste dorpje binnenrijdt is op 12 km van de aankomst, en heeft enkel nog een korte relatief gemakkelijke kasseistrook vlak voor Hem voor de wielen.

 Nu liggen die drie kasseistroken precies in wat het slagveld van Bouvines was. De bijgevoegde kaart van Nord-Découverte geeft de drie locaties aan, en Bouvines zelf links onderaan. De blauwe stippenlijn moet de opstelling van de Franse troepen in 1214 voorstellen, de gele die van de graaf van Vlaanderen en de Duitse keizer. Zo afgelijnd zal het wel niet geweest zijn, maar de indicatie dat het daar was, in dat brede gebied tussen Camphin-en-Pévèle en Gruson, staat buiten kijf. Aan het begin van de kasseistrook in Camphin staat trouwens een bordje aan een boerderij: Voie romaine.

 Kijk dus met iets andere ogen zondag. Zonder daarom de wedstrijd zelf te verwaarlozen, uiteraard. 













Het boek over 1302, nog één maand


3 april 2023 

Exact over een maand brengt Lannoo mijn jongste boek op de markt. Het heet ‘1302, het jaar van de mythe’, is 350 blz. dik en kost 29,99 €.

 Nieuw is vooral dat ik nog meer besef hoe groot de internationale vertakkingen van de strijd toen waren. Te beginnen met de kerk en de paus, maar ook met de machtige hertog van Brabant, de Engelse koning en het trek- en duwwerk aan de Franse noordergrens rond Vlaanderens buren en tegenstanders Henegouwen en Holland. Dat laatste leidde mee tot de moord op de Hollandse graaf Floris in 1296 en een heuse zeeslag bij Zierikzee in 1304, waar ook galleien uit Genua aan te pas kwamen.

 De kern van het verhaal blijft dat in 1302 voor het eerst een stedelijk militieleger van haast uitsluitend infanteristen op het slagveld een meer dan evenwaardige partij bleek voor het Franse ruiters- en ridderleger dat toen als het sterkste van die tijd gold. Maar nog belangrijker is dat de oude machtsverhoudingen nadien, ook en vooral op het slagveld, nooit meer hersteld geraakten. Zo werd 1302 het breekijzer naar machtsdeling met burgers en steden, die geleidelijk aan het feodaal bestuur zou ondermijnen door lieden die zich louter beriepen op erfelijkheid en God zelve.

 Aan het einde van het boek besteed ik ook een uitgebreid naschrift aan de aloude discussie over de mythes en misverstanden die 1302 opgeroepen heeft en nog steeds oproept. Vertrekkend van de vaststelling dat de eerste mythevorming zich duidelijk is beginnen aftekenen … eind 1302, zowel in Parijs als in Brugge, elk met een eigen versie.

 Hierbij de link naar mijn website en de aankondiging van het boek. Je kan het meteen ook reserveren.

https://www.rolffalter.com/1302-het-boek



De kist van Oxford


 In de aanloop naar de publicatie van mijn boek gaan we komende maand heel veel aandacht besteden op deze blog aan alles wat met 1302 te maken heeft. 

 Te beginnen met de kist van Oxford: de oude eikenhouten kist die begin vorige eeuw in de Engelse universiteitsstad werd gevonden en waarvan het voorpaneel, ook uitgesneden in eikenhout, gevuld is met een achttal middeleeuwse krijgstaferelen. De kist geraakte bij ons bekend toen wijlen Jan Frans Verbruggen ze in de jaren vijftig voor zijn doctoraat gebruikte als belangrijke informatiebron over de Slag bij Kortrijk van 11 juli 1302. 

 Luc Devliegher, de Brugse historicus die op 7 februari van dit jaar overleed, heeft de hele strijd rond de kist twintig jaar geleden beschreven in zijn artikel in het verzamelboek van R.C. Caenegem e.a. 1302, Feiten en Mythen van de Guldensporenslag, uitgegeven bij het Mercatorfonds. 

De kist is zowat dertig jaar lang door allerlei experts afgedaan als een vervalsing, totdat in 1978 werd vastgesteld dat het hout wel degelijk uit de periode rond 1300 dateert, en dat er niet gemanipuleerd is met oude en nieuwe stukken hout. 

 Verbruggen heeft ze altijd verdedigd als authentiek, met heel veel logische argumenten. Inmiddels is de kist dus ook als zodanig erkend. Sinds juli vorig jaar kan je ze bezichtigen in de zijvleugel van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Kortrijk, waar de gebeurtenissen van 1302 geëvoceerd en uitgelegd worden. Ze blijft er nog minstens tot begin juli dit jaar. Een aanrader overigens, met hier de link: https://www.kortrijk1302.be/nl

 Vandaag dus een eerste tafereel van de kist. Je ziet in het midden een drietal gewapende militieleden (ze hebben ook een helm op, en dragen duidelijk een halsberg, een tuniek van metalen ringen die het bovenlichaam en de nek beschermde). Eén van de drie snijdt iemand die neerligt het hoofd af. Links staan drie burgers die de sleutel van de stad aanreiken. Tussen beide een half-geopende stadspoort. De betekenis van het figuurtje rechts in het torentje is niet duidelijk. Men is er zo goed als zeker van dat dit tafereel de slachtpartij onder de Fransen in Brugge van 18 mei 1302 voorstelt, die pas veel later de ‘Brugse Metten’ werd genoemd. 


Oorlog aan het water

30 maart 2023


 Vorige vrijdagavond, 24 maart, ben ik in Ijzendijke geweest, 2500 inwoners groot, net in Zeeuws-Vlaanderen zo’n twintig kilometer ten noorden van Eeklo. Ik kwam er in Museum Het Bolwerk naar Bas Chamuleau luisteren. Chamuleau is 75, heeft een loopbaan als bouwkundige achter de rug, maar buigt zich in zijn vrije tijd al veertig jaar over de geschiedenis van het landschap in Zeeuws-Vlaanderen en Zeeland. 

 In mijn boek ‘België, een geschiedenis zonder land’ van 2012 signaleerde ik al de merkwaardigheid dat de voornaamste feiten uit de geschiedenis van de Lage Landen zich voor het jaar 1000 rondom de Romeinse heirbaan tussen Bavay en Maastricht afspeelden, nadien echter bijna even exclusief in de kustgebieden. En dat die verschuiving vermoedelijk te maken had met het in de tiende of elfde eeuw gestarte proces van indijking van de zee, dat nieuw land creëerde en dus nieuwe rijkdom. De huidige kustlijn ligt inderdaad tussen Saint-Omer in het zuiden en Den Helder in het noorden gemiddeld zo’n 25 tot 30 kilometer meer westwaarts dan een millennium geleden.

 Dat geldt ook voor Zeeuws-Vlaanderen, zeg maar de zuidelijke oever van de Scheldemonding. Bas Chamuleau weet daar alles van. Hij bevestigde met vele details dat ook in dat gebied – dat deel uitmaakte van het graafschap Vlaanderen – vooral in de twaalfde en dertiende eeuw een heel intens indijkingsproces heeft plaatsgevonden. Nieuw voor mij was echter de intensiteit waarmee heel dat werk tussen 1584 en 1648 weer helemaal om zeep is geholpen, omdat daar de frontlijn lag in de Tachtigjarige Oorlog. 

 Beide partijen doorbraken toen regelmatig de dijken om zichzelf te beschermen. Chamuleau toonde met een grote hoeveelheid oude kaarten aan hoezeer grote delen van dat gebied decennia onder water hebben gestaan, met enkel wat dijken tussen schansen en versterkte stadjes als verbindingen boven het zeepeil. En hij detecteerde finaal, enkel voor het westen van Zeeuws-Vlaanderen, 27 dorpen en stadjes die tot 1648 verdwenen zijn, vooral door die oorlog, maar ook door de even klassieke stormvloeden. 

  Tik de naam van Bas Chamuleau in je browser en je zal veel van de informatie vinden waarover hij het heeft. Onder meer deze lezing staat online. 

https://www.staatsspaanselinies.eu/nl/download/file:lezing-bas-chamuleau.htm

 Het kleine en gezellige Museum Het Bolwerk concentreert zich overigens op dat verleden als frontlijn, vooral uit de Tachtigjarige Oorlog, met wat er ‘de Spaans-Staatse linies’ heet.  Hier die link:

 https://museumhetbolwerk.nl/

 In de onvolprezen online uitgave door de Universiteitsbibliotheek van Gent van Flandria illustrata van Antonius Sanderus vind je op pagina 97 deze kaart van de vroege jaren 1640, dus nog voor de vredes van Münster en Westfalen van 1648. Hier de link:  

https://lib.ugent.be/viewer/archive.ugent.be%3AEEB84A32-D219-11DF-9DFE-FEF978F64438#?c=&m=&s=&cv=96&r=0&xywh=7065%2C1381%2C1699%2C1366

  De grijze gebieden zijn de overstroomde. Heel het huidige Zeeuws-Vlaanderen viel daaronder. Biervliet, in het midden, in de middeleeuwen een stevig haventje, was anno 1640 een eiland, met aan de overkant van het water het versterkte Ijzendijke. Merk vooral de hemelsbrede overstroomde gebieden aan beide Schelde-oevers ten noorden van het in 1584 door de Spanjaarden veroverde Antwerpen: het ‘Verdronken Land van Kieldrecht, Doel en Kalloo’ en vooral de lange strook noordwaarts, die reikte tot Kruiningen, Tholen en Bergen-op-Zoom. Ook Brabant had dus zijn deel watersnood.

 Nadien zijn de mensen dan toch weer begonnen met indijken om de kustlijn weer te leggen waar ze in de late middeleeuwen al lag, en vandaag terug ligt. We hebben als Lage Landen, een even schitterend als vreselijk verleden, zo blijkt maar weer. Ter compensatie hiernaast een foto die ik vrijdag bij valavond nam, vooraleer ik naar de lezing ging. In Hoofdplaat, een o zo vredig Zeeuws-Vlaams dorpje van 600 inwoners nog eens tien kilometer noordelijker dan Ijzendijke. Het ligt aan de oevers van de Westerschelde, goed beschermd achter een ruim tien meter hoge dikke dijk. Aan de overkant zie je de haven van Vlissingen. En er is een piepklein strandje tussen de slikken en schorren binnendijks, voor als straks de zonnige dagen weer aanbreken.


Terug naar 2008?

 26 maart 2023

Het wordt even bang afwachten morgen en de volgende dagen en weken of we nu al dan niet in een herhaling zijn terechtgekomen van wat zich vijftien jaar geleden afspeelde: de wereldwijde bankcrisis (op de foto: spoedoverleg op het Witte Huis in Washington, 11 oktober 2008. Herkenbaar zijn onder meer Mario Draghi, toen nog een directeur van de ECB die zijn chef Jean-Claude Trichet verving;  Dominique Strauss-Khan, voorzitter van het IMF; Jean-Claude Juncker, voorzitter van de Eurogroep; Hank Paulsen, Peer Steinbrück, Christine Lagarde en Alistair Darling, respectievelijk de Amerikaanse, Duitse, Franse en Britse minister van Financiën; en president George W. Bush, in zijn laatste weken). 

 De moeilijkheden bij de Amerikaanse banken SVB en First Republic, en bij Crédit Suisse en nu ook Deutsche Bank verspreiden toch het parfum van de miserie van toen. Banken blijken te veel eieren in één mand gestopt te hebben, op zoek naar steeds hogere winsten. Centrale bankiers weten niet goed hoe te reageren. Politici en allerlei financiële pundits spreken de geruststellende woorden dat er geen reden is tot paniek. 

 Vooral ook leerden we, uit een artikel in de Financial Times van 23 maart, dat bij SVB, de eerste bank waar het misliep, de CEO zich een fors bonussysteem had mogen uittekenen nadat hij de aandeelhouders hoger rendement had beloofd. Bij Crédit Suisse bleken de kaderleden verontwaardigd toen ze vernamen dat de Zwitserse regering autoritair beslist had hun bonussen te doen sneuvelen in de overname van hun bank door de andere Zwitserse grootheid UBS.

 Het zal de politici en de overheid ditmaal vermoedelijk niet lukken enig vertrouwen in de banken te herstellen. Haast zeker kunnen de banken dat enkel nog zelf, en met een duidelijk signaal dat ze zelf spijkerharde waarborgen hebben ingebouwd tegen ongecontroleerde hebzucht van aandeelhouders en topkaders. Want het is die financiële pandemie die, in een gedereguleerde wereld, aan de basis lag van 2008. Die ondermijnt elk vertrouwen en er blijkt nu, vijftien jaar later, in niets aan geremedieerd te zijn. 

  Om een lang verhaal kort te maken, en in een nieuwe oefening van applied history: de volgende alinea’s van dit artikel komen uit een tekst die ik enkele jaren geleden klaarstoomde over de financiële crisis van 2008. Het gaat om de passage over de cruciale weken in het najaar van toen. Mocht u zich afvragen of er inderdaad enige gelijkenissen zijn tussen vandaag en toen, dan wens ik u veel leesgenot

 'Eens de internationale kettingreactie van stervende banken in de laatste week van september 2008 op gang kwam, deden de meeste regeringen ook beloften over het waarborgen van spaartegoeden. De Franse president Nicholas Sarkozy deed dat al in zijn toespraak van 27 september, de Duitse bondskanselier Angela Merkel op 5 oktober, de Britse premier Gordon Brown op 8 oktober. Ze beloofden tevens dat ze niet langer zouden toelaten dat nog één bank kopje onder zou gaan, alweer om de paniek in te dijken. 

 ‘Het alternatief was een financiële en economische ineenstorting’ zo beschreef de Britse minister van Financiën Alistair Darling het verhaal enkele jaren later. ‘Als we dit verkeerd deden, stond de welvaart van miljoenen mensen op het spel … Ik wist ook wel dat als ons plan werkte, de waarborgen nooit verleend zouden moeten worden, het geld dat we in de banken gepompt hadden zou worden terugbetaald en dat er een dag zou komen dat we aandelen die we nu bezaten zouden terug verkopen, misschien zelfs met winst’. 

 Het verbazende in dit alles is dat de verkozen regeringsleiders in bijna alle gevallen, weliswaar met de rug tegen de muur, in staat bleken veel van hun vaste coördinaten en opvattingen in een mum van tijd overboord te gooien en oplossingen te aanvaarden. Die waren niet alle even fraai, maar ze slaagden er wel in de financiële wervelstorm in te perken en te temperen.

Centrale bankiers

 Moeilijker lag dat bij de centrale bankiers, die de taak hadden de liquiditeit te leveren om de financiële circuits weer te herstellen die wereldwijd door de paniek totaal bevroren waren geraakt. Naar de banken toe gebeurde de verlaging van de administratieve drempels voor het verwerven van kortlopende kredieten (met tegoeden als onderpand) vrij snel, zoals we bij de Europese Centrale Bank zagen onmiddellijk na de aankondiging van BNP-Paribas in augustus 2007. De intrestvoeten was een ander verhaal.  

 De ECB verhoogde nog de centrale herfinancieringsrente naar 4.25 % op 9 juli 2008. Nicholas Sarkozy zou later stellen dat ‘Jean-Claude Trichet beneveld was door het risico op inflatie waarin enkel hij nog geloofde’. Die rente zou nadien snel dalen naar 2,5 % op 4 december 2008, en naar 1 % op 7 maart 2009, om dan twee jaar op dat peil te blijven. Ook Gordon Brown bekloeg zich over het te strakke rentebeleid van de Bank of England, waar de intrestvoet begin oktober 2008 nog op 4,5 % stond. Hij zowel als de Franse president maakten de vergelijking met de Federal Reserve in de VS, die haar centrale rentevoet terugbracht van 5,25 % in juni 2007 naar 4 % in januari 2008, 2 % in juli en 0,15 % in januari 2009. Tegenover de grootste financiële crisis ooit, reageerden de Europese centrale bankiers gewoon te traag.

 Pas enkele jaren later zou bekend geraken dat de Amerikaanse Federal Reserve enorme hoeveelheden dollarkredieten naar Europa had doorgesluisd. Dat deed die om via de Europese centrale banken, maar soms ook rechtstreeks, de noodlijdende Europese banken – Dexia, Deutsche Bank, Credit Suisse, Fortis, UBS, RBS, Barclays, Hypo Real Estate – aan dollars te helpen die ze nodig hadden om hun te grote engagementen in de VS te financieren. Op de normale financiële markten vonden ze daar geen dollars meer voor.

 De Fed deed dat ongetwijfeld uit Amerikaans eigenbelang, met name de angst dat al die Europeanen gedwongen zouden zijn al hun Amerikaanse tegoeden tegelijk te verkopen. Maar ze vermeed daarmee een verdere uitdieping van de crisis, en een monetaire crisis tussen dollar en euro. De ‘bijstand’ aan Europa was potentieel echter zo politiek controversieel, dat de Amerikaanse centrale bank dit jarenlang stilhield en zelfs bewust verborg, totdat ze die operatie kon verantwoorden met de winst die ze had gemaakt op de terugbetalingen.

 De Federal Reserve speelde dus in die cruciale maanden van eind 2008, begin 2009 de zogenaamde lender of last ressort, ook voor grote delen van de wereld buiten de VS waar een financiële ineenstorting tot nieuwe dreunen op Wall Street kon leiden. Op die manier geraakte de rol van de dollar als centrale munt van de wereld opnieuw versterkt, eerder dan afgezwakt. 

 Zowel Nicholas Sarkozy als de Duitse minister van Financiën Peer Steinbrück hadden in de herfst van 2008 nog het omgekeerde aangekondigd. ‘De rol van de dollar als reserve-munt zal heel relatief worden’, zei de Duitse minister in september 2008 tegenover journalisten. ‘De dollar kan niet langer claimen dat ze de enige wereldmunt is, zoals voorzien in Bretton Woods’, zei Sarkozy in die dagen.

  Ze kregen enkele weken later een repliek van Tim Geithner, toen nog directeur van de Federal Reserve van de staat New York, enkele weken later de nieuwe minister van Financiën van Barack Obama: ‘De Europeanen creëerden een banksysteem dat ze heel, heel groot lieten worden, ook tegenover hun eigen bbp, met uitzonderlijke distorties inzake muntwissels en geen enkel plan om in liquiditeiten in dollars voor hun banken te voorzien op het ogenblik dat er een storm zou losbreken zoals deze.’ 

Europeanen

 Het gebrek aan besef bij de Europeanen dat de balk in het eigen oog minstens even groot was als die in het Amerikaanse, was één van de pijnlijkste aspecten van de financiële crisis van 2008. Het was Gordon Brown die Sarkozy, Trichet, Juncker en Barosso op 12 oktober 2008 in Parijs duidelijk maakte ‘dat de Europese banken meer geëngageerd waren in leverage dan de Amerikaanse’. Ze beheerden in totaal naar schatting 2000 miljard euro aan Amerikaanse tegoeden (pakweg 10 % van het bbp van de EU), waarvan een vijfde de facto waardeloos was. ‘Het is nu duidelijk ook een Europese crisis’, benadrukte Brown. Hij had evengoed kunnen zeggen: we hebben één financiële markt gecreëerd en gedereguleerd en alle controle uit handen gegeven. 

 De misplaatste Europese zelfverzekerdheid was zo mogelijk nog erger bij de Europese banken die in moeilijkheden geraakten. Zowel de Britse als de Duitse regering kregen – in tegenstelling tot de Franse, waar financiërs en regering aan hetzelfde zeel trokken - af te rekenen met banken die trots weigerden om mee in te stappen in globale pakketten voor de redding van het hele systeem. Het bleek achteraf vooral op hypocrisie te berusten. 

 Joseph Ackermann, de Zwitserse CEO van Deutsche Bank, dat zijn twee grote rivalen in moeilijkheden zag, liet naar de pers zijn standpunt uitlekken dat ‘hij beschaamd zou zijn moest zijn bank hulp vragen aan de overheid’. Het Britse Barclays, dat in het najaar van 2007 net niet het Nederlandse ABN-AMRO overnam en nochtans half september 2008 dankzij het Labour-kabinet was belet heel Lehmann over te nemen, nam eenzelfde hautaine houding aan toen de Britse regering drie weken later zijn noodplan voor de hele financiële sector uitbracht.

 Achteraf zou blijken dat beide, Deutsche en Barclays, hun herfinanciering zochten bij de facto overheidsfondsen in Qatar en de Emiraten. Ze haalden zich daar later een hele reeks onderzoeken over fraude mee op de hals. Bovendien profiteerden ook zij royaal van de discrete dollar-bijstand van de Fed. Deutsche zou in het daaropvolgende decennium zelfs de zieke Duitse bank par excellence worden.

 Dat was dan nog de geringste dwaasheid van de bankiers. Zowel Gordon Brown als Alistair Darling, beiden afkomstig van Edinburgh, waar ook de hoofdzetel van Royal Bank of Scotland lag, hebben in hun memoires uitvoerig het hautaine en onwaarschijnlijk somptueuze gedrag beschreven van hun kennis, sir Fred Goodwin, de CEO van de bank. ‘Hij had, vanwege het bedrijf, een privé-suite in de Savoy in Londen die 700.000 pond per jaar kostte, een vloot van 12 Mercedessen met chauffeur ter beschikking met het RBS-blazoen erop, en vaak ook een privéjet in het weekeinde om te gaan jagen in Spanje of ergens in de wereld het glamoureuze Formule Eén circuit op te volgen'.

Bankiers

 Goodwin zag slecht heel traag en veel te laat de omvang van het probleem van RBS in. Hij aanvaardde finaal wel zijn afzetting, toen RBS voor ruim 80 % van de aandelen genationaliseerd werd. En ook, enigszins knarsetandend, dat hij daarvoor moest afzien van een vertrekpremie. Hij behield wel zijn pensioen, waarvan officieel aan de overheid – de nieuwe hoofdaandeelhouder – werd meegedeeld dat het 400.000 pond per jaar bedroeg. Later bleek dat het dubbele te zijn. Het lekte onvermijdelijk uit naar de media. Brown en Darling konden toen de binnenpretjes niet verbergen dat voor een keer niet de politici door de gehaktmolen van de tabloids werden gedraaid.

 Beide Britse leiders beschrijven hoe op het hoogtepunt van de crisis ‘slechts een handvol mensen echt begreep wat er aan de hand was, en de belangrijkste managers van de banken schenen daar niet bij te horen’. Brown kreeg op 7 oktober 2008 een telefoontje van Darling, die samenzat met de Britse bankiers over het globale reddingsplan en die hem meldde dat ze ‘ongelooflijk ongelukkig en weerspannig zijn’. 

 De premier, die eerder al had aangevoeld dat de CEOs van de banken zich zouden verzetten tegen een gedwongen herkapitalisatie, uit vrees dat dit hun positie kon aantasten, concludeerde in zijn memoires: ‘De waarheid is dat ondanks de chaos rondom hen, de bankiers nog altijd niet de omvang van het probleem doorhadden dat ze hadden gecreëerd en nu moesten bemeesteren'. 

 Tim Geithner heeft onderkoeld beschreven hoe Richard Fuld, de CEO van Lehmann Brothers, functioneerde: ‘Hij kwam meestal te laat in actie en was ongelooflijk onrealistisch over de toestand van zijn bedrijf. Hij scheen te denken dat hij in de eerste plaats een slachtoffer was en dat het onze job was hem te redden van een onrechtvaardige wereld. Hij begreep gewoon niet dat Lehmann voor een vertrouwenscrisis stond die zelfs de Fed niet kon fixen’.

 In die context lekte het onvermijdelijk uit dat begin 2009 heel wat van de financiële instellingen die enkel dankzij de overheidsinterventie hadden kunnen overleven alsnog boni uitkeerden aan een pak van hun kaderleden, met de hoogste uiteraard voor het topmanagement zelf. Een bonus is in princiep een beloning voor goede prestaties, maar binnen de banken was het systeem uitgegroeid tot een breed vertakt recht op een premie, en een statussymbool: wie ze kreeg kon pretenderen dat hij of zij niet bij de modale werknemers van het huis hoorde. 

 Qua boodschap naar de buitenwereld was dit verhaal natuurlijk desastreus, op het ogenblik dat heel wat beleggers en huiseigenaars hun vermogen hadden zien wegsmelten en dat de overheid de burgers nieuwe inkomsten moest vragen om de putten te delgen van de schulden die waren aangegaan om de banken te redden. Veel erger nog was dat de meeste bankiers het stelsel bleven verdedigen naar de verontwaardigde regeringsleiders toe, en er geen enkele bankier bekend is die in die dagen verklaard heeft dat het beter was minstens tijdelijk van de bonussen af te zien.

 ‘Het feit zelf dat regeringen verplicht waren geweest in te grijpen legde helemaal bloot dat de logica van de bankiers over hun grote boni – namelijk dat zij het risico droegen als de dingen verkeerd gingen - in wezen een illusie was en pure zelfbediening.’, aldus Gordon Brown. Hij citeert in zijn memoires een analyse van een economist van de Bank of England die uitrekende dat ‘drie kleine veranderingen in het uitbetalingsbeleid van de Britse banken’ tussen 2000 en 2007 ‘meer kapitaal zouden opgeleverd hebben dan datgene wat de Britse regering ophoestte in de crisis'. De drie wijzigingen, die men als kleine correcties op al te grote graaizucht kan omschrijven, waren: 10 % minder lonen en boni, een derde minder dividenden en het niet-betalen van dividenden in jaren van verlies. 

Boni

 Tim Geithner, toen al minister van Financiën in de VS, vernam op 10 maart 2009 dat de verzekeringsgroep AIG, die de dag na het failliet van Lehmann gered was door de overheid, 165 miljoen dollar aan boni zou uitbetalen voor het jaar 2008, en dan vooral aan de leden van de afdeling Financiële Producten die zo waanzinnig verkeerd gespeculeerd hadden. Geithner schrok echter terug voor de juridische gevechten waartoe een overheidsingreep in het bonussen-systeem kon leiden. 

 Hij, en president Obama, kregen dus de volle laag te doorstaan van de woede van de bevolking, de media en het Congres. Om die druk wat af te houden riep Obama de topbankiers allemaal samen, naar het Witte Huis, las hen de levieten en liet zijn uitspraak uitlekken: ‘mijn regering is het laatste wat tussen jullie en de hooivorken van het volk staat’. De enscenering werkte averechts: media en publiek, opgenaaid tot in het oneindige, onthielden enkel dat de president de banken beleefd had ontvangen. 

 Een poging van de Amerikaanse regering later om alsnog een bonus-belasting van 90 % in te voeren, strandde voortijdig in de Senaat. Het beeld beklijfde dat Washington en Wall Street twee handen op één buik waren, een beeld dat ook bijdroeg aan de verkiezing van Donald Trump zeven jaar later. 

 Geithners Britse collega Darling voerde in november 2009 wel een belasting in van 50 % op elke bonus boven 25.000 pond. Die was ‘extreem populair’, maar bleef op fel verzet stuiten van de bankiers en een deel van de media. Darling bleef in zijn laatste maanden uitermate verbaasd over het gedrag van ‘mensen die er in geslaagd waren de titel van ‘meest gehate lui van het land’ af te snoepen van de politici.’ 


Van haven tot piepklein grensdorp

21 maart 2023 

Een paar dagen nadat we hier op deze blog vorige week een berichtje hadden gepost over de opgravingen in Oostkerke, aan het voormalige Zwin, kwam ons via de onvolprezen historische Facebookpagina van Fons Theerens (https://www.facebook.com/patrache.hnd)

 deze link naar een deel van de Zwin-website onder ogen: een (vermoed ik al oude) chronologie van Sint-Anna-ter-Muiden van de hand van wijlen Albrecht De Keyser.

https://www.zwinstreek.eu/geschiedenis/heemkundige-kringen/zoeken-in-publicaties/1355-sint-anna-ter-muiden-750-jaar-stad-kroniek-van-een-der-smalle-steden-langs-het-zwin-1992-02?fbclid=IwAR11egQK4Gov13TdO04D0qQ5JVBcM9Is7msdS3hkOY0DaXl5WABP3Guqbms

 Het Nederlandse gehucht Sint-Anna-ter-Muiden, in de streek bekend als ‘Mude’ zou vandaag maar vijftig inwoners meer tellen, als deelgemeente van Sluis, pal tegen de grens met Knokke-Heist aan. Maar de kroniek van De Keyser geeft een goed idee van wat het allemaal heeft meegemaakt.

 'Mude' profiteerde in eerste instantie, in de middeleeuwen, royaal van zijn ligging aan de inham van het Zwin op de vaargeul naar de wereldhavens Brugge en Damme. Al kreeg het daarom ook zijn portie van het gebruikelijke krijgsgeweld te verwerken. Vanaf 1550 werd het helemaal verscheurd door de godsdiensttwisten van de Lage Landen. Een kleine vijftig jaar later was ‘Mude’ grensgebied, met permanente oorlogsmiserie tot gevolg.

 Het economisch verval was toen al lang ingezet. Finaal kwam er nog wat getouwtrek rond 1830, maar bleef ‘Mude’ net deel van Zeeland en dus Nederlands, zoals het al sinds 1611 was. In 1880 tenslotte besloten de autoriteiten het krimpende dorp aan te hechten bij het grotere Sluis.

 De kroniek van De Keyser leest als een beknopte geschiedenis van (weinig) wel en (veel) wee van het hele Zwingebied, en is daarom zeker de moeite van het lezen waard. Sint-Anna-ter-Muiden bezoeken kan natuurlijk ook. Het oogt, zoals alle locaties rondom de voormalige Zwin-inham, als een slapend, vredig, landelijk dorpje, met – zoals bij alle andere gehuchten, Damme inbegrepen – een veel te grote kerk.



 

 

 


4000 km betwiste grenzen

19 maart 2023

Geschiedenis kan soms een hulp zijn bij het interpreteren van de actualiteit. De Brits-Amerikaanse historicus Niall Ferguson maakt daar zelfs zijn specialiteit van, onder de noemer van wat hij ‘applied history’ noemt. Als  ergens deze week de Chinese leider Xi Jinping zijn opwachting zal maken bij zijn Russische collega Vladimir Poetin, moet je inderdaad minstens naar de geschiedenis teruggrijpen om één en ander te begrijpen.

 Officieel gaan de Chinezen bemiddelen in Moskou, inzake de oorlog in Oekraïne. Maar velen in de westerse wereld vrezen dat Xi aan Poetin zal komen vertellen dat Beijing alle wapens wil leveren die Moskou nodig heeft. Daarmee zou de oorlog in Oekraïne helemaal een krachtmeting kunnen worden tussen westerse democratieën en autoritaire dictaturen, in een nieuwe Koude Oorlog die misschien opnieuw veertig jaar zal duren.

 Het doemscenario circuleert royaal deze dagen. Maar wie een beetje het verleden kent van de complexe relatie tussen de twee landen, kan niet anders dan vermoeden dat het zo’n vaart niet zal lopen. Daarmee is allesbehalve gezegd dat je geen doemscenario’s kan bouwen op die vele vreemde kronkels in de relatie tussen Rusland en China in het verleden. Maar die zijn tegelijk subtieler en complexer dan het verhaal in de vorige alinea.

 Mij kwam de jongste dagen opnieuw het verhaal voor de geest van de ontmoeting tussen de Amerikaanse president Georg Bush (vader) en de toenmalige 85-jarige Chinese leider Deng Xiaoping op 26 februari 1989 in Beijing. Bush was vijftien jaar eerder ambassadeur in China geweest, en de Chinezen hadden zijn behoedzaamheid en pragmatisme leren waarderen. Deng vertrouwde hem dus iets meer toe dan een doordeweekse gast. 

 De twee bespraken daar – negen maanden voor de val van de Muur van Berlijn - de toenemende instabiliteit in de Sovjetunie onder Michael Gorbatsjov. Deng liet toen al uitschijnen dat hij nooit zou toelaten dat het in China zo ver zou komen. Hij zei dat hij, gezien de nog recente geschiedenis van zijn land, altijd voorrang zou geven aan stabiliteit. Iets meer dan drie maand later zou Deng inderdaad het bevel geven om het studentenprotest dat in de weken voordien gegroeid was en de rest van de bevolking leek aan te tasten, met tanks en machinegeweren bloedig te laten neerslaan in de straten van Beijing, inbegrepen voor het oog van internationale camera’s in en om het Tienanmenplein. 

 Ik geef hier vooral de passage weer, uit de nota’s in de Amerikaanse archieven, waarbij Deng mijmerde over de Chinees-Russische relatie. De Duits-Amerikaanse historica Kristina Spohr vatte dat gesprek samen in haar voortreffelijke Post Wall Post Square, het verhaal van de fenomenale omwentelingen in Europa en China tussen 1988 en 1991:

 ‘Deng sprak langdurig over geschiedenis. Hij benadrukte dat de twee landen die China het meest hadden vernederd en doen lijden in de voorbije anderhalve eeuw Japan en Rusland waren. Zelfs al had Japan ‘tientallen miljoenen mensenlevens’ aan China gekost, en ‘onberekenbare financiële schade’, dan was de impact van de Russen nog veel dieper geweest. Zij hadden immers drie miljoen vierkante kilometer Chinese grondgebied ingepalmd. ’In onze relatie, zei Deng, ‘zijn er vele geaccumuleerde problemen, die bovendien heel diepe historische wortels hebben’.

 Drie miljoen vierkante kilometers, dat is zesmaal de oppervlakte van Frankrijk. China verloor inderdaad tussen 1850 en 1950 een pak grondgebied aan Moskou, omdat het zelf toen fel verzwakt was en eerst het tsarenrijk, later de Sovjetunie een koloniaal imperium achter de Oeral uitbouwden. China verloor heel wat territoria in het midden van de negentiende eeuw bij het vastleggen van de grenzen met wat nu onafhankelijke staten in Centraal-Azië zijn (voormalige deelstaten van de Sovjetunie): Tadzjikistan, Kazakhstan, Kirgizië. Tegelijk palmde Moskou in die jaren in het uiterste oosten van Siberië geweldig veel gebied in, totdat het in Vladivostok halt hield (zie de oude CIA-kaart hiernaast). In 1911 verloor Beijing ook nog eens het onafhankelijke Mongolië, dat sedertdien vooral met Moskou verbonden bleef. 

 Dat is het verhaal onder Dengs berekening van ruim dertig jaar geleden. De helft van de drie miljoen vierkante kilometers is voor rekening van Mongolië. Officieel zijn de grenzen al lang wederzijds erkend, ten laatste sinds de beperkte oorlog van zeven maanden die beide landen in 1969 langs die 4000 km lange grens voerden. En het gaat natuurlijk maar om heel lege gebieden - heel Rusland achter de Oeral telt twintig miljoen inwoners, en Mongolië zelf maar drie miljoen – zij het met heel veel grondstoffen die zeker de altijd maar sterker wordende Chinese economie van nut zouden kunnen zijn.

 Dengs opmerking was zeker niet louter persoonlijk. De communistische partij van China, waarop ook Xi Jinping vandaag nog steunt, heeft altijd met een uitermate nationalistische claim kunnen pronken: dat zij door haar overwinning in de langdurige Chinese burgeroorlog in 1949 ook een einde maakte aan ruim een eeuw van vernederingen door andere mogendheden, die allemaal stukjes territoria waren komen inpikken en die van China een versnipperd land hadden gemaakt. 

 De meeste van die territoria verdwenen in 1945, en sinds het opslorpen van Hongkong en Macao blijven er maar twee over: het eiland Taiwan is inderdaad een oud deel van China, dat een onafhankelijke staat geworden is doordat het de toevlucht werd van de nationalistische generaals die in 1949 de burgeroorlog verloren, en nadien onder bescherming van Washington bleven. De andere Chinese kwestie van irrendentismo (de term waarmee Italiaanse nationalisten in de 19de en vroege 20ste eeuw aangaven welke gebieden met Italiaanse bevolking nog bij hun nieuwe land hoorden) slaat op alle stukken grond die destijds door Rusland werden ingepalmd.

 Die kennis van het verleden werpt onvermijdelijk een ander licht op de relaties tussen Poetin en Xi Jiping vandaag. Liever dan zelf uit te leggen hoe, geef ik hier de link naar een artikel dat de Hongaarse historicus en Azië-specialist Csaba Barnabas Horvath vorig jaar in april al schreef. Je moet het niet noodzakelijk met alles eens zijn wat hij schrijft – hij is ook licht bevooroordeeld tegen Moskou – maar het geeft een idee hoe complex het gegeven is. Veel leesplezier:

https://www.geopoliticalmonitor.com/was-china-betting-on-russian-defeat-all-along/



 


 


De 'eerste Vlaamse kasseien'

 15 maart 2023

 Na zaterdag (Milaan – San Remo) begint in het wielerseizoen de periode van de zogenaamde kasseiklassiekers, met Parijs-Roubaix, de mooiste van alle wielerwedstrijden, als traditioneel orgel- en hoogtepunt.

 Inmiddels is men in Oostkerke, een kleine deelgemeente van Damme ten noorden van het oude stadje, bezig met het opgraven van wat archeoloog Wim de Clerq in deze VRT-reportage van 9 februari als ‘de eerste Vlaamse kasseien’ omschrijft:

https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2023/02/09/archeologen-vinden-goed-bewaarde-stenen-weg-uit-de-middeleeuwen/

 Bij het heraanleggen van de Monnikeredestraat even buiten het centrum van Oostkerke, is men, een halve meter diep, op een oude kasseiweg gestuit. Dat bleek eten en drinken voor archeologen, die spoedig vaststelden dat de weg in de middeleeuwen gemaakt was van zogenaamde ballastkasseien (zie de foto hiernaast).

 Het was immers snel duidelijk dat die stenen niet van hier waren, maar van elders aangevoerd. Van de schepen dus, die in die tijd het Zwin opvoeren, tot in Damme, en langs haventjes als Sint-Anna-ter-Muiden, Sluis, Hoeke en Monnikerede (zie het kaartje van het Zwin anno 1300 hiernaast). De stenen dienden om de schepen op zee wat meer stabiliteit te geven.

 In mijn boek over 1302, dat begin mei bij Lannoo verschijnt, (hier de link: https://www.rolffalter.com/1302-het-boek speelt Damme een grote rol, en beschrijf ik ook wat de haven daar was:

 ‘Het Zwin was een vijftien kilometer brede bres die de zee had geslagen in het moerassige landschap ten noordwesten van Brugge tijdens een storm in 1134. Grotere schepen konden via het Zwin vanuit zee doorvaren tot in Damme, dat ca 1180 was gesticht als afdamming aan het eindpunt van de inham, met zijn getijden.

 Op de dam laadde men de goederen over op kleinere schepen die via het Reiekanaal naar het centrum van Brugge voeren. Vanaf 1294 sloeg men ze daar op in de honderd meter lange en dertig meter hoge Waterhalle, vlak naast het stenen Belfort-in-aanbouw. Of men zette ze over op kleinere scheepjes die, via recent aangelegde kanalen, naar Ieper en Gent voeren. Paarden trokken die scheepjes voort, vanop de oever. Kleinere havens verrezen aan de boorden van het Zwin naast Damme, zoals Muide, Hoeke en Monnikerede.

 ‘De haven van Damme is zo groot en omvangrijk dat ze heel onze vloot zou kunnen herbergen’ zo schreef Guillaume le Breton, de hofschrijver van de Franse koning Philippe-Auguste, vermoedelijk nadat hij daar in 1213 samen met het Franse leger was gepasseerd. ‘We hebben er rijkdommen gezien die waren aangevaren door schepen van alle delen van de wereld.’

 Le Breton somde ze ook op: ‘Zilver in staven, goud met een vaalrode glans, stoffen uit Venetië, weefsels uit China en de Cycladen, bontwerk uit Hongarije, de kostbare granen waarmee je stoffen scharlaken kunt kleuren, vlotten geladen met wijn uit Gascogne en La Rochelle, ijzer, nog andere metalen uit Engeland en lakens uit Vlaanderen.’

 De archeologen vandaag moeten natuurlijk haast maken: de weg kan, noch voor de bewoners, noch voor de financiën van Damme, te lang openliggen. Damme zelf (de deelgemeente van de grotere fusiegemeente Damme) is tegenwoordig een vredig en prachtig dorpje van zeshonderd inwoners, Hoeke telt er een kleine tweehonderd en Sint-Anna-ter-Muiden een honderdtal. Sluis, dat het langst de verzanding van het Zwin overleefde, is nog steeds een stadje. Monnikerede werd ontruimd en verdween toen men onder Napoleon in het begin van de negentiende eeuw de Damse Vaart aanlegde.

 

 Wie meer wil weten over het glorierijke verleden van de wereldhaven Damme, heeft daar gelegenheid te over voor. Bijvoorbeeld binnenkort al, op Paaszaterdag 8 april. De dag voor Parijs-Roubaix. Zeker de moeite waard

https://www.damme.be/activiteitendetail/3985/monnikerede-de-verdwenen-zwinhaven


De grotten van de Navo

10 maart 2023

De foto links toont de ingang  van het voormalige Navo-commandocentrum in de mergelgrotten tussen Maastricht en Kanne. Van 1953 tot 1992 werkten daar honderden militairen uit diverse Navo-landen, met de coördinatie van de luchtverdediging en -offensieven voor het noorden van het Navo-gebied als voornaamste taak. De basis werd aangelegd in het bekende complex van oneindige gangen die door de eeuwen heen voor de kalkwinning waren uitgegraven in de Sint-Pietersberg. De Duitse bezetter had er in de jaren 1943-44 het voorbereidende werk voor een basis geleverd, die toen bedoeld was om V1 en V2 raketten af te vuren, maar niet meer klaar geraakte. 

 De foto bovenaan deze blog toont het visueel plan van België, Nederland en West-Duitsland dat in het toenmalige commandocentrum werd gebruikt. De meeste regionale luchthavens in onze contreien vandaag zijn gewezen Navo-luchtmachtbasissen uit de Koude Oorlog: Charleroi, Eindhoven, Aken-Maastricht, Luik, Weeze bij Düsseldorf (Brustem hoorde daar ook bij, maar het autonome Vlaanderen verkoos geen regionale luchthavens uit te bouwen). De basis had uiteraard ook een rechtstreekse lijn met het SHAPE-hoofdkwartier in Casteau bij Mons, om razendsnel alle vliegtuigen met kernbommen te kunnen lanceren mocht daartoe het bevel komen. Zoals bekend was de reactietijd op een mogelijke kernaanval uit het oosten aan het einde van de Koude Oorlog amper nog een kwartier.

 De voormalige basis kan vandaag bezocht worden, en het bezoek is een absolute aanrader. Alle inlichtingen bij https://www.limburgs-landschap.nl/natuurgebied/cannerbos/ 

 Overigens signaleerde ik in mijn boek 'België, geschiedenis zonder land' al dat de ingang op de foto op de weg ligt naar Chateau Neercanne honderd meter verder. Dat is Nederlands enige restaurant op een helling. Het werd beroemd toen daar begin december 1991 de Europese leiders - onder wie François Mitterrand, Helmut Kohl, Felipe Gonzalez, Ruud Lubbers en Wilfried Martens - door koningin Beatrix op een middagmaal waren uitgenodigd. De heren hadden net, in het Congrescentrum van Maastricht, flink ruzie zitten te maken over hun plannen om de euro te creëren. De tot in de puntjes verzorgde lunch van Beatrix bedaarde de gemoederen, en 's namiddags bereikten de Europese leiders een akkoord over de euro. 

 Chateau Neercanne was lang voordien een kasteel, waarvan de heer in 1839 bij het trekken van de grens tussen Nederland en het nieuwe België er via goede contacten in de diplomatie net in slaagde zijn goed in Nederland te laten situeren. Daarvoor werd een kleine afwijking toegestaan op het basisbeginsel in het vredesakkoord dat bepaalde dat de grens getrokken zou worden op de afstand van twee kanonschoten van de toenmalige muren van Maastricht. En daardoor ligt Chateau Neercanne niet in het Belgische Kanne (deelgemeente van Riemst), maar net op de grens in het Nederlandse Maastricht.